Hemelvaart, Weeszondag - 29 mei 2014
Romeinen 8:34: Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
INLEIDING
Op Hemelvaartsdag keerden de discipelen terug van de Olijfberg niet met tranen, maar met grote blijdschap. Deze preek over Romeinen 8:28-39 verklaart waarom: een viervoudige troost voor achterblijvende kinderen, gelegen in Gods vaderlijke leiding, Zijn genadige verkiezing, de liefde van de Vader die Zijn Zoon niet spaarde, en vooral de voorbede van de verhoogde Zoon, Die aan Gods rechterhand voor Zijn kinderen bidt en niets hen scheiden kan van Zijn liefde.
Troost voor achterblijvende kinderen
ROMEINEN 8:31-39
31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt.
34 Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?
36 (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen der slachting.)
37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem Die ons liefgehad heeft.
38 Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen,
39 Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Romeinen 8:34
THEMA
Troost voor achterblijvende kinderen
AANDACHTSPUNTEN
Als je, jongens en meisjes, afscheid moet nemen van iemand van je heel veel houdt, je vader of je moeder, dan doet dat diep in je hart heel veel verdriet. Als je voor het laatst zijn of haar hand vasthoudt. Als je voor het laatst die zachte, gefluisterde woorden hoort. Dan branden de tranen achter je ogen. Of misschien laat je ze wel over je wangen lopen. Zo’n moment vergeet je nooit. Zo’n moment waarop je zegt: ‘Dag, tot ziens…, of misschien zien we elkaar wel nooit meer terug, maar hopelijk wel…’ Het is goed, jongens en meisjes, om voor die kinderen te bidden, die ooit (want die zijn er hier in de kerk), die ooit een vader of moeder, een broertje of zusje verloren hebben. Vergeet ze niet.
Daarom is het zo bijzonder, wat Lukas schrijft in zijn Evangelie. De Heere Jezus neemt Zijn discipelen mee, tot vlak bij Bethanië. Hij zegent ze. En dan staat er: Ze kijken Hem na. Hij wordt opgenomen in de hemel. En dan is er een wolk. Die neemt Hem weg van hun ogen. Het is of de hemel dicht gaat… Weg… Hij is er niet meer…
En dan schrijft Lukas: ‘En zij aanbaden Hem en keerden terug naar Jeruzalem met… heel veel tranen? Nee, dat staat er niet. Ze keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap! Snap jij dat? Wat is toch het geheim van deze Hemelvaartsdag? Een dag van afscheid nemen. En tegelijkertijd een dag van grote blijdschap. Wat is toch de troost voor die achterblijvende discipelen?
We zien vanmorgen, gemeente, iets van die troost in het Schriftgedeelte dat voorgelezen is. De tekst van vanmorgen staat in Romeinen 8, de verzen 28 tot en met 39. Een heel complex van zinnen dat uiteindelijk uitloopt, onder andere in vers 34. Dat vers zal ik u nog een keer voorlezen, waar staat: Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is. Die ook voor ons bidt.
Het thema voor de preek op deze Hemelvaartsdag is: Troost voor achterblijvende kinderen. En dan bedoel ik natuurlijk de achterblijvende discipelen. Hoewel ik weet, dat er in de kerk ook gewone ‘achtergebleven kinderen’ zijn, die vader of moeder, broertje of zusje
verloren hebben. En die misschien, dat hoop en bid ik, ook wel de troost in hun hart hebben, dat hun vader of moeder (uw man of vrouw) in de hemel is.
