PREEK · VRIJE STOFFEN

Voetwassing, zelfvernederende liefde - Johannes 13

28 februari 2024

Johannes 13:4-5: Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek waarmede Hij omgord was.

INLEIDING

In deze leespreek over Johannes 13:1-17 wordt de zelfopofferende liefde van Christus getekend: Hij, de Heere en Meester, buigt Zich om de voeten van Zijn discipelen te wassen. Die liefde blijft tot het einde, ondanks onbegrip, verzet en zelfs verraad. Judas verwerpt haar, Petrus begrijpt haar aanvankelijk niet, maar wordt gebroken en gewassen. Deze buigende liefde ontmaskert onze hoogmoed en nodigt uit tot overgave. Wie gewassen is, wordt geroepen Christus na te volgen: dienend, ootmoedig, buigend voor God en de naaste, dagelijks vernieuwd door het zien op Hem.

THEMA

De liefde van de Meester

KERNPUNTEN

  1. De liefde van de Meester blijft
  2. De liefde van de Meester wordt geweigerd
  3. De liefde van de Meester buigt
  4. De liefde van de Meester wordt niet begrepen
  5. De liefde van de Meester vraagt om navolging

JOHANNES 13:1-7

1 En vóór het feest van het pascha, Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
2 En als het avondmaal gedaan was (toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskáriot, gegeven had dat hij Hem verraden zou),
3 Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heen ging,
4 Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven.
5 Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek waarmede Hij omgord was.
6 Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen?
7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.

VOLLEDIGE TEKST

Voetwassing, zelfvernederende liefde - Johannes 13

ds. J. IJsselstein - Johannes 13:4-5

THEMA

De liefde van de Meester

LITURGIE

Psalm 45:1

Psalm 101:2

Lezen Johannes 13:1-17 Gebed des Heeren 6,7,8

Psalm 8:4

Psalm 45:6,7

Gemeente, we overdenken vanmorgen met elkaar het Woord des Heeren, zoals ons dat is voorgelezen vanuit Johannes 13, daarvan de verzen 1-17. Ik lees u samenvattend voor nu daarvan alleen het eerste vers, daarvan het tweede deel, waar staat: Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. Het thema voor de preek van vanmorgen is: De liefde van de Meester

Er zijn vijf punten. Die liefde van de Meester… 1. Blijft (dat ziet u in vers 1) 2. Wordt geweigerd (het is u voorgelezen uit vers 2) 3. Buigt (dat staat in vers 3 tot en met 5) 4. Wordt niet begrepen (vers 6 tot en met 11) 5. Vraagt om navolging (vers 12 tot en met 17) Als eerste dus:

1. De liefde van de Meester blijft

Dat kan je van menselijke liefde niet altijd zeggen. Dat gaat nogal eens mis. De liefde van ons mensen kan verkoelen. Je bent tien, twintig jaar getrouwd maar je bent eigenlijk niet meer verliefd op je man of op je vrouw. Dat is geen goed teken! Daar moet je heel veel voor bidden en zelf (en samen) hard aan werken, voordat je huwelijk alsnog stuk gaat.

De liefde van ons mensen kan verkoelen. En daarbij: onze liefde heeft altijd zo veel last van eigenliefde, van egoïsme. Ja, we doen wel lief tegen elkaar, maar in ons hart draait het zo vaak om onszelf, terwijl die ander er in onze ogen alleen maar is voor ons eigen plezier. Maar de liefde van Christus is zo anders! Leest u maar mee in vers 1: En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.

Het is inmiddels donderdagavond, de avond voor de Goede Vrijdag en het moment van afscheid nemen is aangebroken. En dan blijkt echte liefde. Wanneer blijkt echte liefde? Als wij mensen afscheid moeten nemen van elkaar. Dan zie je echt hoeveel mensen van elkaar houden.

We zien hier in Johannes 13, bij dit aanstaande afscheid, zo duidelijk de liefde van de Heere Jezus Christus en… de liefde van de discipelen; hoewel zij en wij zich daarvoor moeten schamen. Eerst Zijn liefde. Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. Hij. Wie is ‘Hij’ eigenlijk? Hij is, zegt vers 3, van God uitgegaan. Hij heeft alle macht. Alle dingen zijn Hem overgegeven van de Vader en Zijn Vader is de hemelse Vader en Hij Zelf is God.

Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Wie zijn ‘de Zijnen’ eigenlijk? Zij hadden eigenlijk allang vervangen moeten worden. Hardleers. Zo vol van onbegrip. In de weg lopend, altijd maar weer voor de voeten van de Heere Jezus Christus. Vijandig. Vol van verzet. Soms duivels. Had de Heere Jezus in Matthéüs 16 niet gezegd: Ga weg achter mij, satanas? Petrus, u bent voor Mij een aanstoot, want u verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn. De Zijnen. Waar komen ze eigenlijk vandaan? Ze komen en ze zijn in de wereld, staat er. En dat is de wereld in opstand, in rebellie tegen God. Ze zijn en ze waren onderdeel van het systeem van de wereld: van werelds denken, werelds verlangen en werelds plezier.

Echte, hartelijke liefde tussen ‘Hij’ (de heilige God) en ‘de Zijnen’ (de discipelen, opstandige mensen).

Hoe gaat dat ook alweer, jongelui, als het gaat over liefde? Dan zeg je: ‘We houden van elkaar.’ Heen en terug. Wederzijds. Anders wordt het niks. Anders moet je (als je tenminste niet getrouwd bent) er ook maar snel mee stoppen.

Maar deze liefdesverklaring is totaal anders. Hij heeft hen liefgehad. Wat een wonder is dat! Hij had zoveel last van deze mannen en ze hebben Hem zo voor de voeten gelopen. Hielden zij nu wel of niet van Hem? Ja, wel, maar diep in hun hart waren ze zo ongelovig en vroeger waren ze zo vijandig. En toch: Hij heeft hen liefgehad. Vroeger waren ze zelfs vijanden. Ze hebben nooit naar Hem gezocht. Ze hebben nooit naar God gevraagd. En toch: Hij had hen hartelijk lief. Altijd al. Zelfs toen ze nog niet geboren waren, in de eeuwigheid (vóór ons, onbegrijpelijk, dat kun je als mens toch niet begrijpen, wonderlijk toch?). Hij had ze in de eeuwigheid al lief, met liefde van eeuwig welbehagen. En toen ze geboren werden, toen bleken ze vijanden van God te zijn. En toch: Hij heeft hen liefgehad. Dit is een totaal andere liefde dan menselijke liefde. Dit is niet ‘heen-en-weer’. Dit is (zo heet dat) eenzijdige liefde: het komt van één zijde, het komt van één kant, het komt bij God vandaan. Dit is wat de Bijbel noemt de liefde van Gods welbehagen.

De liefde van Gods goede gedachten met… vijanden. Met mensen die van Hem weg zouden gaan, mensen die Hem de rug hebben toegekeerd. Die liefde komt echt maar van één kant: van Gods kant. Eenzijdig. Eenzijdige liefde van God, van de heilige God, tot vijandige, opstandige en verloren Adamskinderen.

Je zegt: ‘Wat naar. Daar kan ik helemaal niks mee. Eenzijdige liefde? Liefde van Gods welbehagen?’ Maar ik zeg tegen je: Wat een wonder! Daarom kan je zalig worden! Omdat het niet van jezelf afhangt, maar alleen van God. Zijn liefde was er voor Petrus. Wat was dat voor een man? De Heere Jezus noemde hem satan. Het was een wegloper, hij heeft Zijn Meester verloochend en vervloekt. Als het kan voor Petrus, dan kan het voor jou, voor u, voor iedereen. Hij is het, die u en jou in deze dienst Zijn vriendschap biedt.

