Verloochening door Petrus · Mattheüs 26

Verloochening door Petrus
Preek Mattheüs 26:75: En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

Thema preek: Verloochening door Petrus (Mattheüs 26):

1. Gewaarschuwd
2. Gevallen
3. Gebogen

PDF LEESPREEK

Preek Mattheus 26: Verloochening door Petrus

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Mattheüs 26:75.
Daar lezen we Gods Woord als volgt:
En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

Het thema voor de preek is:
Het Woord niet geloofd

We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op: gewaarschuwd. In de tweede plaats op: gevallen. En in de derde plaats op: gebogen.

Dus: Het Woord niet geloofd

  1. Gewaarschuwd
  2. Gevallen
  3. Gebogen

Als eerste dus:

1. Gewaarschuwd

Gemeente, Mattheüs is niet de enige evangelist die over deze geschiedenis schrijft.
Alle vier de evangelisten schrijven erover. Waarom eigenlijk?
Omdat dit ons zo goed laat zien, voor welk soort van mensen Jezus wilde lijden en sterven. En ook omdat het ons zo goed laat zien, dat dat ook echt nodig was.
En het schildert daarbij ook met donkere strepen een zwarte achtergrond, zodat het wit en het goud van Gods genade des te meer zou schitteren.

De Heere had hem nog zo gewaarschuwd. Petrus, jongens en meisjes, is een gewaarschuwd man. En je kent de uitspraak van je juf of meester wel: ‘Een gewaarschuwd man telt voor twee’. Dat wil zeggen: die moet heel goed oppassen.

Trouwens, de Heere had hem niet één keer, maar al veel vaker gewaarschuwd.
a. Want toen de Heere tegen Petrus zei: ‘Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is’, toen was dat een waarschuwing: ‘Petrus, je hebt niets van jezelf (Matth. 16:17)! Pas op voor trots en eigendunk. Alles wat je hebt, wat je denkt, wat je weet, wat je gelooft, is allemaal niet van jezelf. Je hebt het gekregen!’
b. En weet je nog, jongens en meisjes, dat Petrus niet wilde dat de Heere Jezus zou gaan lijden en sterven? Toen had de Heere tegen hem gezegd: ‘Ga weg achter Mij, satanas (Matth. 16:23)!’ Nou, als de Heere je satan noemt, dan moet je wel heel erg oppassen. Want dan heb je wel een heel zondig hart.
c. En weet je nog dat Heere tegen Petrus zei: ‘Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe!’ Met andere woorden: Pas op, Petrus, de duivel zit je op de hielen. En je zondige hart is zijn beste vriend.
d. En dat raakte Petrus. Het wilde zijn trots breken, en dus sprong hij erbovenop. Hij zei: ‘Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.’
e. Maar (en dat was wel de meest duidelijke waarschuwing) Jezus zei: ‘Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer u driemaal zult verloochend hebben, dat u Mij kent (Lukas 22:31-34).’

Petrus is een gewaarschuwd man. Maar, hij gelooft de woorden van de Heere niet.
Anders was het niet zo gelopen.

Ja, daar kan je verwijtend naar wijzen, maar, gemeente, is het bij ons anders?
Zijn wij beter?
Ik roep u in herinnering al de waarschuwingen die tot ons kwamen.
Soms waren ze algemeen, als het ging om zondaars in het algemeen, om onbekeerden in het algemeen.
U luisterde, u knikte. Het klonk vertrouwd. En u ging naar huis. En (onbegrijpelijk, terwijl u gewaarschuwd werd voor uw eeuwige ondergang!) u zei: ‘De dominee heeft weer fijn gepreekt!’
Geloofde u in uw hart dan helemaal niets van wat de dominee, van wat de Heere zei?

