PREEK · KERKELIJK JAAR

Penning van de weduwe - Markus 12

Dankdag - 12 november 2021

Markus 12:43: En Jezus Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben.

INLEIDING

Op het tempelplein ziet de Heere Jezus, tegenover de schatkist gezeten, hoe rijken veel geld in de offerkist werpen, totdat er een arme weduwe komt met twee kleine penningen. In Markus 12 spreekt Jezus Zijn discipelen aan: deze weduwe heeft meer gegeven dan allen, want zij wierp van haar gebrek al wat zij had, haar ganse leeftocht – een dankdagwoord dat u meeneemt in de vraag of uw gaven geteld worden, of gewogen.

THEMA

Wat je op dankdag geeft, wordt...

KERNPUNTEN

  1. Dankdaggaven geteld
  2. Dankdaggaven gewogen

MARKUS 12:41-44

41 En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
42 En er kwam een arme weduwe; die wierp twee kleine penningskens daarin, hetwelk is een oord.
43 En Jezus Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben.
44 Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht.

VOLLEDIGE TEKST

Penning van de weduwe - Markus 12

ds. J. IJsselstein - Markus 12:43

THEMA

Wat je op dankdag geeft, wordt...

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen (en proberen ook jullie, jongens en meisjes, goed te luisteren), de tekst voor de preek van vanmorgen op deze dankdag kunt u vinden in Markus 12:41-44. Daar lezen we het Woord van God als volgt En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.

Het thema voor de preek is: Wat je op dankdag geeft wordt… 1. …door mensen geteld 2. …door de Heere gewogen Als eerste dus:

1. Dankdaggaven geteld

De Heere Jezus is op één van de pleinen van de tempel. Wat is Hij eigenlijk aan het doen? Vlak hiervoor heeft hij scherpe dingen gezegd tegen de Schriftgeleerden, scherpe dingen over ‘dat ze de Heere niet echt dienen’. Kijk maar in vers 38, 39 en 40. Daar staat: En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u (pas op!) voor de Schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten (zij willen dat de mensen hen heel belangrijk vinden!); en de voorgestoelten hebben in de synagogen (ze willen graag vooraan zitten), en de vooraanzittingen in de maaltijden (de beste plek aan tafel, maar…); welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder de schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen. Ze doen heel erg vroom, en ze willen graag dat iedereen dat ziet, maar de weduwen, de zwakke, kwetsbare en verachte mensen, die tellen in hun ogen niet mee. En dan schrijft Markus verder… Wat hij schrijft is niet toevallig…

Zij verachten de weduwen. Maar de Heere Jezus doet dat niet. Het gaat hem niet om aanzien. Het gaat Hem niet om voorname en belangrijke mensen. Hij is juist vol van zorg voor zwakken, voor verachte en arme mensen. De Heere Jezus is anders. Hij rekent ook anders.

Laten we, jongens en meisjes, eens samen gaan kijken op dat tempelplein. Als je in gedachten dat terrein oploopt, dan is er eerst het plein, het voorhof der heidenen. Als je dan een poort doorgaat, de Schone Poort, dan kom je op het plein dat heet: het voorhof der vrouwen. Dat wil zeggen: de vrouwen mogen tot en met hier. Op dat plein mogen dus mannen en vrouwen komen, maar de vrouwen mogen daarna niet verder. Laten we in gedachten ergens bij die poort blijven kijken. Ga maar even zitten. Op dat plein, op dat voorhof der vrouwen staan dertien (ja, je hoort het goed: dertien!) offerkisten, allemaal met een verschillend doel. Wij hebben drie collectezakken. Die hebben ook een verschillend doel. De D, die erop staat, zegt dat het geld voor de diaconie is. De K is de zak voor de kerk. Wij hebben drie collectezakken. Maar daar, op dat voorhof der vrouwen, staan dus dertien offerkisten, dertien collectekisten. Waarschijnlijk waren die offerkisten gemaakt in een vorm van een trompet. Je kon het geld erin gooien, en die trompet ving het geld als het ware op.

Laten we samen eens heel goed kijken, naar wat daar op dat plein precies gebeurt. Want dat doet de Heere Jezus ook. Er staat in vers 41: En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist. En Jezus, gezeten zijnde (misschien is Hij moe) tegenover de schatkist (Hij kan alles dus heel goed zien), zag (er staat eigenlijk: Hij keek heel nauwkeurig), Hij zag hoe de schare (al die mensen) geld wierp in de schatkist. Hij kijkt, en ook wij kijken heel erg goed, heel nauwkeurig… En wat zien we dan? En wat ziet de Heere Jezus dan?

