2 april 2025
Mattheüs 26:6-7: Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaatse, Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.
INLEIDING
Als nu Jezus te Bethanië was, (…), kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.
De maaltijd in Bethanië
MATTHEÜS 26:6-13
6 Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaatse,
7 Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.
8 En Zijn discipelen dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?
9 Want deze zalf had duur kunnen verkocht en de penningen den armen gegeven worden.
10 Maar Jezus zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
11 Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.
12 Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.
13 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Mattheüs 26:6-7
THEMA
De maaltijd in Bethanië
Geliefde gemeente, wie ooit in zijn of haar leven iets gezien of iets ontvangen heeft van de liefde van God in Christus Jezus, het kan niet anders, die kent ook terugliefde, die kent ook wederliefde in zijn of haar hart tot God. Als je denkt aan de onbegrijpelijke liefde van Christus voor mij, Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven... Als je denkt aan wat Johannes schrijft in 1 Johannes 3:16Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.: Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij (Christus) Zijn leven voor ons gesteld heeft… Als je daaraan denkt, dan kan het niet anders, dan zing je met heel je hart en met heel je leven: Ik zal U, o Heere, ook al mijn liefde waardig schatten, omdat U mijn rechterhand wilde vatten.
We gaan dat vanavond, biddend om het licht en de leiding van de Heilige Geest, zien in het Schriftgedeelte wat we gelezen hebben, Matthéüs 26:6-13. Ik ga dat nu niet opnieuw voorlezen. De verzen komen straks vanzelf één voor één aan de orde.
‘t Is zaterdagavond. Over de week zal de Heere Jezus na Zijn dood aan het kruis rusten in het graf. ’t Is in het dorpje Bethanië, vlakbij Jeruzalem. Een rustig dorpje, omgeven door boomgaarden, liggend op de oostelijke helling van de Olijfberg.
De evangelist Johannes schrijft ook over wat daar toen gebeurde in Johannes 12. Dat moet u thuis nog maar eens rustig lezen. Hij schrijft dit: Jezus dan kwam zes dagen voor het Pascha in Bethanië, waar Lazarus was, die gestorven was geweest, welke Hij Jezus opgewekt had uit de doden (Joh. 12:1). Ten huize van, zo zegt Mattheüs (in vers 6), in het huis van Simon de melaatse.
Ooit werd dat huis ongetwijfeld gemeden. En waarschijnlijk wordt het nog steeds met argwaan bekeken. Dat huis van Simon de melaatse. Maar de Heere Jezus heeft hem van zijn melaatsheid genezen. En nu staat zijn huis, zijn deur open voor Hem en voor al de andere gasten die er zijn. Laten we die nu vanmorgen met elkaar, één voor één de revue laten passeren. Want wie zijn het allemaal in dat huis van Simon de melaatse? Bij die maaltijd in Bethanië?
1. Als eerste dus ‘Simon, de melaatse’. Zijn naam is een blijvende herinnering aan zijn eertijds. Hij was melaats. Zijn ziekte was en is zijn verbinding met de Heere Jezus. Die ongeneeslijke kwaal van zijn melaatsheid bracht hem ooit tot Jezus. Of Jezus tot hem. En hoe het toen met hem was, en wat Jezus toen deed, dat heeft gezorgd voor een blijvende band met Hem. En zo is het met al Gods kinderen. Onze zonde, ons blijvend onverbeterlijke hart, ze brachten ons en ze brengen ons tot Christus en brengen Hem tot ons.
En hoe het toen was en wat Hij toen gedaan heeft en nog steeds doet, dat bindt ons (nietwaar?) tot op de dag van vandaag aan Christus. En daar is dat gesprek tussen Simon de melaatse en de Heere Jezus ongetwijfeld ook over gegaan. Zoals het ook in onze ontmoetingen met de Zaligmaker in geestelijke zin steeds weer gaat over hoe wij waren, over hoe we na ontvangen genade gebleven zijn, en over wat Hij zo wonderlijk in ons leven heeft gedaan.
