6 augustus 2023
2 Koningen 4:2: En Elísa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis dan een kruik met olie.
INLEIDING
En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen ? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie.
Een radeloze weduwe en een huis vol lege vaten
2 KONINGEN 4:1-7
1 Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elísa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.
2 En Elísa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis dan een kruik met olie.
3 Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen, ledige vaten; maak er niet weinig te hebben.
4 Kom dan in en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg dat vol is.
5 Zo ging zij van hem en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de vaten toe en zij goot in.
6 En het geschiedde als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon zeide: Breng mij nog een vat aan. Maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil.
7 Toen kwam zij en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 4:2
THEMA
Een radeloze weduwe en een huis vol lege vaten
Gemeente, we overdenken vanmorgen/vanmiddag met Gods hulp de korte geschiedenis die ons is voorgelezen uit 2 Koningen 4:1-7Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen. En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie. Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is. Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in. En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil. Toen kwam zij, en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige.. Ik zal de Schriftlezing nu niet herhalen, in de loop van de preek komen de verzen 1 tot en met 7 gaandeweg, één voor één, aan de orde.
Het thema voor de preek is: Een radeloze weduwe en een huis vol lege vaten
We letten samen op drie aandachtspunten: 1. Een hulpeloze roep 2. Een Goddelijk antwoord 3. Een overvloedige zegen Bij de behandeling van deze punten zullen we uiteraard eerst ingaan op de letterlijke betekenis van de tekst, maar we zullen ook zien dat deze geschiedenis ons geestelijke lessen wil leren. Als eerste dus:
Want we lezen in vers 1: Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.
Deze vrouw is radeloos. Eerst is haar man gestorven. En nu dreigt ze ook haar kinderen te gaan verliezen aan slavernij. Ze heeft grote financiële schulden en nu is de schuldeiser gekomen om zijn geld op te eisen. Sociale voorzieningen zoals wij die hebben, waren er destijds in die vorm niet. Er waren door God wel allerlei wetten aan Israël gegeven ter bescherming van weduwen en wezen en van mensen die schulden hadden. Maar het lijkt erop dat deze wetten niet meer functioneerden in deze goddeloze tijd in het Tienstammenrijk.
Haar man was voorheen een profetenzoon. Een man dus, die in deze tijd van vervolging tegen de stroom in had moeten zwemmen. Dat was moeilijk geweest, maar hij had het, samen met zijn gezin, gedaan.
Samen vormden ze een godvrezend gezin in een goddeloze tijd, een tijd waarin de heersende staatsgodsdienst de kalverdienst in Bethel was. Voor profeten en profetenzonen waren er destijds geen gegarandeerde bronnen van inkomsten, zoals voor priesters en levieten. Door voor ons onbekende omstandigheden is het gezin financieel in zwaar weer terechtgekomen. Maar nu is de nood echt ondragelijk. Eerst moest deze vrouw haar man afstaan en nu eist een meedogenloze schuldeiser haar twee kinderen op, om als betaling voor haar schulden als slaven voor hem te werken. Later zingt David: Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen. Maar…, er is een maar: Maar uit alle die redt hem de HEERE (Psalm 34:20Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.).
Wat kan Gods hand juist diegenen zwaar treffen, die de Heere ootmoedig vrezen. Niet omdat God hen graag zou slaan, maar om hun te leren. Om hun geloof te beproeven en in die weg te versterken. Om Zijn genade groot te maken. Om hen zo, in die weg, te leren zingen: U hebt mijn weeklacht en geschrei, verandert in blijdschap en verwondering.
We zien hier, gemeente, iets van de nood waarin ook nu onze medegemeenteleden of onze buren zouden kunnen zijn. Het valt in deze geschiedenis op, en dat voelt wrang, dat er alleen een harde schuldeiser is, maar verder is er niemand die zich om deze weduwe bekommert. Heb oog, gemeente, voor verborgen nood in uw directe omgeving. Jakobus schrijft: De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld (Jak. 1:27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.).
Gelukkig is er Eén die haar wel ziet en kent. De HEERE, uw God, is een God der goden, die het recht van de wees en van de weduwe doet (Deuteronomium 10:18Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.). Hij is een Vader der wezen en een Rechter der weduwen (Psalm 68:6Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.). De Heere is een bijzondere en machtige Beschermer van weduwen en wezen. En dat blijkt ook bij deze weduwe. Gods Vaderlijke hand brengt haar weliswaar in grote nood, maar met de bedoeling dat Zijn genade uiteindelijk haar leven met overvloed zal vervullen.