Een viervoudige troost is er voor achterblijvende kinderen. 1. De troost van Gods Vaderlijke leiding (vers 28) 2. De troost van Gods genadige verkiezing (vers 29 en 30) 3. De troost van de liefde van de Vader (vers 31, 32 en 33) 4. De troost (vooral) van de voorbede van de Zoon in de hemel (vers 34)
Dus, een viervoudige troost voor achtergebleven discipelen. En die viervoudige troost laat je zien vanmorgen zien, jongelui, hoe goed het is om de Heere te dienen. Terwijl de Meester heengaat naar de hemel, ze zien Hem niet meer, ze zijn Hem voor het oog kwijt, toch gaan ze naar huis met grote blijdschap. En later zegt één van hen, Petrus: Wij christenen, van latere datum, hebben Hem niet gezien. Dat klopt, we hebben nooit de Heere Jezus met onze eigen ogen gezien. Maar zegt hij: we hebben Hem toch hartelijk lief. En in Hem, Die we niet zien, maar Die we wel geloven, verheugen wij ons, verblijden wij ons met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Een viervoudige troost. De eerste troost is:
Jongens en meisjes, verwende kinderen krijgen alles wat ze aan papa of mama vragen. En je weet, uiteindelijk word je daar heel vervelend van. En het is vaak nog heel ongezond ook. Als je kind van God bent, krijg je alles wat de Heere goed voor je vindt. Soms loopt onze weg heel anders dan gedacht, dan gehoopt, dan gebeden. En soms vragen we aan de Heere, net als jullie vragen aan papa of mama: ‘Heere, waarom? Waarom niet? Waarom zo en waarom niet anders?’ En wat zegt de Heere dan? Dan zegt Hij als een hemelse Vader soms: ‘Mijn kind, nu nog even niet. Straks, op Mijn tijd. Als Ik het een goede tijd vind. Je moet nog even wachten op Mij.’ Soms legt de Heere het ons uit. Als we biddend op onze knieën vragen: ‘Heere waarom?’ Dan zegt de Heere soms: ‘Als Ik het doen zou, zoals je het zelf graag wilt, dat zou niet goed voor je zijn’. Als je rechtstreeks met het volk Israël vanuit Gosen naar Kanaän zou gaan en je zou onderweg de Filistijnen tegenkomen? Je zou moedeloos worden. ‘Ik buig’, zegt God, ‘je levenskoers om. Het wordt een omweg, maar geloof het nu, Mijn kind: Mijn weg is goed en Mijn doel is goed’. Soms zegt de Heere als we vragen: ‘Waarom Heere, waarom loopt het zo?’, soms zegt de Heere: ‘Dat zeg Ik je nu niet. Je zult het nu niet begrijpen. Nu niet, later, straks zal je het verstaan, dan zal je het begrijpen. Later Mijn kind, zal je Mij er voor danken. Misschien is het op de aarde, misschien pas als je in de hemel bent.’ En soms zegt de Heere tegen ons, als we vragen: ‘Waarom, Heere?’, net als tegen Mozes: ‘Nu is het klaar, nu houd je op met dat gevraag. Spreek Mij niet meer van deze zaak.’
En jij zegt tegen papa of mama: ‘Ja, papa, ja, mama. Zoals u het doet, zoals u het zegt, zo is het goed’. En wij zeggen uiteindelijk: ‘Ja, Heere, het is goed. U, Heere, bent goed. Uw wil is altoos wijs en goed. Het is majesteit, alles wat U doet.’
Want, zegt vers 28, wij weten (en dat is onze troost in dit leven) dat voor al degenen die God liefhebben, alle dingen meewerken tot het goede doel. Een diepe troost in het hart van Gods kinderen. Terwijl ze gaan door de soms moeilijke weg van dit leven. Ken jij die troost? Kent u die troost in uw hart? De tweede troost van die viervoudige troost is:
Al de zinnen in onze tekst, monden uiteindelijk allemaal uit in vers 34. Maar ze horen allemaal bij elkaar. Nu de tweede troost, de troost van de genadige verkiezing. In vers 29 staat: Want Die Hij tevoren gekend heeft, Die heeft Hij ook tevoren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Soms zeggen papa en mama tegen je, om je te troosten: ‘Ik heb altijd al van je gehouden, vanaf het eerste moment dat je er was’. Maar God heeft veel meer troost voor Zijn kinderen. Want Hij heeft ze veel meer lief. Er staat hier: Hij heeft ons tevoren, in de eeuwigheid al, toen we er nog niet waren, gekend en liefgehad. In onbegrijpelijke liefde koos Hij ons uit, verkoor Hij ons tot het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid. En wat moet de gedachte daaraan, kinderen van God in ons midden, ons verbazen, verwonderen en tegelijkertijd verblijden. Want wat ligt onze zaligheid vast, onwankelbaar vast in dat eeuwige besluit van de Heere, dat Hij nooit herroepen zal.