Simon de melaatse heeft niet genoeg aan een eenmalige ontmoeting met Jezus. Hij wil Hem graag opnieuw ontvangen. Hij wil Hem graag opnieuw spreken in zijn huis. Zoals wij er ook in deze week van voorbereiding naar uitzien om de Zaligmaker opnieuw te ontmoeten. Luisterend naar Zijn onderwijzende woorden. Kijkend naar de troostvolle tekenen uit Zijn hand. En bedelend reikend naar de liefdevolle bewijzen van Zijn liefde en trouw voor ons. Met Hem etend aan Zijn tafel. Waar Hij alleen -zonder twijfel- het middelpunt zal zijn van alles en iedereen.
Wat zal het het hart van Simon de melaatse vervuld hebben, tevoren met verwachting. En nu hier in zijn huis met verwondering en blijdschap om Hem. Om Christus. Laten, geliefde gemeente, ook zo onze harten vervuld zijn in deze week van voorbereiding met verwachting en aanstaande zondag met blijde verwondering en vreugde. Als eerste is daar Simon, de melaatse.
2. Wie er als tweede ook is, dat is Lazarus. Dat schrijft Johannes in Johannes 12. Lazarus, die ook nog steeds genoemd wordt ‘Lazarus die gestorven was geweest’. De Heere heeft hem opgewekt uit zijn dood. Maar ook zijn naam is nog steeds een blijvende herinnering aan zijn eertijds: ‘Lazarus die gestorven was’. Simon de melaatse kon nog met zijn ongeneeslijke melaatsheid naar Jezus toe gaan. Maar Lazarus kon dat niet. De Heere Zelf had hem opgezocht in zijn dood. Hij die Zichzelf noemde: Ik ben de Opstanding en het Leven. Hij riep hem (die onmachtig aan handen en voeten gebonden was, liggend in het graf) uit de dood tot het leven. En nu zit hij hier bij Jezus aan tafel.
Het laat zich raden waar hun gesprek over gaat. Ongetwijfeld ook over het hoe het toen met Lazarus was en over wat Jezus toen deed. En dat bindt ook Lazarus tot op de dag van vandaag met liefdebanden aan Christus.
Wat zal deze maaltijd in het huis van Simon de melaatse zijn hart vervuld hebben. Tevoren met verwachting. En nu met verwondering en blijdschap. Laat zo, geliefde gemeente, ook onze harten vervuld zijn in deze week van voorbereiding met verwachting. En aanstaande zondag met verwondering en innige vreugde. Om Christus’ wil.
3. En dan is er als derde ook nog Martha. Ook dat schrijft Johannes in Johannes 12 met drie woorden: En Martha diende. Er is geen reden om deze Martha eindeloos verwijten te maken, omdat ze ooit (dat staat in Lukas 10), te veel opging in haar dienen, zonder (net als Maria) te willen luisteren aan de voeten van de Heere Jezus. Hier in Bethanië is er geen enkele reden voor verwijt. Ze dient haar Heere en Meester met blijdschap en toewijding. Ze blijft in Zijn buurt. Ze let op wat Hij nodig heeft. En staat, als het nodig is, direct voor Hem klaar.
Gedreven door hartelijke liefde tot haar Meester. Die kwam om te dienen. En zij volgt Hem daarin na. Zij laat zonder iets te zeggen hier in Bethanië iets zien van de gestalte, zoals Paulus later zegt, van de gestalte die ook in Christus Jezus was. Zijn voeten wassen. Water op Zijn handen gieten. Hem van eten voorzien. Wat een gezegend liefdewerk! Er zijn onder Gods kinderen (dat zult u herkennen), er zijn luisteraars, die heel graag stil luisteren of stil lezen. Er zijn ook praters die vaak heel veel te vertellen hebben. Die moeten oppassen. Maar er zijn onder Gods kinderen ook mensen die graag stil dienen. Met heel veel hartelijke liefde tot Jezus. Die later tegen hen zal zeggen: Voor zover u het de minste van deze Mijn broeders hebt gedaan, hebt u het Mij gedaan.