De liefde van Christus blijft en gaat door tot het einde. Wat de tijd betreft maar nog meer wat de diepte, wat de intensiteit van die liefde betreft. Sommige mensen laten elkaar los als het moeilijk wordt. Ik wil de moeilijkheden en de zorgen van het leven natuurlijk niet onderschatten, maar toch moet u dat niet doen. Want we zijn juist door Gods hand bij elkaar gebracht en we zijn juist met elkaar getrouwd om elkaar vast te houden en elkaar tot hulp te zijn, juist in de moeilijkste omstandigheden van het leven. Maar Hij, Christus, laat de Zijnen (kinderen van wie Hij zoveel houdt) nooit los. Ondanks hun liefdeloosheid. Ondanks hun biddeloosheid. Ondanks hun verloochening. Hij houdt ze vast, straks in bitter lijden, in schampere verachting, in bespotting, in hoon, in het schrikkelijke lijden in Gethsémané en aan het kruis op Golgotha. Hij heeft ze vastgehouden tot in de dood toe. Hij is het, die voor zulke overtreders geleden en gebeden heeft. Ziedaar, gemeente, de liefde van de Heere Jezus Christus!

En ik vraag u vanmorgen op de man en op de vrouw af: kan die liefde van Christus uw harde hart niet breken? Hebt u ooit van uw leven van zo’n liefde gehoord? Hebt u ooit van uw levensdagen zo’n hartelijke liefde gezien?

Buigt ons hart niet, kinderen van God, bij de gedachte aan deze liefde? Hij voor mij. Dat is het grote contrast, dat is de grote tegenstelling in deze liefdesverklaring. Hij heeft mij zo liefgehad. Ongevraagd, ik heb me altijd verzet, het was niet gewenst, maar toch: liefgehad en nooit losgelaten. Liefgehad tot het einde.

Onze tweede gedachte:

2. De liefde van de Meester wordt geweigerd

Terwijl men samen de afscheidsmaaltijd gebruikt staat er in vers 2: werkt de duivel in het hart van Judas. Je zegt, jongelui, bij jezelf: ‘Zie je wel, wat kan Judas er dan aan doen? De duivel werkt toch in zijn hart? Als God wil dat het goed met je komt, dan komt het goed.

En als God je laat, ja, dan gaat het fout.’ Ja, maar wacht even. Moest Judas zijn Meester nu echt verkopen voor die slavenprijs van dertig zilverlingen? Hoe vaak had de Heere Jezus Judas niet genodigd? Hoe vaak had de Heere Jezus Judas niet gewezen op Zijn liefde, op Zijn komende lijden en sterven? Hoe vaak had deze Judas niet geluisterd naar de preken, naar de gebeden, naar het onderwijs en de lessen van de Heere Jezus? En toch, hij koos zelf voor het grote geld.

En daarom is het niet eerlijk, het is echt niet eerlijk (of u nu jong bent of ouder) om God te verwijten als je zelf kiest voor nu, voor de glans van deze wereld, voor de glinstering van het geld, voor de glitter die deze tijd te bieden heeft, voor de glamour van de wereld die niet blijft! Je kiest zelf voor de korte termijn. Je kiest zelf voor de dingen van nu. Terwijl je weet dat ze maar voor even zijn. Je ziet het om je heen gebeuren. Maar je weigert en vergeet zelf de dingen die voor altijd blijven.

Weet je wel hoe erg het is, als je de liefde van Christus zo weigert, zoals Judas dat gedaan heeft? Hij nodigt je, maar je zegt: ‘Nee. Ik kom niet.’ Hij smeekt je en Hij bidt je, maar je geeft geen gehoor. Ik heb het vanmorgen over de liefde van Christus, die je (en ook u, ouderen) bidt: Laat u toch op deze dag met God verzoenen! Vergeet toch alles wat maar voor even leuk en mooi is. Het blijft hooguit voor tachtig jaar. Maar Zijn liefde blijft voor altijd. Daar komt nooit een eind aan. Ons derde punt:

3. De liefde van de Meester buigt

U kunt dat lezen in vers 3 tot en met vers 5. Ze zijn samen aan het eten. Het is donderdagavond, de avond van de Paasmaaltijd. Iedereen ziet er netjes uit, dat hoort bij zo’n feestavond. Iedereen (zouden we zeggen) is thuis onder de douche of in bad geweest en nu liggen ze allemaal aan die U-vormige tafel, met de Heere Jezus aan het hoofd. Iedereen zit een beetje, half liggend aan de tafel, met z’n linkerhand onder het hoofd en met de rechterhand vrij om te eten.