Kijk eens! Daar komt een heel rijke man. Dat zie je gewoon aan zijn prachtige kleren en aan zijn deftige manier van doen. Kijk eens, hij gooit in de eerste offerkist een heel groot goudstuk, en in de volgende weer een, en daarna weer en weer… Moet je eens kijken hoeveel geld die man geeft! Ongelooflijk! En kijk, weer een goudstuk, en nog heen, hij gaat maar door! En kijk, o, daar is nog zo iemand. O, geweldig, zoveel als die mensen geven! Het zijn er niet zomaar één of twee, maar er zijn (kijk maar in vers 41) heel veel rijken, die heel veel geld in de schatkisten werpen.

En iedere keer weer hebben de mensen die dat zien een soort hoera-gevoel! Geweldig! Zoveel geld, dat tikt echt aan! Zoals, ik ben er nooit bij geweest, dus eigenlijk kan ik het niet weten, zoals de diakenen misschien soms ook wel zo’n gevoel hebben als zij de collectezak leegschudden.

Je gaat natuurlijk niet eerst de centen tellen. Wat heb je daar nu aan? Wat heb je nu aan die doormidden gescheurde collectebonnen? Nee, eerst die briefjes van vijftig euro. Dat tikt tenminste aan! Eén, twee, drie…, nog een, vier, vijf…, negen..., tien zijn het er uiteindelijk! Tien keer vijftig euro! Even rekenen: vijfhonderd euro! Zo, dat is een mooie collecte. ‘Gemeente, heel hartelijk dank. De opbrengst van de collecte was: vijfhonderd euro en nog wat kleingeld, nog een paar muntjes.’ Zo tellen wij.

Maar, wacht even. Ja, die rijke mensen vallen op. Die laten zichzelf ook zo opvallen. Maar, kijk eens in vers 42: En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. Je kan bijna niet zien wat ze in de offerkist gooit. Maar de Heere weet en ziet alles. Ze heeft twee hele kleine muntjes, twee (zo heten die muntjes) lepta. De Statenvertaling noemt ze in het Nederlands: twee kleine penningen. En dat is bij elkaar opgeteld één oort, een vroegere cent. Je kon er in Israël een handje meel verkopen. Twee penningen is bijna niets dus. Je zou er bijna om glimlachen. Je zou bijna zeggen (maar niet doen!): ‘Mevrouw, als u zo weinig geeft, kan u net zo goed niets geven, want… één cent? Wat kan de tempel, wat kan de kerk daarmee? Niets toch?’ Ja, zo redeneren wij. We hadden een eurocent. Maar nu ronden we alles af, want een cent doet er niet toe.

Wat denk je, jongens en meisjes…? Voor wie heeft de Heere Jezus het meeste respect? Voor wie heeft Hij de meeste bewondering? Voor de rijken, die veel geld geven? Of voor die weduwe die twee minuscuul kleine muntjes geeft?

Weet je wat trouwens wel opvalt? De Heere Jezus ziet het. Wij zien het bijna niet, misschien wel helemaal niet. Maar Hij ziet het wel. Hij zit bij de poort en let heel goed op. En Hij ziet wat de mensen in de offerkist stoppen. Precies zoals de Heere dat iedere zondag ziet, maar zeker ook vandaag, op de dankdag. Hij ziet wat wij aan Hem geven. Daar let de Heere op!

Je kan wel denken ‘ik steek mijn hand in de zak, en niemand ziet wat ik geef’, maar dat is niet zo. Je kan wel denken ‘het maakt de Heere niet uit wat ik geef’, maar dat is niet zo.

Dat staat al in Exodus 23. Daar gaat het over de feestdagen in Israël. Dankdag is ook zo’n feestdag. In Exodus 23 zegt de Heere letterlijk: Men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen (Exodus 23:15). Met andere woorden: je mag geen feestdag houden en lekker niets geven.

Het volk Israël had van de Heere ook het bevel gekregen om altijd een tiende deel van alles van wat ze van de Heere gekregen hadden, aan de Heere terug te geven. Van alles

wat ze gekregen hadden, moesten ze een tiende deel weer teruggeven, voor de Heere en Zijn dienst bij de tabernakel of de tempel.