Wat zal deze maaltijd ook haar hart vervuld hebben. Van tevoren met verwachting. En nu ter plekke in Bethanië met verwondering en met blijdschap. Laat zo ook uw harten, liefhebbende en dienende Martha's, in deze week van voorbereiding vervuld zijn met verwachting en uitzien. En aanstaande zondag met verwondering en vreugde. Als Christus Zelf in het middelpunt staat, als Eén Die alleen dient.
4. En dan zien we als vierde bij deze maaltijd in Bethanië ook Maria. We lezen in Mattheüs 26 vers 6 en 7: Als nu Jezus in Bethanië was ten huize van Simon de melaatse, kwam tot Hem, en vrouw hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat. Het is Maria, de zus van Martha en Lazarus. Iedereen ligt aan tafel. Zo ging dat in die tijd. De mensen lagen op hun zij, met hun hoofd rustend op hun linkerhand en op hun linkerarm, en met de voeten een beetje naar achteren.
En terwijl die mannen daar eten aan tafel, komt Maria met een albasten flesje. Gemaakt van een soort wit-roze kalksteen. En dat flesje zit vol met heerlijk ruikende nardusolie. Gemaakt van de wortels van een nardusplant, gehaald helemaal uit het verre India. Het is een vluchtige olie die heel snel verdampt. En dus zit het in dat flesje. Dat flesje heeft een lange dunne hals. Die is hermetisch geseald, hermetisch afgesloten, want anders zou die olie direct daaruit verdampen. Geen flesje dus met een dopje erop of een kurk. Nee, je laat of het flesje heel, of je breekt de verzegeling, en dan zal alles er direct uitstromen en verdampen.
Maar wat opvalt is, dit het is geen klein flesje, zoals meestal het geval was. Johannes schrijft: Er zat een pond zalf in. Om en nabij een halve liter. Mattheüs zegt in vers 7: Die zalf was heel erg kostbaar. En Marcus schrijft in Marcus 14:5: Die zalf had wel boven de driehonderd penningen verkocht kunnen worden. Tenminste, dat is de inschatting van Judas. En die kon het weten. Want die had verstand van geld.
Driehonderd penningen, driehonderd denariën, driehonderd zilveren munten. Dat was in die tijd een jaarsalaris! Omgerekend naar nu, om en nabij de dertig-, veertig-, vijfenveertig duizend euro!
Waarom had Maria eigenlijk dat kostbare bezit in dat flesje bij elkaar gespaard? Waar was dat oorspronkelijk voor bedoeld geweest? Was het bedoeld als misschien als oudedagsvoorziening? Was het misschien haar bruidsprijs om te kunnen trouwen? Hoe dan ook, dit wat ze in haar handen heeft, dit is haar hele toekomst! Lieve mensen, wie van ons gaat zijn of haar hele toekomst geven aan de Heere Jezus?
Maria, ze komt naar de Heere Jezus toe, neemt haar fles, breekt de verzegeling, de hals eraf en giet de olie uit over het hoofd van de Heere Jezus. En zegt Johannes, ze giet het ook op Zijn voeten en droogt het teveel af met haar haar. Wat een daad van zelfvernedering is dat laatste, om in mannelijk gezelschap je haar los te maken en daarmee de voeten van de Heere Jezus af te drogen! Ze geeft heel haar toekomst. En ze geeft ook al haar eer op voor Jezus. De snel verdampende nardus olie stroomt over Zijn hoofd en over Zijn voeten. En ineens is het huis vol van de heerlijk geurende nardusolie.
Ze heeft het zeker niet impulsief gedaan. Want, zo schrijft Johannes, ze heeft die kostbare olie al een tijdje heel bewust bewaard. Voor? Voor voor haar trouwdag? Nee, voor de dag van Jezus’ begrafenis. En dat is bijzonder. Want laten we eerlijk zijn, die mannen die daar zitten, de discipelen hebben er tot nu toe weinig van begrepen. Van wat de Heere Jezus moet en zal gaan doen. Maar zij heeft het wel begrepen. Wij mannen blijven vaak achter bij de vrouwen, als het gaat om geloof, hoop en liefde.