Ik zei: Gods Vaderlijke hand brengt Zijn kind, deze weduwe, in grote nood. Juist in tijden van moeite en zorg kunnen Gods kinderen dat zo gemakkelijk vergeten. We zijn zo geneigd, als alle steun ons ontvalt, om moeite en verdriet anders uit te leggen. We zeggen: ‘De Heere heeft me vergeten. De Heere heeft me verlaten. Hij straft me om mijn zonden.’ Maar het is anders. In tijden van voorspoed en welvaart zijn wij zo geneigd om de Heere te vergeten, om ver van Hem af te leven. Maar dat wil de Heere niet! Want Hij heeft Zijn kinderen lief. Hij houdt van ze. Dus wil Hij Zijn kinderen dicht bij Zich houden. Daarom stuurt Hij hun weg vaak zo, dat ze hun roep, hun smeken en vragen weer biddend naar de hemel laten gaan, en hun kinderlijke afhankelijkheid van Zijn almachtige en Vaderlijke zorg weer gaan belijden. Kijk maar naar deze weduwe. Zoekt ze hulp bij haar buren? Bij vrienden? Bij de broeders van haar overleden man? Nee, er staat in vers 1: Zij riep tot Elisa! Zij roept tot de man Gods, tot Gods profeet, en daarmee tot God Zelf!
En let erop, hoe ze dat doet. Ze vertelt eenvoudigweg haar nood. Ze speculeert niet over mogelijke oplossingen, ze doet geen suggesties, maar ze werpt simpel haar nood aan zijn voeten. Aan Gods voeten. Ze doet wat Petrus later zegt: ‘Werpt al uw bekommernis op Hem (op God!), want Hij zorgt voor u (1 Petrus 5:7Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.).’ Ze legt haar nood aan zijn voeten, aan Gods voeten, zoals Martha en Maria later hun nood aan de voeten van Jezus legden, toen ze zeiden: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank. (Johannes 11:3Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.). In ons is geen kracht. Wij weten niet hoe het moet. Maar onze ogen zijn op U (2 Kronieken 20:12O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.).
Weduwen, mensen in tijdelijke nood en verdriet, doet u maar hetzelfde. God aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Zijn hand geve (Psalm 10:14Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.). U die geestelijke nood hebt, u die een geestelijke schuldeiser hebt, wat doet u? Uw schuldeiser is ook meedogenloos. De wet van God, die u gebroken hebt, kent geen medelijden. Zij zegt: ‘Betaal me wat u schuldig bent!’ En de dreiging die zij er aan verbindt, gaat ver uit boven het dreigement van de schuldeiser van deze weduwe: Als u niet betaalt, zult u de dood moeten sterven. Want: God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Daarom moeten wij aan haar, of door onszelf, of door een ander, volkomen betalen (Zondag 5 HC, 12)
Waar zoekt u hulp voor de schuld van uw ziel? Of ziet u geen nood? Of hebt u geen schuld? Dat zou uw toestand dubbel ellendig maken. U hebt een dodelijke kwaal, maar u denkt dat u gezond bent. U hebt een hemelhoge schuld voor God, en u denkt dat u geen ding gebrek hebt. Zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien moogt (Openbaring 3:18Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.).
U die een geestelijke schuldeiser hebt, waar zoekt u hulp voor de schuld van uw ziel? Zoekt u hulp bij uzelf? Bij uw werken, om daarmee te verdienen? Mijn goede werken kunnen misschien wel meehelpen om een deel van mijn schuld af te betalen? Bedenk: Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van de dood (Spreuken 11:4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.). U hebt gerechtigheid nodig, volledige betaling van uw schuld. Zoekt u hulp bij anderen? Maar wie kan de prijs van uw kostbare ziel betalen? Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen (de betaling van de losprijs) niet kunnen geven (Psalm 49:8Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;). Alleen Christus is in staat om de prijs voor uw ziel te voldoen. Hij immers is gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Mattheus 20:28).
