14 juli 2024
Richteren 16:30: Als nu Delíla zag dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op en brachten het geld in hun hand.
INLEIDING
In Richteren 16 loopt het leven van Simson uit op zijn diepste val en tegelijk op Gods overwinning, wanneer hij na verlies van kracht en ogen tot de HEERE bidt: "Heere, HEERE! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God!" Deze leespreek toont hoe Simsons ondergang door eigen zonde uiteindelijk verandert in Gods overwinning over de vijanden van Zijn volk, en hoe daarin de meerdere Simson, Jezus Christus, wordt afgeschaduwd.
Het laatste van Gods kind en knecht Simson
RICHTEREN 16:18-22
18 Als nu Delíla zag dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op en brachten het geld in hun hand.
19 Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen, en zijn kracht week van hem.
20 En zij zeide: De Filistijnen over u, Simson. En hij ontwaakte uit zijn slaap en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan als op andere malen en mij uitschudden; want hij wist niet dat de HEERE van hem geweken was.
21 Toen grepen hem de Filistijnen en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.
22 En het haar zijns hoofds begon weder te wassen, gelijk toen hij geschoren werd.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Richteren 16:30
THEMA
Het laatste van Gods kind en knecht Simson
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, het gaat vanmorgen in de preek nog een keer over de richter Simson. Het thema voor de preek is: Het laatste van Gods kind en knecht Simson We letten op twee aandachtspunten: 1. Simsons ondergang 2. Gods overwinning Dus: het laatste van Gods kind en knecht Simson: zijn ondergang en Gods overwinning. Als eerste:
We lezen in Richteren 16:4En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, welker naam was Delila.: En het geschiedde daarna, dat hij (Simson) een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek (een plaats, waarschijnlijk vlakbij Zorah, het dorpje waar Simson opgegroeid is), welker naam was Delila. Een nieuwe episode in het dramatische leven van Simson. In Gaza viel hij in de zonde. Hier leeft hij in de zonde. Hij leeft met Delila, hij woont misschien wel met haar samen.
En zij speelt een nieuw spel met Hem: Simson! De Filistijnen over u! De Filistijnen zijn hier! (in vers 9, 12, 14 en 20). En Simson speelt het spel mee. Eerst met zeven verse zelen, met zeven verse pezen van een boog (vers 7). Daarna met zeven nieuwe touwen (vers 11). En daarna laat hij zijn zeven haarlokken vlechten aan een weefgetouw. Keer op keer nemen ze elkaar beet, als een spel van kat en muis: Delila Simson, en Simson Delila.
Maar, wat doet Simson ondertussen eigenlijk, jongens en meisjes? Eigenlijk wil hij twee dingen tegelijkertijd. Hij wil nazireeër blijven en dus verklapt hij het geheim van zijn lange haren niet. Maar hij wil tegelijkertijd ook het plezier van de zonde met Delila. Hij wil van twee walletjes eten! En ondertussen speelt hij met het gevaar van de zonde. Hij heeft helemaal geen oog voor het gevaar van de zonde. Had hij maar geluisterd naar de (latere) waarschuwing van Salomo: Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put (Spreuken 23:27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.). Met andere woorden: pas op! Als je erin valt, dan kom je er op eigen kracht niet meer uit!
Na drie keer is Delila het zat. De vorsten van de Filistijnen hebben haar (maar dat weet Simson niet) namelijk een prijs beloofd. Kijk maar in vers 5: als jij, Delila, ons kan vertellen waar zijn verborgen kracht in zit, zodat we hem kunnen overmeesteren, dan krijg je van elk van ons elf honderd zilverlingen. Dus de totale prijs is: vijfmaal (want er zijn vijf Filistijnse vorsten), vijfmaal elfhonderd zilverlingen, totaal dus vijfenhalfduizend zilverlingen. Nu moet je weten: één zilverling, één sikkel was het loon wat een werknemer kreeg voor vier dagen werken. Vijfenhalfduizend zilverlingen is dus omgerekend naar onze tijd een paar miljoen euro! Ze ziet het zilver al blinken. Zoals Judas het zilver zag blinken. Alleen… de waarde van zijn Meester, de waarde van de Zaligmaker der wereld, werd slechts geschat op dertig zilverlingen. Geen vijfenhalfduizend, maar slechts dertig zilverlingen. O, wee ons, dat we de door God gezonden Zaligmaker zo laag geschat hebben! We zagen in Hem geen gedaante, noch heerlijkheid (Jesaja 53:2Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.).
