16 augustus 2015
Jesaja 40:6-8: Een stem zegt: Roep. En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
INLEIDING
Een hemelse opdracht tot een krachtige roep, gepredikt na het overlijden van een klein kind uit het midden van de gemeente, over Jesaja 40:6-8: Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds..., maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. Deze leespreek wijst op de kortheid van het leven, het blazen van de Geest en de enige weg tot het leven, in Christus.
Een hemelse opdracht tot een krachtige roep
JESAJA 40:1-9
1 Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.
2 Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
3 Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God.
4 Alle dalen zullen verhoogd worden en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.
5 En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees tegelijk zal zien dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.
6 Een stem zegt: Roep. En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.
7 Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.
8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie, hier is uw God.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 40:6-8
THEMA
Een hemelse opdracht tot een krachtige roep
Gemeente, in deze dagen van droefheid en intens verdriet, vanwege het overlijden van de kleine N., luisteren wij vanmorgen samen naar het Woord van onze God, dat u vinden kunt in Jesaja 40, daarvan de verzen 6 tot en met 8. De tekst voor de preek van vanmorgen vindt u in Jesaja 40:6-8, waar we het Woord van God als volgt lezen: Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Het thema voor de preek is: Een hemelse opdracht tot een krachtige roep
En die roep spreekt ons van drie dingen. In de eerste plaats van de kortheid van het leven, in de tweede plaats van het blazen van de Geest en in de derde plaats van de weg tot het leven. Drie aandachtspunten zijn er dus: 1. De kortheid van het leven 2. Het blazen van de Geest 3. De weg tot het leven. Als eerste dus een roep die spreekt van
Jongens en meisjes, soms als de Heere klopt op de deur van je hart, hoor je dat als een zachte klop. Maar soms ook als een indringende klop, alsof er op de deur van je hart wordt gebonsd. Soms hoor je in je oren de zachte fluistering: kom, kinderen, hoor naar Mij. Maar op andere momenten klinkt de krachtige roep: hoor toch, luister toch, voordat het te laat is! Zo klinkt vanmorgen ook het woord van de Heere als een krachtige roep!
Want (zo lezen we in vers 6): een stem zegt: Roept! Het is de stem van de Heere Zelf, die Jesaja (en daarmee al Gods knechten) aanspoort om te roepen.
1. Preek na het sterven van een jong kind uit het midden van de gemeente Zie ook: middagpreek over Heidelbergse Catechismus zondag 27, A.D. 2015
We hebben van de Heere de opdracht, we hebben van de Heere het bevel gekregen om te roepen. Om in het openbaar te roepen: ernstig, duidelijk, eerlijk en oprecht. Fluisteren is niet genoeg. Adviseren is niet gepast.
Waarom niet? Omdat, zo schrijft Paulus in 1 Korinthe 2: de natuurlijke mens niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn. Omdat we staan voor geestelijk doven, voor geestelijke doden, daarom hebben we de opdracht om te roepen: Ontwaakt, u die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten! (Efeze 5:14Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.) En God geve, dat door de kracht van Zijn Geest, op deze dag de doden werkelijk Zijn stem mogen horen. En die ze gehoord hebben, die zullen leven (Johannes 5:25Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.).
Het is onze opdracht om u hier in het openbaar, met de drang, met ernst, en met alles wat in ons is, te prediken het Evangelie van vrije genade. Zolang het nog kan. Want als kaf gaat ons leven voorbij. Het is onze opdracht om u, wetende de schrik des Heeren, door het Woord te bewegen tot het geloof.
Een stem zegt: Roept! Maar het antwoord van Jesaja klinkt aarzelend en verlegen, als hij zegt: wat zal ik roepen? Dat antwoord, dat zegt iets over ons, dienaars van het Woord, dat zegt iets over mezelf. Het zegt iets over onze verlegenheid, ook over de verlegenheid van mij, als ik zeg: Heere, wat zal ik vanmorgen roepen? Wat toch moet de boodschap zijn in tijden van zoveel verdriet? Nu Uw adem in ons midden blies en een teer bloempje plukte zodat het stierf? Het zegt iets over onze onbekwaamheid, als we zeggen moeten: wie is tot deze dingen bekwaam? Het zegt iets over onze afhankelijkheid van de mond des Heeren. We bidden: spreek, Heere, want Uw knecht hoort. Die tegenvraag van Jesaja (wat zal ik roepen?) zegt ook iets over zijn bereidwilligheid en ons stellige voornemen om in alle eerlijkheid te zeggen en te roepen: Hoort de roede en wie ze besteld heeft! (Micha 6:9De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!) Maar er is nog een reden voor die verlegenheid en die aarzeling in de tegenvraag van Jesaja: ‘Wat zal ik roepen?’ Het heeft ook iets in zich van: Zal het wel effect hebben als ik roep? Zal het wel baten? Zal het wel baten als we opnieuw graven rondom uw levensboom, als we opnieuw mest leggen bij die onvruchtbare vijgenboom?