Zij, Maria, heeft begrepen wat het betekende, dat de Heere Jezus Zijn leven zou geven aan het kruis. Dat Hij zou gaan sterven en dat Hij begraven zou gaan worden, ook voor haar.
Waarom heeft zij dat wel begrepen? En waarom begrijpen die discipelen dat nog steeds niet? Waarom zijn zij, die mannen, zo vervuld met innerlijke weerstand, terwijl zij zo vol is van liefde en geloof? Gemeente, eigenlijk is er maar één antwoord denkbaar: Deze Maria heeft in het verleden het goede deel uitgekozen. Die mannen, die discipelen hebben veel gepraat. Die hebben gediscussieerd over theologische thema's. Martha heeft veel gewerkt. Maar Maria heeft gezeten aan de voeten van de Heere Jezus. Daar heeft ze stil geluisterd naar Zijn woorden. Die ze geloofd heeft.
Ze heeft de liefde gezien in Zijn ogen, Zijn hartelijke bereidheid om Zich te geven voor haar, die aan Zijn voeten zat. En dat heeft haar hart genomen. Stilletjes luisterend, terwijl ze in haar hart zong (wat je in deze tijd zou zingen met deze woorden): Ik zal U, Heere, al mijn liefde waardig schatten. Omdat U voor mij de dood wil ingaan. De vervloekte dood aan het kruis, om zo te sterven voor mijn vloek.
Die liefde van de Heere Jezus heeft haar hart in vlam gezet van terugliefde, van wederliefde tot Hem. En nu giet ze al haar liefde en waardering, al haar toewijding en aanbidding, als het ware over Zijn hoofd en over Zijn voeten: Heere, alles voor mij is voor U, want alles van U zult U straks geven voor mij. Haar liefde heeft geen woorden, maar dat hoeft ook helemaal niet. Liefde heeft geen woorden nodig. Ze zegt alles met wat ze doet. Daarmee zegt ze: Heere, U bent alles voor mij. U bent mijn Borg. U bent mijn Middelaar. U bent mijn Zielevriend. U bent mijn Bruidegom. Mijn bruidsschat is voor U, Heere!
En dat ootmoedig, klein, nederig aan Zijn voeten, zonder woorden. Zoals een zondaar, ootmoedig, klein, gebogen en kruipend tot Jezus komt. Het ontbreekt ons vaak aan woorden, nietwaar, om al onze liefde tegen Hem uit te spreken, om zoveel onverdiende goedheid en genade en zegen.
Sommige mensen geven iets aan Jezus (en ik zeg dat als spiegel voor mezelf en ook voor u): een beetje van mijn tijd, een beetje van mijn geld en een beetje van mijn leven. Een beetje van mijn aanzien en een beetje van mijn talenten. Maar nee. Wie echt aan de voeten van Jezus heeft gezeten, en wie echt Zijn woorden heeft gehoord en geloofd ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven...’ En wie echt de genade geproefd heeft, die van Zijn lippen drupte… Wie echt de liefde gezien heeft in Zijn ogen, denkend aan Zijn bittere lijden in mijn plaats (in de plaats van mij, vijand die ik was, en nog steeds ben ik vaak zo vol van weerstand en verzet, van verdwalen en ongeloof) … Die zegt niet impulsief, maar met heel haar of zijn hart: Heere, alles is voor U!
Mijn toekomst, mijn eer, mijn aanzien, mijn bezit, mijn geld, mijn liefde, mijn talenten, mijn huis, mijn kinderen, mijn kleinkinderen, Heere, alles is voor U!
Wat zal deze maaltijd ook haar hart, denkt u ook niet, van tevoren vervuld hebben met blijde verwachting. Straks zal ik het doen, dan zal ik al mijn liefde over Jezus uitgieten. En wat zal het haar nu op dit moment zelf, ook vervuld hebben met blijdschap en verwondering. Laat ook zo onze harten, kinderen van God, vervuld zijn in deze week van voorbereiding met uitzien met verwachting. En aanstaande zondag met verwondering, vreugde en aanbidding om de komst van onze Bruidegom, Die al onze liefde waard is.