Na drie mislukkelingen voert Delila de druk verder op. Want het zilvergeld lonkt… Kijk maar in vers 15: ‘Simson, je houdt niet van me. Je spot met me.’ In vers 16 staat: ze perst hem, ze dwingt hem met woorden, ze valt hem moeilijk, zo zelfs dat Simson heel erg verdrietig wordt, er staat letterlijk: tot stervens toe. Hij komt bij zijn vriendin (zeker, hij leeft in de zonde, maar), hij komt bij zijn vriendin voor gezelligheid en plezier. Maar de sfeer is totaal verziekt. En hij kan er niet meer tegen. Hij ziet het niet meer zitten. En vooral: hij zit volledig klem. Want hij moet kiezen: zijn geheim of Delila, God of de zonde. En nog denkt hij, dat hij het wel redden zal…
Maar op het laatst, vertelt hij haar alles. We lezen in vers 17: Zo verklaarde hij haar zijn ganse, en zeide tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireeër Gods van mijn moeders buik af; indien ik geschoren werd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen. Nu gaat het fout! Delila zorgt dat ze eerst haar geld binnenkrijgt (vers 18). En dan, dan slaapt Simson weer bij deze vreemde vrouw, maar terwijl hij slaapt, laat ze zijn zeven haarlokken, de zeven strengen van zijn lange haar afknippen (vers 19). En dan is het spel definitief gespeeld: Simson, de Filistijnen over u! (vers 20)
Simson wordt wakker. Hij denkt dat hij zal opstaan als altijd, maar hij weet niet wat er ondertussen gebeurd is. Kijk maar in vers 20: En zij zeide: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat de HEERE van hem geweken was.
Hij is zijn haar kwijt… Nee! Hij is zijn kracht kwijt… Nee! Het is nog veel erger: hij is de Heere kwijt. En dus is hij een weerloze prooi voor de Filistijnen, die gelijk zijn ogen uitsteken, die hem gelijk binden met koperen ketenen en meenemen naar de gevangenis in Gaza.
En daar laten ze hem als een dier rondlopen, om een molensteen in gang te zetten om koren te malen. Het is definitief donker in het leven van Simson. Zijn ogen zien het licht van de zon niet meer. Hij was (dat is de betekenis van de naam Simson) een zonnekind. Maar nu is het donker. Maar het is vooral geestelijk donker, want de Heere is van Hem geweken.
Voordat ik verder ga met het gedeelte dat ik vanmorgen vooral met u willen overdenken, nog even deze vraag: Wat is de boodschap van dit gedeelte? Wat is de boodschap van de geschiedenis van Simsons val in het huis van Delila? Het was voor Israël en het is voor ons vooral een spiegel! Simson heeft van de Heere heel veel zegen gekregen. Maar hij vergeet de Heere en is alleen maar bezig met zijn eigen plezier. En… (en nu komt het!), en hij is zich niet bewust van het gevaar, hij is zich niet bewust van zijn werkelijke toestand. Het is zoals Hosea zegt: Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet (Hosea 7:9Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.). Hij denkt, dat alles goed met hem is, hij denkt dat alles prima gaat, hij denkt dat hij zich best zal redden. Want, als het nodig is, dan zal God er wel zijn om hem te redden en te bewaren! Het doet denken aan wat de profeet Jeremia zegt: Zij keren Mij (zegt de Heere) de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons (Jeremia 2:27Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.). Dat is Simson: hij staat op, ‘verlos me, Heere!’ Maar de Heere is geweken.
Er waren mensen in Israël, er zijn kerken in Nederland (en het is een spiegel voor ons) die denken dat nooit boven de deur van hun kerkgebouw geschreven kan worden: I kabod!, de eer is weggenomen, de heerlijkheid des Heeren is geweken (1 Samuel 4:21). De kerk zat nog wel vol, maar zij wisten niet dat de Heere van hen geweken was. Het is een indringende waarschuwing, persoonlijk, maar ook voor ons als kerkenraad en gemeente.