Zij, deze weduwe, werpt haar nood aan de voeten van Elisa, aan de voeten van de God van Elisa. En dus, doet u dat ook maar: ‘Heere, mijn schuldheer is gekomen. Hier ben ik, voor U, met mijn schuld. Met mijn hemelhoge schuld!’ Het doet denken aan David, die zegt in Psalm 142: Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend (Psalm 142:3-4). We gaan er samen van zingen, voordat we gaan zien hoe de Heere deze weduwe gaat helpen en haar schuld gaat afbetalen.
We zingen uit Psalm 142:1:
'k Riep tot den HEERE met luider stem; Ik smeekte en riep vol angst tot Hem; 'k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht In mijn benauwdheid voortgebracht.
Onze tweede gedachte:
We lezen in vers 2, 3 en 4: En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie. Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is.
Wat een vriendelijk antwoord van de man Gods: Wat zal ik u doen? En, zo voegt hij eraan toe: Geef mij te kennen, wat u in het huis hebt... Ze zegt: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie. Je zou kunnen denken, dat klinkt als: ‘Ik heb nog wel iets, misschien kunnen we daar iets mee.’ Maar zo bedoelt ze het zeker niet. Ze legt alle accent op de uitzichtloosheid van haar situatie, als ze zegt: Ik heb niets in huis, dan nog een kruik met olie. En, wat kan ik daarmee? Zoals de discipelen de Heere Jezus antwoorden, op een even ontdekkende vraag: ‘Hoeveel broden hebt u?’ Ze gaan op onderzoek uit en komen terug met het teleurstellende antwoord: ‘Vijf, en twee vissen (Markus 6:38).’ Kortom: absoluut onvoldoende. Zo ook hier. Wie kan er met twee kinderen en een meedogenloze schuldeiser overleven van een kruik met olie? Niemand.
Dus, gemeente, waar begint God? Hier openbaart God, hier laat God iets zien van Zijn manier van werken. Dit zijn de vingerafdrukken van Zijn Goddelijke handen. Als mensen tot Hem roepen in de nood, waar begint God dan mee…? Met niets. Met ons absolute tekort.
Hoopt u, wat de oplossing van uw tijdelijke zorg en verdriet betreft, nog op iets van uzelf? Of werpt u echt al uw bekommernis, al uw nood op God? Zal God straks echt alle eer krijgen, of wilt u daar straks zelf ook een beetje in delen? U, die een geestelijke schuldeiser hebt: Geef mij te kennen, wat u in huis hebt... Wat kan er veel zijn, waarop we onze hoop stellen. We denken stiekem in ons hart, dat het misschien wel een beetje mee kan helpen om onze schuld af te betalen.
De schuldeiser hamert, en hij hamert steeds harder: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.). En wij maar zoeken, en steeds harder zoeken. Naar…? Of ik misschien zelf nog iets heb dat als betaalmiddel zou kunnen dienen. Tranen van berouw, hartelijke liefde, ijver in de dingen van de Heere, mijn zoeken, mijn heimwee, mijn verlangen…
Totdat klinkt, zoals ook nu de stem van de Heere klinkt: ‘Geef mij te kennen, wat u in huis hebt.’ Moet u niet eerlijk zeggen (zeg dat dan nu maar!): ‘Heere, alles wat ik dacht te hebben, zal me niet, zal me nooit kunnen helpen om iets bij te dragen aan de betaling van mijn schuld. Dus: Heere, ik heb niets.’ Wie dat leert zeggen (maar wat is daar de overtuigende kracht van God de Heilige Geest voor nodig, want dat wil ik niet zeggen!), maar wie dat leert zeggen: ‘O, Heere, ik heb niets, ik werp me met al mijn schuld op Uw grondeloze barmhartigheid’, die zal ervaren dat God in die weg wonderen gaat doen. In de weg van ons niets…
Kijk maar in vers 3 en 4. Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is.
God gaat wonderen doen door een weg van onmogelijkheid. Door een weg waarin Hij ook haar geloof (dat Hij haar Zelf geeft) beproeft. ‘Vraag aan de buren lege vaten!’ Wij zouden zeggen: ‘Vraag aan de buren: tonnen en emmers die leeg zijn.’ Daar is geloof en zelfverloochening voor nodig. De buren vragen ongetwijfeld: ‘Waar heb je die nu weer voor nodig…?’ En wat moet je dan zeggen? De buren hebben misschien wel andere adviezen, dan dat onnavolgbare en schijnbaar onredelijke advies van Elisa. Eigen oplossingen. Zoekende zondaars, die hun eigen armoede meer en meer moeten inleven, die hun lege vaten voor de Heere moeten brengen, komen vaak verzet en tegenwerking tegen op hun pad. Maar ze doet het. Het geloof luistert naar Gods stem, luistert naar het Woord en is gehoorzaam aan het Woord. Het is gehoorzaam aan de stem en de opdracht van het Evangelie: Breng lege vaten!
