12 juli 2015
Jesaja 40:30-31: De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; Maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden.
INLEIDING
Al lijken mensen sterk en jong, ieder mens is geestelijk in ballingschap: krachteloos om zelf tot God terug te keren, en valt telkens in eigen pogingen. Maar Gods troostwoord lag al klaar vóór de nood er was: Hij vergeet Zijn volk niet, draagt de moedelozen en baant Zelf de weg door Christus. Wie ophoudt op zichzelf te vertrouwen en de HEERE verwacht, ontvangt vernieuwde kracht: opvaren als arenden, lopen zonder moe te worden. Krachteloos in zichzelf, maar sterk in Hem.
Een Goddelijke belofte voor een krachteloos volk
JESAJA 40:26-31
26 Heft uw ogen op omhoog en ziet Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.
27 Waarom zegt gij dan, o Jakob, en spreekt, o Israël: Mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
28 Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
29 Hij geeft den moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien die geen krachten heeft.
30 De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
31 Maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 40:30-31
THEMA
Een Goddelijke belofte voor een krachteloos volk
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, het Woord dat wij met ‘s Heeren hulp in deze dienst met u willen overdenken, kunt u vinden in Jesaja 40, het hoofdstuk dat u voorgelezen is, daarvan vooral de verzen 30 en 31. We lezen daar het Woord van God als volgt: De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
Een Goddelijke belofte voor een krachteloos volk, zo luidt het thema voor de preek: Een Goddelijke belofte voor een krachteloos volk
Er zijn twee aandachtspunten: 1. Sterk maar krachteloos 2. Krachteloos maar sterk
Als eerste dus:
Als je jong bent, dan kan je alles. Als je klein bent, dan wil je alles zelf doen. Mamma wil je boterham smeren, maar je zegt: nee, ik doe het zelf. Bij het boodschappen doen, geeft mamma je een hand, maar je zegt: nee, ik wil zelf lopen. Als je oversteekt over een drukke weg, wil mamma je vasthouden, maar je zegt: nee, ik kan zelf ook goed uitkijken, hor. Als je ’s avonds bidt, wil pappa met je bidden, maar als je groter wordt zeg je: ik doe het zelf wel.
Als je moeder de pot appelmoes niet open krijgt, vechten de jongens aan tafel: geef mij dat ding maar, ik doe het wel! Een krat boodschappen tillen? Laat mij dat maar doen!
Als je jong bent, dan ben je sterk. Dan wordt je nooit moe. Ouderen, ja die worden moe. En als ze dan toch nog doorgaan, dan vallen ze erbij neer. Maar als je jong ben, dan kan je alles!
Dat dachten de mensen in Babel ook. De mensen uit Juda, die door koning Nebukadnezar meegevoerd waren naar Babel. De stad Jeruzalem was verwoest. De tempel was vernield. Hun huizen waren verwoest en verbrand, en zijn waren meegenomen naar het verre Babel.
Ze hadden het kunnen weten. Hoe lang was de wegvoering al niet voorzegd? Maar de mensen hadden het niet geloofd. Hoe vaak waren zij niet gewaarschuwd door de profeten? Maar ze waren toch doorgegaan op de weg van hun zonden. En toen er eigenlijk geen hoop meer was, omdat God Zijn oordelen zeker zou gaan uitvoeren, toen hadden ze nog steeds op zichzelf vertrouwd. Toen hadden ze hoop gehouden, geen hoop op God, maar hoop op zichzelf, omdat ze de dreigende woorden over Gods komende oordelen nog steeds niet geloofden.
Maar nu... nu is het te laat. Nu zitten ze in Babel. Nu zijn ze door het rechtvaardige oordeel van God ver van huis en haard verdreven. Ver van hun huis, waar misschien wel niets meer van over is.