Soms waren waarschuwingen algemeen. Soms waren ze persoonlijker.
U voelde dat u aangewezen werd. Toen de Heere tegen u zei (zoals Nathan deed):
‘U bent die man! U bent die vrouw! Een verloren mens, een opstandeling, een vijand van God.’
U hield uw adem in. U irriteerde zich misschien wel! Wat? Ik? Vol van goed gedrag, van mooie woorden, van bekering, van heiligheid?
Gemeente, de zelfingenomenheid van Petrus is onze zelfingenomenheid.
De hoogmoed van Petrus is onze hoogmoed.
Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle (1 Kor. 10:12).
U valt…!
En dus, ons tweede aandachtspunt:

2. Gevallen

Jongens en meisjes, is Petrus de enige Bijbelheilige, het enige kind van de Heere, dat gevallen is in de zonde?
Nee, ik kan er zo wel een hele rij opnoemen: Adam, Abraham (de vriend van God, de vader van alle gelovigen), Mozes, Aäron, David, Salomo, Hizkia, Josia, Petrus…
‘Dus’, zeg je, ‘klopt er iets niet, als wij de indruk wekken dat wij zo goed zijn.’
Je hebt gelijk, dat klopt niet.
Want als je jezelf heel goed vindt, dan lijk je precies op Adam. Die trots was en tegen God opstond. En viel.
En ook als je bekeerd bent en denkt dat je goed bent, je waant je een reus in het Koninkrijk van God, dan klopt dat niet.
Want heeft de Heere dat ooit tegen iemand van ons gezegd: ‘U bent goed? U bent heilig? U bent zo dankbaar?’

Jongens en meisjes, die ogenschijnlijk sterk gelovige Petrus, trots en stoer, kind van God, valt in de zonde.
Hoe het gaat? Ik zal het je vertellen.

De Heere Jezus is gevangengenomen in de hof van Gethsémané en gebonden gebracht naar de zaal van de hogepriester.
En Petrus? Eerst is hij hard weggerend. Maar nu volgt hij iedereen op een veilige afstand. Alleen maar (zo staat in vers 58) om te zien hoe het met de Heere Jezus afloopt. Om Zijn einde te zien.
Je zegt: ‘Dat is eigenlijk laf.’
Ja, dat is ook zo. Dit is eigenlijk het begin van zijn verloochening.

Het is nog nacht. Iedereen is ondertussen naar binnen gegaan in het paleis van de hogepriester. En de deur zit op slot.
Maar gelukkig is er toch iemand die hem wil binnenlaten. Misschien is het Nicodemus geweest of Jozef van Arimathea?
Het meisje bij de deur doet de deur open, en Petrus loopt snel naar binnen.
Maar ondertussen kijkt ze hem een beetje onderzoekend aan.
‘U hoort toch niet bij de discipelen, bij de leerlingen van deze Man?’
Maar Petrus loopt snel door.

Zo, hij is binnen. Op de binnenplaats van het paleis zit een groepje mannen rond een vuurtje. Want ‘s nachts is het koud. Zeker als in de ochtend alles vochtig wordt van de dauw.
Maar dan is er een slavin van de hogepriester, die toch ook iets herkent in Petrus. En ook de mannen die bij het vuur zitten gaan zich ermee bemoeien: ‘Zeg, ben jij ook niet een van Zijn discipelen?’
‘Nee hoor, echt niet. Ik ken die Man niet eens.’

Ah, dit was een lastig moment. En dus trekt Petrus zich een beetje terug in het donker, in de richting van de buitendeur.
Maar daar wordt hij al snel weer lastiggevallen.
‘Hoorde u ook niet bij Hem?’
En weer zijn er anderen, die zich er ook mee gaan bemoeien.
‘Nee, mens, ik ken Hem niet!’ Hij zweert het.

En dan is het een tijdje rustig.
Het is, zegt Lukas, een uur later. Petrus trekt de stoute schoenen weer aan en gaat weer bij het vuur zitten. Misschien heeft hij het koud gekregen, misschien denkt hij: zo val ik misschien juist minder op.
Maar dat blijkt niet zo te zijn. Iedereen hoort het direct aan zijn praten. Deze man komt ook uit Galilea. Dus die hoort vast ook bij Jezus.
En ineens wijst een familielid van Malchus (je weet wel, die man van dat oor) hem ook aan.
Maar Petrus zegt: ‘Nee, ik ken de Mens niet!’
En boos en geïrriteerd begint hij erbij te vloeken en te zweren.