Laten we nu eerst gaan zingen uit Psalm 18:0: Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, O God, mijn sterkt', U hartelijk beminnen. Mijn steenrots, burcht en helper is de HEER, Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer.
5. Er zitten in de zaal in de vijfde plaats ook twaalf discipelen. En hun verontwaardiging is groot. De boekhouder, de penningmeester, Judas, begint ermee met te zeggen: ‘Dit is pure verkwisting! Driehonderd penningen, dertig-, veertigduizend. Zomaar weggegooid. Wat een kapitaalvernietiging, wat een pure verspilling!’ Hij, Judas, neemt het haar heel kwalijk. En al snel nemen ook andere discipelen dat van hem over.
‘Je had die zalf kunnen verkopen. En dat geld, dat had je aan de armen kunnen geven.’ Ja, maar die olie is juist bedoeld om aan Hem, om aan de Heere Jezus te geven. Om Hem te zalven. Een jaarloon geld, gespaard om een gestorven Jezus te zalven. Maar de liefde in haar hart lijkt zo te dringen, dat ze daar niet op kan wachten. En het is alsof de Heere het haar zelf ingeeft: Maria, doe het nu maar vast. Straks kan het misschien zo makkelijk niet meer als nu.
Maar haar hartelijke liefde tot de Heere Jezus wordt beantwoord met bitter verwijt. En dat is soms nog zo. Een eenvoudige vrouw vol liefde tot de Zaligmaker, scherp veroordeeld door discipelen, toekomstige ambtsdragers.
Het ontbreekt hen in de eerste plaats (en dat is een les voor al Gods kinderen, maar in het bijzonder voor ons, ambtsdragers), het ontbreekt hen aan mildheid. Ze zijn scherp in haar richting. Hun oordeel hebben ze direct klaar. Maar de Heere neemt het op voor Zijn volk. Vooral voor de kleinen, voor de bekommerden, voor de tobbers. En ook voor al diegenen, die het allemaal niet zo goed onder woorden kunnen of durven brengen. Maar die het vaak wel zonder woorden tegen de Heere zeggen: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte.
De bekende bijbeluitleg van Matthew Henry zegt: ‘Liefde leert ons om de beste uitleg van dingen te geven, al wàs het verkwisting geweest.’ Stel je voor, al was het verkwisting geweest, dan nog hadden ze uit liefde moeten zoeken naar de beste duiding, naar de beste uitleg. We worden met elkaar (en wij in het bijzonder als ambtsdragers) geroepen tot voorzichtigheid in ons oordeel, om niet zo snel te veroordelen. Zeker diegenen niet, die meer doen dan wij.
Het ontbreekt de discipelen aan mildheid. Het ontbreekt hen duidelijk ook aan liefde. Want wat zij zeggen, getuigt vooral van een gebrek aan liefde voor hun Meester. Hij staat nota bene op het punt om Zijn leven voor hen te geven. Hij zal alles geven: Zijn leven, Zijn liefde, Zijn hart. Alles! En zij noemen de gift van het flesje lekker ruikende olie ‘verlies’, jammer van het geld. O, wat moeten wij ons hier schamen. Hoe vaak achten wij geld, tijd, liefde en werk gespendeerd aan onze Meester als verlies…
Het ontbreekt ze aan mildheid. Het ontbreekt ze aan liefde. En het laatste wat opvalt, is dat ze dat gebrek ook nog goed proberen te praten. Vooral door vroom een beroep te doen op de noodzaak voor de zorg voor de armen. Laten we oppassen (dat is denk ik wel de les hiervan) dat we nu en straks geen van de kleinen van Christus ergeren. Geen van den kleinen, die Hem zo lief hebben. Want zij zijn letterlijk de oogappels van Christus.
f. Maar dan horen en zien we ineens als laatste Jezus Zelf. Het valt op, dat Hij in deze geschiedenis niet als eerste is genoemd. Maar alles draait, om het zo te zeggen, wel om Hem. Eigenlijk zijn al die mensen die ik tot nu toe heb genoemd, Simon de melaatse en Lazarus en Martha en Maria en die twaalf discipelen, ze zijn eigenlijk allemaal van ondergeschikt belang. Want zonder de Heere Jezus was dit feest gewoon een gewone maaltijd geweest. Maar nu Hij hier is, nu blijkt dat Zijn aanwezigheid alles verandert en alles heiligt.