Maar ik moet niet in de eerste plaats de beschuldigende vinger naar u als gemeente wijzen. Dit begon in Israël altijd bij de priesters, bij de ambtsdragers. Het begon, in de tijd van de hogepriester Eli, met de priesters Hofni en Pinehas. En hier en op zoveel andere plaatsen zijn het de ambtsdragers met wie het begint! Als we leven in de zonde, als we onze roeping verwaarlozen, als we onze eerste liefde verlaten en alleen maar bezig zijn met onze eigen dingen, als we de vermaning van het Woord voor onszelf terzijde leggen, dan kan de Heere ongemerkt verdwijnen! Zelfs, net als bij Simson, zonder dat wij het merken! En als we het merken, dan is het net als bij Simson, te laat! I kabod!, de eer is weggenomen, de heerlijkheid des Heeren is geweken…
De Filistijnen brengen Simson naar Gaza. Ze brengen hem naar de stad waar hij eerder de poort van had weggedragen. Daar wordt hij in de gevangenis gegooid. We zijn aangekomen bij ons tweede aandachtspunt:
Daar zit Simson in de gevangenis in Gaza. De kroon van zijn nazireeërschap is van zijn hoofd gevallen (Klaagliederen 5:16De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!). Zijn ogen zijn uitgegraven, dat wil zeggen uitgestoken. Hij is blind en doet het werk van een dier. Het woord van de latere Spreukendichter is vervuld: Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast (Spreuken 5:3-5Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.). Gemeente, jongeren, ouderen, let er toch op: de zonde maakt ons stuk! Letterlijk!
Het is donker in het leven van Simson. Wat betreft zijn natuurlijke ogen. Dit is opvallend! Die ogen, die hem zo vaak verleid hebben tot zonde, die ogen is hij kwijt! De Heere komt hem tegen met een straf die hem blijvend herinnert aan zijn zonden. Maar het is vooral geestelijk donker in het leven van Simson. Zijn hoogmoed, zijn liefde tot de wereld, zijn geestelijke gearriveerdheid (dat hij dacht dat God er altijd wel voor hem zou zijn en blijven), zijn zonden hebben Hem gebracht in de duisternis van Godsverlating. De Heere is van Hem geweken.
In dat donker van de gevangenis, in dat donker van zijn blindheid, nu het zo laag met hem afgelopen is, ziet hij ongetwijfeld nog maar één ding: hij ziet zijn zonden steeds voor ogen zweven (Psalm 51:2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan., ber.). Iedere keer als hij denkt aan het feit dat hij niet meer kan zien, moet hij terugdenken aan het feit dat zijn ogen vroeger wel zagen, maar altijd keken naar het verkeerde, altijd toegetrokken werden naar de zonden. En dus blijft er nu maar één ding over om te zien, zonder ogen: mijn zonde zie ik mij steeds voor ogen zweven. Ik heb tegen U, ja U alleen misdreven. Ik gevoel de grootheid van mijn kwaad. Uw oordeel rust op de allerbeste wetten. Uw doen is rein, uw vonnis gans rechtvaardig (Psalm 51; 119:69, ber.)
Simson wordt in de gevangenis opnieuw zondaar voor God. Hoe ik dat weet? Matthew Henry, de bekende bijbeluitlegger, zegt: dat blijkt, uit het feit dat het teken van zijn nazireeërschap uiteindelijk weer terugkeert en uit het feit dat God weer gebruik van hem gaat maken tot verderf van de vijanden van zijn volk. Simson komt in de gevangenis tot berouw, tot een nieuwe droefheid naar God. Hij was een man die genade kende, maar die door eigen schuld terechtkwam in geestelijke verlating. Vanwege zijn zonden! Vanwege de zonden van zijn hoogmoed en trots, vanwege zijn zonden tegen Gods geboden. Vanwege de verwaarlozing van zijn roeping, vanwege zijn hang naar de dingen van de wereld, vanwege zijn automatisme in het vertrouwen op God. En de weg van de Heere om deze man (Zijn kind en knecht) op de knieën te dwingen is een weg van bittere tegenspoed en geestelijke verlating: de Heere heeft hem verlaten.