Maar terwijl ze daar aan tafel liggen, ze weten het nog goed, hor, het gebeurde toen ze binnenkwamen! Dat hele ongemakkelijke moment. Want, ja, er was geen slaaf. ‘Kijk, ik heb vieze voeten, zweetvoeten, helemaal vol met zand. Ja, maar… wie gaat dat nu schoon maken? Ik niet, hor. Anderen? Wie gaat mijn voeten wassen? Niemand? Nou, ik dus ook niet.’ Zo zijn ze aan tafel gegaan. Zie je in gedachten die lange tafel? Daar zitten ze, daar liggen ze dan. Dertien mannen, zesentwintig vieze voeten. Het stinkt. Letterlijk. Want er is geen slaaf, geen buitenlander (want dat waren de slaven toen). Toen (vers 4) stond Jezus op van het avondmaal. Hij legde Zijn overkleed af (Hij doet Zijn jasje uit), neemt een linnen doek, hangt een schort om Zijn schouder, giet water in een kom en gaat de voeten van de discipelen wassen en droogt ze af met die schort. ‘Wie’, zegt u, ‘deed dat?’

Hij, Die uit de hemel kwam en klaar staat om terug te keren tot de hemel. God is Zijn Vader en Hij Zelf is God. Hij buigt. Hij gaat slavenwerk doen. Werk dat de Joden te min vonden, te vies en te veracht om zelf te doen. Daar werden buitenlanders voor gebruikt. Wat dat betreft is de tijd nog steeds niet anders. Hoog was Zijn afkomt, diep Zijn vernedering. Zij wilden niet. Hij deed het. Voor hen, in hun plaats. Hoogmoed, stinkende hoogmoed dat is de wortel van hun, van mijn, van uw zonde. En dat begon al in het paradijs. Opstaan, boven de ander, boven God staan. Want ik wil niet buigen. Ik wil niet naar beneden buigen, voor God niet en ook voor de mensen niet.

En nu buigt Hij! Hij buigt, Hij breekt de wortel van hun hoogmoed door Zelf voor hen te buigen. Hij was God, zegt Paulus in de brief aan de Filippenzen, en heeft Zichzelf vernederd om slavenwerk te doen (Filippenzen 2:5-8). In hun plaats. Dat is de zelfopofferende liefde van onze Heere Jezus Christus. Dat is de zelfopofferende liefde van de Zoon van God voor mensen die zelf te beroerd zijn om te buigen voor God en voor de naaste.

Kinderen van God in ons midden, kan dat gezicht, wat u daar in gedachten ziet, onze eigen hoogmoed voor God en mensen niet breken? Als we nu iets ervaren hebben in ons leven van deze buigende liefde van Christus, is het dan niet beter dat wij ook voor Hem buigen? Ook al begrijpen we Zijn wegen niet. Zoals hier ook staat in dit Bijbelgedeelte: (u begrijpt Zijn weg niet) maar na dezen zult u het verstaan (vers 7). Verwonder u en verblijd u, u die de Heere vreest, om deze Zelfopofferende liefde van Christus.

Tegen u, die God niet kent en die Zijn liefde niet hebt gezien, zeg ik: verbaast het u niet dat Hij zo diep buigt? Dat Hij nu zo diep buigt voor discipelen waar Hij zoveel last van heeft (en nog zal hebben)? Kom in gedachten eens wat dichterbij en kijk eens wat beter. Kijk nou toch eens goed naar deze liefhebbende Christus! Hij geeft echt alles wat Hij heeft. Nu al aan het begin van Zijn diepe lijden. Zijn eer, Zijn aanzien, Zijn goede Naam, Zijn respect. Voor wie? Voor dit soort types hier aan tafel, die niet willen buigen en die zich altijd beter voelen dan een ander. Te trots en te hoogmoedig om te buigen. En zo ben ik ook. En als ik me niet vergis bent u ook zo. En daarom: zou het daarom niet goed voor u zijn om Hem, de Heere Christus, ook te leren kennen? Om uw leven te veranderen, om uw leven te vernieuwen, om het weer goed te maken tussen God en dat hoogmoedige hart van u? Ons vierde punt:

