PREEK · KERKELIJK JAAR

De vrucht van het werk van de Heilige Geest (deel 11) - Galaten

Pinksteren - 8 juni 2014

Galaten 5:5: Want wij verwachten door den Geest uit het geloof de hoop der rechtvaardigheid.

INLEIDING

Paulus vermaant met kracht: “Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen” (Galaten 5:1). Deze leespreek laat zien dat wie eenmaal door Gods genade is vrijgemaakt van de wet, toch telkens weer dreigt terug te vallen in eigen werk, en wijst de weg naar een geloof dat alleen leeft van Christus en werkzaam is door de liefde.

THEMA

De vrucht van het werk van de Heilige Geest

KERNPUNTEN

  1. Zijn werk maakt vrij van de wet
  2. Zijn werk werkt een verlangen naar Christus
  3. Hij maakt werkzaam door de liefde

GALATEN 5:1-12

1 Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.
2 Zie, ik, Paulus, zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.
3 En ik betuig wederom een iegelijk mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.
4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.
5 Want wij verwachten door den Geest uit het geloof de hoop der rechtvaardigheid.
6 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.
7 Gij liept wél; wie heeft u verhinderd der waarheid gehoorzaam te zijn?
8 Dit gevoelen is niet uit Hem Die u roept.
9 Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg.
10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.
11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des kruises vernietigd.
12 Och, of zij ook afgesneden werden die u onrustig maken.

VOLLEDIGE TEKST

De vrucht van het werk van de Heilige Geest (deel 11) - Galaten

ds. J. IJsselstein - Galaten 5:5

THEMA

De vrucht van het werk van de Heilige Geest

Gemeente, we zijn toegekomen aan de laatste hoofdstukken van de Galatenbrief. De laatste twee hoofdstukken van de Galatenbrief, hoofdstuk 5 en 6, gaan in het bijzonder over het werk van de Heilige Geest. Over het leven met God, of zoals het in de Galatenbrief wordt genoemd: het wandelen naar de Geest. Het Bijbelgedeelte voor onze overdenking vindt u in Galaten 5, de verzen 1-12. Het gedeelte is u voorgelezen. Ik lees u samenvattend nu alleen nog het vijfde vers. Galaten 5:5: Want wij verwachten door de Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid.

Het thema voor de preek is: De vrucht van het werk van de Heilige Geest We letten samen op drie aandachtspunten: 1. Zijn werk maakt vrij van de wet (dat ziet u in vers 1-4) 2. Zijn werk werkt een verlangen naar Christus (dat ziet u in vers 5) 3. Zijn werk maakt werkzaam door de liefde (vers 6-12) Als eerste dus:

1. Zijn werk maakt vrij van de wet

Jongens en meisjes, ben je liever vrij of liever gevangen? Heb je liever dat je vrij bent of dat iemand je heel stevig beet pakt en zegt: Ik laat je niet los? Ik wil vrij zijn, zeg je. Natuurlijk!

Maar wat is vrijheid eigenlijk? Je kan zeggen: vrij zijn, betekent dat je helemaal jezelf kan, dat je kan doen, wat je zelf wilt. Vrij van alles en iedereen. Maar, dat is nog maar de vraag. De meeste mensen denken dat ze vrij zijn. Maar hun leven is toch een leven in gevangenschap, in de greep van de dictatuur van wat mooi lijkt, maar het eigenlijk toch niet is. Ik bedoel: in de greep van alles wat plezierig lijkt, maar waar je achteraf een kater van krijgt, soms letterlijk ook. En achteraf heb je het gevoel: ik moet het weer hebben, ik wil het nog een keer, ik kan niet zonder… Ik heb het over de verslavende macht van de zonde. Eerst lijkt het zo mooi, zo aantrekkelijk, zo verleidelijk, zo honingzoet. Zoals de Spreukendichter zegt: De lippen van de vreemde vrouw druppen honingzeem en haar gehemelte is gladder dan olie… Totdat die aanvankelijk zoete honing, heroïnebitter blijkt te zijn: Maar het laatste van

haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar voeten dalen naar de dood, haar treden houden de hel vast (Spreuken 5:3-5). De zonde is een verslavende macht, die ons gevangen houdt. De satan, de duivel, houdt ons in de macht van zijn dictatuur. En wat een vrijheid lijkt van plezier, van genieten, van vermaak, van de materie, van de dingen van deze tijd, is in werkelijkheid slavernij! Je denkt dat je vrij bent, maar je bent een slaaf.