Waarom? Wat ik zei: om hem op zijn knieën te dwingen. Om ervoor te zorgen dat deze grote, sterke man op zijn knietjes weer terug zal kruipen naar God toe, belijdend ‘wee mij, dat ik zo gezondigd heb’, biddend ‘o God, wees mij zondaar genadig’. U zegt: dat hebben de onbekeerden nodig. Jazeker, maar ik wens u dat allemaal zo van harte toe: dat bukken en buigen van droefheid en verdriet om zo veel zonden die Gods hoogheid schonden. Dat innerlijke en hartelijke heimwee naar God, die u door eigen schuld kwijtgeraakt bent.
Maar dit hebben ook Gods kinderen na ontvangen genade zo nodig. Zeker, hier is iets van Gods rechtvaardige straffen over de zonden van Simson. Hij verliest zijn ogen. Maar er is meer! Achter dat Simson hier zo in de gevangenis komt, daarachter schittert Gods liefde! Hij wil en kan en zal Zijn kind niet kwijt! Zo Mijn kinderen ooit Mijn zuivere wet verlaten, zo het richtsnoer van Mijn recht ter regeling niet kan baten, zo zal Ik hen bezoeken met de roede en bittere tegenheden… Maar over hen Mijn gunst en goedheid nooit doen enden, niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden…! Ik zal nooit (hoort u de vastheid: Ik zal nooit!), Ik zal nooit herroepen, hetgeen Ik eenmaal heb gesproken. Hetgeen uit Mijn lippen ging blijft vast en onverbroken. Laten we dat samen gaan zingen uit Psalm 89, daarvan het 13e en 14e vers. "Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat. Maar zo zijn kinderen ooit Mijn zuivere wet verlaten, Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter regeling niet kan baten, Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven, Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven."
"Dan zal Ik hen, die dwaas en wrevelig overtreên, Bezoeken met de roe en bittere tegenheên; Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden. Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden; 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken."
Het is Gods goede hand, het is de hand van Zijn eenzijdige liefde en trouw, die Simson in de gevangenis op de knieën brengt met diep berouw: ‘wee mijner, dat ik zo gezondigd heb. Ai, was mij wel van ongerechtigheid.’ En de Heere hoort. Niet om de worsteling van Simson, maar om de worstelingen van de meerdere Simson. Toen hoorde God. Dat blijkt. Kijk maar in vers 22, daar staat: En het haar van zijn hoofd begon weder te wassen (te groeien), gelijk toen hij geschoren werd.
Er is iets wonderlijks. Het feest van de Filistijnen in de tempel van Dagon zal vrij snel na de gevangenneming van Simson gehouden zijn. Matthew Henry zegt: ‘hierin was waarschijnlijk iets buitengewoons (in dat sneller groeien van zijn haar), bedoeld als een bijzondere aanduiding van het terugkeren van Gods gunst over hem op zijn berouw.’
Het haar van Simson, wat in het huis van Delila afgeknipt is, gaat weer heel snel groeien, totdat Simson weer diezelfde zeven grote, lange, dikke haarlokken heeft.
Jongens, als je naar de kapper gaat, ook al laat je stekeltjes knippen, ook al laat je je helemaal kaal knippen, je haar gaat uiteindelijk toch weer groeien. Omdat…? Omdat de kapper één ding niet kan weghalen, en dat kon Delila ook niet: je haarworteltjes! Die zitten in de huid van je hoofd. Die zitten daar en blijven daar zitten, en niemand kan die weghalen. Zo was het ook bij Simson. Delila kon van Simson heel veel afpakken: zijn haar en zijn kracht. En de Heere verliet hem. En het leek alsof Simson daardoor alles kwijt was. Het leek alsof hij alles kwijt was: zijn ogen, zijn genade, maar… één ding raakte hij niet kwijt: de wortel van de genade. Ik bedoel: het begin van Gods werk in zijn hart. Dat kon niemand uit zijn hart trekken: de wortel! En die wortel was Gods verkiezende liefde en genade.