Maar later klaagt de Heere, door de profeet Maleachi, de laatste profeet van het Oude Testament, juist over dat geven (of beter gezegd: over het niet geven) van wat heette ‘de tienden’. De Heere zegt daar: Van uwer vaderen dag af, bent u afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen; maar u zegt: Waarin zullen wij wederkeren? Zal een mens God beroven? Maar u berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden (die u niet meer geeft!) en het hefoffer. Met een vloek bent u vervloekt, omdat u Mij berooft, zelfs het ganse volk (u geeft niet meer wat u moet geven!). Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen (Maleachi 3:7-10). Met andere woorden: als je niet geeft wat je geven moet, dan… dan is er geen spijze in Mijn huis, dan is er geen zegen in de kerk. En dan houd Ik ook Mijn zegen in het dagelijkse leven in. Met andere woorden: als je niet meer aan de Heere geeft, dan houdt Hij Zijn zegen in, dan geeft de Heere ook niet meer.

En de Heere ziet het, wat je geeft! Denk maar verder aan de tijd van het Nieuwe Testament, aan Ananias en Saffira. De Heere weet en ziet alles. Ook als zij, na gezamenlijk overleg, met leugen en bedrog achterhouden van het geld dat ze beloofd hebben te zullen geven (Handelingen 5:1-2).

En nog weer later schrijft Paulus aan de gemeente van Korinthe: En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien (als je weinig zaad zaait, komt er ook niet veel op); en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien (als je veel geeft, veel zegen, dan krijg je ook veel zegen terug). Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart, voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang (als je veel geeft, doe dat dan niet zuur, zeg dan niet dat het jammer is van je geld; doe het ook niet voor mensen); want God heeft een blijmoedige gever lief (2 Korinthe 9:6-7). God heeft een blijmoedige gever lief. Dat is het, jongens en meisjes, wat de Heere wil. Dat je zegt (en dat je het ook echt meent!): ‘O, wat heerlijk, dat ik dit allemaal aan de Heere geven mag!’

Dat is wat deze weduwe (ze is een weduwe, haar man is dus gestorven) ook doet. Ze heeft twee kleine penningen. Maar, even goed opletten. Dat zegt de Heere Jezus ook tegen Zijn discipelen. Hij roept ze erbij. Kijk maar in vers 43 en 44: En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Eén cent is meer dan vijfhonderd euro? Je zegt: kan de Heere Jezus niet goed tellen? Telt Hij niet? Telt Hij anders?

Want… (gelukkig, Hij gaat het uitleggen) zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse (hele) leeftocht. Al die rijke mensen hebben heel veel geld gegeven van hun overvloed. Ze hadden te veel geld. Ze hadden het helemaal niet nodig. En dus missen ze ook niet wat ze gegeven hebben. Ze hoeven er helemaal niets om te laten. Het doet hun geen centje pijn. Ze hebben toch genoeg! Je zegt: ik heb honderd euro in mijn spaarpot. Ik kan er heus vandaag wel tien euro van missen. Je bent misschien wel een beetje trots, je zegt: ‘ik heb (ja, ik zeg het gewoon hor, want de mensen mogen het gerust weten!), ik heb in de collectezak tien euro gedaan! Ja, want… wat ik eigenlijk van mijn geld wil gaan kopen voor mezelf, dat kost maar vijfenzeventig euro. Dus ik merk er niks van. Ik heb toch genoeg.’

Die weduwe is echt anders. Die is als een meisje dat geen geld heeft. Haar spaarpot is leeg. Behalve sinds gisteren, na een hele dag werken. Toen heeft ze twintig eurocent verdiend: twee muntjes van tien cent. En nu is er de dankdagcollecte. Ze zegt: ‘ik geef mijn twee muntjes van tien cent’. Je zegt: ‘he, joh, zou je er niet eentje voor jezelf houden? Dan houd je tenminste zelf ook nog iets over, anders heb je niet meer!’ Maar ze zegt: ‘nee, ik geef ze alle twee.’

Wie heeft er nu het meeste gegeven? Jij die tien euro gaf uit je goed gevulde spaarpot? Of dat meisje dat twintig eurocent gaf? Jij voelt geen centje pijn. Want je hebt nog genoeg over om te doen wat je wilde doen. Zij voelt wel pijn. Want nu is haar spaarpot weer leeg. Jij hebt nog genoeg voor jezelf. Zij heeft niets meer.