Als de discipelen hun Meester zien heengaan, dan weten ze het. Zijn liefde vertrekt? Nee, Zijn liefde en de liefde van de Vader in de hemel liggen vast. Eeuwig vast! Dan komt als het ware de echo van de woorden van hun Meester in hun gedachten, die Hij zei tegen Zijn Vader: Ze waren van U, maar U hebt ze Mij gegeven. Wij (die Zijn kinderen mogen zijn) waren van de Vader en Hij heeft ons in de eeuwigheid al gegeven aan de Zoon. En dus ligt het vast, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Vast in de handen van de Vader en vast in de doorboorde handen van de Middelaar. Dat is onze diepe troost in dit leven. Een troost in leven en in sterven. Hij heeft ons tevoren gekend. En Hij heeft ons tevoren verordineerd om het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te worden. Dat eeuwige, onbegrijpelijke besluit had een bijzonder doel. Niet in de eerste plaats dat wij straks in de hemel zouden komen. Maar in de eerste plaats dat ons leven hier op aarde, nu al, vernieuwd zou worden naar het beeld van de Zoon. Dat wil zeggen, dat we op de Heere Jezus zouden gaan lijken.
Hij heeft ons, zegt Paulus, toen al gekend met het doel om ons op Hem, op Christus te laten lijken. Opdat we Zijn beeld zouden vertonen. En Hij heeft ons geroepen in de tijd. Hij heeft ons gerechtvaardigd, dat wil zeggen: Met God verzoend. Het is weer goed gekomen tussen God en ons verloren hart. En, dat laatste, dat is toekomst: En verheerlijkt. Dat is onze hoop voor de toekomst. Paulus zegt: We zullen delen in de glorie van Christus. En dat is allemaal Gods werk. En daarom ligt het zo vast. Omdat het Zijn werk is.
Het begon in de eeuwigheid. Het ligt voor altijd vast. Door God gekozen. Gegeven aan de Zoon. En gekocht met de prijs van Zijn dierbare bloed. En daarom geldt, zegt Paulus, voor ons, die God vrezen, wat staat in vers 31: God is voor ons, wie zal dan tegen ons zijn? En in vers 33: Wie zal dan nog beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? De onbegrijpelijke, eeuwige liefde van de drie-enige God is voor Gods kinderen in dit leven een bron van troost en vastheid.
Ja, zegt u, durfde ik dat allemaal nu maar te geloven. Kon ik mij daar nu maar aan vasthouden, aan dat gekend en geroepen zijn. Hoe krijgt ik toch meer troost van en hoe krijg ik toch meer zicht op de vastheid daarvan voor mij persoonlijk? Geldt dit ook voor mij? Hoe kan ik dat toch weten? Onze belijdenis zegt: Dan moet je kijken naar je leven, naar de vruchten van Gods genadige verkiezing. Kijk maar, naar uw leven. Of u deze vruchten ziet: Een waar geloof in Christus. Het zoeken van de zaligheid buiten jezelf in Christus Jezus. Het kinderlijk vrezen van de Heere. De droefheid in je hart naar God over je zonden. En honger en dorst naar de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Onze belijdenis zegt: Als je daar iets van ziet, dan mag je (staat er letterlijk) met geestelijke blijdschap en heilig vermaak zeggen: ‘Heere, het ligt toch vast in U? Verlaat Heere, niet, wat Uw hand begon, o Levensbron. Heere, niet mijn keus voor U, want dan was het verloren. Maar Uw onbegrijpelijke keus voor mij, verloren ellendeling die ik ben. Geef me toch troost en houvast. Ja, amen, trouwe Vader, ja, wij maken staat op Uw genâ’. Hier is, terwijl we gaan door dit soms moeilijke leven, een diepe troost. Kent u die troost?
