Eerste verschijning discipelen: Vrede! · Lukas 24 · Pasen

Eerste verschijning discipelen: Vrede zij ulieden
Preek Lukas 24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!

Thema preek Lukas 24: Eerste verschijning discipelen: Vrede zij u!

De verschijning van de Heere Jezus aan de 10 discipelen.
1. Hun schrik
2. Zijn antwoord

PDF LEESPREEK

Preek Lukas 24: Vrede zij ulieden | Ds. J. IJsselstein
Preek Lukas 24: Vrede zij ulieden | Ds. J. IJsselstein

Schriftgedeelte Eerste verschijning discipelen: Vrede zij u! Lukas 24
En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.
En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?
Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.
En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten ?
En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.
En Hij nam het, en at het voor hun ogen.
En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.

Links bij preek Lukas 24: Eerste verschijning discipelen: Vrede zij u!
Andere preken voor Pasen:
Preek Mattheüs 28: Ik ben met ulieden al de dagen
Preek Johannes 11: Opwekking van Lazarus
Preek Johannes 21: Jezus aan zee Tiberias
Beginnende van Jeruzalem · Lukas 24 · Pasen
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 24

TERUG PASEN | LUKAS

Jongens en meisjes, het gebeurt wel eens, als iemand een belangrijke baan of een hoge positie krijgt, dat zo iemand ineens oude vrienden niet meer interessant vindt.
‘Ik ben rijk, voornaam, slim, geleerd. Maar mijn ouders…? Die zijn dom. En mijn vrienden van vroeger…? Die zijn zo gewoontjes… Nee, voor mij is dat niet meer interessant.’

Dat had de Heere Jezus ook kunnen denken na Zijn opstanding.
‘Mijn lijden is nu voorbij. Nu ben Ik opgestaan in heerlijkheid en majesteit. Trouwens, die discipelen (toen Ik zo leed, zo verdrietig was, zo bang was in Gethsémané), die discipelen hebben Mij toen allemaal alleen gelaten.’
Was het niet logisch geweest als de Heere Jezus had gezegd: ‘Laat ze maar, Ik heb al zoveel ellende met die mannen meegemaakt?’

Weet je, dat is ook zo bijzonder aan de goede dienst van de Heere. Daarom krijg je daar ook nooit spijt van. Daarom word je daar ook zo gelukkig van.
Wij doen zoveel zonden. Wij lopen weg. Wij verloochenen de Heere.
En…? Daarna komen wij weer terug…? Nee, daarna komt Hij altijd weer naar ons toe. Iedere keer weer. En Hij brengt ons altijd weer terug.
Het is zoals we zongen uit Psalm 103: Hij weet wat van Zijn maaksel te verwachten is. We zijn zwak van moed en klein van krachten, en stof van jongs af aan geweest.

Je zegt: ‘De Heere zal Zich wel voor Zijn kinderen schamen.’
Nee, het is andersom. In Hebreeën 2:11 staat dat Hij Zich niet schaamt om Zijn kinderen broeders te noemen.
Maar als het weer zover is dat wij verdwalen en Hij ons opzoekt, dan moeten wij ons diep schamen, en dat doen we dan ook. Dan schamen we ons diep.
Kom, jongens en meisjes, stel niet uit om de Heere te zoeken. Het is zo’n goede dienst.
Je krijgt er echt nooit spijt van.

We gaan vanmorgen in de preek zien hoe de Heere Zijn discipelen, die onbetrouwbare weglopers, opzoekt.
Het is ‘s avonds laat, op de eerste dag van de week, op de dag van de opstanding. Dan al, direct na Zijn opstanding, zoekt Hij Zijn discipelen op.
En zeker in de beschrijving van het Evangelie van Lukas gaat het om hen, om die discipelen. Alles is gericht op het zoeken van de discipelen: de boodschap van de engelen, de boodschap van de vrouwen, de boodschap van de Emmaüsgangers, het is er allemaal opgericht dat Zijn discipelen zullen gaan geloven in de opgestane Heere.