Maar dat is onze zwakheid, dat is ons ongeloof. Hier is een hemels bevel en ik zal het gehoorzamen! Lieve mensen, hoor toch het Woord van de Heere, voordat ook uw genadetijd voorbij is! De kleine N. is gestorven. Zijn genadetijd duurde slechts […] jaar. Hoeveel, o onbekeerden onder ons, van uw genadetijd hebt u al voorbij laten gaan? Hoeveel jaren heb je ondertussen niet verloren laten gaan, met door te leven in de zonde en de Heere niet te zoeken?
Zeg toch niet bij uzelf: mijn huis zal eeuwig staan. U die niet weet wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt (Jakobus 4:14Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.).
Wees uzelf er toch diep van bewust dat dat wat over is van uw genadetijd (is het een dag, een week, een maand, een jaar of zijn het enkele jaren?), wat er van over is, dat is vastgesteld en geteld. Uw laatste dag staat vast... En dan zal ook voor u waar worden en blijken, wat staat in vers 6b, 7 en 8a: Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af
Want alle vlees is gras… Alle vlees, dat wil zeggen: alles wat zwak, broos, breek- en kwetsbaar is. Zonder enig onderscheid. Jong of oud. Want, jongens en meisjes, ook kinderen kunnen sterven. Je hebt het deze week zo van dichtbij gezien, hoe kwetsbaar je leven is. Zonder enig onderscheid. Jong of oud, rijk of arm, voornaam of niet in tel. Wij allen! Wij allemaal. Alle vlees. Het is een uitdrukking van de broosheid, een aanduiding van de kwetsbaarheid van ons mensen. Maar het is vooral ook een aanduiding van onze zondige verdorvenheid, als we denken aan wat Paulus zegt in Romeinen 8:7Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.: Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Wij mensen, die geschapen zijn als een sierlijke kroon op Gods schepping, zijn tegen God opgestaan. Zeker, we zijn begiftigd (zoals staat in vers 6) met goedertierenheid. Petrus zegt later: begiftigd met heerlijkheid (1 Petrus 1:24-25Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen; Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.). Wij zouden zeggen: begiftigd met schoonheid, gratie, pracht. Als onze kinderen klein zijn, dan zijn ze lief, innemend, aanhankelijk, hun gezichtjes zijn mooi, hun handjes teer. Als wij mensen groter worden, kunnen we begaafd zijn, begiftigd met verstand of met een edel karakter. Maar hoe mooi het ook allemaal is of lijkt, het is door onze eigen schuld allemaal zo teer, broos en kwetsbaar.
Waarom wordt onze levensdraad zo snel doorgesneden? Het is vanwege onze zonden. Het is omdat we met God gebroken hebben en tegen Hem zijn opgestaan. En nu wordt het loon op de zonde aan ons uitbetaald. En de bezoldiging der zonde, het loon op de zonde is de dood (Romeinen 6:23Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.). Door onze eigen schuld zijn we vergankelijk, kwetsbaar, maar vooral ook zondig en vijandig vlees.
En dus is dit, wat ik u in Gods Naam toeroep, een rechtstreekse aanklacht en beschuldiging tegen mij en tegen u: Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af. En dat komt door mij, dat komt door u, dat komt door ons.
Dat komt door onze zonde. Door onze zonde verdort ons leven als gras. Zoals gras verdort in de droogte van een hete zomerdag. Door onze zonde verwelkt ons leven als een bloem, als een kwetsbare veldbloem. Bloemen die in de tuin staan, die staan beschut, beschermd tegen de wind, en precies op de goede plaats, zodat ze ook beschermd zijn tegen de hitte van de zon. Maar een bloem op het veld is heel erg kwetsbaar. Als de zon er op brandt en de hete wind de aarde verdroogt, dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren. En dan zijn er nog de dieren van het veld, die het gras en de bloemen afgrazen. En hun poten, die het vertrappen.