En zo zal het ook aanstaande zondag zijn. De geestelijke aanwezigheid van Christus zal hier alles veranderen en alles heiligen. Als Hij tot onze verwondering, tot onze verbazing en vreugde, de Gastheer zal zijn van mensen met de bijnaam ‘de melaatse’, en van mensen met de toevoeging (als het gaat om hun naam) ‘die van de doden opgewekt was’. Als Hij de Gastheer zal zijn van liefdevol dienende Martha's en hartelijk liefhebbende Maria's. En zelfs van discipelen, vol van onbegrip.
Alles verandert als Christus aanwezig is en het Woord neemt. Zoals hier ook. Kijk maar naar vers 10: Maar Jezus, zulks verstaande, zei tot hen Waarom doet u deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan Mij gewerkt. Waarom doet u deze vrouw moeite aan? Of, zoals Johannes het schrijft: Laat af van haar. Want, Judas, je weet niet hoe kostbaar het is om Mij, Jezus te kennen.
Het Woord is vlees geworden en het heeft onder u gewoond, vol van heerlijkheid, genade en waarheid. En die aanwezigheid van Mij, de Zoon des mensen, in kwetsbaar menselijk vlees is, Judas, nu bijna voorbij.
Zij, Maria, zij zag Mijn heerlijkheid, zij proefde Mijn genade en zij hoorde de woorden van Mijn waarheid. Ik ben onuitsprekelijk kostbaar voor haar geworden, omdat zij werkelijk is gaan inzien wie Ik echt voor haar wil zijn en wie Ik echt voor haar ben. En zij is het in haar hart, door Gods genade eens geworden, met de weg die Ik zal moeten gaan. En die Ik ook wil gaan in haar plaats.
En dus, Judas, aanvaard Ik van harte deze zalving als verzorging van Mijn lichaam voor straks, voor na mijn dood. Als teken van Mijn vrijwilligheid en als bewijs van Mijn bereidwilligheid. ‘Ja, Maria, inderdaad, Ik wil en zal vrijwillig de dood ingaan voor u.’ En dus, ‘Judas, stop! Doe haar geen moeite aan!’
En dan nog die bijzondere tussenzin in vers 11: Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij niet altijd. Dat is bedoeld, lieve vrienden, als ontdekking. Dat is bedoeld als een ontdekkend woord. ‘Luister, Judas, luister andere discipelen. Waarom ben jij, waarom zijn jullie nu zo bezig met de dingen van nu, met geld, met bezit, met goede werken voor de armen, met allemaal dingen die voorbijgaan?’ Ben ik de Zaligmaker niet meer waard in jullie ogen dan dat alles? Dan je geld, dan je toekomst, dan je eer, dan je goede werken, dan je aanzien, dan dan alles wat je doet?
Wie denkt hier niet aan de woorden van Paulus in 1 Timotheüs 7:7-10? Want wij hebben niets in de wereld gebracht; het is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.
Wie geld liefheeft, met andere woorden, wie rijkdom zoekt, die is bezig onder te gaan. Die is bezig zichzelf, zegt Paulus, te doorsteken. Straks zal Judas zich verhangen, na het verraad van zijn Meester. Maar dit is zijn eigenlijke zelfdoding: zijn liefde tot geld. En vandaar mijn vraag, lieve vrienden, ook aan mijzelf gesteld: Wat hebt u liever? Klinkende munt, rijkdom, bezit, geld, eer? Of een gekruisigde Christus, Die al uw liefde waard is?
Judas, andere discipelen, doe haar geen moeite aan. Ze heeft iets heel moois voor Mij gedaan. Ze deed het voor Mij.
Let op, Maria zegt niet zelf: ik heb iets heel moois gedaan voor Jezus. Maar Hij zegt het van haar: zij heeft het gedaan (vers 12) als voorbereiding van Mijn begrafenis. Met andere woorden: dit heeft ze gedaan om Mij en Mijn bereidheid om Mijn leven voor haar te geven, om Mij daarvoor te eren en te danken. Jezus neemt het voor haar op. Zoals Hij het nog steeds opneemt voor Zijn kinderen, als die door anderen veracht worden.