Die ballingschap, gemeente, is een beeld van ons natuurlijke leven. We zijn door onze zonden verdreven uit het Paradijs. We leven in een verloren wereld, met verloren harten, ver bij God vandaan. We leven in vijandschap, in verzet tegen God. We zijn geestelijk dood. Onmachtig om terug te keren naar God. En tegelijkertijd zijn we vijanden, onwillig om terug te keren. We kunnen en willen (zeggen onze Dordtse Leerregels) tot God niet weerkeren, zonder de wederbarende genade van de Heilige Geest.
We leven van nature in Babel. Heel verschillend weliswaar… Maar de meeste mensen hebben het in deze wereld prima naar hun zin. Ze genieten van dit leven. Als het kon, zouden ze altijd wel zo op deze wereld willen blijven wonen. Leg uw leven daar eens naast. Zou u, zoals u nu leeft, altijd willen blijven leven? Nee, niet sterven, maar gewoon zo doorgaan, met vrienden, met een mooi eigen huis, met mooie verwachtingen voor de toekomst? Voelt u niet, we verlangen in dit leven naar rust en vrede, naar liefde, naar voorspoed, maar we verlangen niet naar God. We kunnen en willen niet wederkeren tot God!
En in die omstandigheden, in dat leven, buiten God en zonder God geldt wat de tekst zegt: De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk (dat wil zeggen: zeker) vallen. We zouden zeggen: de jonge knullen zullen moe en uitgeput raken, de stoere jonge kerels, zij zullen zeker vallen.
Dat gold toen in de ballingschap. Al was je jong en sterk, toch was er geen verwachting. Want wie zou in staat zijn om op eigen kracht lopend terug te gaan? Al was je een oersterke en getrainde militair, al was je de meest getrainde atleet, je kon gaan lopen van Babel naar Jeruzalem, maar je zou er niet levend aankomen. Je zou zeker vallen.
En geldt het ook nu niet, bij zoveel tegenspoeden in dit leven. We kunnen vechten, maar hoe sterk we ook zijn, we vallen. We kunnen lichamelijk sterk zijn, maar wat als we getroffen worden door een ongeneeslijke ziekte? Wat als we een ongeluk krijgen? We kunnen psychisch sterk zijn, maar wat als we overwerkt raken, als we tegenslag op tegenslag te incasseren krijgen, wat als onze man of vrouw, of ons kind ons ontvalt? We kunnen sterk lijken, als jonge mannen, maar we zijn het niet. We vallen.
En is dat ook niet in het geestelijke leven het geval? Als er onrust komt in ons leven, gaan we dan niet als jonge mannen aan de slag? Aan de slag met de verbetering van ons leven? Dit doen, dat laten, dit verbeteren, bidden, lezen, zwoegen, totdat…, totdat we moe worden en ervaren: dit is een doodlopende weg. We proberen in onze eigen kracht (zelf doen!) de geboden van God te houden, maar we struikelen en vallen. We proberen in eigen kracht (zelf doen!) de wereld te verlaten en onze oude natuur te doden, maar we worden moe, en het lukt niet. We vechten in eigen kracht, maar delven het onderspit. In eigen kracht proberen we te lopen van Babel naar Jeruzalem, maar we struikelen en vallen.
We roepen de Heere te hulp. Ik kan het niet alleen. Help me toch Heere, met de verbetering van mijn leven. Ik loop kreupel en mank, maar geef me toch krukken om op te lopen. Laat Uw liefde en genade me helpen om toch nog in eigen kracht terug te keren tot U. Maar we worden moe, we struikelen, we vallen. We vallen zeker, gewisselijk! Daar is geen twijfel aan! Wie zelf loopt, zal vallen. Moed benemend. Om hopeloos van te worden. Moe... Mat… Op… Uitgeblust… Hopeloos…
En ondertussen klinkt onze klacht naar de hemel: Zou God Zijn genâ vergeten, nooit meer van ontferming weten? Dat klaagden de ballingen ook! Kijkt u maar in vers 27: Mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij. Ik zie geen weg meer. Ik kan niet meer genieten van alles wat Babel te bieden heeft. In mijn hart is heimwee naar God, maar hoe kom ik ooit bij God terug? Een hemelhoge schuld, niets om te betalen. Ik moet me weg schamen voor God, en al mijn pogingen om terug te keren zijn gestrand. Steeds maar weer moe geworden, gestruikeld en gevallen...