Zoals ook nu de stem van het Evangelie klinkt, gebiedend, maar ook zo vriendelijk en hartelijk: Kom tevoorschijn met uw armoede en met uw gebrek. Met uw honger en met uw dorst. Breng uw lege vaten! Want hongerigen worden met goederen vervuld, maar rijken worden ledig weggezonden (Lukas 1:53Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.). U, met uw lege, straatarme ziel, u, die zo verlangt naar verzoening met God, door de genade van onze Heere Jezus Christus, u wordt door het Evangelie opgeroepen, om te komen. Niet om tevoorschijn te komen met uw verdienste. Maar om tevoorschijn te komen met uw armoede en leegte, met uw gebrek en uw schuld. Kom dan! Al zijn uw zonden als
scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al zijn zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1:18Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.). Kom als een gewillige, als een buigende, als een beschaamde zondaar, met al uw armoede en verlorenheid tot Hem, die gekomen is om het verlorene te zoeken en de schuld van hun zonde te betalen met de prijs van Zijn bloed.
Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. Kortom, vul uw huis met de overvloedige tekenen en bewijzen van uw armoede en gebrek. Zie het onder ogen, dat je niets, maar dan ook niets hebt!
Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is. De buren zullen zien en merken dat er iets gebeurt, maar wat er binnen in huis gebeurt, dat zullen ze niet zien. De deuren zijn dicht als God Zijn machtige werk gaat doen.
Soms is er reden voor openbare lof en aanbidding. Bijvoorbeeld als David het in Psalm 34 uitroept: ‘Maakt de HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen. Ik heb de HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered (Psalm 34:4-5).’
Maar op andere momenten wil God dat Zijn machtige ingrijpen verborgen blijft. We bewaren Zijn woorden en daden in ons hart, zonder er over te spreken, laat staan het over te geven aan de publieke consumptie. We zien het ook soms bij de wonderen die de Heere Jezus in het Nieuwe Testament doet. De dochter van de overste van de synagoge is gestorven. Iedereen huilt en klaagt. Maar Jezus stuurt iedereen weg. Slechts een enkeling is erbij, als het wonder gebeurt, als Jezus haar opwekt uit de dood (Markus 5:40En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.).
God wil blijkbaar niet altijd dat Zijn grote daden publiek gezien worden. Waarom niet? Vooral omdat wij zo geneigd zijn, om juist op zulke momenten, iets van Zijn eer naar ons toe te halen. Zeker, we kunnen Zijn lof vertellen, we kunnen vertellen hoe Hij ons opgetrokken heeft uit modderig slijk, hoe Hij ons gered heeft uit onze nood en dood. Maar daar kruipt zo gemakkelijk iets in van: Dit is mijn bekeringsverhaal. Dit deed God voor mij! Geen nederig ‘voor mij’, maar een al dan niet verhuld trots ‘voor mij’! Zo van: Moet je mij zien! Moet je mij horen! Ik hoor er nu toch ook wel bij, nietwaar? Vindt u het niet wonderlijk, wat ik meegemaakt heb, wat ik gekregen heb? Het beste wat je in dat geval kunt doen, is je mond houden over Gods goedheid.
Zeker, God wil op het allerhoogst en alleen geprezen zijn. En juist daarom wil Hij soms dat Zijn meest wonderlijke daden voor de ogen en oren van de meeste mensen verborgen zijn en blijven. Het resultaat, de vrucht zal men kunnen zien, maar wat er precies gebeurd is, mag voor de meesten ongezien en verborgen blijven. Om ons nederig te houden.
En zo gebeurt in de stilte van haar kleine gezin, met de twee kinderen erbij, in de weg van haar gehoorzaamheid, het wonder. Het huis staat vol met lege vaten. Heel haar huis is één zichtbaar bewijs van haar gebrek. De buren weten ervan. Maar hoe groot haar gebrek is, dat hoeven zij niet te zien. De deuren zijn gesloten. En zij giet, zoals opgedragen, de olie. Van vat naar vat. Totdat alle vaten tot de rand toe gevuld zijn. ‘Jongens heb je nog een vat?’ ‘Nee, mamma, dit was echt de laatste.’ Toen stond de olie stil.
