PREEK · VRIJE STOFFEN

Elia bij de weduwe in Zarfath - 1 Koningen 17

3 december 2014

1 Koningen 17:15-16: En zij ging heen en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis vele dagen. Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.

INLEIDING

Elia wordt naar een arme weduwe in Zarfath gestuurd en vraagt haar het laatste meel en de laatste olie – terwijl zij de dood voor ogen heeft. Toch geeft ze gehoorzaam wat ze heeft, gedreven door Gods evangelische bevel, ingewikkeld in de belofte: het meel en de olie zullen niet opraken tot de regen komt. Zo worden zij dagelijks, in afhankelijkheid, gevoed – beeld van Christus (het meel) en de Heilige Geest (de olie). Wie alles kwijtraakt, ontvangt in Hem rijke, dagelijkse genade.

THEMA

De profeet Elia bij de weduwe in Zarfath

KERNPUNTEN

  1. Een nieuwe opdracht
  2. Een pijnlijke vraag
  3. Een heerlijke belofte
  4. Een rijke vervulling

1 KONINGEN 17:8-16

8 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
9 Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden dat zij u onderhoude.
10 Toen maakte hij zich op en ging naar Zarfath; als hij nu aan de poort der stad kwam, zie, zo was daar een weduwvrouw hout lezende; en hij riep tot haar en zeide: Haal mij toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke.
11 Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.
12 Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles; en zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten en sterven.
13 En Elía zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan en breng dien mij hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.
14 Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.
15 En zij ging heen en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis vele dagen.
16 Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.

VOLLEDIGE TEKST

Elia bij de weduwe in Zarfath - 1 Koningen 17

ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 17:15-16

THEMA

De profeet Elia bij de weduwe in Zarfath

Gemeente, wij overdenken met elkaar het ons zojuist voorgelezen Schriftgedeelte 1 Koningen 17:8-16. Ik lees u, van dat Bijbelgedeelte, samenvattend de verzen 14 en 15, waar het Woord van God als volgt geschreven staat: Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op de dag, dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal. En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen. Wij zien in dit Schriftgedeelte, en dat is ook het thema van de preek: De profeet Elia bij de weduwe in Zarfath

En we letten met elkaar op vier aandachtspunten: 1. Een nieuwe opdracht (vers 8 en 9) 2. Een pijnlijke vraag (vers 10, 11 en 12) 3. Een heerlijke belofte (vers 13 en 14) 4. Een rijke vervulling (vers 15 en 16) Als eerste dus:

1. Een nieuwe opdracht

We lezen in vers 8 en 9: Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende: 9 Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude. De beek Krith is uitgedroogd. Maar Elia wacht. Hij heeft geleerd om stil te zijn, hij heeft geleerd om te wachten op Gods tijd. Hij heeft geleerd om geen eigen weg te gaan, maar te wachten op Gods stem. En hij wacht niet tevergeefs. Want de Heere spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Elia, zo klinkt het woord van de Heere: maak u op, maak u klaar, en ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar.

Niet echt een logische richting. Niet echt een logische plek om te wonen. Zarfath? Bij Sidon? Dat is toch de geboortegrond van Izebel, de thuisbasis van de afgod Eth-Baäl? Maar toch: Elia, ga naar het noorden, naar Zarfath. Het is een kilometer of honderddertig bij Samaria vandaan. Geen kleine afstand… Waarom doet de Heere dat? De Heere had toch ook gewoon weer water in de beek Krith kunnen laten stromen?

Waarom mag Elia niet spreken tegen, of slaan op de rots? Zodat er water uit zal spatten, zoals dat bij Mozes gebeurde?

Dit gaat tegen alle menselijk redeneren in. Zoals de Heere zo vaak tegen ons menselijke redeneren ingaat. Want God wil het vlees (zoals de Bijbel dat noemt) van ons onderwerpen. Want, zo schrijft Paulus in Romeinen 8: het bedenken des vleses, dat redeneren van ons, is vijandschap tegen God. God leert Zijn kinderen, door onbegrepen wegen, buigen onder Zijn beleid. Hij leert ons buigen onder Zijn wegen, die we vaak niet begrijpen. Zo ook hier bij Elia.

