/ / Dorst in Lechi, vossen en brandende fakkels (Richteren 15)

Dorst in Lechi, vossen en brandende fakkels (Richteren 15)

Dorst in Lechi, vossen en brandende fakkels
Preek Richteren 15: Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot de HEERE, en zeide: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbesnedenen?

Onderdeel van serie preken over Simson

Thema preek: Simson, vossen en fakkels, dorst in Lechi

Simsons overwinning over de Filistijnen
1. Vurige fakkels
2. Vurige wraak
3. Onheilig vuur
4. Verterend vuur
5. Brandende dorst en een vurig gebed

PDF LEESPREEK

Schriftgedeelte over Dorst in Lechi, vossen en brandende fakkelsRichteren 15:
Toen zeide Simson tot henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe. En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden.
En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren der Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe.

Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Simson, de schoonzoon van den Timniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op en verbrandden haar en haar vader met vuur.
Toen zeide Simson tot hen: Zoudt gij alzo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden.
En hij sloeg hen, den schenkel en de heup, met een groten slag; en hij ging af en woonde op de hoogte van de rots van Etam.
Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.

(…) Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi. En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? En zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen, gelijk als hij ons gedaan heeft.
Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol der rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.

Links bij preek Vossen en fakkels, dorst in Lechi
Moeder Simson en Manoach (Richteren 13)
– Honing uit dode leeuw (Richteren 14)
Simson in Gaza (Richteren 16)
Lees meer:
– Kanttekeningen Richteren 15

TERUG RICHTEREN