Trouwens, Paulus heeft het ook over slavernij in de Galatenbrief, maar als het daarover gaat, dan heeft hij het vooral over een andere slavernij. Over de slavernij van de wet. De slavernij van zelf doen, van je best doen, van werken, van heel hard werken in de hoop dat God het zal zien. In de hoop dat je beter zult worden voor God en dat God dat zal belonen. De slavernij van netjes zijn, stipt je houden aan allerlei regeltjes en wetjes voor God en vooral voor de mensen. In de hoop dat God het belonen zal, omdat… ja, omdat ik zo goed bezig ben. Dat lijkt een mooi, aantrekkelijk leven. Dat voelt ook zo goed, wanneer je beter bent dan een ander. Maar Paulus zegt (en de eerste vier hoofdstukken van de Galatenbrief zijn daar vol van): Dat is een droom, een illusie. En als je niet oppast, wordt het een nachtmerrie!

Wat een armoede! Je denkt dat je vrij bent, maar in werkelijkheid ben je slaaf van een heel harde meester. Je denkt dat je een vriend bent van de wet, maar je vergist je. De wet is geen vriend, maar een vijand van je, een rechter die de vloek over je uitspreekt en die je veroordeelt. Zoals het staat in de Galaten 3: Vervloekt is een iegelijk (iedereen) die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen (Galaten 3:10).

Maar… Gode zij dank! De gelovigen in Galatië, de kinderen van God in de gemeenten van Galatië zijn vrijgemaakt van de wet, zegt Paulus. Door? Door zichzelf? Nee, niet zichzelf. Dat is het werk van God geweest. Ze zijn naar de Geest geboren (Galaten 4:29), ze zijn van bovenaf geboren door een wonder vanuit de hemel, door het werk van de Heilige Geest. Ze waren dood, maar zijn levend gemaakt. Dat heeft God gedaan. Ze waren slaven van de zonde, slaven van de wet. Eindeloos zwoegend, eindeloos bezig met de wet om zichzelf te verbeteren. Het waren slavenkinderen, maar door Gods genade zijn het wonderkinderen geworden. Ze hadden een hemelhoge schuld en de wet beschuldigde hun gewetens. Het was onmogelijk voor ze om zichzelf te bevrijden. Dat wilden en konden ze niet. En als ze het al wilden, dan wilden ze het zelf doen.

Maar toen kwam God. Toen kwam de Geest van God en liet ze opnieuw, van bovenaf geboren worden. Hij maakte ze levend, naar de Geest geboren. En, zegt Paulus, God heeft u vrij gemaakt. En over die vrijheid gaat het in Galaten 5. Vrij van de schuld van de zonde. Vrij ook van de macht van de zonde. Vrij van het beschuldigende geweten, dat alsmaar hamerde: je hebt gezondigd, je hebt de wet overtreden.