Een merkwaardige richting, maar ook een wonderlijke belofte: Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude. Een weduwvrouw. Arm dus, en dan in deze tijd van honger… Maar, toch gaat Elia. Hij gaat zonder enig tegenspreken. Er staat in vers 10: toen maakte hij zich op en ging naar Zarfath. Dit kind van God, deze knecht van God is gehoorzaam. Hij doet wat de Heere tegen hem zegt. Was hij een eigen weg gegaan, dan had hij ongetwijfeld honger en dorst geleden. Maar nu, in deze weg van gehoorzaamheid (al botst die nog zo met zijn verstand), in deze weg van gehoorzaamheid is zijn eten en drinken gegarandeerd. Is dat niet vaak de les in deze geschiedenissen van Elia? Gehoorzaam zijn…? Zoals de grote Knecht van de Vader, waar Jesaja over spreekt als hij vooruitkijkt naar de komst van de toen nog komende Christus, zoals de grote Knecht van de Vader ook altijd gehoorzaam geweest is, altijd de wil gedaan heeft van Degenen die Hem gezonden had. Ons tweede aandachtspunt:

2. Een pijnlijke vraag

Want er staat: Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zei: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke. Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zei: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand. Maar zij zei: Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.

Ze ontmoeten elkaar aan de poort van de stad. Zoals God, als je gaat in Zijn weg, altijd in Zijn voorzienigheid je pad leidt en zorgt. Zo ook hier. Net als later bij Filippus. God brengt hem op een woeste weg naar Gaza. En op het zelfde moment brengt hij daar die Ethiopische man, die uit Jeruzalem op weg is, terug naar huis. Zo ook hier: Elia komt bij de poort van de stad en op datzelfde moment is daar een weduwvrouw, die hout zoekt, die hout sprokkelt. Geen bemoedigende aanblik. Ze heeft niet eens hout. En ze heeft ook niemand die dat even voor haar wil zoeken. Moet zij voor hem gaan zorgen?

Maar, raakt Elia in paniek? Nee, helemaal niet. Zijn hart klemt zich vast aan het woord van God. Aan het woord van God, Die niet liegen kan, en Die gezegd heeft: zij zal u onderhouden. Het geloof kijkt niet naar de omstandigheden. Daar zou je moedeloos van worden. Maar het geloof blikt omhoog, en zegt: Heere, maar U hebt het toch gezegd? Nu dan, al zeggen heel veel mensen: wie zal u het goede doen zien? Dan zal ik toch gerust in vrede slapen, en liggen ongestoord terneer, want U zult mij doen zeker wonen, Heere.

Vrouw (vers 10), haal me toch wat water in dit vat, dat ik wat te drinken hebt. Want ik heb dorst. En, ze legt haar werk neer en beantwoordt het vriendelijke verzoek van deze vreemdeling. Daar ligt wel een les in voor ons, in deze tijd waarin zoveel vreemdelingen ons land binnenkomen. Deze les: vriendelijk zijn, gastvrij zijn, zorg dragen voor vreemdelingen. En trouwens, mevrouw, doe me ook nog een bete (een stuk) brood. Want ik heb honger.

Kent deze weduwvrouw de God van Israël? We weten eigenlijk niet zoveel van haar. Het enige wat zij daar zelf over zegt staat in vers 12, waar ze zegt: zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft! De HEERE, Jahweh, is uw God. Uw God. Dat klinkt wat op afstand. Niet mijn God, niet onze God, maar: uw God. Maar tegelijkertijd: zo waarachtig (het is echt waar) als uw God leeft. Uw God leeft, hij leeft echt!

We weten niet zoveel van haar. We kunnen niet kijken in dit hart. Dat kan God alleen. De wind blaast waarheen hij wil, de Heilige Geest werkt hoe Hij wil. Wij merken dat het zo is, maar hoe het gaat en hoe het gegaan is, dat weten we niet, dat begrijpen we niet.

Dat ze later God vreest en Zijn woord geloofd, dat is zonder meer duidelijk. En haar afkomst is ook helder. Net als bij ieder ander kind van God. God vindt Zijn kinderen nooit als godvrezende mensen, als gelovigen. Het vindt ze en Hij heeft ze gevonden (zonder enige uitzondering) als heidenen, als vijanden, als goddelozen. En Hij maakt ze door Zijn opzoekende liefde en genade tot toonbeelden van Zijn eenzijdige genade en verkiezende liefde. En het is die liefde, en het is die genade, waarmee God Elia naar haar toestuurt.

Met dit woord van God. Want het is ten diepste niet Elia die spreekt, en die zegt: geef mij ook nog een stuk brood. Dat zou hardvochtig en breed aanvoelen in een tijd van zoveel honger en gebrek. Maar het is ten diepste de God van Israël, de God van Elia die zegt: vrouw, geef mij ook een stuk broods. Geef me, ja, geef me het laatste wat u hebt.