Maar, bij de weduwe uit deze geschiedenis is het zelfs nog iets anders. De Heere Jezus zegt in vers 44: Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht. Zij heeft (zo zegt de Heere Jezus) van haar gebrek gegeven. Ze heeft al niets meer. Ze heeft tekort. Ze heeft schulden. Ze zit bij de schuldsanering. En nu heeft ze alles wat ze heeft, gegeven. Ze heeft twee muntjes, maar ze wil er niet één voor zichzelf houden, ze zijn alle twee voor de Heere. Alles is voor Hem!

Ze geeft, zo staat er, haar hele leeftocht, haar hele levensonderhoud. Dit is haar geld om van te eten! Al geef jij tien euro uit je spaarpot, al geef jij twintig cent, wat je ook geeft, je krijgt vanavond thuis nog gewoon te eten. Maar zij niet. Haar geld, twee penningen, is precies genoeg om nog een handje meel van te kopen. Maar ze geeft het weg. En dus heeft ze vandaag niets meer. Zelfs geen geld om te eten.

Ze is een blijmoedige geefster (zo iemand waar Paulus het over heeft in 2 Korinthe 9). Haar gift doet pijn, maar, en dat maakt het verschil: het is voor de Heere! En voor de Heere heeft ze alles over. Haar geld, en zelfs haar eten voor vandaag. Alles! Die rijke mensen gaven geld, het geld wat ze toch niet nodig hadden. Zij (en dat is het verschil!) geeft geld en liefde. En dus kan zij echt zingen, wat we nu samen gaan zingen uit Psalm 116:10.

Ik zal Uw naam met dankerkentenis Verheffen, U al mijn geloften brengen; 'k Zal liefd' en lof voor U ten offer mengen, In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is.

Het gaat vanmorgen op deze dankdag over ‘geven aan de Heere’. We hebben het gehad over geteld. De Heere telt anders dan wij. Die twee muntjes van de weduwe waren voor Hem meer dan…? Nog even goed lezen in vers 43: Deze arme weduwe (heeft) meer ingeworpen, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Dus wat zegt de Heere Jezus letterlijk? Zij heeft meer gegeven dan al die rijke mensen bij elkaar. Die twee penningen zijn voor de Heere meer waard dan de inhoud van al deze collectezakken, deze twee penningen zijn voor de Heere meer waard dan al het geld wat in die dertien offerkisten zit! De Heere geeft geen cent voor al dat geld. Hij vindt het waardeloos.

Omdat…? Omdat Hij het niet goed vindt dat rijke mensen veel hebben en veel geven? Nee, daar is op zich niets mis mee. Het is een zegen dat ze veel hebben en hun plicht om veel te geven. Maar deze rijke mensen geven alleen dat wat ze zelf toch niet nodig hebben.

Maar zij, die weduwvrouw, geeft van haar gebrek. Met andere woorden: ze is arm, ze heeft niets, ze heeft schulden. Ze heeft schulden... Hoe is dat mogelijk…? Een weduwe die geen geld heeft om van te eten? Dat wil dus zeggen…: de mensen zorgen niet voor haar! Want ze heeft niet eens geld om eten te kopen! Weet je nog waar het hiervoor over ging? Wat zei ik in het begin? Hiervoor heeft de Heere Jezus scherpe dingen gezegd tegen de Schriftgeleerden. Hij heeft ze het verwijt gemaakt dat ze niet zorgen voor de weduwen, ja erger nog: dat ze de huizen van de weduwen opeten. De tempel, de kerk mag niet rijk worden (dat wil de Heere Jezus zeggen!), de tempel, de kerk mag niet rijk worden, terwijl de weduwen ondertussen gebrek hebben. Want de goede zorg van de Heere Jezus, Gods goede zorg gaat juist over weduwen.

Het is ook niet voor niets dat hierna, na hoofdstuk 12, Markus 13 zo begint. (Je snapt natuurlijk, jongens en meisjes, dat al die hoofdstukken bij elkaar horen, dat is eigenlijk één geheel, één lang stuk tekst. Wij mensen hebben er nummers aan gegeven, maar het hoort natuurlijk allemaal bij elkaar.)

