Vader, vergeef het hun – Lukas 23 – Goede Vrijdag

Preek Lukas 23:34: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.

LEESPREEK

Eerste kruiswoord: Vader, vergeef het hun
Ds. J. IJsselstein – Lukas 23:34
 
Liturgie:
Psalm 32:3
NGB 21
Psalm 86:3
Lezen Lukas 23:33-43
Psalm 130:1-4
Psalm 89:12
Psalm 25:3
 
Gemeente, in deze dienst op de avond van de Goede Vrijdag overdenken we met elkaar het Woord des Heeren vanuit Lukas 23:34a. Onze tekst kunt u vinden in Lukas 23:34a, waar we het Woord van God als volgt lezen
En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.
 
Er komt een einde aan het leven van de Heere Jezus. Er komt een einde aan Zijn leven, vol van lijden.
Toen de Heere Jezus op de aarde kwam, was er voor Hem geen plaats in Bethlehem.

Maar daar bleef het niet bij. In Judea zochten ze Hem te doden (Johannes 5:18), in Galilea werd Hij veracht (Johannes 6:66), in Gadara baden ze of Hij wilde vertrekken (Mattheüs 8:34), en in Samaria weigerde men Hem onderdak (Lukas 9:53). Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
 
En nu kort geleden werd er geroepen (zoals u ziet in vers 21): Kruis Hem, kruis Hem!
Inmiddels is de weg naar Golgotha gelopen. Als een schaap is Hij ter slachting geleid.

De handen en de voeten van de Heere Jezus zijn met scherpe spijkers doorboord. Maar Jezus zwijgt stil. We lezen in vers 33: En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedel plaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, de een ter rechterzijde en de ander ter linkerzijde.
 
En dan? Wat doet de Heere dan?
Wat zouden jullie gedaan hebben, jongens en meisjes? U?

Hij had hen kunnen vervloeken. Hij had Zijn Vader kunnen vragen om vuur uit de hemel om hen te verteren. Hij had kunnen bidden om medelijden met Hem zelf. Hij had Zijn nood bij Zijn Vader kunnen klagen.
Maar dat alles doet hij niet. Hij bidt…
 
Hij begon Zijn publieke optreden met gebed (Lukas 3:21). Hij leefde biddend. En nu sterft Hij biddend.
Zijn handen kunnen niet meer bewegen om hen aan te raken en hen wel te doen.
Zijn voeten kunnen niet meer gaan om hen barmhartigheid te bewijzen.
En er is geen mogelijkheid meer om hen onderwijs te geven.

Nu is er nog maar één ding: Zijn gebed voor hen.
Zo kan het trouwens ook zijn in het leven van Gods kinderen. Want ook dit is een voorbeeld, dat de Heere ons nagelaten heeft.

Zoals u vroeger misschien bezig kon zijn in de dienst van de Heere, zo kunt u het nu niet meer. Misschien bent u oud of ziek geworden, misschien bent u aan huis gebonden.

Of: degene die u zou willen bereiken (misschien is het wel een van uw kinderen), die kunt u niet meer bereiken. Zoals u dat voorheen nog wel kon. Maar nu lijkt hij of zij wel buiten het bereik te zijn van Gods genade.

Niet moedeloos worden! Eén ding: bid!
Nooit is iemand buiten het bereik van Gods genade.
En nergens wordt het werk in Gods Koninkrijk meer ondersteund dan door stille bidders.
 
En juist die gebeden, gebeden in situaties die zo moed benemend en troosteloos lijken te zijn, juist die gebeden wil de Heere horen. Zo ook dit gebed: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.
 
Het is een gebed dat verhoord wordt!
Want zo meteen is er de moordenaar en straks is er de hoofdman over honderd.
En binnenkort zijn er de duizenden op de pinksterdag, en daarna nog een grote menigte van priesters die in Hem gaan geloven.
 
Gemeente, we overdenken vanavond dit wonderlijke gebed uit de mond van de stervende Zaligmaker:
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.
 
Het thema voor deze Goede Vrijdagpreek is:

Vader, vergeef het hun!