Alles wat de Heere doet, is gericht op het zoeken van hen, die Hem verlaten hebben.
Op het zoeken van hen, voor wie Hij leed en stierf.

De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Lukas 24:36-46. Wij overdenken samen het voorgelezen Schriftgedeelte, waarvan ik u samenvattend nu alleen nog het zesendertigste vers zal voorlezen. Lukas 24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!

Het thema voor de preek is: De verschijning van de Heere Jezus aan Zijn discipelen.

We letten bij deze eerste verschijning van de Heere Jezus aan Zijn tien discipelen op twee aandachtspunten: we letten als eerste op hun schrik, en als tweede op Zijn antwoord.
Dus twee gedachten:
1. Hun schrik
2. Zijn antwoord
Als eerste dus:

1. Hun schrik

De deur is op slot. Om de vrees der Joden. Er is ook zoveel gebeurd, zoveel onrecht en geweld de laatste dagen… En dan al die berichten van deze dag… ‘Doe de deur maar goed op slot!’
Zo schrijft de evangelist Johannes het ook: Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden (ze zijn bang!), kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! (20:19)
Ze zijn bang. En je weet, jongens en meisjes, hoe dat gaat als je bang bent. Dan doe je de gordijnen dicht en de deur op slot. Maar dan nog, erg gerust ben je niet. Je kent dat wel: je voelt je hart van binnen kloppen en iedere keer als je iets hoort, dan schrik je!
Maar goed, als je met elkaar bent en met elkaar een beetje aan de praat raakt, dan zakt dat gevoel langzaam wel een beetje weg.

Ze praten met elkaar. Ze spreken met elkaar over (zo staat in vers 36), over ‘deze dingen’. Over de dingen die er de laatste dagen gebeurd zijn.
Eerst was daar dat onverwachte en ook onbegrijpelijke lijden en sterven van hun Meester. En nu vandaag die berichten van Maria Magdalena, van de vrouwen, van de Emmaüs-gangers en van Petrus.
Maar, hoe het ook is en wat men ook zegt: zij zijn Hem kwijt.

Ze moesten Hem ook kwijt. Want zoals zij het dachten, zo kon het niet.
Ze dachten dat Hij Koning zou worden. En dat zij als ministers links en rechts naast Zijn troon mochten zitten.
Dat was hun hoop. Dat was hun verwachting. Dat waren hun plannen.
Maar Gods plan was anders. De Messias moest lijden en sterven. In plaats van hen. Maar dat begrepen ze niet.

En dus? Hoe is het nu met die discipelen?
Nou, net zoals het nog wel eens kan zijn in het leven van Gods kinderen.
Eerst was alles zo mooi: er was zoveel liefde, zoveel troost en zoveel licht in het omgaan met de Heere. In het lezen van de Bijbel, in luisteren naar Gods Woord. In het lezen van dingen over de Bijbel. In het persoonlijk gebed. In onderlinge gesprekken met andere kinderen van God.
Maar toen verdween dat allemaal een beetje. Langzaam, maar steeds meer…
De vroegere troost werd zo troosteloos. En het vroegere licht werd langzaam maar zeker steeds donkerder.
Je snapte het niet meer. Het leek allemaal weg te zijn.
Zeker, liefde en verlangen waren er nog wel. Maar verder?
Alles kwijt en van binnen alles overhoop…

U zegt: waarom doet de Heere dat?
Om plaats te maken voor de Zaligmaker.
Ja, maar Hij was er toch al? En zij kenden Hem toch al?
Ja, dat is waar. Maar ze kenden Hem op hun manier. Ze kenden Hem een beetje.
Ze verwachtten veel van Hem, maar het was allemaal op hun eigen manier.