Vers 13: Voorwaar zeg Ik u (u, discipelen, jou, Judas, u allemaal!), alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. Overal waar dit Evangelie klinken zal, zal ook haar daad genoemd worden, zoals ook bij ons vanmorgen. Ook nu wordt dit Schriftwoord vervuld. Overal waar dit Evangelie klinken. Overal waar de boodschap klinken zal, namelijk dat Ik de Zaligmaker in de wereld gekomen ben om Mijn leven te geven om zondaars, verloren mensen en vijanden zalig te maken en met God te verzoenen, daar zal ook zij genoemd worden. Als teken en bewijs van Mijn genade werk in harten van zondaars.
Ik ga afronden, gemeente. De grote vraag, aan u en mij, is: Hebt u Jezus hartelijk lief? Kent u iets van de liefde van Simon de melaatse? Kent u iets van de liefde van Lazarus die uit de doden opgewekt was? Kent u iets van de liefde van de zwijgend dienende Martha? Kent u iets van de liefde van deze Maria? Niet pratend, maar stil luisterend aan de voeten van Jezus? Zo verwonderd om Zijn liefde, om Zijn bereidwilligheid, om Zijn genade, om Zijn trouw. Omdat Hij het kostbaarste wat Hij had, gaf: Zijn leven, Zijn liefde, Zijn hart. En zijn wij daarom ook bereid om het kostbaarste van onszelf uit te gieten op Zijn hoofd en op Zijn voeten? Onze toekomst, onze eer, ons alles? Omdat Hij al onze liefde waard is?
Verblijd u, eenvoudige, stille gelovigen, U die in stilte onderwezen bent aan de voeten van de Heere Jezus. Verblijd u in Zijn liefde. In de weergaloze liefde van Christus, Die zo onbegrijpelijk Zijn leven voor u gaf. Negeer die afkeurende blikken, die scherpe woorden, die u misschien wel willen hinderen. En bereid Hem in deze week van voorbereiding de heerlijk ruikende olie van uw hartelijke wederliefde tot Hem. Dan zal, als de Heere dat geeft, aanstaande zondag vervuld worden, wat staat in Hooglied 1:12Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.: Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel zit, geeft mijn nardus haar reuk.
Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel zit, geeft mijn nardus haar reuk. En… (u moet dat thuis maar eens rustig nalezen), waar komt die nardus vandaan? Dat staat in hetzelfde hoofdstuk. In Hooglied 1:3, waar staat (en dat zegt de bruid in de richting van de Bruidegom, in de richting van Christus Zelf): Uw oliën zijn goed tot reuk. Uw Naam is een olie die uitgestort wordt.
Dus we moeten het goed begrijpen. Als het gaat over mijn nardus die haar reuk geeft, dan wordt de olie van Christus die aan ons gegeven is, vervolgens weer uitgegoten over Hem. Want als Hij Die aanstaande zondag bij leven en welzijn Zijn liefde ons voor ogen schilderen zal… Als Hij de tekenen en bewijzen ons daarvan in handen geven zal… Als Hij meer dan ooit voor ons zal gaan schitteren als het geslachte Godslam, als de opgestane Koning, als de hemelse Bruidegom in Zijn schoonheid... Als we niemand anders zien dan Jezus alleen…
Dan zal Zijn Naam, zo heilig, groot en goed, zijn als een olie die hier uitgestort wordt. En dan zal ook door Gods genade dit huis vervuld worden met de reuk van Zijn liefde en van onze dankbaarheid. En dan zullen we door Gods genade ook van harte bereid worden om onze toekomst, onze eer, ons alles aan Hem te geven.
Hem die Zijn leven voor ons gaf, Hem die eeuwig leeft, zij alle eer, roem en glorie van nu aan tot in eeuwigheid. Halleluja!
Amen.
Andere preken over Mattheüs
Andere preken voor Voorbereiding