Vrij van de toorn van God. Vrij van de dictatuur, van de macht van de satan. Vrij van (en daar gaat het vooral over) de wet. Het bleek onmogelijk, het bleek een doodlopende weg te zijn, om jezelf te verbeteren en om zo tot God te kunnen naderen. Maar God (en dat is het werk van de Heilige Geest geweest) ging ons een andere weg laten zien. Niet de weg van werken, maar de weg van Gods genade. Altijd was er bange vrees in ons hart: ik kan de wet niet vervullen, ik kan niet voldoen aan de eisen van het Goddelijke recht. Maar toen heeft God onze banden losgemaakt. Toen hebben wij al dat werken, al dat doe-het-zelven, al dat pogen en proberen opgegeven. Toen heeft de Geest onze ogen gericht op Christus, op Zijn genade. Toen hebben we het leven in Hem gevonden. En Hij, zegt Paulus, heeft ons vrijgemaakt van de vloek van de wet. Het echode altijd maar in ons hart: vervloekt, vervloekt! Maar Christus is een vloek geworden, Hij in onze plaats. Want, zegt Paulus, vervloekt is een ieder die aan het hout hangt (Galaten 3:13). Het is het werk geweest van de Heilige Geest. Hij heeft onze ogen gericht op Hem, op de Heere Jezus Christus. Alle hoop in onszelf hebben we verloren, maar het leven hebben we in Hem gevonden.

Althans, zo was het gegaan bij de mensen in Galatië. Bij de mensen in de gemeenten van Lystre, Derbe en Ikoníum. Maar er waren ook mensen gekomen, Judaïsten genoemd, die de mensen in Galatië weer wilden terug brengen op dat oude spoor, op het spoor van de slavernij. Zij zeiden: Alleen genade? Vergeet het maar! Je moet ook je best doen, je moet ook werken, je moet ook zelf wat presteren. Anders zal God je niet in genade aannemen!

En daarom klinkt ineens de vermaning van Paulus in hoofdstuk 5 vers 1: Blijf staan waar je staat! Letterlijk staat er: tot vrijheid heeft ons Christus vrijgezet. Vertaald in de Statenvertaling: Staat dan! In de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom (niet weer opnieuw) met het juk der dienstbaarheid (van de slavernij) bevangen. Christus heeft u, kinderen van God in Galatië en [woonplaats] verlost van de wet. Verlost uit de gevangenis van het zelf proberen, om jezelf te verbeteren, om jezelf te verlossen. Maar Hij deed de deur van de gevangenis niet open, om je vervolgens door de volgende deur weer binnen te laten. Paulus zegt: U bent vrij. Laat u niet weer een nieuw juk van slavernij opleggen, van allerlei wetjes en regeltjes, of van verplichte besnijdenis. Alsof dat (en daar gaat het om), alsof dat mee zou tellen voor God. Zo van: als ik dit doe en dat laat, dan word ik een beter mens en God zal dat vast wel zien en aannemen.

Zie, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn (vers 2). Als je je hoop zet op je eigen prestatie, op je besnijdenis, op je eigen werk, dan heb je helemaal niets aan Christus, dan is Hij nutteloos voor u. Paulus zegt het heel scherp. Het is van tweeën één. Er is geen derde weg. Of Christus is alles voor je, of je bent bezig onder te gaan in de golven, terwijl je denkt te kunnen blijven drijven, je vastgrijpend aan je eigen strohalm, aan je eigen inzet.

Paulus zegt: Je verdient alles helemaal zelf, je doet alles helemaal zelf, of het is de hele Christus. En dan doet Hij alles. En daar zit helemaal niks tussen.

En ik betuig, vers 3, wederom aan een iegelijk mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de hele wet te doen. Als u denkt dat het met de wet gaat lukken, dat het u zelf gaat lukken, dat u zelf de zaligheid kunt verdienen, dan moet u de hele wet houden, van het eerste tot en met het tiende gebod. Voor de volle honderd procent, volmaakt, perfect.

Maar, zegt Paulus in vers 4, dan bent u van de genade vervallen. Dan betekent genade echt helemaal niets meer voor u. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; u bent van de genade vervallen. Het is één van de twee, als het gaat om de weg van het leven en de zaligheid. Of je bent een vriend van je eigen werken, een vriend van de wet, alleen maar bezig met werken en met presteren. Maar dan ben je (hoe netjes je ook lijkt) een verloren mens. Dan lig je, zegt Paulus, onder de vloek, onder de toorn. Of je bent (en dat is de andere kant) een genadekind, een wonderkind. Door de Geest geboren. Daar zit helemaal niets van jezelf bij. En dan ben je, zegt Paulus, vrij. En dat is genade en genade alleen.