Maar de Heere wilde en Zijn kinderen meer leren. Hij wil ze meer leren van wie ze zelf zijn, en van Wie God is, en van Wie Christus is.
a. Hij wil hen meer leren van henzelf.
Wat hebben de discipelen in de afgelopen dagen gezien en geleerd wie zij zijn.
Het vuur van hun ijver brak. Hun hartelijke liefde ontaardde in wegvluchten, vloeken en verloochenen.
Van hen zelf is er niets overgebleven dan: ‘Wees mij zondaar genadig. Ik was een kind van Adam. Ik verdiende de dood. Maar U gaf mijn leven. Maar nu, na alles wat ik gedaan heb, nu bid ik: Ai, laat van mij Uw Heilige Geest niet scheiden. Houdt U me toch vast, Heere, want ik… ben alles kwijt!’
b. De Heere wil Zijn kinderen meer leren van: wie ze zelf zijn. Maar Hij wil ze tegelijkertijd ook meer leren van Wie God is en van Wie Christus is.
Hoe dan? Door dit, wat je daar nu in gedachten voor je ziet, op die zondagavond.
Ze wisten het zo goed: Wij zullen met U sterven. Wij zullen ons leven voor U geven.
Wij zullen U al onze liefde waardig schatten. Maar nu is het allemaal weg.
Ze zijn hun Meester kwijt. Ze kunnen niet meer geloven. Ze zijn alles kwijt.

En dan… dan komt Jezus. Midden in hun ellende. En dat is nog zo.
Als wij niets meer hebben, dan zonde, nood en dood. Dan komt Jezus!
Dank komt Hij. Terwijl ze spreken over al die vragen waar ze mee zitten, over al die geruchten die ze gehoord hebben. In hun samenkomst. Daar komt de Zaligmaker, op het alleronverwachts.
En we hopen en we bidden met elkaar dat het vanmorgen ook hier in de kerk zo zal zijn.
Zoals staat in vers 36: Toen stond Jezus zelf in het midden van hen en zei tot hen: vrede zij ulieden!

U zegt misschien ook wel bij uzelf: ‘Vroeger was het licht. Maar nu is het zo donker. Vroeger wist ik het allemaal. Maar nu weet ik het niet meer.’
Wanneer wordt het weer licht in mijn leven? Waar zal Hij Zich weer aan mij laten zien? Wanneer en waar zal ik Hem kennen, meer en dieper kennen? Wanneer zal mijn ziel Hem mogen omhelzen?
Ach, wanneer…, en waar…?
Waar? Hier, in de dienst van het Woord. Daarom zegt de schrijver van de Hebreeënbrief ook: veracht de onderlinge bijeenkomsten, de zondagse diensten niet (Hebr. 10:25).
Hier wil Christus Zich openbaren, juist aan zulke mensen, die het niet meer weten.
Wanneer? Als ik niets meer heb van mezelf, dan ongeloof en onvermogen om te geloven.

Dan, dan staat Jezus ineens in het midden en zegt: Vrede zij ulieden.
Weglopers…!?
Nee, geen boosheid, geen verwijt.
Nee, jongens en meisjes, zo is onze Heere niet. Hij geeft mild en verwijt niet.
Hij zegt: Vrede zij u.
Hij gaat van vrede spreken (en dat is nog zo) in harten van discipelen die het niet meer weten. In de harten van mensen die alles kwijt zijn. Daar waar het aanvankelijke licht gedoofd lijkt te zijn, omdat het alles zo anders is gelopen dan dat wij hoopten.

We hebben, jongens en meisjes, zo’n goede Meester, zo’n lieve Heere en Zaligmaker.
Zij konden niet geloven. En wij kunnen het ook niet.
Zij waren ontrouw. En wij zijn het ook.
En dus heeft Hij alle reden om voor altijd weg te blijven. Om nooit meer naar hen en naar ons om te kijken.
Maar Hij blijft trouw. Hij laat hen en Hij laat ons nooit los. En Hij doet altijd wat Hij gezegd heeft. Wat Hij gezegd heeft in Johannes 14: Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weer tot u! (14:18)