De derde troost. De eerste was de troost van de levensleiding door God de Vader, de tweede was de troost van Gods verkiezende genade, en nu de derde troost:
De troost van de liefde van de Vader, want er staat in vers 32: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, Hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? De troost van de liefde van de Vader in de hemel. Wat Paulus hier zegt is eigenlijk een terugblik op heel het verlossingswerk. Op het kerkelijk jaar dat intussen bijna achter ons ligt. Het begon met Kerst, de geboorte van de Heere Jezus. Toen Goede Vrijdag, het sterven van de Heere Jezus op Golgotha. Toen Pasen, de Vader in de hemel deed het graf open en de Heere Jezus stond op uit de dood.
En Paulus zegt: Wat zullen wij toch tot deze dingen zeggen? Wat zullen wij antwoorden? Zeg het maar... Wat is uw antwoord daarop?
Misschien zegt u: ‘Ja, het is allemaal mooi, maar in mijn hart ken ik dit allemaal niet. En dus ken ik er ook de troost niet van’. Ik weet dat u eerlijk bent. Ik weet dat er velen onder ons zijn die geen kennis hebben aan God en Christus. En ik zeg het u eerlijk: Dat baart me grote zorgen. Beste vrienden, hoe moet u straks voor God verschijnen? Wie weet hoe snel? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Ja, maar, als God tegen ons is, hoe moet het dan? Als u straks in de grote dag van het Goddelijke gericht staat voor God, de Almachtige, Wetgever en Aanklager tegelijk? En de duivel staat naast u en beschuldigt u en veroordeelt u, wie zal dan voor u zijn? U zegt: ‘Ikzelf misschien?’ Nee, als u daar staat voor God, dan zal uw eigen geweten u beschuldigen en zeggen: ‘Je hebt de weg geweten, maar je wilde niet. Je hebt Hem niet willen bewandelen’. Wie zal dan voor u zijn? Vader, moeder, broertje, zusje, ouderlingen, diakenen, m’n dominee misschien? Nee, mijn hart breekt, als ik dit zeg. Want ik zou wensen, dat u straks allemaal de hemelse heerlijkheid zou binnengaan. Maar dan zal ook ik zeggen (ik zeg het u eerlijk), als ik naast u zal staan in de dag van het Goddelijke gericht, ik zal zeggen: ‘Heere, U bent rechtvaardig, U hebt gelijk. Want ze hebben het bloed van Uw Zoon veracht. En de genade van het kruis van Christus verworpen’. Lieve vrienden, dat gaat fout. Als God tegen je is, dan heb je alles tegen, dan heb je geen toekomst.
Wij gaan straks naar huis, met grote blijdschap in ons hart, om zoveel troost. Maar ik hoop en ik wens en ik bid, dat u straks naar huis gaat met een verbroken hart en een verslagen geest. Dat u breekt voor God, voordat het te laat is. En vergeet ondertussen niet op deze Hemelvaartsdag (dat is ook de boodschap van deze dag!): Er is een Hogepriester in de hemel, Die bereid is om met al de liefde van Zijn hart uw schuld te verzoenen, met Zijn bloed al uw zonden weg te wassen en om u met God te verzoenen. Maar stel het niet uit, geen dag! Laat u op deze donderdag met God verzoenen.
Wat zullen wij dan antwoorden? Wat zullen wij zeggen? Wat is ons antwoord, kinderen van God? Dit, en wat ligt daarin veel troost en vastheid (niets is uit ons, alles is uit Hem!), dit is ons antwoord, wat staat in vers 31b: Zo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Daar staat niet (dat is niet de bedoeling): ‘als het misschien zo is dat God voor ons is, wie weet?’ Nee, de bedoeling is: Zo is het, het is zo! En nu het zo is, dat God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Duivel, wereld, wie u ook bent, God is voor ons! Het leidt geen enkele twijfel.