Maar, toch..., nee, er gebeurt ondertussen iets heel anders. Want dit is geen toeval. Het is geen toeval als het leven van een mens wordt afgebroken, als het gras verdort en het steeltje van het bloempje knakt. Het is, zo staat in vers 7, de Geest des HEEREN blaast. Het is de adem uit de mond van de Heere die het leven wegneemt van ons en van onze kinderen.
Zoals Job zegt in Job 4:9Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.: Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. Het is de hand van God die het leven aan onze kinderen geeft, en die het leven van sommige van onze kinderen ook weer neemt. De adem van de Heere geeft leven. En de adem van de Heere neemt het leven. God blies in de neus van Adam en hij werd tot een levende ziel (Genesis 2:7En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.). En, zo zingt Psalm 104:29: U neemt hun adem weg, zij sterven, en zij keren weer tot hun stof. Zeker, zo is dat. Ons lichaam keer terug tot de aarde. Stof zijn we, tot stof zullen we wederkeren. Maar onze ziel zal voor God verschijnen. Want, zo zegt de Prediker (12:7): De geest keert weder tot God, Die hem gegeven heeft.
En dus roep ik u toe, lieve vrienden: Laat u toch wakker schudden vanmorgen! Doorzie toch uw lot, hoe zal uw ziel rechtvaardig verschijnen voor God? Dat zal alleen kunnen als de Geest van God hier op aarde, voordat Hij in u blazend u het leven benam, in u geblazen heeft met Zijn levenwekkende genade. U moet met andere woorden, door de adem van de Geest wederom geboren worden. Want ze heeft weer Jezus gezegd tegen Nicodemus (Johannes 3:3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.): Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
Voordat we verder gaan met onze tweede gedachte, gaan wij nu samen eerst zingen uit Psalm 102:15. Als een kleed zal 't al verouden; Niets kan hier zijn stand behouden; Wat uit stof is, neemt een end Door den tijd, die alles schendt. Maar Gij hebt, o Opperwezen, Nooit verandering te vrezen; Gij, die d' eeuwen acht als uren, Zult all' eeuwigheid verduren.
Een roep die spreekt van de kortheid van het leven, een roep ook die in de tweede plaats spreekt over
U zegt: Waarom moet dit alles in mijn oren geroepen worden? Welk doel heeft de Heere daar eigenlijk mee? Welk doel heeft de Heere met dat onbegrijpelijke blazen in het leven van ons kind, in het leven van onze geliefden?
Dit doel, dat wij echt zouden gaan inzien dat we sterfelijk zijn, dat we niets zijn, dat we voorbij gaan. Want je kunt wel een hoge dunk hebben van jezelf, maar je bent maar een schaduw!
Ja, dat is één ding. Maar dat is maar de helft van het antwoord. Luister nog maar eens naar wat Jesaja schrijft: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar (en dat is de andere helft!) het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Met andere woorden: God wil onze ogen richten op deze uiterste tegenstelling, dit grootst mogelijke contrast. Wij vergaan. Ons leven vliegt voorbij. Plotseling kan onze levensbloem knakken. Dan is onze schaduw weg. Maar daar staat iets tegenover. Tegenover onze vergankelijkheid staat het eeuwig blijvende woord voor onze God. Terwijl ik hier sta als een stervende te midden van stervenden, ligt hier voor ons geopend het eeuwig blijvend Woord van onze God.
Waarom…? Waarom, Heere? Wat kan dat een prangende vraag zijn, als ons een geliefd kind ontvallen is. Als zijn of haar levensdraad plotseling is afgesneden, als hij of zij plotseling als een kleine veldbloem is afgevallen Waarom, Heere? Een vraag die je kan kwellen. Een vraag waar je samen over praten mag. Een vraag vooral ook, die aan de Heere mag voorleggen. Misschien zal de Heere er op Zijn tijd iets van laten zien, misschien ook niet…
Maar, één ding is zeker, en dat staat hier. De Heere wil er ons op een heel indringende manier iets mee laten zien, iets meer leren. Zijn leven benemende adem (hoe onbegrijpelijk ook voor ons) heeft een hoger, een Goddelijk doel. Want er staat: alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast. Dat wil dus zeggen: De Geest des Heeren blaast in ons leven, in ons gezin, om…? om ons onze nietigheid te laten zien. Hij blaast in ons leven, om ons te laten zien (misschien wel meer dan ooit tevoren) dat wij vlees zijn: kwetsbaar nietig, vergankelijk, zondig vlees.