En dan ineens…
Dan ineens kraait de haan voor de tweede keer.
En daar, in die wat hoger gelegen zaal, daar staat Jezus, vals beschuldigd, gespuugd en geslagen, Die Zich omdraait. En Petrus recht in zijn ogen, recht in zijn hart kijkt.
Met een blik van?
Van boosheid, van woede, van verdriet?
Nee. Met een blik van liefde: zacht, teer, innemend.
Met een blik die zijn trotse ik verbrijzelt, die hem genade geeft, en die hem (zo staat het in de Bijbel) herinnert aan de woorden van de Heere Jezus.
Het is een blik die de woorden van de Heere Jezus hem ineens weer in zijn gedachten, in zijn herinnering brengt. Woorden die hij niet geloofd heeft.
Er staat: Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

Petrus buigt zijn hoofd. Hij gaat snel naar buiten. Hij huilt, hij snikt het uit, van hartelijk berouw.
Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen. Ik ben Uw gramschap dubbel waardig.
Maar, ik zag liefde in Uw ogen.
En dat breekt zijn hart, zijn trotse hart, nog veel meer.

We gaan samen zingen uit Psalm 51:1:
Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:
Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
Ai, was mij wel van ongerechtigheid;
Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boeteling pleit,
En reinig mij van al mijn vuile zonden.


Gemeente, Petrus verloochent zijn Meester. Ik ken de Mens niet.
Hij zegt niet: ‘Dit is niet de Zaligmaker, dit is niet de Zoon van God.’
Het gebed van de Heere Jezus, Ik kom tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, is verhoord. Petrus wordt bewaard (Joh. 17:11).
Maar hij zegt wel: ‘Ik (!) ken de Mens niet.’
Het is ondankbaarheid, het is een leugen, het is lafheid.
Maar zouden wij het anders gedaan hebben?

Laten we samen zoeken, gemeente, naar de lessen van wat hier gebeurt.
Want de vraag is: Wat wil de Heere ons hiermee leren?

a. Laat ik als eerste u en mezelf de vraag stellen, die de vijanden van Jezus op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester ook aan Petrus stelden: ‘Heb ik u daarnet niet gezien in de hof? U was toch ook met Jezus?’

Het is een vraag die ook aan ons gesteld kan worden. Thuis, op straat, op school, op ons werk: ‘Zeg, u bent toch ook christen? Waarom doet u dan zo gezellig mee in dit goddeloze gezelschap? Bent u dan ook een van ons? Hebt u twee levens?’
Het hart van Petrus ging er ongetwijfeld sneller van kloppen. Het onze vast ook.

Het laat ons zien het gevaar van slecht gezelschap.
Je wilt niet opvallen. Je wilt erbij horen. En dus doe je mee. Je hebt ook geen zin in allerlei vragen, als: ‘He, maar jij bent toch ook van de kerk? Ja, toch?’
Als dat zo is, gemeente, ouderen, jongeren, dan moet je of eerlijk uitkomen voor wie je bent en Wie je dient, of je moet maken dat je wegkomt.

b. Een tweede les: Wat laat deze geschiedenis ons vooral de liefde van Christus zien voor mensen zoals Petrus: trots, zelfingenomen, vertrouwend op zichzelf; mensen die de woorden van de Heere vergeten en Hem verloochenen.
En dan toch, midden in Zijn lijden (ook voor Petrus): een blik van liefde, uit een hart vol van zondaarsliefde.

Hier schittert Christus, gemeente, in Zijn weergaloze liefde, midden in de diepte van smaad, spot en hoon.
Hij heeft ons liefgehad tot het einde toe (Joh. 13:1). Dwars tegen onze vijandschap tegen genade in. Want:

c. Dat is de derde les in deze geschiedenis. Wat hier gebeurt laat ons vooral ook zien hoe groot onze vijandschap tegen genade is. En tegelijkertijd hoe groot genade is voor vijanden.
Waarom wil Petrus dit niet? Waarom zegt hij zelfs: ‘Ik ken de Mens niet?’
Omdat genade het meest vernederend is voor mensen zoals wij.
Wil ik toegeven, wil ik erkennen, wil ik geloven dat Hij, Jezus lijdt in mijn plaats?
Dan moet ik erkennen dat ik de eeuwige dood verdiend heb. Dan blijft er van mij niets anders over dan een ellendige zondaar, een vijand, een goddeloze.
Genade haalt een streep door al onze vroomheid, door al onze ijver en door al onze zogenaamde goede werken.
Je raakt het allemaal kwijt.
Gooi het ook maar weg ook, want het is waardeloos.
Maar, lieve mensen, dat ziet u hier ook! Niet alleen hoe groot onze vijandschap is tegen genade, maar ook en vooral hoe groot genade is voor zulke vijanden.
Verloren mensen, goddelozen, vijanden, kom! Nu! Er is doen aan! Hier staat Christus, bespot, bespuugd, geslagen. Hij lijdt, en zo meteen sterft Hij voor mensen zoals u!
Zie op Hem en word behouden. Er is genade beschikbaar voor de grootste van de zondaars!