Een innig gebed bij een dodelijke vergissing. We letten op drie aandachtspunten:
1. De aanspraak van dit gebed (Vader)
2. De inhoud van dit gebed (vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen)
3. De lessen van dit gebed (ik zal u straks een viertal noemen)

Als eerste dus:

1. De aanspraak van dit gebed

‘Vader!’
Gemeente, dat de Heere hier zo bidt, dat alleen al is opmerkelijk. In het verleden bad Hij zo, tot Zijn Vader niet. Want Hij Zelf vergaf de zonden.

Ik denk bijvoorbeeld aan wat staat in Mattheüs 9: En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot de geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven (Mattheüs 9:2).
En Lukas schrijft over de zondares die tot Jezus kwam: En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven (Lukas 7:48) Het was Zijn Goddelijke recht om op aarde de zonden te vergeven (Markus 2:7).
 
Maar hier, in Zijn diepe lijden, kan Hij dat Goddelijke recht niet uitoefenen.
Op aarde had Hij macht om de zonden te vergeven.
Maar hier is hij van de aarde verhoogd (Johannes 12:32). Hier is Hij verstoten en verworpen door de mensen, en meer en meer wordt Hij nu ook (in de ervaring van Zijn hart) verlaten door Zijn Vader.

Maar Hij weet het: dit is de goede wil van Mijn Vader, dit is Mijns Vaders welbehagen. Om Mij te verbrijzelen, om Zijn toorn over het kwaad van Mijn bruidskerk over Mij uit te gieten en om Mij daarom te verlaten.
En desondanks bidt Hij: ‘Vader!’
 
Wat een wonder. Hier doet de Heere Jezus hetzelfde als Hij deed bij Zijn gebed in Gethsémané. Wat een wonder: niets in het hart meer te ervaren van de liefde en de nabijheid van God, en toch ‘Vader’ zeggen.
Dat kunnen Gods kinderen niet.

Als de zonde ons benauwt, als de duivel ons aanvalt, als we in ons hart iets voelen van de dreiging van Gods rechtvaardige toorn, dan verliezen we de moed om ‘Vader’ te zeggen.
Hij niet. Hij doet het hier plaatsvervangend, voor Zijn kinderen die het niet meer kunnen of durven zeggen. Hij zegt het Zijn volk voor, midden in hun ellende, midden in al hun zielsverdriet.

Zodat zij het, met een gebroken hart, dwars door hun tranen heen mogen nazeggen: Gij toch, Gij zijt mijn Vader en mijn God (Psalm 89:12, ber.)

Goedertieren Vader, milde Zegenader (Psalm 33:11, ber.), mijn huilende hart schreeuwt tot U. Mijn vader, slaat U niet met mededogen op het tedere kroost Uw vriendelijke ogen? (Psalm 103:7, ber.).
Om Hem, die vrijwillig wilde staan, in de plaats van zo’n ontrouw kind en bad, ook voor mij: ‘Vader?’
We gaan verder naar onze tweede gedachte:

2. De inhoud van het gebed

Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Laten we eerst eens kijken naar dat laatste: want zij weten niet wat zij doen.
 
Is dat zo? Weten ze dat niet? Weten ze niet waar ze mee bezig zijn?
Natuurlijk weten ze dat ze Jezus kruisigen. Ze hebben het net zelf geroepen: kruis Hem.
Ze doen het zelf en ze zien wat ze doen.
 
Ze weten het wel dat(!) ze het doen, maar diep in hun hart weten ze niet wat(!) ze doen.
De Heere Jezus had het eerder al gezegd: ze doen dit soort dingen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij (Johannes 16:3). En op de pinksterdag zegt Petrus tegen deze mannen: Broeders, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten (Handelingen 3:17).
 
Ze wisten niet wat(!) ze deden, namelijk dat ze de Heere der heerlijkheid kruisigden, de Zaligmaker, het enige door God gegeven redmiddel, de mens geworden Zoon van God!
Wat een toppunt van zonde en vijandschap!