Maar, die vastheid ligt in Hem, die ligt in God. God is voor mij. Voor mij, die (en ik zeg in mijn gedachten: ’t Is waar duivel, je hebt gelijk), voor mij die zo veel en zo vaak tegen God gezondigd heeft. Die met God gebroken heeft. Voor mij, die alles verzondigd heeft.
En ik zeg in mijn gedachten: ‘Het is waar duivel, ik ben het niet waard, maar God!’ God heeft gedachten van vrede gehad en niet van kwaad. En daarom heeft Hij zelfs, want zo klinkt het in vers 32, zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard. Maar Hij heeft Hem voor ons allen overgegeven. Hier buigt de kerk, hier buigen al Gods kinderen, samen in verwondering en aanbidding: de Vader heeft Zijn liefste Zoon niet gespaard. Zijn enige Zoon, die Hem zo lief en zo kostbaar was. Hij spaarde Hem niet. Hij gaf Hem weg, Hij gaf Hem over. Hij heeft Hem opgegeven voor ons, opstandelingen, rebellen, dwalende schapen, verloren ellendelingen. Voor ons, heeft Hij de beker leeggedronken.
Er staat: Voor ons allen, dat zijn, als we terugkijken (naar vers 29 en 30) de verkorenen, de geroepenen. Het zijn degenen voor wie Hij bidt (vers 34). Het zijn degenen die in vers 37 meer dan overwinnaars zijn. En tegelijkertijd klinkt er in dat ‘voor ons allen’ ook iets door van allerlei soorten van mensen. Zoals Paulus later zegt in 1 Korinthe 1: niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele edelen. Niet de slimme en voorname mensen, maar het dwaze van de wereld, het zwakke van de wereld, het verachte, het onedele heeft God uitverkoren, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken. Opdat geen vlees, geen mens, zou roemen voor Hem. Een diepe troost. Ja toch? In het hart van al Gods kinderen.
De leiding van ons leven, de genadige verkiezing van God en de liefde van de Vader die Zijn Zoon voor ons gegeven heeft. En ook in de vierde plaats en vooral op deze Hemelvaartdag.
De troost van de voorbede van de Zoon, van Wie staat (en u begrijpt het: het staat niet los van alles wat hiervoor stond) in vers 33 en 34: God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook is opgewekt. Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Het leven van Gods kinderen is vol van beschuldigers, die met de vinger naar ons wijzen. Ons eigen hart, ons geweten, de duivel, de wet, ze wijzen allemaal naar het diepste van ons hart, naar al onze zonden. Maar schrijft Paulus nu, voor hen die geborgen zijn achter het bloed van het Lam, gestreken, geverfd aan de posten, aan de deur van het hart, voor hen geldt (zo begon Romeinen 8): nu is er geen verdoemenis meer, voor degenen die in Christus Jezus zijn.
Nu wij het leven in Hem hebben gevonden, nu zijn we vrij. Dat zegt het Woord van God, dat zegt God. Nu zijn we vrij van het oordeel, van de vloek en van het vonnis van de wet. Zijn dood heeft het handschrift van de zonde uit ons leven uitgewist. En nu zijn we, zegt Paulus, rechtvaardig voor God. Dat wil zeggen het is weer goed gekomen tussen God en ons hart. Het leven van onze Heere Jezus Christus (de Vader heeft het graf geopend en Hij Zelf is opgestaan uit de dood), Zijn leven is het bewijs ervan, dat God tevreden is met Zijn werk.
En nu, zegt Paulus (en zie daar toch, kinderen van God, het wonder van in), nu is er geen beschuldiger meer over. Want Zijn werk was volmaakt. En het is aanvaard door de Vader in de hemel. En nu, zegt Paulus (in hoofdstuk 5:1), nu hebben wij vrede met God. Vrede met God en een biddende Hogepriester aan de rechterhand van de Vader.