Gods verkiezende liefde en genade is de enige vastheid in het leven van Zijn kinderen. Als die wortel er niet was, dan liep alles definitief verkeerd met ons af. Dat bedoelen we nu ook, jongens en meisjes, met die bekende uitdrukking: genade is een eenzijdig werk van God. Dat geldt het begin van het werk van de Heere: niemand vraagt of zoekt de Heere, het werk van Zijn genade, het geven van een nieuw hart komt echt alleen van Hem! Maar dat geldt ook het vasthouden van Zijn kinderen. God houdt Zijn kinderen vast, Hij laat nooit varen (dat wil zeggen: Hij laat nooit los) het werk van Zijn handen. En dat is enkel en alleen vanwege Zijn onveranderlijke, eeuwige liefde en trouw. Onze belijdenis zegt: God is getrouw, Die hen (die Hij uitverkoren heeft) in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartig bevestigt en ten einde toe krachtig bewaart (DL V, 3).
We zien in het leven van Simson ook dat andere, wat onze Dordtse Leerregels zeggen: Met (…) grove zonden vertoornen zij (Gods kinderen) God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven de Heiligen Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaar hun consciëntie en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het Vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt (DL V, 5). Dat is wat in de gevangenis in Gaza gebeurt: het Vaderlijke aangezicht van God gaat opnieuw schijnen. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden. Hoe zwaar hoe lang wij ook Zijn wetten schonden, Hij straft ons, maar naar onze zonden niet (Psalm 103:5Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends., ber.). Want…? Want God wil en zal voor Zijn Eigen eer zorgen.
Het feest is compleet! Een offerfeest voor Dagon, voor de afgod van de Filistijnen. Want zo zeggen de Filistijnen, in vers 23 en 24: Onze God heeft onze vijand, die ons verwoestte, in onze hand gegeven. ‘Mensen, roep Simson erbij, hij moet voor ons spelen!’
Misschien moet hij voor hen dansen, maar dit spelen houdt vooral spotten in. Simson moet op het feest zorgen voor het entertainment. Ze vernederen hem en spotten met hem:
‘Haha, hij heeft op zijn God vertrouwd, dat Hij hem nu uitredde.’ ‘Zeg, man zonder ogen, profeteer: wie is het, die u geslagen heeft?’ ‘Zeg, Nazireeër van Israëls God, waar is God op wie u bouwde, en aan Wie u uw zaak vertrouwde?’ ‘Het heeft even gekost, maar onze god Dagon is toch de uiteindelijke overwinnaar!’
Wie ziet in het lijden van deze Simson niet een beeld van het lijden van de meerdere Simson? Gevangen, bespot, gelasterd en verlaten…: Ik heb buiten U, daar ik zo bitter lijd, geen hulp te wachten. Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Psalm 22:1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar., 6, ber.) ‘Waarom, Simson?’ ‘Om mijn zonden. Ik toch rechtvaardig, want ik ontvang straf, waardig hetgeen ik gedaan heb (Lukas 23:41En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.)’ ‘Waarom, o Heere Christus?’ ‘Om de overtreding Mijn volks is de plaag op Mij. Ik verlaten, opdat zij nooit meer verlaten zouden worden.’ Een moordenaar moest het van Hem zeggen: En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (Lukas 23:41).
En ondertussen spotten duizenden met Simson: gewone Filistijnen, hun vijf vorsten, en ook de drieduizend mannen en vrouwen, die op het dak zitten van die grote arena, waarvan de constructie rust op twee hele grote pilaren. Ze zijn gerust, ze hebben plezier en… ze spotten met Simson. Zoals zovelen rond het kruis van Jezus stonden en Hem lasterden. Zoals Mattheüs schrijft in Mattheüs 27: En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. En zeggende: U, Die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Indien U de Zoon van God bent, zo kom af van het kruis. En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeeën, Hem bespottende, zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon (Mattheüs 27:39-43). Zie, gemeente, het Lam Gods, in Zijn bittere lijden!