Maar luister nu eens goed naar wat Jesaja zegt. Hij zegt in vers 27: Waarom zegt u dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor de HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? Waarom zegt u dat toch, ballingen? Uw zichtbare toestand is voor het oog wel hopeloos, maar u weet toch nog wel, dat er woorden van troost gesproken zijn? Ja, woorden van troost!
U hebt het wel over een onbegaanbare weg, waarop u moe wordt, struikelt en valt, en u ziet wel onoverkomelijke bergen en woeste heuvelen, maar Ik heb toch gezegd, in vers 4: Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. U bent wel hardnekkig en dwaalziek als een schaap, maar Ik heb toch gezegd, zoals staat in vers 11: (Ik) zal (Mijn) kudde weiden gelijk herder; (Ik) zal lammeren in (Mijn) armen vergaderen, en in (Mijn) schoot dragen; de zogenden zal (Ik) zachtjes leiden. En alle machten van deze wereld komen wel tegen u op, maar Ik heb toch gezegd, ‘t staat in vers 15: Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, (Ik) werp de eilanden henen als dun stof! En u weet toch wel dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Jesaja 40 is vol van woorden van troost. Woorden van troost die, opvallend genoeg, al klaargelegd waren vóór de ballingschap! Want toen Jesaja dit hoofdstuk opschreef was het volk nog thuis, in Juda, in Jeruzalem. Toen leefden ze, ondanks alle waarschuwingen, nog door in de zonde. Deze woorden worden nu niet door Jesaja zelf tegen de ballingen gezegd, maar ze zijn al voor de ballingschap door hem opgeschreven, en nu worden ze in dat vergelegen Babel gelezen door een moedeloos volk. Ze worden voorgelezen, die woorden van troost, voor de moedeloze Israëlieten in Babel. ‘Toen u nog hardnekkig door zondigde vóór de wegvoering hierheen, toen heb Ik al gedachten van vrede gehad. Ondanks al uw zonden, ondanks dat u niet luisteren wilde, ondanks dat u Mijn woorden niet geloofde, ondanks alles van u, heb Ik gedachten van vrede gehad. Toen u nog niet aan Mij dacht, toen heb Ik aan u gedacht.’
Wat moet deze vrije en onverdiende genade toch geschitterd hebben in de ogen van Godzoekende, moedeloze ballingen in Babel. Ze zijn er ongetwijfeld geweest. Terwijl zij nog tegen beter weten in zondigden, en doorgingen op de weg van de zonde, toen heeft God, uit enkele en eenzijdige genade, gedachten van vrede met hen gehad. In de stille eeuwigheid had God gedachten van vrede met hen, die Hij uit vrije ontferming gaf aan Zijn enig geliefde Zoon. Hoe blinkt hier Gods onveranderlijk trouw, hoe schittert hier Zijn verkiezende genade, voor verloren zondaren. De Vader gaf hen aan Zijn Zoon, en Christus gaf Zichzelf om hen vrij te kopen, en de Geest werkt in de tijd krachtig en onwederstandelijk in het hart van hen, die van zichzelf nooit naar God gevraagd hebben, die Hem nooit gezocht hebben.
Misschien voelt u zich wel net zo moedeloos als die ballingen. Zijn hier van die moedeloze ballingen? Van die mensen die het niet meer kunnen uithouden in Babel, maar die de weg terug niet weten, die geen kracht hebben in zichzelf om terug te keren? Die de waarheid van het woord verstaan: Niemand kan tot mij, tot Christus komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft hem trekke? Mensen die wanhopen aan alles van zichzelf? En dat is nog terecht ook. Want hoewel u sterk leek, als een gezonde knul, u bent moe geworden. Hoewel u zo sterk leek als een getrainde jongeman, u bent gevallen, niet één keer, maar eindeloos vaak.
Maar, zegt de HEERE, luister nu eens naar wat Ik gezegd heb. Lees Mijn troostrijke woorden eens, die Ik al klaargelegd heb u, al voor de ballingschap.