d. Een vierde les: deze geschiedenis leert ons ook, dat het kwaad van de zonde diep in ons menselijke hart zit, ook na ontvangen genade.
Iemand verraden (Judas deed het met zijn handen, Petrus doet het met zijn lippen), iemand verraden, dat doen we vanwege onze zonden.
Dit, wat Petrus hier doet, staat hier beschreven om ons te laten zien wat er diep in ons menselijke hart zit.
We zien het niet zomaar vanzelf, tenzij God onze ogen ervoor opent, en we (denkend aan het thema van de preek): het Woord van de Heere geloven.
Dan zie je, voor het eerst of opnieuw, iets van de zwarte duisternis, van de diepe verlorenheid van je hart.
Zulke ontdekking aan zonde, leidt niet tot wanhoop. Omdat de Heere altijd in ontdekking aan zonde en schuld, ook iets laat voelen van Zijn barmhartigheid en liefde en genade.
Ik heb nooit oog voor Hem gehad. Ik heb me tegen Hem verzet, vooral tegen Zijn lijden. Maar toch deed Hij het. Hij leed en stierf, niet voor goede mensen vol van heiligheid en dankbaarheid, maar voor verraders en (straks) voor moordenaars.

e. Een vijfde les uit wat we hier zien is deze: de meeste mensen worden vlak voor hun val in de zonde gewaarschuwd. Er zijn vaak voorboden voor het vallen in de zonde.
Zoals een erge ziekte, bijvoorbeeld een ernstige corona infectie, meestal voorafgegaan wordt door milde klachten: door een loopneus of door keelpijn, zo worden ook grove zonden vaak voorafgegaan door voorboden, door waarschuwingen.
Ik bedoel dit: de verloochening van Petrus komt niet zomaar uit de lucht vallen.
Die komt stapsgewijs. En zo is het ook bij ons.

Stap 1. Ons hart is vol zelfvertrouwen. ‘Al werd iedereen aan U geërgerd, ik niet.’
Wie dat denkt, is op weg naar struikelen en vallen.
Stap 2. We letten, net als Petrus, niet meer op de waarschuwende woorden van de Heere.
Stap 3. Ons hart is lui. We bidden niet meer. En dat maakt ons kwetsbaar voor het vallen in de zonde. Vandaar nog de waarschuwing van de Heere Jezus: ‘waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt (Matth. 26:41).’
Stap 4. We wagen ons in slecht gezelschap: letterlijk, lijfelijk of digitaal.

Maar op de achtergrond en in stilte wordt dat alles vooral aangejaagd door ons koude en biddeloze leven. Door heimelijke achteruitgang in het leven van genade.
Een boom valt nooit vanzelf. Zelfs niet als het stormt. Maar wel als onzichtbaar de wortel verrot of aangevreten is.
Voordat wij zichtbaar in zonde vallen, zoals Petrus, vallen we in het verborgen in de zonde van het verlaten van onze eerste liefde.

f. Een zesde les in de verloochening van Petrus is deze: in de beste heiligen blijven veel gebreken. En let daarbij ook eens op de verzwarende omstandigheden:
Kortgeleden hebben ze nog samen Avondmaal gehouden.
Petrus heeft kortgeleden ook nog zoveel woorden van troost gehoord.
Hij heeft meegebeden in het meest volmaakte gebed.
Gisteravond is hij getuige geweest van de zware strijd van de Heere Jezus.
En nu is Jezus omringd door Zijn vijanden, en vergeten Zijn vrienden Hem.
En dan zeggen: ‘Ik ken de Mens niet?’

Kinderen van God, geliefde medechristenen, is het niet zo dat onze zonden altijd omgeven zijn, niet door verzachtende omstandigheden, maar door dingen die ons kwaad juist verzwaren? Zijn onze zonden geen zonden tegen liefde, troost, zorg en genade in?