Adam zondigde zich weg uit het paradijs. Maar God zocht hem op, en beloofde Zijn Zoon te zullen zenden. En hier is Hij!
En Hij (de Enige die redden kan van de eeuwige dood), Hij wordt verworpen!
Zij wisten niet wat ze deden…

Hadden ze daarmee een goed excuus? ‘Nou ja, sorry, we wisten niet wat we deden?’
Nee, zeker niet.

1. In de eerste plaats niet, omdat de Bijbel leert (Leviticus 5:15-16) dat ook voor de zonden van onwetendheid betaling en verzoening gedaan moest worden. David bad er ook om, om reiniging van zijn verborgen afdwalingen (Psalm 19:13).
Zonde is altijd zonde. En onwetendheid is nooit onschuld.
 
 2. En, in de tweede plaats: ze hadden het wel kunnen weten.
Hoe vaak had de Heere Jezus niet gezegd, dat Hij door de Vader gezonden was?
Ze hadden het kunnen zien. En ze hebben het gezien aan Zijn leven.
Ze wisten het, dat het geklonken had uit de hemel: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!

Ze hadden het kunnen weten uit de Schriften, maar die verstonden ze niet.
Daarom dachten ze, dat de Christus leven zou. Ze begrepen niet dat hij sterven moest (Johannes 12:34). Ze dachten dat hij aanzienlijk zou zijn, en dus hebben zij Zijn nederigheid veracht. Ze verwachtten een Koning en geen kruis.

Hoewel Zijn leven en de Schriften ontegenzeggelijk blijk gaven van het feit: deze Jezus van Nazareth is de Zaligmaker der wereld. Hun onwetendheid was bewijs van hun onwil en vijandschap (zie: Romeinen 8:7).
 
Zoals ook uw onwetendheid, onbekeerde vrienden onder ons, (u beseft niet wat u doet, als u het Evangelie verwerpt en de Zaligmaker niet acht; u ziet de grootheid van uw kwaad niet!), zoals ook uw onwetendheid geen excuus is, maar bewijs van onwil en vijandschap (Romeinen 8:7).
 
En die is groter dan de onwil en de vijandschap van deze massa, die vol is van haat en vijandschap. Immers, u weet meer dan dat zij weten.
Van hen gold in zekere zin: zij weten niet wat zij doen. Maar u vergist u, als u zegt: ‘Nou, maar dat geldt ook voor mij, want ik ben nog onbekeerd.’

Zij kenden de volle openbaring nog niet. U wel. Zij wisten niet Wie ze verworpen. U wel
Zij hadden hooguit drie jaren Zijn woorden gehoord en Zijn liefde gezien. De meesten van u veel langer…
Maar desondanks (ondanks uw verzet en vijandschap) klinkt nog steeds, ook vanavond, het gebed van deze lijdende en stervende Zaligmaker: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zijn doen.  
 

Vergeef het hun
Dat hebben zij meest nodig. Dat hebben wij meest nodig. Dat hebt u meest nodig: vergeving. Het is de grootste genade die een mens krijgen kan: vergeving van zonden. Zoals staat in Psalm 32: Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent (Psalm 32:2).
 
Vergeef het hun.
Hoort u trouwens, hoe liefdevol dit gebed is? Niet alleen vanwege het woordje vergeef, maar ook vanwege dit: vergeef het.

De Heere had al die zonden in het openbaar kunnen opnoemen, een eindeloze reeks van vuile zonden en schandelijke overtredingen. Zoals Hij ook vanavond zou kunnen doen. Hij zou ze op de muur kunnen schrijven: al ons kwaad. Maar Hij doet het niet.
Vergeef het.
 
Vergeef het hun.
Hij had ze aan kunnen wijzen: hypocrieten, Schriftgeleerden en goddeloze Romeinen. Zoals Hij ons vanavond zou kunnen aanwijzen: U bent die man, u bent die vrouw!
Maar Hij doet het niet.
 
Vader, vergeef het hun.
Vergeef, van het werkwoord vergeven. Wat zoveel betekent als: laten liggen. Of sterker: achterlaten, loslaten.
 