Het is niet voor niets dat hierna, Markus 13 zo begint, in vers 1 en 2: En als Hij uit den tempel ging, zei een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen! ‘Kijk eens, Meester’, zeggen de discipelen, ‘wat geweldig mooi, vindt U niet? Deze tempel, gebouwd van al dat geld wat hier wordt opgehaald?’ ‘Wat?’, zegt de Heere Jezus, ‘maar als je zoveel doet voor een mooi gebouw, maar tegelijkertijd de weduwen verwaarloost, dan loopt het niet goed af met die tempel!’ En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

Want echte godsdienst is niet lang en vroom bidden, is niet voor het oog van mensen heel veel doen en heel veel geven, maar zorgen voor weduwen. Want God is een Rechter der weduwen (Psalm 68:5; zie ook Jakobus 1:27). En tempel, een kerk die niet zorgt voor weduwen, voor het sociaal zwakke, voor armen en behoeftigen, een kerk die zulke mensen veracht, die zal - hoe mooi die kerk ook is - afgebroken worden.

De Heere telt niet, zoals wij, Hij weegt. Dat gaan we zien in ons twee aandachtspunt:

2. Dankdaggaven gewogen.

Hij, de Heere Jezus, weegt de gaven van de rijken. Ze worden gewogen, maar te licht bevonden. En Hij weegt de twee minuscule muntjes van de weduwe. En ze zijn in Zijn ogen als kostbare diamanten. Want, wat maakt die twee penninkjes nu zo bijzonder? Dit: het is een offer (zoals we zongen uit Psalm 116), gemengd met liefde.

De Heere telt niet, maar Hij weegt. Hij weegt ons hart. Hij weegt ons hart, nu we op deze dag naar de kerk gekomen zijn, na alles wat we in het afgelopen seizoen gekregen hebben: leven en gezondheid, eten en drinken, geld om van te leven, hulp om te leren op school, zin om te studeren; je hebt je examen gehaald, je hebt een nieuwe baan gekregen; we zijn hier om de Heere te danken voor vriendschap, voor dat u getrouwd bent, voor dat u een kind gekregen hebt, voor hulp op het werk, voor bijstand in de zaak, voor kracht in werkloosheid en ziekte, en ga zo maar door. Zoveel hebben we van de Heere gekregen! En nu zijn we hier in de kerk…, en… En nu telt de Heere wat we in de drie zakken van de collecte gedaan hebben, of wat we straks overmaken naar de bank? Nee, nu weegt Hij ons hart. Nu weegt Hij ons hart om te zien of er in ons hart liefde is tot Hem.

Dat wat we gegeven hebben, was dat uit liefde, uit de wederliefde, uit liefde terug tot de Heere? Omdat we zeiden: ‘Heere, hier, U mag mijn geld, U mag mijn leven, U mag alles van me. Ik zal U al mijn liefde waardig schatten, omdat U mijn rechterhand wilde vatten. Ik ben

zo dankbaar omdat…, omdat u me iets heel anders gaf dan voorspoed, geld en goed… U gaf me genade.’ ‘U wilde in het afgelopen seizoen met Uw genade in mijn leven komen. Voor de eerste keer of weer opnieuw. U liet me mijn zonden zien. U gaf me berouw, verdriet, droefheid in mijn hart naar U toe. U brak mijn hoogmoedige hart, U leerde me mijn knieën buigen en om genade bidden. En toen hoorde U mijn stem. En dus: bent U al mijn liefde waardig!