Zegenend ging de Heere Jezus heen van de Olijfberg. Totdat een wolk Hem wegnam van het gezicht van Zijn discipelen. Uit hun zicht. Wat betekent dat eigenlijk ‘hemelvaart’? Wat houdt dat eigenlijk in? Ik ga twee dingen noemen. Als eerste: Het is het antwoord geweest op het gebed van de Heere Jezus Zelf. In Johannes 17, toen Hij dit bad (en denk even mee met deze woorden): Ik (zo bad Hij) heb U, Vader, verheerlijkt. Ik heb U groot gemaakt op de aarde. Ik heb voleindigd het werk, het is voltooid, het is af, het is klaar, dat U mij gegeven hebt om te doen. En nu (en dan komt Zijn vraag, Zijn verzoek): En nu, verheerlijk Mij, Vader, bij U Zelf, met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer dat de wereld was. De Heere Jezus zegt: Ik heb Mijn heerlijkheid bij U afgelegd. Ik ben mens geworden. Ik heb Mijzelf diep vernederd, en straks zal Ik mij diep vernederen tot aan de dood van het kruis toe. En nu vraag Ik u: Vader, herstel Mij in de glorie van het hemelhof, in de heerlijkheid van Uw aanwezigheid. Ik weet, Vader, dat U Mij altijd hoort. En de Vader geeft het Hem, want alles is volbracht. Hij heeft, o God, van U begeerd (dat gaan we samen zingen uit Psalm 21: 4 en 5:
Hij heeft, o God, van U begeerd Het onvergankelijke leven; Gij hebt het hem gegeven. Zo zijn de dagen hem vermeêrd; Zo leeft de Vorst altoos; Zo leeft hij eindeloos.
Hoe groot en schitterend is zijn eer, Door 't heil, aan hem bewezen! Hoe is zijn roem gerezen! O alvermogend' Opperheer, Wat glans, wat majesteit Hebt Gij die Vorst bereid!
Hemelvaart is in de eerste plaats de verhoring van het gebed van de Zoon. Hij heeft van U gevraagd het onvergankelijke leven. En U, Vader in de hemel, hebt het Hem gegeven.
Hemelvaart is in de tweede plaats vooral ook een teken dat het werk van de Heere Jezus op de aarde volledig af is. Het is klaar, voor altijd. In de tempel stond vroeger geen enkele, letterlijk geen enkele stoel. Geen priester kon of mocht ooit gaan zitten in de tempel. De Hebreeënbrief schrijft daar dit over (en denkt u
nog even met me mee): Elke priester (en dan komt het), elke priester stond. Niet zat, maar stond. Elke priester stond wel alle dagen dienende. En dezelfde slachtoffers dikmaals offerende, die de zonde nooit konden wegnemen. Maar deze Heere Jezus, één slachtoffer voor de zonde geofferd hebbende aan het kruis, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods. Deze Hogepriester, die één offer heeft gebracht, Hij gaat op na Zijn hemelvaart zitten. Het is klaar. En het tweede wat de Hebreeënbrief zegt, is dit (en dan denk ik ook terug aan het Oude Testament): de priesters die daar dienden, waren broze en vergankelijke mensen. Uiteindelijk moesten ze allemaal sterven. Dat wil zeggen: hun gebeden hielden op. Maar, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief, in hoofdstuk 7 van dat boek: Hij leeft voor altijd om voor hen, om voor Zijn kinderen, te bidden.
Dus twee dingen: Zijn werk is klaar. En: Het gaat door. Hij bidt voor Zijn kinderen. Een diepe troost in het hart van Gods kinderen. Terwijl ze gaan door het soms moeilijke leven hier op aarde. Kent u de troost van die Voorbidder aan de rechterhand van God de Vader in de hemel? Waar bidt Hij eigenlijk voor? Dat is wel een belangrijke vraag. Bidt Hij om vergeving? Als Zijn kinderen weer eens gezondigd hebben, hoe vaak dat ook gebeurt, smeekt Hij dan de Vader: ‘Wilt U alstublieft vergeven wat ze nu weer hebben gedaan. Reken het hun niet toe?’ Is dat het gebed dat altijd voortduurt aan de rechterhand van de Vader in de hemel? Nee, want hoofdstuk 8 begint met te zeggen: Er is geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn. De schuld van Gods volk, zingt Psalm 85, is uit Gods boek gedaan. Voor eens en altijd. Ze zijn vrijgesproken in Christus, hun Hoofd aan de rechterhand van de Vader. Vrij van alle schuld en van alle beschuldigers. De rechtbank heeft gesproken: Vrij! Want het is volbracht.