Van uzelf is nooit meer iets te verwachten, maar bij Mij, de Jahweh, de God van het eenzijdige Verbond, bij Mij is hoop, en troost, en verwachting. En die hoop, die troost en die verwachting, die heb Ik klaargelegd, die heb Ik bereid. Die is niet aan u te danken, maar die komt van Mij. Die heb Ik vastgelegd en voorbereid in de eeuwigheid. Hoop op de HEERE! Want bij de HEERE is veel verlossing. Hoop op Zijn Woord! O, laat alle andere hoop toch varen, maar grijp u als een verloren zondaar vast aan Zijn Eigen Woord. Aan het vleesgeworden Woord. Kom met al uw verlorenheid toch tot Christus! Woorden van troost en bemoediging voor troostelozen en moedelozen. Hij zal alle dalen verhogen, alle bergen en heuvelen vernederen, wat krom is, dat zal Hij recht maken, en wat hobbelachtig is, dat zal Hij tot een vallei maken.
In al uw roepen, en zoeken, en smeken, zal Hij een weg banen, waar geen weg was, om Zijn Woord waar te maken, om Zijn beloften te vervullen. Kom, roepende, zoekende zondaar, is het niet beter om alle ijdele hoop op uzelf op te geven? Zelf doen? Dat is onmogelijk! Is het niet beter om te wanhopen aan uzelf? Is het niet beter om u als een wanhopige, als een verloren zondaar, te werpen op vrije genade? Heere, wees mij zondaar genadig! Redt U mijn ziel, maak me levend door Uw Woord en breng me terug bij U. Want zonder U kan ik niet verder!
Misschien vindt u uw leven helemaal niet zo uitzichtloos. Misschien hebt u de illusie dat u sterk bent. Ik kan het zelf wel. Niemand hoeft mij te helpen. Niemand hoeft mij te redden. Maar het is schijn. Het is gezichtsbedrog. Uw leven is in groot gevaar, uw leven hangt aan een zijden draad boven de eeuwigheid en u gaat vallen. Maar God is bereid om de krachtelozen te redden God wijst u de weg om zalig te worden, de weg om gered worden. Al hebt u het in uw leven hier in Babel nog zo naar uw zin. Hoor de roep van de Schepper van hemel en aarde: Wendt naar Mij toe, o al gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Zie toch uw verzet! U mag komen, maar u wilt niet. U wordt genodigd om te komen als een zondaar, maar u weigert. O, komt toch, met smeking en geween, tot Hem die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Komt heden, kust de Zoon. Wie tot Hem komt, zal Hij niet uitwerpen. U die leeft in Babel en geniet van de dingen van dit leven, doorzie toch uw lot. U lijkt wel sterk, maar u zult vallen. U zult, als u zo doorgaat vallen in de handen van de levende God. En het is vreselijk om onverzoend te vallen in de handen van een toornend God. Haast u dan toch, ter wille van uw leven. Zo gij Zijn stem dan heden hoort, geloofd Zijn heil- en troostrijk woord.
Gods Woord is vol troost voor zwakken, voor moedelozen. Het wijst in het bijzonder u, die ervaart dat u geen kracht hebt, de weg om terug te keren van Babel naar Jeruzalem,
van de zonde terug naar God. Die weg is een enige weg. Geen weg in eigen kracht. Maar een weg die gebaand is door een Ander. Zelfs de dwaas zal niet dwalen op die weg, want daar worden de krachtelozen en de moedelozen gedragen. Terug gebracht. Ze lopen niet zelf, maar ze worden gedragen en gebracht, door Hem die deze weg Zelf heeft gebaand. Door onze Heere Jezus Christus.