Want…? ‘Want ik ben zo verbaasd over Uw liefde voor mij. Ik heb het niet verdiend, dat U mij zou liefhebben, Ik ben het niet waard om Uw zoon of dochter genoemd te worden. Want ik heb alles verzondigd.’ ‘Ik geef wel iets aan U terug, maar U gaf alles voor mij. Niet om te verdienen, want ik weet dat ik met mijn werken de zaligheid niet kan verdienen. Maar uit liefde en dankbaarheid. U hebt mijn leven, U hebt mijn hart gekocht, niet met vergankelijke, niet met voorbijgaande dingen, zilver of goud, maar U hebt voor mij de prijs betaald van Uw kostbare bloed. U hebt Uw leven, Uw hart en al Uw liefde voor mij gegeven aan het kruis, en dus kan ik niet anders dan U liefhebben met heel mijn hart!’ (zie 1 Petrus 1:18) ‘Hier, Heere, is al mijn geld, om van te eten!’ ‘Hier, Heere, is alles. En het is nog niet genoeg. Ik zou U nog veel meer willen geven.’ Is het zo met jullie, jongens en meisjes, op deze dankdag? Is het zo met ons, ouderen? Of ben je alleen blij (dank is echt meer!), of ben je alleen blij omdat je dit of dat gekregen hebt. En nu? En verder…? Als de Heere ons veel gegeven heeft, verwacht Hij ook veel van ons terug. Dan verwacht de Heere (zo staat het in 2 Korinthe 8), dan verwacht de Heere dat wij zullen geven boven vermogen (2 Korinthe 8: 3). Ben je alleen blij met wat je gekregen hebt? Of is het in je hart, zoals bij deze weduwe? ‘Heere, U gaf alles voor mij. Hier is alles van mij voor U: mijn hart, mijn leven, mijn geld, alles is voor U!’ Dat doet deze arme weduwe. Je zegt: ‘en dus is er nu alles kwijt’. Nee, want ze krijgt heel veel terug van de Heere. Van het geven aan de Heere word je niet arm. Je wordt er rijk van!

Wat krijgt ze dan van de Heere? 1. Ze krijgt in de eerste plaats van de Heere eer, hoogachting en liefde. De Heere prijst haar. Het valt op dat Hij haar niet rechtstreeks aanspreekt en prijst. Maar Hij prijst haar bij Zijn discipelen. 2. In de tweede plaats: vanaf dit moment heeft zij zelfs een heel belangrijke plaats gekregen in de Bijbel. Ze heeft een belangrijke plaats in de Bijbel gekregen als voorbeeld voor heel veel rijke mensen. Wee u, gij rijken, want u hebt uw troost weg (Lukas 6:24). En ze heeft een belangrijke plaats in de Bijbel gekregen als voorbeeld voor heel veel arme mensen, ook vandaag. Voor mensen die gegeven hebben van hun gebrek. Misschien was het wel zo’n in tweeën gedeelde collectebon. De Heere weet immers waarom u hem

doormidden scheurde). Als het was zoals bij de weduwe, dan mag u weten dat dat stukje papier in de weegschaal van de Heere gewogen is als een diamant. 3. Weet je wat ze in de derde plaats vooral terugkrijgt? Deze avond moet ze hongerlijden. Maar ze krijgt wel iets anders terug, iets wat ze veel belangrijker vindt. Ik denk weer terug aan wat de Heere zegt in Maleachi: Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.

De Heere belooft haar: spijze, eten in Zijn huis. Dat wil zeggen: zegen, genade en gunst van de Heere, die meer sterkt dan het lekkerste eten. Zoals staat in Psalm 90: Uw gunst sterkt meer dan de uitgezochtste spijze (Psalm 90:8). En de Heere belooft zulke armen vol van wederliefde ook zegen voor dit tijdelijke leven: open vensters van zegen, waaruit dagelijks manna, brood uit de hemel regent.

Net zoals bij de weduwe in Zarfath. Zij gaf ook eerst alles weg, aan Elia, en daarmee aan de God van Elia. Ze gaf eerst, toen Elia dat vroeg, het laatste wat ze had aan hem weg: een handvol meel. Dat is precies hetzelfde als wat deze vrouw geeft. Van twee penningen kon je een handvol meel kopen. Ze gaf een handvol meel en het laatste beetje olie wat ze had aan Elia. Maar, zo zei Elia toen: (…) zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal. En zij ging heen (zo staat in 1 Koningen 17), en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen. Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Elia (1Koningen 17:14-16). Want de Heere heeft een blijmoedige gever lief

Amen.

Slotzang Psalm 90: 8 en 9 Uw gunst sterkt meer dan d' uitgezochtste spijzen; Laat, met het licht, haar licht voor ons verrijzen; Zo zal ons hart op liefelijke wijzen, Uw goedheid, al ons ov'rig leven, prijzen. Verblijd ons naar de maat van onzen druk, En naar den tijd van al ons ongeluk.

Laat Uw genâ ons met haar troost verrijken, En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken, Uw heerlijkheid niet van hun kind'ren wijken; Uw liefd', Uw macht behoed' ons voor bezwijken; Sterk onze hand, en zegen onze vlijt; Bekroon ons werk, en nu, en t' allen tijd'.