4. De liefde van de Meester wordt niet begrepen

Leest u maar mee in vers 6: Hij (de Heere Jezus) dan kwam tot Simon Petrus (één van Zijn kinderen, één van Zijn discipelen) en die zei tot Hem: Heere, zult U mij de voeten wassen? Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na

dezen verstaan. Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien (als) Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij. De liefde van de Meester niet begrepen. ‘Heere, U mij? Nooit! Nooit zult u mij wassen. Nooit van mijn levensdagen!’ Zo kennen we elkaar. Ja, toch? Zo zijn wij. Dat iemand anders iets voor ons doet: graag. Maar dat de Heere Jezus…? Nee! Die weerstand, dat verzet, die vijandschap zit toch in ons hart? In mijn hart wel tenminste, en in uw hart vast ook. ‘Ik wil niet en ik kan ook niet anders.’ En als ik al de noodzaak zie, als ik al zie dat ik vuil ben door mijn zonde en door schuld, dan zeg ik: ‘Laat ik het zelf maar doen, me zelf wassen, mijn eigen leven verbeteren en reformeren. Ik zal alles zelf wel doen.’

En daarom, jongens en meisjes, heb je een nieuw hart nodig. Daarom heb je nodig dat God, de Heilige Geest je hart Zelf levend maakt, vernieuwt en verandert. Je een ander hart geeft, want jouw en mijn hart zegt altijd weer: ‘Nee, Heere, nooit van mijn leven wil ik dat U mijn leven wast.’

Daarom is het helemaal geen dooddoener, jongens en meisjes, als God elke keer zegt en ik elke keer tegen je zeg: je moet opnieuw geboren worden. Je hebt een nieuw hart nodig. Want dit hart gaat nooit zeggen: ‘Ja, Heere! Alstublieft.’ Dat zegt altijd: ‘Nee, Heere!’ Dit hart zegt altijd: ‘Ik vuil? Nee. Ik slecht? Nee, ik ben goed!’ En als ik al zie dat mijn hart slecht is, dan blijf ik zeggen: ‘U, Heere, mijn hart wassen? Nee, nooit van mijn leven. Ik zal het zelf wel oplossen.’ En daarom zeggen we altijd en ook nu weer: bid toch om een nieuw hart, dat God dat hart van je verandert en je opwekt uit de geestelijke dood tot een nieuw leven.

‘Heere U mij wassen? Nooit. Nooit zult U mij wassen. Nooit van mijn leven.’ Ze kennen we elkaar toch, kinderen van God? Liefde die niet begrepen wordt. Of moet ik eigenlijk zeggen: liefde die niet gewenst wordt. U Uzelf opofferen voor mij? Nee, dat wil ik niet! Daar ben ik eigenlijk veel te hoogmoedig voor. Want Zijn vernedering vernedert mij. En dat wil ik niet. Die vernedering laat mij zien en voelen, wat ik niet wil zien en voelen. Want hoe dieper Hij buigt (als een slaaf), hoe meer ik vanbinnen mijn eigen hoogmoed voel knagen. Dat verzet tegen dienen, buigen, lijden en sterven in mijn plaats. Moet ik daar nu mee instemmen? Nee, dat wil ik niet. Als Hij wil dienen, laat dat mij zo zien dat ik niet dienen wil. Als Hij gaat buigen in mijn plaats, dan zie ik zo met eigen ogen dat ik niet buigen wil. En straks gaat Hij lijden en sterven in mijn plaats. En dat wil ik ook niet. Want dan zie ik dat ikzelf moest lijden en sterven en dus de eeuwige dood had verdiend.

Die dienende Zaligmaker, die Zijn knieën buigt voor Zijn kinderen, die Hij liefgehad heeft tot het einde, is een zichtbaar bewijs van mijn verlorenheid, van mijn onwil, van mijn onvermogen, van mijn hoogmoed, van mijn vijandschap. Deze dienende en buigende Zaligmaker wijst mij rechtstreeks naar mijn Adamshart!

En tegelijk bewijst die dienende en buigende Zaligmaker in Zijn buigen en dienen Zijn onvergelijkbare liefde.