Je bent Geesteskind of slavenkind. Zo eindigt hoofdstuk 4 ook: je bent slaaf van de zonde (van je best doen, van zelf proberen) of kind van de Geest. En dus is de vraag aan u en ook aan mij: bent u door de Geest geboren, bent u wedergeboren? Ja, zegt u, maar hoe kan je dat weten? Dan moet u de Galatenbrief thuis nog maar eens doorlezen vanaf het begin. Hoe werkt de Geest van God? Dat kan je zien, dat kan je weten in je leven. Dat begint al in hoofdstuk 1: Opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader (Galaten 1:4). Met andere woorden: dan komt er een breuk in je leven met de zonde. En als de Geest in je leven werkt (Galaten 1:13) bekeert Hij je van je eigen hoogmoed en vroomheid en Hij laat je zien dat het allemaal niet telt voor God, ja, dat het ten diepste vijandschap is. Als er tegen je gezegd wordt: ‘U bent een vijand van het kruis van Christus’, dan zeg je: ‘Ja Heere, U hebt gelijk. Ik ben ten diepste in mijn hart een vijand van het kruis. Ik heb de Zaligmaker aan het kruis gehecht en gedood.’ De Heilige Geest bekeert van eigen vroomheid en maakt je voor God een verloren zondaar. En Hij leert je tegelijkertijd ook door Zijn genade de zaligheid, de rechtvaardigheid buiten jezelf zoeken in de Heere Jezus Christus. Het is de Geest die de hoop op ons eigen werk breekt. En zo richt Hij ons hart op het heerlijke werk van de Heere Christus, aan het kruis volbracht. Als er klinkt in de Galatenbrief: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10), dan klinkt daar bovenuit: Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons (Galaten 3:13).

U zegt: ‘Ja, dat laatste ken ik allemaal niet. Het eerste wel een beetje. De breuk met de zonde. Ik ben netjes gaan leven, ijverig geworden. Ben ik dan misschien een beetje of bijna uit de Geest geboren? Hebt u dan misschien een klein beetje geruststelling voor mij? Want als ik weet dat ik wedergeboren ben, dan weet ik genoeg. Dan kan je gerust verder leven, dan zit het gewoon goed met je.’ Nee. Ik heb geen geruststelling voor u. Want het leven zoeken in werken, in wat netheid, in wat uiterlijke dingen, is een zeker teken van de dood. Erger nog: het is vijandschap tegen het kruis van Christus. U kunt niet rusten, u mag niet rusten. U geldt heel in het bijzonder wat Petrus zei op de Pinksterdag tegen die nette mensen in Jeruzalem: Uw vijandschap is groot, u zoekt het leven in uzelf, maar dat betekent dat je Christus verworpen hebt en verwerpt. U hebt Hem gekruisigd, Hem Die God gezonden heeft om te verlossen van de vloek.’ U hebt Hem verworpen en zoekt de zaligheid in uzelf. Zoek geen geruststelling. Maar roep vanuit de diepte van uw hart omhoog: Wat moet ik doen, Heere, om zalig te worden?

Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen. Dit woord in de Galatenbrief is vooral een dringende waarschuwing aan het adres van al Gods kinderen. Als u dan vrijgemaakt bent door het offer van de Heere Jezus aan het kruis van Golgotha: blijf dan staan, laat u dan niet opnieuw tot slaven maken. Hoe dan? Door het toch weer te zoeken in de werken van de wet, in doe-het-zelven. Dat kan bijvoorbeeld doordat je je als kind van God diep in je hart toch weer gelukkig bent gaan voelen met wie je bent voor God. Misschien dank je wel eens: Dank u, Heere, dat ik niet meer ben zoals die en die… Je gaat weer terug naar de werken van de wet, als het ontdekkende woord van de Heere toch weer afketst op je hart. Als God je zonde aanwijst en je zegt: Ja maar, Heere, zo ben ik toch niet? Vijand van u? Dat is toch helemaal weg? Je valt weer terug in het dwaalspoor van de werken van de wet, als je ontevreden wordt, moppert en zegt: Heere, waarom verhoort U mijn gebed niet? Waarom geeft U geen antwoord? Je valt weer terug in het werken, terwijl je je van binnen zo doods voelt, als je je dan weer gelukkig en tevreden voelt als een preek, een meditatie of een stukje je hart raakt en er komt weer wat emotie, wat tranen, wat ervaring en je zegt: Gelukkig, het zit toch goed. Want ik heb iets… in mezelf. Paulus zegt, dat u op een dwaalspoor zit. U bent van de genade vervallen.