Het brengt ons bij ons derde aandachtspunt: Een overvloedige zegen. Maar we zingen samen eerst nog het tweede vers van Psalm 142. Psalm 142:2:
Als mij geen hulp of uitkomst bleek, Wanneer mijn geest in mij bezweek, En overstelpt was door ellend', Hebt Gij, o HEERE, mijn pad gekend.
Onze derde gedachte:
Want we lezen in vers 7: Toen kwam zij, en gaf het de man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige.
Haar absolute gebrek is door God in de stilte van haar huis en hart veranderd in overvloed. God heeft haar weeklacht en geschrei, veranderd in een blijde rei (Ps. 30:12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;). Ze had een strenge schuldeiser. Ze had niets om te betalen. Ze wierp zich op God. En Hij bracht redding. Ja, maar hoe bracht Hij redding? Door betaling van haar schuld. Kijk maar: God vermenigvuldigt de olie, zij verkoopt Gods gift en daarmee wordt de prijs van haar schuld afbetaald. Wat is de kern van het wonder? Dit: God geeft, gratis, om niet, olie in overvloed als Zijn betaalmiddel voor haar schuld.
Zeker, het is een teken van hoe de Heere ook in deze tijd weduwen en wezen wil ondersteunen in alle tijdelijke zorg en nood. Hij hoort zelfs het geroep van de jonge raven (Psalm 147:9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.). Hun ogen wachten op Hem en Hij geeft hun wat zij nodig hebben (Psalm 145:15Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.). Dan zeker ook de weduwen en de wezen.
Maar het is ook een teken van hoe de Heere in het verborgen Zijn genade verheerlijkt in de harten van berouwvolle zondaars. Ze werpen in de nood van hun hart hun hemelhoge schuld aan Gods voeten. Ze komen, meestal na veel verzet en tegenstand uiteindelijk, geroepen door Gods stem, met hun nood en ellende voor de dag: ‘Heere, ik heb niets om te betalen.’
De Heere leert hun hun ellende onder ogen te zien. Ze moeten hun huis vullen, niet met bezittingen, maar met de bewijzen van hun ellende en gebrek. En dan, op Gods tijd, doet de Heere uit enkel genade, het wonder. Dit wonder: Hij vult die lege harten, voor het eerst of opnieuw met de overvloed van Zijn genade. Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikenbomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde (Jesaja 61:3Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.). Hoort u het? Opdat Hij, God verheerlijkt zal worden. Alle wonderen in heel de Bijbel, en ook alle wonderen in het leven van Gods kinderen, hetzij in het tijdelijke, hetzij in het geestelijke leven, hebben maar één doel: Opdat God verheerlijkt zal worden.
Gemeente, alles wat nodig was voor dit wonder was: lege vaten. Alles wat de Heere van ons vraagt is…? Gebrek, leegte, armoede, niets bezitten. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de olie van de Heilige Geest, naar de gerechtigheid van Christus, omdat ze zelf niets meer hebben. Zij zullen verzadigd worden met genade voor genade.
Door Zijn leven en door Zijn sterven aan het kruis heeft Christus deze overvloed van genade verdiend. Om eerst schulden af te betalen, en om daarna van diezelfde genade ook te leven. Het één en het ander! Als Hij ons laat zien, door het sprekende Woord, dat onze schuld door Hem betaald is, verdiend door een weg van recht, door Zijn gehoorzaamheid en voldoening aan het kruis, dan wordt de schuldheer, dan wordt de wet tot zwijgen gebracht. Dan is de schuld uit Gods boek gedaan. Dan is er geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (Romeinen 8:1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.). In dat laatste hoort u hetzelfde, als waar ik net op wees: Door het bloed van Jezus Christus vrijgekocht van de schuld van de wet. Maar (en dat hoort daar ook echt bij!) de olie van Gods genade en van het werk van de Heilige Geest is ook om bij te leven! In een leven naar de Geest, gericht op God.