Hij heeft het gezegd, in de stilte van de eeuwigheid, nog vóór dat een van Zijn verloren en dwaalzieke schapen geboren was: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. Hij is de Leeuw uit de stam van Juda, Hij was krachtig als een jonge Held. Maar werd beladen met de toorn van God, zodat Hij moest kruipen in Gethsémané. Hij moest zeggen: Maar ik ben een worm en géén man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. De satan dacht Hem te verleiden en te overwinnen, maar Hij is niet moe geworden, Hij is niet gevallen. Hij heeft als een Held, als een Overwinnaar Zijn leven vrijwillig afgelegd voor Zijn Bruidskerk. En Hij is opgestaan, en als Triomfator ten hemel ingegaan, en nu roept Hij het al de krachtelozen toe, juist zij die niet meer weten hoe het moet: Die de HEERE verwachten zullen de kracht vernieuwen! Voordat we verdergaan met ons tweede punt, gaan we samen eerste zingen uit Psalm 31:19. Bemint den HEERE, Gods gunstgenoten; Den HEERE, Die vromen hoedt, En straft het trots gemoed. Zijt sterk; Hij zal u niet verstoten: Hun geeft Hij moed en krachten, Die hopend op Hem wachten.
Ons tweede aandachtspunt:
Maar die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
Wat verwachten is, dat weten we allemaal. Verwachten dat betekent wachten en… geduld hebben. Maar tegelijkertijd hopen, uitzien, verlangen, vertrouwen... Als je jong bent, dan zit je vol verwachtingen. Als ik groot word, dan... word ik agent, dan word ik misschien wel moeder. Als ik mijn diploma heb, dan... vind ik vast een mooie baan. Als we een huis hebben, dan... gaan we trouwen. Allemaal verwachtingen. Wat is het leven moeilijk, als er geen verwachtingen meer zijn. Mijn vader en moeder zijn gescheiden, en het komt nooit meer goed… M’n huwelijk is stuk, er is niets meer van over…
Ik ben ongeneeslijk ziek, ik word nooit meer beter… Zo zaten de ballingen in Babel. Terug naar Jeruzalem? Nee, dat zit er niet meer in. Nooit meer… En nu schrijft Jesaja in onze tekst, voor die ballingen, die geen hoop meer hebben op terugkeer: Die de HEERE verwachten.
Ver-wachten, daar zit trouwens ook het woordje wachten in. Wachten..., daar zijn we niet zo sterk in. Wachten op de trein, die alweer vertraging heeft… Wachten bij de dokter of de orthodontist... Waarom werken die mensen nooit op tijd? Wachten duurt lang...
Als daarbij: als je geen enkele reden hebt om te wachten, dan kun je wachten totdat je een ons weegt. Als u eenzaam bent, en u besluit vanavond voor de zoveelste keer te wachten op bezoek, dan wacht u misschien wel weer tevergeefs. Maar, als een van uw vrienden of een familielid heeft toegezegd, heeft beloofd zeker te zullen komen, dan is dat wachten anders. Dan kunt u wel een beetje ongeduldig worden (de koffie wordt koud...), maar u hebt wel zekerheid. Het is immers afgesproken, het is beloofd! U wacht en tegelijkertijd ver-wacht u bezoek. U wacht geduldig, maar tegelijkertijd is er uitzien. U rekent erop, omdat uw bezoek het heeft beloofd...
Zo mogen, zegt Jesaja, de moedeloze ballingen in Babel de HEERE verwachten. De HEERE, de God van het verbond, de God van Zijn volk, die God die altijd Zijn Woord houdt. God is immers geen man die liegen zou of een mensenkind dat het Hem berouwen zou. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet waar maken? Nee, Hij laat nooit één van Zijn woorden op de aarde vallen.
En wat zegt God nu tegen die moedeloze ballingen? Onbegrijpelijke woorden van troost, van genade, van genade bij God vandaan. Reeds opgeschreven vóór de ballingschap. Onbegrijpelijke woorden van troost voor mensen die niet meer durven geloven, dat ze nog ooit terug zullen komen in Jeruzalem. Zullen ze ooit hun ogen nog eens mogen richten op de tempel? Ach nee, die is verwoest. Zullen ze ooit hun ogen nog eens mogen richten op het bloed dat stroomt van het altaar? Ach nee, dat altaar is er niet meer. Maar weet u, Wie er nog wel is? De HEERE, de God van het onveranderlijke verbond. Bergen zullen wijken, heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.