Simson leunt, tegen één van die twee grote, dikke pilaren. Misschien is hij moe. Maar zonder twijfel is hij vooral intens en pijnlijk geraakt door wat hier gebeurt en door wat hier gezegd wordt: onze god Dagon heeft ons verlost. Zal de vijand dan toch de Naam van de God van Israël lasteren? Had God hem niet aangesteld als verlosser? Om Israël te verlossen? Zal de vijand dan toch zegevieren?
Het doet denken aan de latere Psalm 74, waar de dichter zegt: Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren? Waarom trekt U Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.
Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde (Psalm 74:10-12).
En dus roept Simson tot de Heere. Simson bidt! En zie, hij bidt (Handelingen 9:11En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.). Tot? Kijk maar in vers 28, en let vooral op tot Wie hij bidt: Toen riep Simson tot de HEERE, en zeide: Heere, HEERE! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke. Hij bidt tot God, tot de almachtige God. Hij bidt tot de HEERE, geschreven met vijf hoofdletters. O, God van Uw eenzijdige verbond, van dat verbond dat ik zo veracht heb. Maar U zult Uw verbond toch nooit schenden. En hij bidt tot de Heere, met één hoofdletter geschreven. ‘Simson, waarom noem je Hem Heere?’ Net zoals de moordenaar aan het kruis: ‘Heere, gedenk mijner, als U in Uw Koninkrijk gekomen zult zijn (Lukas 23:42). Ik denk aan de catechismus, aan zondag 13, antwoord 34: ‘Waarom, Simson noem je Hem Heere?’ Waarom, volk van God, noemt u Hem onze Heere? Omdat (zo zegt zondag 13) Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt
Dit is een gebed vol van geloof en vertrouwen. Dit is een gebed waarin Simson pleit op God, op Zijn Namen, op Zijn deugden, op Zijn eenzijdige liefde en trouw. ‘Iedereen roemt hier Dagon, maar ik ben toch, o Heere, Uw eigendom, gekocht met de prijs van Uw bloed, met het bloed van het Lam dat geslacht is van de grondlegging der wereld (Openbaring 13:8En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.)?’ Hierom heet Simson in Hebreeën 11 een geloofsheld, want: Hij heeft door het geloof het koninkrijk van de Filistijnen overwonnen, hij heeft gerechtigheid geoefend, hij heeft de beloftenissen verkregen en de muilen der leeuwen toegestopt (naar Hebreeën 11:33).
Simson bidt. En hij vat, hij pakt de twee grote pilaren, met zijn linkerhand en met zijn rechterhand…, hij buigt zich met kracht…, duwt die pilaren uiteen, en… met daverend geweld stort het hele tempelgebouw ineen. Met daaronder verpletterd: de duizenden Filistijnen, hun vorsten, en… hun god! Hij zegt: ‘Mijn ziel sterve met de Filistijnen (vers 20). Zoals de Heere Christus, voor het oog van de omstanders weerloos, Zijn beide handen uitstrekte aan het kruis en midden in Zijn bittere lijden met kracht uitriep: Het is volbracht! En het rijk van de satan stortte ineen. ‘Mijn ziel sterven met en voor(!) de Mijnen, die de Vader Mij van eeuwigheid gegeven heeft.
Simson offert zichzelf, gericht op de eer van God en op de verlossing van zijn volk. En hij doodt in zijn dood duizenden vijanden van zijn volk. Hij is geen zelfmoordterrorist, maar een geloofsheld. Christus offerde Zichzelf, vrijwillig, gericht op de eer van Zijn Vader en op de verlossing
van Zijn volk. En Hij doodde in Zijn dood de satan, de macht van de zonde, de hel en het graf, ja, Hij doodde zelfs de dood.
Hier schittert Christus! Zeker in de ondergang van Zijn vijanden. Hij zal (zo zegt de catechismus) al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen (HC 19, 52). Hier schittert Christus evenzeer in de verlossing van Zijn volk. Hij heeft ons verlost van de vloek, een vloek geworden zijnde voor ons (Galaten 3:13Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.). Door Zijn striemen is ons genezing geworden, want Hij heeft onze ongerechtigheden gedragen (Jesaja 53:5, 11).