De bede past u en ons allemaal, die we nu samen gaan zingen uit Psalm 51, het 6e vers: Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet, ai, laat van mij Uw Heilige Geest niet scheiden! Die kan alleen op ´t rechte spoor mij leiden. Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet; geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest, de blijdschap weer, doe op Uw heil mij hopen. Laat mij, gesterkt door enen edelen geest, volvaardig ´t pad van Uw geboden lopen.

Het is het werk van Gods Geest om Gods kinderen vrij te maken van de wet. Dat wil zeggen: we leren leven van Gods genade. Ik heb niks verdiend. Ik heb alles verzondigd. Maar, zegt Paulus, het heeft God behaagd om Zijn Zoon en Zijn werk in mij te openbaren.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Zijn werk werkt een verlangen naar Christus

Want, staat er in vers 5, wij verwachten door de Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid. De Heilige Geest doet uitzien, doet verwachten. Wij verwachten door de Geest. De Geest is en blijft de Bron van alles. Eigenlijk blijft Paulus de twee wegen schetsen. De ene weg is: doen, doe je best, hopen dat het beter wordt. Het is de weg van de dood, die eindigt in het eeuwige verderf. De andere weg is: de weg van de Geest. En daar staan we als mens helemaal buiten. Door de Geest geboren, levend gemaakt door de Geest en door de Geest geleid tot hoop en verzekering.

Dat geeft ook aan, dat er in het leven door de Geest, gewerkt in het hart van Gods kinderen, geen stilstand, geen dodelijke gerustheid is. Er is, als het goed is, geen vraag naar geruststelling. Het leeft, het zoekt, het bidt, het vraagt, het hoopt, het ziet omhoog en kijkt vooruit. Wij verwachten door de Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid.

Wij verwachten. Wat verwacht u eigenlijk? Zeg eens: wat verwacht u voor de toekomst? Wij verwachten geluk, plezier, gezelligheid, vriendschap, vooruitgang… En daarna? Nee, zegt u, wij verwachten dat we met veel moeite, inspanning en vlijt nog beter ons best zullen doen en dat God het dan eindelijk wel zal zien en belonen. En daarna? IJdele hoop.

Of is dit, wat staat in vers 5, uw enige verwachting? Dan valt u er zelf buiten en is het alleen Gods werk. Wij verwachten door de Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid. Matthew Henry, de bekende Bijbeluitlegger, zegt: Dat is de gelukzaligheid in het leven na dit leven. Want terwijl we hopen, kijken we niet naar beneden. We letten niet op wat wij doen en presteren voor God. We zeggen niet met de rijke jongeling: ‘Heere, dit heb ik allemaal onderhouden van mijn jeugd af aan.’ We letten niet op onze goede afkomst, we zeggen niet: ‘Heere, we zijn kinderen van Abraham, we zijn leden van de Gereformeerde Gemeente.’ Nee. We zijn van bovenaf geboren en zien omhoog. Onze hoop, als het goed is, staat niet op onszelf. En onze hoop rust ook niet op het feit, dat God in onze harten gewerkt heeft, alsof dat een extra plusje zou geven. Zeker niet! Onze enige en enkele hoop voor dit en het toekomende leven is het volbrachte werk van Christus aan het kruis en het werk van de Heilige Geest. En die hoop rust op genade. Op pure genade. Op soevereine genade. Op vrije genade.