Wat een vrede en verwondering zal er geweest zijn in het hart en het huis van deze weduwe. Wat een vrede daalt er in een schuldverslagen hart, als de Heere onze lege vaten vult met Zijn genade, met genade voor genade. Wat wordt Christus dan kostbaar. Wat gaan we God dan beminnen en liefhebben. Dat Hij deze onverdiende genade in de stille eeuwigheid wilde uitdenken, dat Hij Zijn Zoon wilde overgeven tot de dood van het kruis, dat Christus wilde komen, en dat de Heilige Geest Zijn olie van genade wilde schenken in onze lege vaten. Dan zingen we met David: Hij doet mij nederliggen in grazige weiden, Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil. U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende (Psalm 23:2Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.,3,5).
Nu is God niet langer meer een God van ver, maar nu is Hij nabij. Nu zijn wij nabij gebracht door het bloed van Christus. Nu is er vrede met God. Wil dat zeggen, dat van nu af aan alle moeite, verdriet en verdrukkingen voorbij zijn? Nee, want we weten dat we door veel verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Handelingen 14:22Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.). Paulus zegt in Romeinen 5, nadat hij gezegd heeft ‘Wij hebben vrede met God’ ook: En niet alleen dit! Er is meer! Wij roemen ook in verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heiligen Geest, Die ons is gegeven. (Romeinen 5:3-5).
Die verdrukkingen, kinderen van God, zoals ook hier bij deze weduwe, leren ons in ootmoed en afhankelijkheid te leven. Ze leren ons steeds weer opnieuw om onze ellende aan Zijn voeten te brengen, niets meer van ons zelf te verwachten, en te leven (niet één keer, maar blijvend) van de overvloed van genade alleen. Naar de opdracht van Elisa: Leef bij het overige. Leef daarvan. Van genade, steeds weer opnieuw gegoten in een leeg vat.
Tot slot, gemeente, deze geschiedenis wijst ons heel nadrukkelijk op de overvloed van Gods genade, voor mensen die niets meer hebben. Wat de Heere destijds in deze ene vrouw werkte, dat werkte Hij eeuwen later op de Pinksterdag in duizenden. En: De hand van de Heere is niet verkort. De Geest is niet gebonden.
Is het ook niet voor ons als gemeente, als kring van gemeenten, de hoogste tijd om onze nood en ellende bij God te brengen? In een tijd waarin nog zoveel onbekeerden rustig doorleven op weg naar het eeuwige verderf? In een tijd waarin de kerk van binnenuit ondergraven wordt door Schriftkritiek, dwalingen en oppervlakkig roemen in Jezus? Meer dan ooit hebben we nodig, dat we onze volle vaten kwijtraken. Dat we onze kerkelijke trots inleveren! Onze trots op wat wij bereikt hebben, onze trots op wat van ons is! Lege vaten, die wil God vervullen. Als we ons, ook als kerkelijke gemeente en kring van gemeenten echt verootmoedigen, biddend om de komst van de Heilige Geest, dan is diezelfde Heere nog steeds bij machte en bereid om Zijn Geest in overvloed over ons uit te gieten. Om nieuw leven in ons en in onze gemeenten te blazen. Om water te gieten op de dorstigen, en stromen op het droge. Ja, om Zijn Geest op onze kinderen te gieten en Zijn zegen op onze nakomelingen (Jesaja 44:3Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.). Maar als we doorgaan op onze eigen wegen, trots en hoogmoedig, omdat wij in deze tijd van afval tenminste nog (wankelend) staande gebleven zijn, dan zal binnenkort ook op onze deuren geschreven worden: Ikabod! De eer is geweken! Dit huis was vol met gevulde vaten. Hier was geen plaats voor genade.
En, gemeente, is het ook niet voor ons als gemeente en als kring van gemeenten de hoogste tijd, om de nood van miljoenen mensen in deze wereld die zichzelf, God en
Christus niet kennen, aan de voeten van de Heere te leggen? Terwijl we ondertussen gehoorzaam zijn aan Zijn bevel: lege vaten verzamelen voor Hem?
Zo, alleen zo, in de weg van onze armoede, van onze leegte en van onze beleden schuld, wil God Zijn genade overvloedig bewijzen. En persoonlijk, èn kerkelijk, èn wereldwijd. Dat geve ons de Heere, opdat Hij verheerlijkt zal worden.
Amen.
Slotzang Psalm 30:8:
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijden rei; Mijn zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord; opdat mijn eer Niet zwijg'. Zo klimt Uw lof naar boven; Mijn God, U zal ik eeuwig loven.
Andere preken over 2 Koningen
Andere preken voor Elisa