Wat stelt de Heere haar op de proef. De Heere laat haar helemaal vastlopen in haar leven. Het doet denken aan de Kananese vrouw, die trouwens ook uit deze streek van Tyrus en

Sidon kwam. Die kwam ook zo voor een onmogelijkheid te staan. De Heere Jezus lijkt haar af te wijzen, en de discipelen vragen of ze weg gestuurd kan worden. Zo wordt ook deze weduwvrouw in Zarfath geplaatst voor de onmogelijkheid: geef het laatste wat u hebt, eerst maar aan Mij. En dan lijkt het verloren. Als mijn brood op is…

En dat zegt ze ook in vers 12: vreemdeling, ik heb nog een handvol meel, een beetje olie, en ik bak er voor ons een koek, ik bak er voor ons een brood van, en dan zullen we dat opeten, en… dat is het laatste… dan zullen we sterven. Hopeloos vastgelopen. De dood voor ogen. Misschien zit u zowel in de kerk. Als je naar jezelf kijkt, dan vind je nog wel iets. Het is niet veel meer. Een handvol van wat je zelf verdiend hebt. Veel is het niet meer: ‘Dit is alles wat ik nog heb…’ En dan zegt God vandaag tegen u: ‘geef dat eerst maar aan Mij. Geeft dat maar hier.’

Op het moment van de uiterste nood stuurt God Zijn knecht Elia, en nu lijkt de nood alleen maar groter te worden. ‘En nu…, Heere, nu zal ik sterven. Als ik kijk naar mijn… kruik, als ik kijk naar mijn… oliefles…, dan wordt het omkomen.’ Ja, en nu neemt de Heere dat laatste van de kruik, dat laatste van die oliefles ook nog van u af. Zodat u daar niet meer op zou zien, zodat u daar niet meer op zou hopen. Nu niet, nooit niet. Want, gemeente, je vindt geen hoop, je vindt geen troost en vrede, je vindt geen genade in je eigen fles of kruik. En dus zegt de Heere: lever die laatste voorraad ook maar in. U zegt: dan ben ik alles kwijt. Dat klopt, dan bent u alles kwijt.

Maar, vrees niet! (zo staat in vers 13) want er is meer. Het is een opdracht, het is een bevel, om het laatste af te geven, maar dat bevel is ingewikkeld in de belofte van de God van Israël, van die God die niet liegen kan. En dat brengt ons bij ons derde aandachtspunt

3. Een heerlijke belofte

Want er staat: En Elia zei tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uw zoon zult u daarna wat maken. Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.

Eerst afgeven wat je hebt. Eerst buigen onder Gods vraag, onder Gods eis. Zodat je werkelijk moet gaan zeggen: ik heb niets meer. Ik heb van mezelf niets meer. Ik heb niets meer overgehouden, dan alleen… het naakte woord van Gods belofte. Ja, want die twee zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Als eerste dat: geef maar hier, alles wat u nog hebt. Dat is onlosmakelijk verbonden aan dat tweede: en dan zal Ik! Ik zal! Dus is het niet zomaar een bevel. Het is ook geen wettisch bevel, maar het is een

evangelisch bevel: geef alles maar op, geef alles maar af. Het is een bevel ingewikkeld in de belofte van genade, van vrije genade: Ik zal! In die weg zal Ik u onderhouden, Ik zal u eten geven, Ik zal u voeden van dag tot dag.

Het doet denken aan het evangelische bevel bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Doe dat tot Mijn gedachtenis. Het is een evangelisch bevel: ‘kom maar met niets. Nee, dat laatste moet je ook nog afgeven.’ Maar een bevel, ingewikkeld in de belofte: dan zal Ik (in die weg) de tafel toerichten voor uw aangezicht. Dan zal Ik u voeden met het Brood des levens, met het Water des levens. Dan krijgt u opnieuw: Mij! En als u van Mij, het Brood des levens, gegeten zal hebben, dan zult u nooit meer hongeren. En als u van Mij, het Water des levens, gedronken hebt, dan zult u nooit meer dorsten. Een bevel, ingewikkeld in de belofte van genade. Een bevel dat de weg wijst naar vergeving van schuld, de weg tot verzoening en vrede met God.