Op genade alleen. En daarom staat die hoop vast. De hoop der rechtvaardigheid. Die hoop staat vast, rotsvast op het werk van onze Heere Jezus Christus. En het is die hoop (van ons als mensen die de Heere vrezen) die de ogen doet gaan over de grenzen van de eeuwigheid heen, naar die betere toekomst, naar de dag van de toekomst van onze Heere Jezus Christus. Want we geloven, met de apostel, dat onze lichte verdrukking zeer haast (heel snel) voorbijgaat (2 Korinthe 4:17). Christus heeft het ons toch beloofd? Ik ga heen om u plaats te bereiden. En daarna? Niet vergeten: En wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen (Johannes 14:2-3).

En ondertussen zend Ik u de Trooster. En Hij is ook echt Trooster in de harten van Gods kinderen. Want wat is Zijn werk? Hij is het, Die onze ogen omhoog richt en zegt: ‘Uw Verlosser leeft. En Hij is Voorbidder aan de rechterhand van de Vader. Hij bidt altijd voor u.’ Het is de Geest, Die Gods kinderen troost en in alle aanvechting en strijd in dit leven zegt: ‘Uw verlossing is aanstaande, verlies in alle aanvechting de moed toch niet als je ziet op jezelf. Houd in uw weg het oog op Christus gericht. En verwacht het niet van jezelf, maar van genade. En Ik, dat is de belofte van de Trooster, Ik zal u vasthouden en veilig bewaren tot de dag der verlossing.

We verwachten biddend die dag, de dag van de terugkomst van onze Heere en Zaligmaker. De grote dag van de bruiloft van het Lam. Nee, we vechten er niet voor. En we zijn als het goed is ook niet ongeduldig, maar wel zoals de belijdenis zegt ‘verwachtend’: Wij verwachten die dag met groot verlangen om ten volle te genieten de beloften van God, in Jezus Christus onze Heere (NGB, artikel 37).

Tot slot ons derde aandachtspunt:

3. Hij maakt werkzaam door de liefde

Want, zo zegt vers 6, in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof (en dan komt het) door de liefde werkende. Paulus zegt: Wat u ook gaat doen, of u uzelf nu laat besnijden of niet, dat zal u niet in de hemel brengen. Alleen het levende geloof heeft kracht. En met dat levende geloof richten we onze ogen niet op de dingen van deze tijd, maar op de komende dag van de eeuwigheid. En wij vliegen daarheen, op de krachtige wiekslag van het geloof en de hoop. Terwijl we ondertussen uit de vruchten van het geloof (tot onze troost, bemoediging en verzekering) weten dat de Geest in onze harten werkt. Want het geloof dat de Geest in onze harten werkt, en dat bedoelt Paulus te zeggen, is levend, dat is werkzaam, dat werkt.

Daaruit bewijst de Geest de echtheid, het echte karakter van het levende geloof. Waaruit? Uit liefde en liefdevolle daden. Had de Heere Jezus dat vroeger al niet gezegd? Hieraan zullen zij allen bekennen (iedereen zal het kunnen zien) dat u Mijn discipelen bent, zo gij liefde hebt onder elkaar (Johannes 13:35). En Mattheüs schrijft met woorden van de Heere Jezus Christus: Aan hun vruchten zult u hen kennen. Leest (plukt) men ook

een druif van doornen of vijgen van distelen? Zo zult u dan dezelve aan hun vruchten kennen. Niet een iegelijk die tot Mij zegt (met woorden): Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet (met daden) de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is (Mattheüs 7:16-17, 20-21). Levend geloof blijkt niet uit een mooi verhaal. Dat kan iedereen vertellen. Levend geloof blijkt uit doen. Uit leven voor God, uit leven met God. Het blijkt uit de vruchten. Uit de vrucht van liefdevolle dankbaarheid in het leven van iedere dag. En dat is ook geen eigen prestatie. Ook dat is vrucht van het werk van de Heilige Geest.