Pas als ik dat eerste zie (mijn Adamshart), pas dan krijgt dat tweede (de buigende Christus) waarde voor mijn hart. Als ik met mijn ogen mag zien, door de Heilige Geest gegeven, dat Hij dat wilde doen in mijn plaats, ondanks alles van mij. Zijn vernedering voor mijn hoogmoed. Zijn lijden voor mijn straf. Zijn dood voor mijn oordeel. Dat nu is de liefde van Christus. Hij buigt en straks buigt hij dieper, en nog dieper. Straks breekt Hij en gaat de dood in. Om met één offer (Zijn eigen liefdeshart) de schuld van de Zijnen, die Hij liefgehad heeft tot het einde, te betalen.

En als dat nu zo is (en het is zo!), zoekende zondaars in ons midden, waarom zoekt u het dan nog steeds op een andere plaats? Bij uzelf, bij iemand anders, maar niet bij Hem? Buigt Hij soms niet diep genoeg voor u? Doet Hij het niet goed genoeg voor u? Is Zijn vernedering, Zijn Zelfopoffering niet genoeg voor u? Is Zijn Offer tekort? Zijn de offers die u brengt, de tranen die u plengt dan beter? O, laat Zijn buigende liefde u toch overtuigen om af te zien en afscheid te nemen van alles van uzelf en op Hem te zien. Zie toch hier in het Woord de Koning in Zijn schoonheid! In de schoonheid van Zijn diepe vernedering. Zo van harte, zo vrijwillig, zo diep gebogen. Opdat u zou afzien van uzelf en opdat Hij door Zijn genade al uw twijfels zou oplossen. Eén wenk van Zijn liefdeshand zal uw ogen openen. Bid daarom en u zult de Koning zien in de schoonheid van Zijn diepe vernedering.

Petrus zei tot Hem, vers 8: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij. ‘Als je bij Mij wilt horen, Petrus, dan moet je buigen!’ Nee, dat staat er niet. ‘Petrus, als je bij Mij (Christus) wilt horen, dan buig Ik voor jou.’ Dat is alles.

Zoekende zondaars in ons midden: als u bij Hem wilt horen, Hij wil voor u buigen. Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Petrus, indien Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij. Je hoort de vraag daarin doorklinken: ‘Of, Petrus, wil je soms niet bij Mij horen? Zal Ik dan de band maar verbreken tussen jou en tussen Mij?’ Als u deel met Mij wilt hebben, als u bij Mij wilt horen… Als u bij Hem wilt horen, als u van Hem wil zijn, als u Zijn bruid wil zijn… Want hier is geen bruid die vraagt om een Bruidegom. Het is andersom. Het is ook niet wederkerig (heen-en-weer), het is eenzijdig. Hier in het Woord, en hier in de kerk, is een Bruidegom die een bruid zoekt en die niks anders doet dan u toestemming vragen om uw ziel te mogen wassen in Zijn bloed in de weg van Zijn diepe vernedering.

Dit is ten diepste een hemels huwelijksaanzoek aan ons allen, maar in het bijzonder aan hen die het van verbazing niet kunnen en niet durven geloven. Hij vraagt u niet om uw hand, Hij vraagt u om uw vieze voeten. En zo (op die manier)

vraagt Hij om uw instemming om met u, o zondaar, in een geestelijk huwelijk te treden. Het enige wat Hij van u vraagt is uw vuile, uw schuldige, uw doodschuldige hart. En dat is alles. En dan is Zijn liefdeshart voor u. Moge de Geest van God u de kracht en de bereidheid geven om in te stemmen en ‘ja’ te zeggen op deze dag, tegen dit hemelse aanzoek om door Zijn genade met Hem in ondertrouw te gaan.

Laten we, voordat we verder gaan, nu eerst samen zingen uit Psalm 8, het vierde vers.

Mijn God, wat is de mens dan op deez' aarde! De broze mens, hoe klimt hij tot die waarde, Dat Gij aan hem in zoveel gunst gedenkt; En 's mensen zoon Uw teêrste liefde schenkt!