Dit wonderlijke gebed van de Heere Jezus is (in de eerste plaats) een algemeen gebed voor onwetende zondaars: ‘Vader, laat hun schuld voor nu toch liggen, reken toch niet met hen af in toorn. Stel Uw straf toch verder uit. Geef hun toch nog tijd, genadetijd, tijd voor bekering en berouw?’
Is dat geen wonder, lieve mensen? Dat God vanavond niet met u afrekent?

Ja, ik zeg u, onbekeerde vrienden, onwetend maar schuldig onwetend en vol vijandschap: Het is echt een wonder, het is een wonder dat u hier nog bent.
Hier is het gebed van Christus om nog een moment geduld voor u! Maar weet en geloof dat de Geest van de Heere niet altijd met u te twisten zal. Gods geduld is niet eindeloos (Genesis 6:3).
 
Vergeef het hun. Het heeft vooral ook een diepere betekenis. Dit gebed is in de tweede plaats vooral een bijzonder gebed dat de Heere bidt voor hen die Hem door Zijn Vader gegeven zijn.
Hij heeft immers gezegd: Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw (Johannes 17:9).
 
Vergeef het hun. Dat wil zeggen: Wis hun overtredingen uit, geef hun genade om berouw te hebben en hun schuld te belijden en wil in die weg al hun zonden wegnemen.
 
Hier zien we trouwens ook duidelijk dat het berouw, de schuldbelijdenis en de bekering van de moordenaar, van de hoofdman over honderd, van de duizenden op de pinksterdag en van de grote menigte priesters daarna, geen werk geweest is van henzelf.
Het is verhoring door de Vader van de gebeden van de Heere Jezus Christus.
 
Dit is een bijzonder gebed voor de Zijnen, om rechtvaardige en barmhartige vergeving van al hun zonden en schuld, door Zijn eigen bloed.

God vergeeft, gemeente, niet (zo zegt onze catechismus ook zo duidelijk) door de zonde door de vingers gezien. Maar Hij is rechtvaardig. Hij wil dat de schuld betaald en dat de straf gedragen wordt (zondag 5).
En hier wordt de schuld betaald, hier wordt de straf van Gods kinderen gedragen.
 
En dat voor mensen die van nature vijanden zijn. Maar die op de tijd van Gods welbehagen (als verhoring van dit gebed) zullen breken, als ze zullen zien wat ze gedaan hebben en Wie zij doorstoken hebben (Zacharia 12:10).

Dan gaan ze buigen, dan zien ze hun schuld voor het heilig oog van Hem die ze verlaten hebben, van Hem die zij doorstoken hebben. En dan klinkt (zo zegt de profeet Zacharia) de rouwklacht omhoog, een bitter klagen als om de dood van een eniggeboren kind.
 
Wat wordt het dan, als de Heere zo werkt in het hart van een zondaar, nood in zo’n gebroken hart. Nood voor God. Voor God, voor Wie ik niet kan bestaan. En zonder Wie ik niet verder leven wil en kan.
Zijn heilig oog ziet mijn verloren leven. Mijn gebroken oog ziet iets van Zijn heiligheid: Ik sta schuldig voor God!

Daar zeg ik niet meer: ‘Heere, het was onwetendheid.’
Daar belijd ik: ‘Ik heb gedaan, dat kwaad was in Uw oog. Ik ben, o Heere, Uw gramschap dubbel waardig.’
 
Wij mensen vergeven vaak uit mildheid (‘doe dan maar’), vaak ten koste van eerlijkheid en recht.
Maar God is anders. Totaal anders. Hij vergeeft met recht en met barmhartigheid.

Door de tussenkomst van Zijn Zoon, door de tussenkomst van Christus.
Die zegt: ‘Vader, vergeef het, dat alles, vergeef het hem of haar. Ik heb voor hem of haar de wet volbracht en de schuld gedragen. Het is volbracht.’
 