Dus, gemeente, de vraag die zich opdringt aan u, aan mij is: bent u alles al kwijt? Hebt u alles al ingeleverd? Er kan in het hart van Gods kinderen veel twijfel zijn, als zij zichzelf onderzoeken bij het licht van Gods alwetendheid. Als zij zichzelf afvragen: heb ik wel het oprechte geloof? Ben ik wel een kind van God? U zegt: daar ben ik niet absoluut van overtuigd. Maar kijkt u dan eens naar de andere kant. Bent u wel absoluut overtuigd van uw verlorenheid, van de nutteloosheid en de waardeloosheid van alles van uzelf? Want als u daar echt zeker van bent, dan gaat u (ik zou bijna zeggen: vanzelf) het leven buiten uzelf zoeken.

Dat buigende geloof, dat gehoorzaam het laatste bezit afgeeft, dat buigende geloof (zoals bij de Kananese vrouw), dat zegt: ja, amen, Heere, ik ben een hond, ik ben onrein, ik ben het waard dat U me zal wegdoen…, dat buigende geloof wordt door God bekroond met genade en met de vervulling van Zijn belofte. En daarom past ook hier de uitroep, die ook klinkt bij de Kananese vrouw: o vrouw, groot is uw geloof!

Want, zo zegt de HEERE, de God van Israël. Nee, kijk maar niet meer naar uw kruik, naar uw oliefles, maar hoor het woord van de levende God van Israël: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie van de fles zal niet ontbreken, tot op de dag, dat de Heere regen op de aardbodem geven zal. Wat dat inhoudt, dat gaan wij zo meteen zien in onze vierde gedachte, maar wij gaan eerst samen zingen uit Psalm 68:10: Gewis, hoe hoog de nood mag gaan, God zal Zijns vijands kop verslaan; Dien haar'gen schedel vellen; Die trots, wat heilig is, onteert, En, daar hij schuld met schuld vermeert, Zich tegen Hem durft stellen.

Gemeente, wij overdenken met elkaar de geschiedenis van de profeet Elia in Zarfath. We hebben gezien: een wonderlijke ontmoeting, een pijnlijke vraag, een heerlijke belofte, en nu in de vierde plaats:

4. Een rijke vervulling

Als we lezen in vers 15 en 16: En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen. Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Elia.

Niet alleen deze vrouw moet steunen op het woord van de Heere, ook Zijn knecht Elia moet dat doen. Moet zij mij onderhouden? Hout heeft ze niet, en haar olie en meel zijn bijna op. Maar ook hij houdt zich vast aan Hem die het gezegd heeft: zij zal u onderhouden. En wat blijkt hier dan dat het waar is: die de Heere vrezen, hebben geen gebrek aan enig goed. Want Hij zal Zijn kinderen het goede niet in nood onthouden, ja, zelfs niet bij het naderen van de dood.

Beiden houden zich vast aan het woord van de levende God van Israël. Ambtsdragers, gemeenteleden, we moeten allemaal en altijd weer op dezelfde plaats terechtkomen. Daar, waar we zeggen: Heere, ik heb niets… Maar U…! Ik zoek de zegen bij U alleen, o Bron van leven, troost en licht.

Ze is gehoorzaam. Ze doet wat de Heere van haar vraagt. Ze levert het laatste wat ze heeft in. Haar geloof wordt heel erg op de proef gesteld, maar ze doet wat de Heere beveelt. Maar daarboven uit, boven dit alles uit schittert Gods genadige belofte, die dat bevel als het ware had omwikkeld. Een belofte die eindeloos ver uitstijgt boven dat bevel. Deze belofte: Ik zal het doen! Ik zal doen wat Ik heb beloofd!

Iedere dag is er eten in het huis van de weduwe. Want? De fles en de kruik stromen over? Want? Ineens staan er tien zakken meel en twee vaten olie voor de keukendeur? Nee, er staat: het meel hield niet op, het meel stopte niet. En de olie was niet tekort. Er was precies genoeg voor iedere dag. Net als destijds met het volk Israël in de woestijn. Ze werden dagelijks begenadigd, met manna hemelse brood verzadigd. Als je het bewaart, als genade je eigen bezit wordt, dan kruipen de wormen eruit: wormen van hoogmoed, trots en zelfbedoeling. Maar het is een veel beter en een veel rijker leven, als je iedere dag weer je knieën moet buigen, en biddend in afhankelijkheid, in verwondering en dankbaarheid mag zien: het is er weer, het manna, de olie, het meel, de zorg van de Heere, Zijn genade, Zijn dagelijkse genade.