Laten zegt Paulus in Romeinenbrief: Wees niet hoog gevoelende (niet trots), maar vrees (Rom. 11: 20).
Hoe nodig is het gebed: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze?
Dat is, zo zegt de Catechismus: dewijl wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest.

Ons derde en laatste aandachtspunt:

3. Gebogen

We lezen in vers 75: En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

Petrus zou doorgegaan zijn, als niet ineens de liefdevolle ogen van Jezus hem geraakt hadden, en hij de haan voor de tweede keer had horen kraaien.
Hij zondigt, terwijl hij weet en ziet hoe diep Jezus lijdt. Maar hij heeft er geen oog voor.
Maar desondanks kijkt Jezus hem aan, met een blik van liefde.
Het raakt zijn hart en het brengt hem in herinnering het Woord van de Heere: ‘Eer de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen.’

Woorden die hij niet geloofd had.
Maar nu? Nu ineens wel? Herpakt Petrus zich?
Nee, hier is de vroege vervulling van het beloftewoord van de Heere Jezus: de Heilige Geest, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb
(Joh. 14:26).
De Heilige Geest schijnt met Zijn licht in het duistere hart van Petrus en fluistert hem de woorden van de Heere Jezus opnieuw in. Hij opent zijn ogen en zijn hart, en Petrus herinnert zich het Woord van de Heere en gelooft.
Die waarschuwende woorden van de Heere, die ontdekkende woorden: ‘Satanas, achter Mij. Zonder Mij kunt u niets doen.’

En, het Woord breekt hem.
Zoals Kohlbrugge zegt: ‘het Woord breekt onze vooruitlopende benen, onze sterke armen, onze harde nek. We krijgen de genadeslag.’
Ja, u hoort het goed: de genade-slag.

Het Woord breekt trotse en hoogmoedige zondaars, levend midden in de zonde.
Het Woord breekt trotse schijnvromen, vol van eigen gerechtigheid, die zichzelf altijd zo goed vonden.
En het Woord breekt ook het trotse hart van Gods kinderen. Het brengt ons op de grond. Zodanig dat we zelf niet meer kunnen opstaan.

Huichelaars, tijdgelovigen, mensen die denken dat ze bekeerd zijn terwijl ze het niet zijn, ze gaan zelden onderuit. En als ze al onderuitgaan, dan krabbelen ze weer snel zelf overeind.
Maar wie de genade-slag krijgt van het Woord, die voelt en weet: ik kan niet meer herstellen wat ik gedaan heb, ik kan niet meer lijmen wat ik gebroken heb.
Wie de genade-slag krijgt van het Woord, die buigt. Niet in wanhoop, maar in oprechte belijdenis van schuld.

U zegt: ‘Ja, maar het Woord is toch ook vol van genade?’
Jazeker. Maar wacht! De woorden die Petrus hier door de blik van Zijn Meester in herinnering krijgt, zijn bitter. Zulke woorden van de Heere breken ons hart en ontnemen ons al onze kracht.
Zonder die bitterheid, is genade niet zoet.
Wij horen graag zachte woorden, strelende woorden, die ons opbouwen, vertroosten en liefst prijzen. Want we willen vooruit. We willen groter, sterker en meer verzekerd worden.
Maar zulke vooruitgang, zulke zekerheid zal nooit komen in de weg vanzelf groter worden.

Gods weg is tegengesteld. Gods werk voelt voor ons vaak vreemd aan.
Hij breekt af. Hij neemt ons alles af (Jer. 45:4).
En dan? Zeg ik dan: ‘Ja, maar ik ben toch een kind van God?’
Nee, want ook dat, dat ‘ik ben’, ontneemt God Zijn eer.
Er is zoveel nodig, vaak ook zo veel tegenspoed, verdrukking en strijd.
Want ons hart is zo trots en zo hard.
Er is vaak zoveel nodig om ons te leren wat Paulus schrijft: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2:8).

Jezus kijkt Petrus aan. Met een blik vol liefde en vrede.
En dan is het zomaar, vanzelf weer opgelost?
Nee, die liefdevolle blik maakt de woorden van Jezus indachtig in het hart van Petrus.
En die woorden breken zijn trots.
Maar, lieve mensen, je kan beter als een gebroken mens door het leven gaan, dan als een reus. Want God heelt gebrokenen van hart!