Ja, meer nog (want Hij slaat ons niet uit lust tot plagen!): Zijn adem doet ons tot op het diepst pijn en verdriet, als een lief kind van ons wordt weggenomen, opdat we (dat is Gods doel! Hoor toch Zijn klop op de deur van uw hart!), opdat we de nood van ons eigen leven zouden zien. Terwijl tegelijkertijd die adem beeld is van de adem van de Geest van God in het leven van een mens, maar dan niet met het doel om te doden, maar om levend, om geestelijk levend te maken. Dat wil dus zeggen: op de grens van leven en dood, terwijl ons hart huilt, laat de Heere ons niet los, maar trekt Hij juist met liefde aan ons hart. Door ons te laten zien wat we nodig hebben, wil het wel met ons zijn op weg naar de eeuwigheid.
En daarom klaagt Jeremia in Jeremia 5:3O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. (O, laat dat van ons niet gezegd worden!): O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
O, beste vrienden, bidt (terwijl u zit in uw bank) dat u de pijn van de slag die Hij sloeg in het midden van de gemeente werkelijk voelen mag. En wij bidden dat de Geest, dit sterven van N. gebruiken wil om geestelijk leven in ons hart te blazen. Want dat hebben we nodig, dat de Heilige Geest gaat blazen in ons leven. Om ons de nietigheid en de verdorvenheid van onze natuur te laten zien, om onze hoogmoed te breken, om onze valse hoop te laten opdrogen. Waardoor alles bij ons wat iets leek, uiteindelijk niets gaat worden. Waardoor het steeltje van onze hoogmoed knakt en ons verzet breekt.
Het sterven van onze geliefden is een pijnlijk, maar sprekend beeld van het geestelijke sterven van ons eigen ik, als de Geest des Heeren op ons blaast. We begrijpen Gods weg in ons leven en in de levens van onze kinderen niet, als Zijn adem hun adem ontneemt. Zo ook begrijpen we de weg van de Heere niet, als Hij door diezelfde wind waarmee Hij blies tot de dood van onze geliefden, geestelijk leven wil blazen in onze ziel. Waardoor uit sterven nieuw, geestelijk leven geboren wordt.
Bid en smeek de Heere daarom, u in het bijzonder, rouwdragende families. Dat de wind van de Geest gaat blazen in uw verwonde hart, met kracht gaat doordringen door alle kieren, in alle hoeken, om onze hoogmoed neer te blazen, om ons vertrouwen in onszelf te breken, en om ons uiteindelijk vol van schaamte en berouw aan Zijn voeten te brengen. Met de bede op de lippen: genâ, o God, genâ! Laat dit heengaan van uw geliefde kind en kleinkind, het heengaan van andere geliefden in uw familiekring een krachtige prikkel voor u zijn om u naar God toe te drijven. Laat het een spoorslag, een aansporing zijn om van nu af te zoeken de dingen die boven zijn.
Want, zo lang ik denk dat ik sterk ben en dat mijn huis eeuwig zal zijn, zo lang heb ik God niet nodig, zo lang heb ik geen Zaligmaker nodig. Ik ga Hem pas zoeken, als ik zie dat ik ellendig, arm, jammerlijk, blind en geestelijk naakt ben. Als ik door die levenwekkende adem van de Geest ga zien, dat ik vlees ben, dat ik een vijand van God ben. En dat alle uiterlijke goedheid en schoonheid, en dat alles waar ik zo trots op ben, maar vluchtige schaduwen zijn. Als de Geest de bloemen van ons hart laat verdorren, de bladeren van onze eigen gerechtigheid laat afvallen, als de Geest ons overtuigt van zonde, ons ervan overtuigt dat we tegen God gezondigd hebben, dan gaat gebeuren, wat we zien gebeuren op de Pinksterdag: De Geest blaast, en de hoogmoed van de mensen wordt gebroken, en vijanden gaan roepen om behoud. Als de Geest blaast, dan leert Hij ons onze nietigheid, ons vleselijk hart. Hij blaast onze hoogmoed omver. En dan stelt Hij daartegenover (zo zegt Hellenbroek) ‘de volheid van Jezus’, dat wil zeggen de heerlijkheid en de luister van Christus.
Wilt u, beste vrienden echt doorleven met oog op alles wat vergankelijk is? Of wilt u uw ogen richten op deze Jezus en Zijn volheid? Hij blijft, Zijn woorden blijven tot in eeuwigheid. En dat brengt mij tot slot bij onze derde gedachte.