Maar, zegt Paulus, als je je hoop niet op Hem stelt, maar op jezelf, dan ben je verdwaald. Dan ben je van het rechte pad af. Kijk maar in vers 7: U liep wel (u liep op het rechte spoor); wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn? U liep op het goede spoor, maar iets of iemand is er geweest, die u uit uw baan gebracht heeft. En wat u nu denkt, Galatiërs, nu u weer zit te vertrouwen op uw eigen werk, dat is niet uit God. Vers 8: Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept. Dat is niet van God, dat is van uzelf. Pas op, zegt Paulus. Ten diepste kan je genade en werk niet combineren. En dat is tegelijk ook de teneur in deze brief. Het is of-of. Nooit en-en.

Vers 9: Een weinig zuurdesem verzuurt het hele deeg. Een klein stukje gist trekt dwars door alle deeg heen. Eén onkruidzaadje in je tuin en een tijdje later staat alles vol met onkruid. Eén verkeerde cel (en dat komt voor sommige zieken onder ons heel dichtbij) en de kwaadaardige ziekte gaat door. Eén brandend sigarettenpeukje op droge grond in het droge bos en… Genade en werk: het kan niet samengaan. Het is uitgesloten. Het is of werken (een doodlopende weg voor iedereen), of het is Christus en Zijn genade alleen.

Maar ik, zegt Paulus in vers 10, vertrouw van u in de Heere, dat u niet anders zult gevoelen. Ik vertrouw erop dat de duivel u niet zal verleiden. Wat een troost is dat, een troost van de grote Trooster. Alles en iedereen probeert ons te verleiden: ons hart, de wereld, de duivel. Ze proberen ons elke keer weer te verleiden om terug te gaan naar dat doe-het-zelven, naar dat hopen op de dingen die je zelf denkt te kunnen doen. Maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. Ze lijken een beetje anoniem in deze brief. Zoals onruststokers in de gemeente meestal anoniem blijven. Maar God ziet en weet alles.

Och, vers 12, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken! Het is een hele scherpe woordspeling hier. Zij preken de besnijdenis, maar als ze de besnijdenis preken, laten ze dan helemaal maar afgesneden worden. Laat ze dan maar, letterlijk, gecastreerd worden. U zegt: Waarom zo scherp? Omdat het vijandschap is. Hopen op jezelf, is vijandschap tegen het kruis van Christus.

Tot slot deze vraag. Het is van tweeën één. Bent u een vriend van de wet? Denkt en hoopt u in uw hart (want u zult het vast nooit hardop zeggen), dat God uiteindelijk toch uw netheid, proberen en ijver zal belonen? En dat u daarmee de zaligheid een klein beetje kunt verdienen? U bent een vijand van Christus. U bent een vijand van het kruis. U hoort, net als wij allemaal behoorden, bij de verraders en de moordenaars van Jezus Christus.

Of is uw hoop op Christus? Zegt u het maar. Want daar tussen zit niks. ‘Heere, ik heb niets. Mijn hoop is op Uw genade alleen.’ Dat is Gods werk. Dat is het werk van God de Heilige Geest. En daar is niets, maar dan ook niets van ons bij. En als dat zo is (en dat is de strekking van dit Schriftgedeelte) dan leven we in de praktijk van het dagelijkse leven een leven van liefdevol dienen van God en van onze naaste, naar de regel van Gods weet. En dan? Houd dan in uw weg het oog op God gericht. Want dan wacht ons in de toekomst, door de Geest, de eeuwige hoop der rechtvaardigheid. Dan wachten ons, in alle strijd en aanvechting van het leven, de liefelijkheden van het zalig hemelleven. Blij vooruitzicht, dat ons streelt. We zullen ontwaakt, Gods lof ontvouwen Wij verwachten die dag, de dag van de terugkomst van onze Heere Jezus Christus, met groot verlangen. Troost elkaar, met deze woorden.

Amen.

Slotzang Psalm 16:6:

Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend, Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheden van 't zalig hemelleven Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.