Hij verlangt om hen te zien en om hen te troosten.
Hij verlangt ernaar om u te zien en u te troosten, u, die het niet meer weet.
Maar Hij doet het wel op Zijn manier.
En als Hij dan komt, dan zegt hij: Vrede zij u! Vergeving, van zoveel kwaad dat u hebt gedaan. Vrede zij u. Vrede met God door het bloed van het kruis.
-ZINGEN-

2. Zijn antwoord: Vrede zij ulieden

Het is donker, het is al laat in de avond. Ze zijn bang. De deur zit op slot, de gordijnen zijn dicht. Maar gelukkig, al pratend zakt hun angst wel een beetje weg.
Maar nu! Wat hadden ze blij en vertroost moeten zijn. Maar nu de Heere Jezus ineens in hun midden staat, nu schrikken ze zich een ongeluk!
Dat…, dat is een geest! Dat is een mens zonder lichaam!
Schrik, paniek!
Help! Een geest!

Maar Hij zei tot hen (vers 38): Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen (zulke gedachten) in uw harten?
Ze schrikken geweldig! Van dat onverwachte komen in hun midden. Ineens staat Hij daar.
Ze schrikken, maar er zijn ook overleggingen in hun hart.
Verkeerde gedachten, ontkenning, afweer van dat van de laatste dagen: lijden, sterven en opstaan uit de dood. Dat kan niet waar zijn!
Dus dit is hun Meester niet! Dat kan gewoon niet. Dit is een geest!
De verwarring is compleet. Want ze verwachten geen levende Jezus.
Want… ze zijn Zijn beloftewoorden vergeten. En ze hebben Zijn woorden niet geloofd.

Dit zijn oprechte discipelen van de Heere Jezus. Maar hun hart is vervuld met vrees en ongeloof.
Waarom? Omdat ze de laatste dagen niets anders overgehouden hebben dan zichzelf: zondig, ontrouw, totaal mislukt. Wat een arme tobbers!

Maar wat is dit vaak de werkelijkheid, gemeente, ook in het leven van Gods kinderen nu.
Ellendig in onszelf, en geen zicht op het kruis, en geen licht in het hart
En we komen er zelf niet uit. De Heere moet ingrijpen. En… dat doet Hij!

Jongens, kinderen (in vers 39 en 40): Zie Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk u ziet, dat Ik heb!
Ik ben geen geest. Ik ben uw Zaligmaker. Dit zijn verkeerde gedachten.
Het is niet waar. En u hebt er ook geen reden voor. En u ontneemt uzelf de troost en de blijdschap van dit moment.
Kijk maar (in vers 40): En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en voeten.
Hier, kijk maar. De tekens, de littekens van de spijkers in Mijn handen en voeten.
Om hun angst en hun vrees weg te nemen. En om hun hart te richten.

Maar ze blijven twijfelen. Eerst door angst (in vers 37), en dan (in vers 41) door ongeloof.
Ze kunnen het van blijdschap niet geloven.
Wonderlijk… Van blijdschap kunnen ze het niet geloven.
Verwondering en verbazing nemen de overhand. Zoals dat nog steeds zo kan zijn in het leven van Gods kinderen.
‘Is dat voor mij? Vrede? Vrede met God? Door deze doorboorde handen en voeten?
Dat lijkt te groot om waar te zijn!’

Maar de Heere kent hun hart.
Hebt u hier iets om te eten misschien?
‘Ja, nog wat restjes, van vis en van honingraat.’
En Hij at het voor hun ogen.
De eetproef doorstaan: Ik ben geen geest, Ik ben de Zaligmaker.

En ze geloven? Nee, dat staat er nog steeds niet.
Lukas schrijft verder. Want het gaat niet om Zijn zichtbare verschijning. Het gaat niet om wat ze zien met hun ogen. Het gaat ook hier, net als bij de Emmaüsgangers, om Zijn woorden.
We lezen in vers 44: En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden(!), die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
Heel de Bijbel is er vol van. Van Mij! Het is hetzelfde als wat de Heere zei tegen de Emmaüsgangers. Het staat in de Schriften. In de boeken van Mozes, in de Profeten, in de Psalmen, en Ik heb het u zegt: dat het moest. Dat het moest volgens Gods eeuwige raadsplan, volgens Gods eeuwige verlossingsplan. Dat uitgevoerd moest worden.