In vers 9 lezen we: Simon Petrus zei tot Hem (tegen de Heere Jezus): Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd. Wat we hier zien is Gods werk. Alles is van Hem. Letterlijk alles. Hij staat op. Hij buigt Zich. Hij breekt het harde en hoogmoedige hart van Petrus. En die Petrus die gezegd heeft: ‘Heere, nooit van mijn levensdagen!’ zegt: ‘Ja, Heere, doet U het maar helemaal.’ Wonderlijk, eenzijdig werk van God in het leven van een mens die niet kan en niet wil, vol van verzet en vijandschap tegen vrije genade. Maar God zegt: ‘Ik wil’ en zij zullen.

En zij zeggen: ‘Dat hebben we goed gedaan! Wij hebben voor Hem gekozen?’ Nee. Zij zeggen: ‘Het was door Hem, door Hem alleen, om het eeuwige welbehagen. Het was vanwege Zijn onbegrijpelijke liefde. Hij heeft Mij opgezocht. Hij bood me Zijn liefde aan. Hij vroeg mij ten huwelijk. Maar ik wilde niet. Ik zei: Nee. Ik was Zijn vijand, ik vocht met heel mijn hart en mijn leven. Maar hoe meer ik vocht, hoe dieper Hij boog. Hij boog, en Hij boog, steeds dieper en toen…, toen wist ik het niet meer. Toen brak ik. Toen kon ik niet meer weigeren en toen heeft Hij mijn hart genomen.’ Het is genade. Het is een wonder van eenzijdige, Goddelijke liefde.

Nu is de maaltijd, als we verder lezen, voorbij. Iedereen ligt weer aan die lange tafel. Zesentwintig schone voeten, gewassen door de Meester. En dat vraagt, en dat is ons laatste en vijfde punt, om navolging.

5. De liefde van de Meester vraagt om navolging

Dan denk ik vooral aan vers 12 tot en met 17. Ik zal vers 14 nog een keer voor u lezen: Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig (verplicht) elkaars voeten te wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs (zoals) Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. En vers 17: Zalig zijt gij, zo u dezelve doet. ‘Dat, discipelen wat Ik gedaan heb, moet u vanaf nu ook gaan doen.’ Dit was, letterlijk, een voorbeeld.

Het woord heeft iets in zich van een fotokopie. ‘Discipelen, u bent schuldig (verplicht) om vanaf nu elkaars voeten te wassen. Niet meer zo hoogmoedig zijn, niet meer zo bang zijn om vieze handen te krijgen van elkaar, niet zo beroerd zijn om te buigen, maar word een fotokopie van Mij.’ Zoals de Bijbel dat op andere plaatsen ‘het beeld van Christus gelijk worden’ noemt. Een kopie worden. Dat heet, met een ander woord, heiligmaking. Heilig gemáákt worden. Je maakt jezelf niet heiliger, maar je wordt het gemaakt. Je was het niet van jezelf, je wordt niet schoner door jezelf te wassen, maar je wordt gewassen. Dagelijks. Van zonde, hoogmoed en trots. Door? Door Christus. Door te zien op die Jezus, die zo diep boog voor mij. En werkelijk, als je dat ziet (‘Hij boog zo diep voor mij’) dan breekt de wortel van je eigen hoogmoed. Dan ga je ook buigen voor God en ook voor mensen.

Want wij (dat zegt de Heere Jezus), wij zijn niet meer dan Hij. Dat betekent: als het kon, dan moesten wij nog dieper buigen dan dat Hij gebogen heeft.

Ik ben uw Heere en uw Meester, uw Koning, uw Eigenaar, uw Bezitter, uw Leraar, uw Meester, uw Schoolmeester. En nu moet u precies gaan doen wat Ik u voorgedaan heb. Petrus heeft het heel goed begrepen, want later heeft hij het over de voetstappen van Christus navolgen (1 Petrus 2:21). Precies dezelfde stappen zetten, die Hij zette. De Heere Jezus zegt: ‘Ik heb u een voorbeeld gegeven. En u mag er een kopie van worden.’ Hoe? Niet door eigen kracht, maar door te zien op en te denken aan Mijn buigende liefde.