In de diepte van onze gebrokenheid blijft er niets van ons over. Maar daar blijft Christus over. De liefdevolle blik van een lijdende Zaligmaker op een verloren zondaar.
En het is onze hardheid, dat het zonder dat niet kan. Een steen wil niet buigen. Die is alleen te breken.
Wij willen niet buigen, tenzij God ons buigt.
Wij willen geen schuld belijden, tenzij God het ons leert.
Wij willen geen hartelijk berouw hebben, tenzij Zijn blik ons treft en breekt.

Petrus weent bitter. Zijn berouw is hartelijk en oprecht. Hij zegt ook niet: ‘Dat lelijke dienstmeisje, die lelijke kerels, die beroerde soldaten, die…’
Nee, want dan was er ook weinig reden om bitter te huilen.
Hij zegt ook niet: ‘Wat heb ik zwaar gezondigd, ik zal opstaan en mezelf weer op het rechte pad brengen.’
Nee, u ziet het de hele Bijbel door. Al die gevallen heiligen, ze doen dit, en deze geschiedenis leert ons datzelfde ook te doen.
Ze treuren diep: ‘Wee mij, dat ik zo gezondigd heb!’
Ze geloven door de Heilige Geest het ontdekkende woord.
En? Ze grijpen moed?
Nee, ze grijpen Christus aan en vluchten tot Hem. Tot Hem, Die voor hun ogen lijdt, Die bespot en gelasterd wordt, en Die straks zal sterven, en Die gestorven is als Zaligmaker voor zondaars.

Wat een diepe troost is dat in deze geschiedenis.
Petrus zondigt en valt diep. Dat is de zwarte achtergrond. Van het andere, wat daar gebeurt: hier geeft onze lieve Zaligmaker zich voor…?
Voor dit soort van mensen: vijanden, opstandelingen, goddelozen.

En dus, geliefde gemeente, laat u vernederen door het Woord van de Heere.
Uit ons is geen vrucht meer in der eeuwigheid.
Vervloekt is een iegelijk die niet blijft (schrijft Paulus aan de Galaten) in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10).
Laat u buigen, laat u breken.

Gebrokenen van hart, als Petrus, Jezus slaat een blik op u. Hartelijk, doordringend, en zo liefdevol!
O, zie op Hem. Zie op Hem! Schoner dan wie dan ook van de mensenkinderen.
Daar staat Hij. Hij lijdt en sterft voor volkomen mislukkelingen: trots, hoogmoedig, dwalend, ongelovig, het Woord vergetend, vijandig, ellendig en onmachtig.
Probeer niet zelf op te staan. Maar grijp Zijn sterkte aan.
In Hem is alles, juist voor de allerslechtste, om u met God te verzoenen.
En ook om u na ontvangen genade te herstellen in een staat van vrede met God.
O, zie toch op Christus, de Gekruisigde. Wend u naar Hem toe en word behouden.

Weet u niet hoe het moet? Zeg het Hem. Bij Hem is raad. Vlucht dan juist met die nood tot Hem.
Wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen. Hij ontvangt zondaars en eet met hen.
Geloof toch Zijn heil- en troostrijk Woord.
Onze lieve Heere en Zaligmaker zoekt het verlorene, het weggedrevene.
Hij is juist gekomen om het verlorene te zoeken. En om vijanden met God te verzoenen.
O, vijanden, kom dan tot Christus! Aanbid Hem. Laat u verwelkomen. Laat u ontvangen. Laat u zalig maken. Laat u met God verzoenen.

Nu dan, gemeente, ga in het verborgen. Ween bitter. Belijd uw schuld aan Zijn voeten.
En sta niet op, voordat u uit Zijn mond gehoord hebt: uw zonden zijn u vergeven.
Zie hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen.

Petrus, Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou ophouden.

Amen.

Links bij preek Mattheüs 26: Val van Petrus, zijn verloochening
Andere lijdenspreken
Preek Mattheüs 16: Ga achter Mij satanas!
Preek Lukas 23: Hoofdman over honderd
Preek Lukas 23: Tranen om de lijdende Jezus
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Mattheus 26

TERUG LIJDENSTIJD | MATTHEUS