Hij opent de Schriften. Hij opent hun hart. Hij haalt als het ware de blinddoek van voor hun geestelijke ogen weg. Kijk maar in vers 45: Toen opende hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.

Je zegt: Waarom heeft de Heere dat niet gedaan voor Zijn lijden? Dan was dit toch allemaal niet nodig geweest?
Twee dingen zal ik noemen.
a. Als eerste dit: Het lijden van de Heere Jezus moest volmaakt zijn. Iedereen moest Hem verlaten, zelfs Zijn vrienden, zelfs Zijn discipelen. Hij leed voor hen, maar Hij moest ook lijden onder hun ongeloof, hun onbegrip en hun verlating. En hoe zwaar en smartelijk was dat lijden!
b. En het tweede is dit: Het was om hun te leren.
Wat? Dit, dat ze uit zichzelf de noodzaak van Zijn lijden en sterven helemaal niet inzagen. En daarom moesten ze eerst alles wat ze gekregen hadden en wat ze zo koesterden kwijt.

Want Jezus gaat van vrede spreken (en dat is nog vaak zo) tegen mensen die zo verward zijn van binnen, tegen mensen die alles kwijt zijn, tegen mensen die het niet meer weten. De grond is onder hun voeten weggeslagen. Alle houvast zijn ze kwijtgeraakt.
En dan, juist dan, komt de Zaligmaker als Redder om zulke drenkelingen op te rapen.

Er is hier iets van heilige orde in het werk van God in het leven van deze mannen.
Zeker, de Heilige Geest is vrij in Zijn manier van werken. Maar anderzijds valt het wel op, dat diezelfde Geest toch soms ook een bepaald patroon beschrijft in Zijn werk.
Dit patroon: de discipelen, de vrouwen, ze hebben genoten van hun eerste liefde, van die wonderlijke momenten met hun Meester, vol van vurige liefde en ijver. Maar zonder zicht op de noodzaak van Zijn lijden, zonder zicht op de noodzaak van het bloed van de stervende Zaligmaker.
En hoe geeft de Heere hun daar zicht op?
Door een weg van (in de ervaring van het hart) alles kwijtraken. Door een weg van verwarring, donkerheid en vertwijfeling. Als de Heere doet wat Hij gesproken heeft door de mond van Jeremia: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit (Jer. 45:4).
En zo kregen zij en krijgen Gods kinderen nu meer zicht, op twee dingen.
(a) Op ons eigen ellendige mens zijn: op ons weggelopen, op ons verlaten, op ons verloochenen, op ons ongeloof.
(b) En ook op de noodzaak van Zijn sterven en Zijn leven in onze plaats.

En dan, in de nacht van hun ziel, midden in hun totale verwarring, komt de Heere Zelf hen opzoeken. De deur is op slot. Ze houden alles buiten. Maar Hij komt, hoe dan ook. En Hij breekt door alle barrières heen.
En Hij spreekt tot hen. In een verschijning? Als een geest? Met iets heel bijzonders?
Nee, met woorden, met Schriftwoorden.
Die eerder door Hem gezegd waren. Woorden waar het Oude Testament vol van is.
Hij opent de Schriften. Hij spreekt door Zijn Woord. Van vrede. Van de vrede die Hij gemaakt heeft door het bloed van het kruis (Kol. 1:20).
Zoals Hij dat nu nog steeds doet. Want Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft
-ZINGEN-

De Heere komt. De deur is op slot, maar het houdt Hem niet tegen. Hij komt uiteindelijk Zelf naar Zijn discipelen toe.
Dat hoefde niet. Want zij waren weggelopen, zij hadden Hem verlaten, zij hadden Hem zelfs verloochend.
Maar Hij verlangt naar hen. En Hij houdt Zijn woord. En zo is dat nog steeds.