Midden in die uitzichtloze ballingschap klinken de machtige woorden van de God van het eenzijdige verbond: Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.
De heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden in de komende Christus. Hij is de grote inhoud van het verbond, dat nimmer wankelen zal.
De ballingschap is niet uitzichtloos. De moedeloze ballingen mogen zich laten vertroosten door de verkondigsters van goede en blijde boodschap. Zij roepen het gezamenlijk uit: Zie hier is uw God! Hier is uw Christus. Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
Maar Hij is niet alleen de Herder die Zijn schapen weidt, Hij is ook de almachtige God. Niets is voor Hem onmogelijk! Hij spant de hemelen uit als een dunne doek. De sterrenhemel met zijn ontelbare sterren wordt door Hem als een tentdoek opgerold. En Hij kent al die miljarden sterren bij name. Niet één wordt er gemist. Niet één ster, niet één moedeloze balling ontgaat Zijn oog. Waarom zegt u dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor de HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? Als Ik dan van al die miljarden sterren er niet één vergeet, waarom denkt u dan dat Ik u vergeten zou, u, Jakob, u Israël? Genoemd naar Mijn Naam? Zou God één van de ontelbare sterren kunnen vergeten? Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Ik heb u in de beide Mijn handpalmen gegraveerd, uw muren zijn steeds voor Mij.
‘Moedeloze ballingen’ in de kerk, u die geen weg meer ziet. Misschien voor het eerst de onmogelijkheid gezien om terug te keren tot God. Moe en geen kracht. Misschien moet u weer opnieuw ervaren: wij willen en kunnen tot God niet wederkeren. Moe en geen kracht. Weet u het niet? Hebt u niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moe, noch mat wordt?
Verwacht u Hem? Ziet u in moedeloosheid en krachteloosheid uit naar Zijn komst? Wat een wonder is het toch, dat deze God, de God van dat eenzijdige verbond, ons niet loslaat. Hij zal u niet laten omkomen in die donkere ballingschap. Immers hier is het onwankelbare woord van Zijn belofte: De heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden.
Wat een wonder, dat Hij midden in de duisternis van onze onmogelijkheid belooft op Zijn tijd een weg te zullen banen. Belooft de Christus te zullen openbaren als een Zaligmaker, als een Redder van ons verzondigde leven. Hij zal u oprapen, Hij zal u dragen, Hij zal u redden. Hij zal u terugbrengen uit het Babel van de zonde, tot God. O, wonder van vrije genade. Van onverdiende genade. Want de ballingen in Babel hebben de dood verdiend. Maar God wil uit eenzijdige liefde omzien naar alles verbeurd hebbende zondaren. Ziet toch op Hem, die enige Weg is. Ziet Christus in het woord van Gods belofte: De heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden.
Hoort toch het woord van Sion, de verkondigster van goede boodschap, en van de machtige stem van Jeruzalem: Zie hier is uw God.
Hij alleen is machtig om te verlossen. Hij is de Leeuw uit Judas stam, de wortel van Isaï, de Banier der volken. Hij is gegeven tot een verbond des volks en tot een Licht der heidenen. Om te openen de blinde ogen, om de gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis hen die in duisternis zitten.
Misschien zegt u: had ik maar voeten om naar Hem toe te gaan. Maar vergis u niet. Hij komt tot u, moedelozen en krachtelozen, onder de uitroep: Zie, hier is uw God! Hij zal u oprapen en in Zijn armen dragen. Misschien zegt u: had ik maar ogen om Hem te zien. Maar vergis u niet. Hij zal u ogen des geloofs geven. Want tot dat doel is Hij juist gezonden, namelijk om de blinden ziende te maken. Misschien zegt u: zou Hij wel naar mij om willen zien? Maar vergis u niet. Laat uw blindheid en uw doodheid, uw vijandschap en verzet u niet ontmoedigen, want Hij heeft gezegd: Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben. Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken en het kromme tot recht. Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken.