Roepende, worstelende en zoekende zondaars, gebroken van hart en verslagen van geest, gedrukt door een last van zo veel zonden en van zoveel vijandschap vanbinnen, we hebben het zojuist gezongen uit Psalm 130: Er is vergeving (Psalm 130:4).

Het is genadige kwijtschelding van uw schuld, omwille van deze Zaligmaker.
Het is de genadige kwijtschelding van uw gehele schuld, door Hem die zegt, om het bloed van Zijn Eigen Zoon: Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet (Jesaja 43:25, zie ook Efeze 1:7).

Het is een volkomen, het is een totale kwijtschelding van schuld en straf. Immers Paulus zegt in Romeinen 8: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt (Romeinen 8:33).

Het is een totale, een volkomen kwijtschelding, gegeven aan berouwvolle zondaars, die komen met smeking en geween. Dat is de weg die de Heere ons wijst: Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren (Handelingen 3:19). En dat alles door God, om Christus’ wil!
 
Als u ziet op uzelf, dan kan er zoveel vrees, zoveel twijfel, strijd en moedeloosheid zijn.
Want u zegt: ‘Nee, Heere, eerlijk, het was geen onwetendheid, het was opzet, want ik wist het wel! Is mijn vijandschap niet te groot geweest? Is mijn zonde niet groter dan dat ze vergeven zou kunnen worden, net zoals Kain dacht?’
 
Maar luister. Luister naar de belofte van de ontfermende God: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten, en hij bekere zich tot de HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jesaja 55:7).

En daarbij: dat u nog leeft, dat wil zeggen dat God u nog genadig wil zijn. Daarom schrijft Petrus: Acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid (2 Petrus 3:15).
 
En bovendien, u kent immers ook de voorbeelden van anderen. Ze waren even slecht als u, maar ze zijn ook gered. Ik bedoel mensen zoals Saulus van Tarsen, die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker, maar (zo schrijft hij) mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.

Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus (1 Timotheüs 1:13-14). Maar daarom (zo vervolgt hij) is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven (1 Timotheüs 1:16).

En onze belijdenis zegt, het is ons voorgelezen: Deze dood van den Zone Gods is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld (DL II, 3).

Werp u dan toch, o verloren zondaars, met al uw schuld, in geopende armen van deze stervende Zaligmaker.
Tot slot onze derde gedachte:

3. De lessen van dit gebed

Laat ik vanavond vanuit dit gebed van de Heere Jezus een viertal lessen trekken
 
a. In de eerste plaats is er in dit gebed troost voor Gods kinderen.
In alle aanvechting en strijd mogen we weten dat Hij, kinderen van God, ook voor ons bad. Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.

Een gebed dat door de Vader verhoord is. Zoals de Heere Jezus ooit Zelf zei: Vader, Ik weet dat U Mij altijd hoort (Johannes 11:42).
 
In de tweede plaats is er in dit gebed een aansporing tot vergevingsgezindheid.
Wat de Heere Jezus eerder Zelf leerde, wordt nu ook door Hem praktijk gebracht: Maar Ik zeg u (zo schrijft Mattheus): Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken, doet wel degenen, die u haten en (en dan komt het) bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen (Mattheüs 5:44)

En de evangelist Lukas schrijft deze woorden op uit de mond van de Heere Jezus: Wacht uzelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem. En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed, zo zult u het hem vergeven (Lukas 17:3-4).
 
Goed lezen: Indien het hem leed is, zo vergeef het hem
Dus: bij het ‘elkaar de misdaden vergeven’ hoort ‘berouw en belijdenis van schuld’, wat moet blijken uit woorden en daden. Dat is de Bijbelse weg tot de vergeving.
 
Dat geldt ons mensen, als zondaars tegenover de Heere God.
Ik denk aan wat Johannes schrijft in één van zijn brieven: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9).
 
En dat geldt ook ons mensen onder elkaar. Belijdt, zo zegt Jakobus, elkaar de misdaden (Jakobus 5:6). En indien het de ander leed is, zo vergeef het hem (Lukas 17:3).
Ten diepste is het een aansporing tot een heilig leven.