Volk van God, laat ons ons verheugen en verblijden, laat ons ons verwonderen en verbazen, om het bittere lijden en sterven van de Zaligmaker, Die in onze plaats wilde staan. Hij is om onze ongerechtigheden verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Simson begon Israël te verlossen met een grote overwinning in zijn dood. Maar Christus verloste ons, daadwerkelijk en volkomen, in de overwinning van Zijn dood. En dus is er nu geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn (Romeinen 8:1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.).
Ook Simson sterft onder dat ineengestorte gebouw. Zijn broeders en die van het huis van zijn vader komen, zoeken hem onder het puin tussen de doden, en nemen hem mee om hem te begraven in het graf van zijn vader Manóach (vers 31). Daar, in dat graf is Simson gebleven. Wat een bijzondere gedachte, als we vooruitdenken aan de grote dag van de opstanding der doden. Vader Manóach, die zoveel verdriet heeft gehad om zijn zoon, de moeder van Simson, ze zijn daar beiden begraven, waarschijnlijk vol blijvende zorg om de toekomst van hun beloftekind, zich ongetwijfeld ook vasthoudend aan het woord van Gods belofte. En dan, straks: hun graf wordt geopend… Daar staan ze… Een blik opzij, en… kijk! En toch! Hun zoon! Kind van gebeden, kind van Gods belofte! Wat zal er dan overblijven? Een ding: het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen.
Deze begrafenis is ondertussen stille profetie van wat later op Golgotha ook gebeurd is. Twee mannen, Nicodemus en Jozef van Arimathea komen in stilte en begraven de Heere Jezus. Hij is daar niet gebleven. Hij is na drie dagen opgestaan uit de dood. Hij heeft het geweld van de dood en van het graf overwonnen en Hij leeft!
U zegt: dit ging allemaal (en ook de laatste weken zoveel) over een kind van God, en dat ben ik niet. Hebt u nu niet, nu deze geschiedenis gaat afsluiten, een boodschap voor mij, die nog onbekeerd ben? Jazeker, deze: Simson laat in zijn dood drieduizend vijanden sterven en wordt begraven in het graf van zijn vader. De meerdere Simson sterft en staat op uit de dood, Hij gaat levend heen naar Zijn eeuwige Vader en velt op de Pinksterdag… ook drieduizend vijanden. Niet door ze te doden, maar door ze levend te maken. Ze worden diep doorpriemd in hun hart, met pijlen die in liefde gedoopt zijn. En ze gaan roepen: wij hebben God op het hoogst misdaan!
Wat zullen wij doen mannen broeders? Wat moeten we doen om zalig te worden (Handelingen 2:37En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?).
De uitgebreide armen van de gekruisigde en opgestane Christus worden u voor ogen geschilderd. En deze mannen op de Pinksterdag zijn u tot voorbeeld. Er is een geopende weg door de dood en het leven van de Middelaar voor verloren zondaars, voor vijanden, voor Simsons, zelfs voor Filistijnen, een geopende weg om zalig te worden. Wend u dan naar God toe en word behouden (Jesaja 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Kom tot Christus, u allen die vermoeid en belast bent (Mattheüs 11:28Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.). Wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen (Johannes 6:37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.).
Gemeente, er blijft aan het eind van deze geschiedenissen van Simson, maar één vraag over: wat dunkt u (niet van Simson; als we aan hem denken, dan zijn we snel uitgepraat: wat een in zichzelf verloren mens!)… Ik bedoel deze vraag: Wat dunkt u van de meerdere Simson? Wat dunkt u van de Christus (Mattheüs 22:42En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.)? Als Hij geen gedaante noch heerlijkheid voor u heeft, omdat u of uw zonden niet kent, of uw heil ergens anders zoekt, o haast u dan om uws levens wil. Maar ik kan niet anders antwoorden, en het is de belijdenis van al Gods kinderen: Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hooglied 5:10Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.,16). Want Hij is Verwinnaar in de strijd en geeft Zijn volk de zegen!
Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openbaring 5:12Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.). Drie-Enig God, U zij alle eer! Amen.
Slotzang Psalm 103:5,7
Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden, Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden. Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden; Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden, Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Israëls HEER op ieder, die Hem vreest; Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten, En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.
Andere preken over Richteren
Andere preken voor Simson