Die op Hem zien, zullen nieuwe kracht ontvangen. Ja, sterker nog: Die Hem verwachten zullen de kracht vernieuwen. Psalm 34 zegt het op dezelfde manier: De jonge leeuwen leiden armoede en gebrek, maar die de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. Die Hem verwachten. Nee, niet: die, tot wie Hij al gekomen is, maar die Hem verwachten. Die Hem zoeken. Nee, niet: die Hem al gevonden hebben, maar die Hem zoeken! De rijke belofte van onze tekst geldt degenen die uitzien en verwachten.
Zij zullen kracht ontvangen. Daaraan valt niet te twijfelen. Dat is zeker. Want die zoeken zullen vinden. En die Hem verwachten zullen de kracht vernieuwen. Die zullen telkens weer nieuwe kracht en moed krijgen, vanuit de kracht van Christus, door de Heilige Geest. Als u daarop let, kunt u de paradox van Paulus begrijpen: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Als ik alle hoop op mezelf opgeef, en steun op de kracht en op het werk van Christus, dan ben ik machtig. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Die al zijn hoop op eigen werk opgeeft, en met lege handen bedelt aan de troon van Gods genade, steunend op Gods belofte, die zal ervaren dat er in Christus kracht is. Het geloof is de lege hand, die Christus aangrijpt, in het Woord van Gods belofte, om als een arme zondaar alleen maar te steunen op Hem.
Het geloof zegt niet: ik heb het, ik ben voor eens en altijd gered omdat ik voor Jezus heb gekozen. Maar het geloof zegt: ik ben arm en ellendig, en alles wat ik nog denk te hebben, dat acht ik schade en drek om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus. Ik verlang ernaar om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding. Ik verlang ernaar dat Hij Zich voor het eerst en opnieuw aan mijn ziel openbaart als een gewillige Zaligmaker, om me te dragen naar de plaats waar ik niet komen kan. Die de HEERE verwachten zullen de kracht vernieuwen. God verwisselt hun krachteloosheid met Zijn kracht.
Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden. Op de uitgespreide vleugels van het geloof, vliegen zij, gedragen door de wind, bijna zonder inspanning, onvermoeibaar, tot grote hoogte. Vanuit de diepte van de krachteloosheid en de moedeloosheid stijgen Gods kinderen door geloof en gebed tot grote hoogte. Ze stijgen op tot voor de troon der genade, waar zij de bedelhand uitstrekken om te ontvangen genade voor genade. En van die grote hoogte zien zij neer op de aarde. En als zij vandaar naar beneden kijken, dan zien ze alles in een ander perspectief. Van bovenaf lijkt alles immers onbeduidend en klein. Vanuit dat perspectief zien ze dat hun kruis en lijden een lichte verdrukking zijn, die zeer haast voorbijgaat.
Maar hoewel zij zo hoog stijgen als de arenden, zij ontvluchten het leven op aarde niet. Ja, zij zijn vreemdelingen op de aarde, maar toch (de tekst zegt) zij lopen en zij wandelen ook op de aarde. Zij zullen lopen, hard lopend, als een renner in een wedstrijd, maar worden niet moe. Zij zullen wandelen, ontspannen wandelen, maar niet uitgeput raken. Die de HEERE verwachten verkrijgen in alle omstandigheden van het leven steeds nieuwe kracht. Zij blijven zwak in zichzelf, maar Gods kracht wordt in onze zwakheid volbracht.
Het is een viervoudige zekerheid, een viervoudig ‘zullen’: want God is getrouw, houdt Zijn woord! Die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden. Uw toekomst, moedeloze ballingen die de Heere verwachten is zeker, want men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. Amen.
Slotzang Psalm 69:13,14:
Dat zal den HEERE veel aangenamer zijn Dan os of var, die hunnen klauw verdelen. De blijdschap zal het hart der vromen strelen, Als zij mij zien, verlost van smart en pijn. Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven; Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet; Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.
Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, En Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erfelijk wonen.
Andere preken over Jesaja