Want daar hoort ook deze vergevingsgezindheid bij. De apostel Petrus schrijft, en het is een oproep aan al Gods kinderen: Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die tevoren in uw onwetendheid waren, maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook u zelf heilig in al uw wandel, daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petrus 1:14-16).

En bij dat heilige leven (en ten diepste wordt iedereen daartoe opgeroepen), hoort ook dit: vergevingsgezindheid, naar het voorbeeld van Christus. Dus moet dit ons dringen tot het gebed: ‘O, Zoon, maak ook ons Uw beeld gelijk.’ Ook als het gaat om vergevings-gezindheid.
 
Vergevingsgezindheid is trouwens geen ongevoeligheid, het is ook niet een sluw en goed doordacht verbergen van boosheid, het is ook niet hetzelfde als zachtaardig zijn van karakter. Maar het is een door God in het hart geplante zachtheid en teerheid, een door Gods genade verliezen van toorn en drift, het is een vriendelijk, zachtaardig en kalm gemaakt zijn, wat ten diepste vrucht is van het werk van de Heilige Geest.

Zoals Paulus schrijft in Galaten 5: Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (Galaten 5:22).
Een van onze oude godgeleerden zegt: Wat? Zou Christus een Lam zijn, terwijl Zijn volgelingen leeuwen zijn? Wat? Zou de Kerk een duif zijn, terwijl zij bijt en krabt als een roofvogel?
 
Die vergevingsgezindheid is een deel van de afdruk van het vernieuwde beeld van God in het hart en leven van Gods kinderen.
Dat is geen eigen prestatie, maar vernieuwing door het werk van de Heilige Geest, waar we gedurig om moeten bidden.
 
Vernieuwing dus van hart en leven, waardoor we biddend de voetstappen van de Heere Jezus gaan volgen, van Hem Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Die, Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petrus 2:23).

Luisterend naar de woorden van Paulus in 1 Korinthe 4: Wij worden gescholden en wij zegenen, wij worden vervolgd en wij verdragen, wij worden gelasterd en… wij bidden (1 Korinthe 4:12-13)

Luisterend naar de woorden van Paulus in Romeinen 12: Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, beminden, maar geeft de toorn plaats, want er is geschreven: Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere (Romeinen 12:18-19).
 
Een viertal lessen dus, in dit gebed van de Heere Jezus.
Er is in dit gebed troost voor Gods kinderen, een aansporing tot vergevingsgezindheid, en
 
c. In de derde plaats is er in dit gebed hoop voor de onbereikten van deze wereld.
Van wie Paulus zegt, dat ze verduisterd zijn in het verstand en vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten (Efeze 4:18).

Wat een troost voor het zendingswerk: Christus bad voor zulke mensen.
Heel het zendingswerk ligt verankerd in Gods eeuwige welbehagen. En de vrucht ervan ligt vast in dit gebed van Christus. En in het werk van de Heilige Geest door Wie het welbehagen van de Heere voorspoedig zal voortgaan. Hij zal zaad zien!

En mede als vrucht van dit gebed en van de verhoring ervan zal Hij uiteindelijk als Koning heersen, en vereerd en aanbeden worden, van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde (Zacharia 9:10).
 
d. In de vierde plaats is er in dit gebed een dringende oproep tot bekering aan het adres van de onbekeerden. Paulus schrijft in Handelingen 17: God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende… Dat wil zeggen: de tijd van de onwetendheid is nu voorbij!

God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren.
 
God roept u dringend op tot bekering, terwijl Hij uw ogen richt, van deze sterfdag van de Heere Jezus af, naar de dag van Zijn heerlijke terugkomst!

En niemand heeft dan nog een enkele reden om zich te verontschuldigen!
Daarom, zo vervolgt Paulus: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft (Handelingen 17:30-31).

De Gekruisigde Christus, zal straks uw Rechter zijn!
 
Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, door het bloed van de Gekruisigde, die van harte bereid is om u al uw zonden te vergeven.
Om door Zijn striemen u genezing te geven.
Om door Zijn sterven u eeuwig leven te geven.
 
Amen.