Maar zegt u, waar bidt de Heere Jezus dan wel om? Laten we eerst met elkaar vaststellen, dat de Vader het gebed van de Zoon nooit zal weigeren. Als mijn gebed geweigerd zou worden, dan zou dat rechtvaardig zijn. Maar van de Zoon aan de rechterhand van de Vader geldt als eerste: ‘Die nimmer Zijn gebed heeft afgewezen’. Heeft Hij het ook Zelf niet gezegd? Ik weet Vader, dat U Mij altijd hoort.
Maar, zegt u, wat bidt Hij dan? Wat bidt Hij aan de rechterhand van Zijn Vader? Zijn hogepriesterlijk gebed. Wat Hij hier op aarde al bad. Wat we lezen het in Johannes 17. Hij bidt voor Zijn kinderen (en dat is onze diepe troost): ‘Vader, Ik ben niet meer in de wereld. Maar deze Mijn kinderen zijn in de wereld. En Ik kom tot U, heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, Die U mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij één zijn’. Hij bidt om de bewaring van Zijn kinderen in het uur van de verzoeking, in het uur van de beproeving. In het uur van de aanvechting van de duivel. En Hij bidt om eenheid en liefde, opdat ze allen één zijn. En dit is Zijn gebed: Vader, Ik bid U, dat U hen, (nee, Ik bid U niet dat U hen wegneemt uit deze wereld, maar, wat dat wel?), dat U hen bewaart van de boze.
Christus bidt aan de rechterhand van de Vader. Voor onze bewaring tegen de listige verleiding van de duivel, die rondgaat over de aarde als een briesende leeuw. Om ons geloof, dat toch al zo wankelt, verder aan het wankelen te brengen. Om ons te verstrikken in de zonde en de troost uit ons hart weg te nemen.
Dit is Zijn gebed aan de rechterhand van de Vader: Vader, heilig ze in Uw waarheid. Uw Woord is de waarheid. Laat Mijn kinderen op de aarde toch meer gefundeerd worden in Uw Woord. Laat hun hoop meer en meer vastgemaakt worden in Uw Woord. En laat hun leven gezuiverd en geheiligd worden. Opdat ze Mijn Beeld gelijkvormig zullen zijn.
Dit is Zijn gebed aan de rechterhand van de Vader: Vader, zoals U Mij hebt gezonden in de wereld, zo heb Ik hen ook in deze wereld gezonden. En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen die door hun woorden in Mij geloven zullen. Hij bidt dat we trouw zullen zijn in onze roeping. Dat door ons leven en door ons woord ook anderen voor Christus gewonnen zullen worden. En, zo bidt Hij, Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij ook Mij gegeven hebt, opdat ze één zijn, gelijk ook Wij één zijn. Ik in hen en U in Mij. Opdat zij volmaakt zijn in Eén. En opdat de wereld bekenne, dat U Mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt, zoals U Mij hebt liefgehad.
Hij bidt aan de rechterhand van de Vader, dat Zijn werk in ons leven meer en meer zichtbaar zal worden. En Hij bidt voor onze troost, opdat wij weten en geloven zouden de dingen die ons door God gegeven, die ons door God geschonken zijn. En Hij bidt dat we meer vrijmoedigheid zullen hebben in het gebed, om toe te gaan tot de troon van Gods genade. Opdat we daardoor ontvangen zouden genade voor genade. Genade, uitgedeeld aan wederhorigen, zoals Psalm 68 dat zegt.