En als Hij dan komt, dan spreekt Hij met Zijn woorden. Dan gaat Hij Zijn kinderen troosten door hen te leren, dingen die ze eerst niet wisten, die ze vergeten waren, die ze niet geloofden: Bijbelwoorden, Schriftwoorden.
Net zoals de juf of de meester jullie, jongens en meisjes, Bijbelwoorden, Bijbelteksten leert.
Zo? Ja, jongens en meisjes, maar toch ook een beetje anders. Want we leren die woorden van de Heere uit de Bijbel dan niet alleen met ons hoofd, maar we leren die woorden ook met ons hart. En zo veranderen die woorden ons hart en ons leven. 
Die woorden worden door het werk van de Heilige Geest in ons hart levend en krachtig. De Heilige Geest draagt ze in ons binnenste en ze scheppen leven in onze dood, ze ontsteken licht in onze duisternis en ze geven troost in ons verdriet. Doordat we van de Heere geloof krijgen in Zijn woorden. En daardoor een ander zicht op de Zaligmaker.

Je zegt: Hoe gaat dat dan?
Nou zo: dan blijven die woorden uit de Bijbel, uit de Schriften, geen woorden van letters alleen, die je lezen kunt. Maar door de Heilige Geest worden die woorden levend en krachtig. Ze doen iets!
En dat is nog zo. Die woorden doen iets met je, met je hart, met je leven. Die woorden zijn levend en maken levend.

En dat kan je weten. Als de Heere komt met Zijn woorden. Als Hij gaat spreken tot je ziel.
Dan doet dat kracht in je ziel. Dat zie je hier ook. Bij het zien van de tekenen van de littekens van de spijkers in Zijn handen en voeten, blijft er nog twijfel. Maar als de Heere de Schriften opent en hun hart opent, dan lees je niets meer van tegenspraak of twijfel.
Als de Heere zo spreekt door Zijn woord, dan klaart het duister van je hart op.
Dan wordt het licht, dan wordt het helder. Dan wordt het waar: in Uw licht zien wij het licht (Ps. 36:10).
Als de Heere zo spreekt door Zijn woord, dan overwint dat ook al ons ongeloof en al onze twijfel. Daar lees je hier dan ook helemaal niets meer van.
En als de Heere zo spreekt, dan verblijdt dat ook je hart. Als de Heere na zoveel bange tegenspoed van vrede gaat spreken tot je ziel. En je iets laat zien, iets leert (ja, want voelen is fijn, maar het gaat om onderwijs, het gaat om leren), als de Heere je iets leert van dat het moest. En dat Hij het ook gedaan heeft, voor mij.
Als de Heere zo in je leven gaat spreken door Zijn woorden (nogmaals, dat kun je weten!) dan vergeet je dat nooit meer. Zoals de dichter zegt: geen leed zal het ooit uit mijn geheugen wissen.

Die woorden van de opgestane Heere Jezus brengen de discipelen ook op een ander spoor in hun leven. Wat ze vroeger niet kenden, niet wisten, niet begrepen en ook niet wilden, dat wordt hen nu tot verwondering. En straks gaan ze erin roemen: in het kruis, in de opstanding!

Wat een wereld van verschil…
Eerst zeggen met Petrus: Dit zal U geenszins geschieden (Matt. 16:22).
En dan later met Paulus: Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld (Gal. 6:14).

En waar gaat die verandering vanuit? Van Wie?
Van Hem!
Hij komt. Hij spreekt. Hij opent hun verstand (vers 45) en dan verstaan zij, dan geloven zij de Schriften.
Zij komen achteraan, Hij gaat voorop. Met andere woorden: dit laat zo zien, dat alles bij Hem vandaan komt. Alles is en komt van God.