Het gaat vanmorgen over een roep die spreekt van de kortheid van het leven, van het blazen van de Geest, maar nu in de derde en laatste plaats spreekt die roep ook van:
Als we lezen in vers 8: maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. Gemeente, de indringende roepstem van deze week, wijst ons op de kortheid van het leven: als kaf gaat uw dag voorbij. Deze indringende roepstem wijst ons op de noodzaak van het werk van de Heilige Geest. Die ons laat zien dat we vleselijk zijn, kwetsbaar als verdorrend gras, breekbaar als een bloem van het veld. Die blaast in onze hoogmoed en eigengerechtigheid.
Maar er is meer. O, laat uw hart op deze dag en in de toekomst niet verstrikt raken in de meest moeilijke waarom-vragen. Dit alles is bedoeld, als het meest scherpe en meest pijnlijke middel, om u de weg der zaligheid te leren. Om het grootst denkbare contrast voor de ogen te schilderen en in uw hart te branden. Dit contrast: u(!) bent bezig te vergaan! Maar hoort toch: het woord van onze God(!) bestaat in der eeuwigheid. Petrus schrijft het zo: het Woord des Heeren, de woorden van de verhoogde Christus, die bestaan tot in eeuwigheid.
En dit is het woord van onze God: Wend u toch naar Mij toe en word behouden! Neig uw oor, hoor en uw ziel zal leven! En dit is het woord van Christus: Kom tot Mij, u die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven!
Midden in een wereld, waarin onze geliefden uit onze handen gerukt worden, wordt u een weg ter ontkoming gewezen. O, ga toch die enige weg. Want de zaligheid is werkelijk in geen ander. En ook is er onder de hemel geen andere naam gegeven, dan de Naam van Christus Jezus. In Hem is het eeuwige leven. Hij heeft gezegd: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven.
O, laat de indringende roepstem u toch brengen aan Gods voeten. Om te vragen of u dat leven mag leren kennen. Of u Hem mag leren kennen, Die het leven en de zaligheid is. Het Woord des Heeren blijft tot in eeuwigheid. En dit is (zo zegt Petrus in 1 Petrus 1:25): dit is het Woord dat onder u verkondigd is.
Laat me, gemeente, tot slot nog een aantal dingen zeggen. 1. In de eerste plaats tot jullie kinderen, jongeren. De Heere heeft vaker geklopt op de deur van je hart. Soms heel indringend. En ik weet dat bij het horen van het bericht van het sterven van de kleine N. opnieuw een schok door je heen ging. Het plotselinge sterven van mensen in je omgeving, zeker ook van kinderen, is één van de sterkste en krachtigste roepstemmen die God in je leven stuurt. Leef niet verder. Laat je toch vandaag met God verzoenen.
2. Ouders van kinderen, wat geeft dit plotselinge sterven toch duidelijk aan hoe kwetsbaar onze kinderen zijn. En ook hoe nodig het is, om als ouders te worstelen met het leven van onze kinderen, ook met dat van onze allerkleinste kinderen. Vaders en moeders, breng uw kinderen toch bijtijds tot Jezus.
3. Ouders van gestorven kinderen, veel vragen zullen blijven. Maar heb geen harde gedachten van God, ook al begrijpt u Hem en Zijn wegen niet. Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte (Klaagliederen 3:33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte.). Laat toch het sterven van uw kind, voor u mogen zijn tot eeuwige winst. Omdat het u, voor nu en altijd, blijvend aanspoort om de Heere te zoeken en u te richten op de dingen die boven zijn. En zie, tot uw troost, voor uw vroeg gestorven kinderen toch vooral op de vastheid van Gods eeuwige verbond.
4. Tot slot, ouderen… Zeldzaam lang heeft uw genadetijd geduurd. Maar weet dit, dat de Geest niet in eeuwigheid met u twisten zal. De tijd die u rest, zal wellicht niet langer zijn, dan de levenstijd die N. vergund was. O, laat het geduld en de goedertierenheid van de Heere u toch op deze dag tot bekering leiden.
Amen.
Slotzang Psalm 144:2:
Wat is de mens? Wat is in hem te prijzen, Dat Gij, o HEER, hem gunsten wilt bewijzen, Dat Gij hem kent? Wat is des mensen kind, Dat Gij het acht en zo getrouw bemint? Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen; Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen, Hoe groot, hoe sterk hij op deez' aarde zij, Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.
Steun ons werk in Cambodja Dank u voor het lezen van deze preek. Wilt u overwegen om ons zendingswerk in Cambodja te steunen? Scan de QR-code hiernaast, of ga naar leespreken.nl/steun Hartelijk bedankt!
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Overlijden kind