En Hij bidt tenslotte ook dit: Vader, Ik wil dat waar Ik ben in de hemel, aan de rechterhand van U, Vader, ook die bij Mij zijn, die U Mij (en dan voelt u weer de verbinding met de tekst hiervoor), die U Mij gegeven hebt. In de eeuwigheid al. Opdat ze Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, de heerlijkheid die U Mij gegeven hebt. Want (wat een sterke pleitgrond is dat voor de Zoon): U hebt Mij liefgehad van voor de grondlegging der wereld.
Christus bidt voor Zijn kinderen. Hij bidt voor ons, dat we in alle moeite, zorg en verdriet van dit leven zouden weten en geloven: maar na de dood is het leven mij bereid. Dan zal Hij ook mij tot Zich nemen in heerlijkheid. Hij bidt, dat we straks Zijn heerlijkheid zullen zien in de hemel der hemelen.
Is dat geen troost, kinderen van God onder ons, dat we straks na alle moeite van dit leven bij Hem zullen zijn, eeuwig Hem na zullen reizen, tot in de hemelse gewesten? En dat we dan eeuwig zullen zingen van God goedertierenheden? Hem altijd de lof zullen toebrengen? ‘U, o Lam Gods, bent waardig. U bent waardig om te ontvangen de lof en de eer en de dankzegging, van nu aan tot in eeuwigheid!’ Onze Meester, die we nooit gezien hebben en die we toch zo hartelijk liefhebben. Hij is niet meer op de aarde, maar dat is
onze troost (wat de catechismus zegt) naar Zijn Godheid, genade, majesteit en Geest wijkt Hij nooit meer van ons.
Dat is het geluk, jongelui, van het dienen van de Heere. Hij, Christus, God, is alles voor ons. En hoewel Hij niet meer op de aarde is, is Hij altijd met ons. God met ons. En Hij heeft het beloofd en we dragen die belofte als een kostbare schat met ons mee: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld. Al de dagen. Ook in donkere dagen, in dagen van strijd. Ook als ik Hem niet zie, als ik het niet meer weet. Hij heeft het beloofd: Ik ben met u. Ook in dagen, dat ik niet meer kan bidden, misschien wel niet meer wil bidden. Wat een troost is het dan, dat we weten mogen dat er Eén is, Die zonder ophouden bidt. Als we geen gebed meer hebben om te bidden, kind van God, we mogen weten en geloven dat we een Hogepriester hebben in de hemel, aan de rechterhand van de Vader, Die altijd bidt. Hij bidt voor ons in dagen van veel tegenspoed, in dagen van ziekte en rouw, van verdachtmaking, van ontmoediging en zorg en ga zo maar door. Hij bidt voor ons. Voor wat goed en nuttig voor ons is. Zoals deze dienst begon met de eerste gedachte aan Gods levensleiding: dat alle dingen in ons leven mogen meewerken tot Zijn goede doel.
Kinderen van God in ons midden, Hemelvaartsdag is een dag vol van troost en van blijdschap. Laat ons dan straks maar naar huis gaan, net als de discipelen, met grote blijdschap. Want onze Heere leeft, eeuwig in de hemelen. We hebben een liefhebbende Vader in de hemel. En een biddende Hogepriester aan Zijn rechterhand. En daarom gaat het goed, hoe het ook in uw leven moog’ tegenlopen. Alles ligt in Zijn handen. En dat is onze troost. Dat is onze vastheid. Ja, dat is onze zekerheid voor tijd en eeuwigheid.
Is Hij weg? Is Hij op deze Hemelvaartsdag van ons gescheiden? Nee, want zegt Paulus in vers 35: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, zwaard? Want (vers 38), wij zijn verzekerd, door Hem, door God, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde, de eeuwige liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heere. Hem zij al de lof van nu aan tot in eeuwigheid.
Amen.
Slotzang Psalm 66:10:
God zij altoos op 't hoogst geprezen; Lof zij Gods goedertierenheid, Die nimmer mij heeft afgewezen, Noch mijn gebed gehoor ontzeid!
Andere preken over Romeinen
Andere preken voor Hemelvaart