Zij en al Gods kinderen zijn van zichzelf blind. We hebben de Schriften wel, maar we begrijpen ze niet. En wat we lezen, kunnen we niet plaatsen en geloven we van onszelf niet. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 2: de natuurlijke mens begrijpt de dingen van de Geest van God niet.
Want niemand is van zichzelf in staat om de Schriften te verstaan, om werkelijk te geloven wat in de Bijbel staat. En niemand kan tot de Vader komen dan door Christus, dan door het werk van de Heilige Geest (Joh. 6:44).
We zijn van onszelf, zoals Paulus zegt in Efeze 2, dood door de zonden en de misdaden. Onbekwaam tot enig geestelijk goed, geneigd tot alle zonde, twijfel en ongeloof.

Totdat…, totdat de Heere Zelf komt. En door Zijn Heilige Geest gaat spreken met dit Woord. En die woorden met leven en kracht laat inwerken in het diepst van ons bestaan.
Hij opent ons binnenste. Hij wekt leven in onze dood. En vanaf dat moment houdt Hij niet op om ons te leren.
Wat? De inhoud van de Schriften. Hij werpt licht op de Schriften. Op woorden die je duizend keer gezien, gehoord en gelezen kan hebben. Woorden als dit woord:
Als een lam is Hij ter slachting geleid…
Door Zijn striemen is ons genezing geworden…
Want God heeft onze ongerechtigheden op Hem doen aanlopen…
Letters, woorden, maar nu ineens doen die woorden kracht. Nu bij het licht van de Heilige Geest zie ik dat dat moest. En dat Hij dat gedaan heeft, voor mij…

Maar hoe is dat mogelijk?
Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven; maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren.
Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn. Want indien wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven (Rom. 5:7-10).

Zie je dat alles in één keer? Geloof je dat alles in één keer? Ben je dan voor je leven lang voorzien?
Nee. Maar je weet het wel, als het licht doorbreekt in de nacht van je ziel. Als het licht doorbreekt, meer dan vroeger. Als je een helderder zicht hebt gekregen op de Zaligmaker. En Hij het door Hem gewerkte geloof vaster geworteld en gefundeerd heeft in de Schriften, in het Woord en in de betrouwbare beloften van het Woord.

Maar ook deze mannen, en al Gods kinderen, we blijven hier op de aarde leerlingen, discipelen. De zon gaat langzaam op. Niet in één keer. Het gaat stapsgewijs. Zoals de Spreukendichter zegt (4:18): Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe.

En dus bidden we blijvend: O, opgestane Heere, dat uw Geest ons ware wijsheid leer, ons oog verlicht, de nevels op doe klaren, dat onze ziel de wonderen zie en eer, die in Uw wet, die in Uw Woord, alom zich openbaren.

Nog even terug, jongens en meisjes, jongelui, naar het begin.
Waarom is de dienst van de Heere zo’n gelukkige dienst?
Hierom. Je zou verwachten dat de Heere Jezus, na alles wat de discipelen gedaan hebben, na alles wat wij gedaan hebben, zou denken: ‘Ik ben klaar met deze mensen. Ik heb het vaak genoeg geprobeerd, maar ze willen gewoon niet. Ze zijn gevlucht, ze hebben Mij verloochend, ze geloven niet dat Ik opgestaan ben…, Ik ben helemaal klaar met die mensen!’
En toch, ondanks alles wat wij gedaan hebben en nog steeds aan zonden doen, en ondanks dat de wortel van alle zonden in ons hart zit, toch is onze Heere en Zaligmaker zo niet.
Als ik daaraan denk, dan schaam ik me diep: ‘Heere, U bent zo goed, ik ben zo slecht.’
Maar dan weet ik me ook zo gelukkig: Hij noemt mij ondanks alles Zijn kind.

Hij houdt me altijd vast.
Ik vergeet Hem. Maar Hij vergeet mij niet.
Ik loop weg. Maar Hij zoekt me op en brengt me terug.
Ik zondig. Maar Hij laat het me zien en vergeeft het me.
Ik kan Zijn woorden maar niet geloven. Maar Hij geeft me geloof.
Hij heeft alles voor me gedaan. Niet één keer, maar dat blijft zo.

Met God, met de Heere Jezus, jongelui, heb je alles. Echt, alles!
Alsjeblieft, zoek God. Je zult Hem vinden.

Amen.