Zijn genade voor dit tijdelijke leven, zoals hier: letterlijk brood in tijden van honger. Zijn genade in het tijdelijke leven in tijden van ziekte, verdriet, werkeloosheid, in tijden dat je moeite hebt om het hoofd boven water te houden. Wat een gelukkig en rijk leven is het

dan, als je dagelijks in afhankelijkheid, verwondering en dankbaarheid mag bidden om Gods genade en zorg. Zijn genade voor dit tijdelijke leven, maar ook dagelijks genade krijgen in de stille omgang met de Heere: genade voor je hart. Meel en olie. Meel is ongetwijfeld een beeld van Christus. Het is het beeld van het stervende Tarwegraan. Dat verpletterd is onder de molenstenen van Gods toorn, om in die weg te worden: het Brood des levens. En olie is ongetwijfeld het beeld van God de Heilige Geest en Zijn werk.

Dit is het rijke deel van Gods arme kinderen. Van hen die alles af hebben moeten geven, en ook steeds weer het overtollige moeten inleveren. Maar in die weg worden we dagelijks begenadigd, met manna, hemels brood verzadigd. Want, iedere dag is het weer: genade voor genade, genade van verzoening, van vergeving, van vrede met God door het bloed van Christus.

O, wat is dat een rijk, wat is dat een gelukkig leven. Zou je ook zo arm willen zijn in jezelf? Zo rijk in God? Lieve vrienden, dit is zo’n gelukkig leven. Zalig hij, die in dit leven niets meer overhoudt van zichzelf, maar Jacobs God ter hulp heeft.

Meel en olie, beelden van Christus en van het werk van de Heilige Geest. Van Christus, de Middelaar voor ons, die onze zaak in de hemel bij de Vader bepleit. Van de Heilige Geest in ons, die ons hier op de aarde dagelijks wil geven uit Zijn volheid. Die ons dagelijks wil vernieuwen (zoals Paulus zegt in 2 Korinthe 4:16), van dag tot dag.

En alles wat ik daarvan mis, en alles wat u daarvan mist, dat heeft alles te maken met onze vermeende rijkdom. Dat komt omdat ik kijk naar de restjes in mijn kruik, naar de restanten in mijn fles. Maar als die leeg zijn, dan gaat mijn oog omhoog. En wat zie ik dan? Dan zie ik iets (door Gods genade) van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, van het Lam dat geslacht is, in de plaats van een doodschuldige zondaar, die niets meer heeft van zichzelf.

Een leven van afhankelijkheid: maak mij niet beschaamd, o Heere. Een leven van verwondering: Heere, hoe is het mogelijk? U hebt me nooit beschaamd. En leven van dankbaarheid: uw liet mij, o mijn God, nimmer schaamrood staan.

Want wij, die God dienen, hebben geen voorraden. Als het goed is. En als het niet goed is, dan bidden we: Heere, wilt u ze ons afnemen? Wij hebben niets. En als we iets hebben, dan zeggen we: Heere, het is beter dat U het me afneemt. We verzetten ons daartegen, want we willen niet arm zijn. Maar het is Gods genade die ons gehoorzaam maakt, om uiteindelijk toch alles af te geven. En het is God Zelf die ons de wil geeft, om dat uiteindelijk toe te stemmen, om dat te doen. En dan doen we het toch van harte. Dan zeggen we uiteindelijk toch van harte: ‘Hier, Heere, is het laatste wat ik heb. En nu werp ik me als een arme zondaar op vrije genade alleen aan Uw voeten.’

En zo, in die weg, van alles kwijtraken en hopen op het woord van Gods belofte, zo kwam de gunst van God meer dan twee jaar lang over dit huis in Zarfath. En zo, in die weg, kome ook de gunst des Heeren over dit huis. Als over een plaats waar Hij armen met goederen vervult. Waar Hij zijn tafel aanricht voor hen, die niets meer overgehouden hebben van zichzelf.

Want: Ik zeg u in der waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. En tot geen van haar werd Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was. Tot een vrouw die niets meer had van zichzelf.

Zo doe hij ook aan ons.

Amen.

Slotzang Psalm 84:6:

Want God, de HEER, zo goed, zo mild, is t' allen tijd een zon en schild; Hij zal genade en ere geven; Hij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in de dood, die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, HEER, die op U bouwt, en zich geheel aan U vertrouwt.