U zegt, kind van God in ons midden: ‘Ja, dat is genade. Dat moet God doen.’ Dat is waar. Maar wat hier staat is ook waar: als u bij de Zijnen hoort en daarbij wilt horen, dan zijn u en ik schuldig (verplicht, dat is onze roeping!) om dat te doen. En het kan ook. Niet in eigen kracht, niet door eigen prestatie, maar zoals ik zei: door op Hem te zien. Van het zien op Jezus, van het zien op deze buigende Heere Jezus Christus, word je werkelijk een ander mens. Anders zit het niet goed in je leven. We mogen en moeten door Zijn genade en Zijn kracht Zijn voorbeeld leren navolgen. En als dat zo mag zijn, dan is het geen zwaar werk, dan is het geen harde inspanning. Dan zeggen we niet: ‘O, wat is het toch moeilijk om te buigen. Dat lukt me echt niet, hor.’ En je zegt ook niet het tegenovergestelde: ‘Nu heb ik toch zo gebogen, moet je mij eens kijken!’

Nee, heiligmaking gaat door de kracht en de genade van God (ik zou bijna zeggen) vanzelf. Door het zien op de Heere Jezus Christus. Als ik zie hoe diep Hij boog, buig ik vanzelf met Hem mee. En dan kan het ook. Dan zeg je misschien wel: ‘Ik kon het niet. Maar door Zijn genade ging het toch.’

Ik weet en u weet: daarvoor moet er veel verzet in ons hart gebroken worden. Veel hoogmoed moet gebogen en vernederd worden. En er is in ons leven ook maar een klein beginsel. Maar als ik zie op die dienende Zaligmaker, die zo diep voor ons gebogen heeft, dan kan het niet anders, dan groeit de bereidheid in mijn hart om met Hem mee te buigen en Zijn voorbeeld na te volgen.

Dan ervaar je het niet als te min om het werk van een buitenlander of van een laaggeschoolde te doen. Dan kijk je ook niet op die mensen neer, alsof je beter bent. Dan wil je anderen dienen. Dan blijf je ook niet altijd (misschien wel jarenlang) hameren op je eigen gelijk, maar dan ben je bereid om de minste te zijn. Je bent bereid te vergeven, ook die mensen die je benadelen, die je dwars zitten, die over je roddelen, die over je kletsen. Je vraagt de Heere vergeving voor hen: ‘Heere, vergeef het ze. Want ze weten niet wat ze doen.’ Dan ben je geen zoeker van eigen eer en eigen welzijn, maar dan zoek je de eer en welzijn van anderen. Kortom: je bent dienend, thuis, in het gezin, in je huwelijk en hier in de gemeente in liefde en trouw.

Als u een kind van God bent en de Heere wilt dienen, dan geldt dit wat Petrus later schrijft in zijn eerste brief (1 Petrus 2:21): Want hiertoe bent u geroepen –en dan komt het– dewijl ook Christus voor ons geleden heeft (Hij heeft in onze plaats gebogen), ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen. En: Wees met ootmoedigheid bekleed. Doe dat jasje nu maar uit en doe die slavenrok maar aan! En, zegt Jakobus, zijt daders van het Woord en niet alleen hoorders (Jakobus 1:22). Want, zegt Paulus, dat gevoelen zij in u hetwelk ook in Christus Jezus was (Filip. 2:5).

Amen.

Slotzang Psalm 45:6,7

Dan zal de Vorst van al uw schoon getuigen. Hij is uw HEER, dies moet g' u voor Hem buigen. 'k Zie Tyrus dan, die rijke wereldstad, U hulde doen, en off'ren schat op schat. De Koningstelg, die Hij zijn bruid wil noemen, Is meest om haar inwendig schoon te roemen; 't Borduursel is, naar vorstelijke staat, Van louter goud gewerkt in 't praalgewaad.

Straks leidt men haar in statie, uit haar woning, In kleding, rijk gestikt, tot haren Koning; Zo treedt zij voort met al den maagdenstoet, Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet. Zij zullen blij, geleid met lofgezangen, De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen, Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof, Ter bruiloft treên in 't koninklijke hof.