Verzoeking in woestijn · Lukas 4

Verzoeking in de woestijn
Preek Lukas 4:1-13: En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn. En werd veertig dagen verzocht van den duivel.

Thema preek Lukas 4: Verzoeking door duivel in woestijn

Hoe de duivel de Heere Jezus en ons probeert te verleiden tot zonde.
Bij elk van de drie verzoekingen kijken we steeds naar
1. het gevaar in de omstandigheden
2. de inhoud van de verzoeking
3. het antwoord van de Heere Jezus
En sluiten per onderdeel af met geestelijk lessen.

PDF LEESPREEK

Preek Lukas 4: Verzoeking in woestijn | Ds. J. IJsselstein
Preek Lukas 4: Verzoeking in woestijn | Ds. J. IJsselstein

Schriftgedeelte over Verzoeking in de woestijnLukas 4:1-13:
En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;
En werd veertig dagen verzocht van den duivel; en at gans niet in die dagen, en als dezelve geëindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste.

(Eerste verzoeking in woestijn) En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen, dat hij brood worde.
En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.

(Tweede verzoeking in woestijn) En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil;
Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.

(Derde verzoeking in woestijn) En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelven van hier nederwaarts;
Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen; En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken. En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijd.

Link bij preek Lukas 4: Drie verzoekingen door de duivel in de woestijn:
– Preek Lukas 5: De hemelse Dokter 
– Preek Markus 5: Bloed vloeiende vrouw
Zondares in huis Simon Farizeeër · Lukas 7
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 4

TERUG LUKAS

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over het gelezen Schriftgedeelte Lukas 4:1-13. We lezen in dat gedeelte van drie verzoekingen van de Heere Jezus door de duivel, en we gaan die verzoekingen één voor één met elkaar overdenken.
Het thema voor de preek is:
Hoe de duivel de Heere Jezus en ons probeert te verleiden tot zonde

Bij iedere verzoeking van de Heere Jezus letten we op een paar dingen.
a. We letten in de eerste plaats op het gevaar in de omstandigheden van de verzoeking.
b. In de tweede plaats letten we op de verzoeking zelf, op de inhoud ervan.
c. En in de derde plaats letten we op het antwoord, op de reactie van de Heere Jezus.
d. En uit dat alles proberen we voor onszelf geestelijke lessen te trekken.

1. Eerste verzoeking

We beginnen met de eerste verzoeking.
We lezen in vers 3: En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot deze steen, dat hij brood worde.
We bevinden ons in deze geschiedenis aan het begin van de aardse loopbaan van de Heere Jezus. Hij is zojuist (dat staat in Mattheüs 3) gedoopt door Johannes de Doper. Mattheüs schrijft: En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen. En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb! (3:16-17)

Jezus is gezonden, gestuurd door de Vader, maar nu ook aangewezen en bekwaam gemaakt door de Heilige Geest. En nu neemt de Heilige Geest Hem mee in de woestijn om verzocht te worden door de duivel (Mattheüs 4:1). De Heilige Geest wil laten zien, dat deze Christus sterker, veel sterker is dan al de macht van de satan.

Veertig dagen en veertig nachten heeft de Heere Jezus niet gegeten en niet gedronken. En nu heeft Hij heel veel honger.

We zouden als eerste kijken naar de gevaren in de omstandigheden van het moment. De Heere Jezus heeft honger. En als je echt honger hebt, jongens en meisjes, dan ben je als mens tot alles in staat.
De laatste Adam, zo wordt de Heere Jezus genoemd, heeft honger.
De eerste Adam (in het paradijs) had geen honger. En als hij al honger had, mocht hij vrij eten. En het paradijs stond vol.
Hier, bij de tweede Adam, de Heere Jezus Christus, is er alleen de wildernis, vol met stenen en zonder eten.
En daarbij, voor de Heere Jezus is het (zo zouden wij zeggen) ‘een koud kunstje’ om een wonder te doen.
Gevaarlijk moment…, tenminste, dat zou het voor ons zijn.

Wat is eigenlijk de inhoud van deze eerste verzoeking? Als de duivel zegt: ‘Indien U Gods Zoon bent, zeg dan tot deze steen, dat hij brood wordt?’
Als U de Zoon van God bent… Ja, want dat is pas wel gezegd uit de hemel, ‘deze is Mijn geliefde Zoon’, nou dan (uitdagend!), als dat dan zo is…
Het doet denken aan wat de duivel later de omstanders bij het kruis in de mond legt: Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis (Mattheüs 27:40).
Indien U (uitdagend!) Gods Zoon bent, zeg dan tot deze steen dat hij brood wordt…!

Wat zou er gebeurd zijn, als de Heere Jezus dat ook echt had gedaan? Als Hij tegen een steen had gezegd: ‘Word brood?’ Wat zou er dan gebeurd zijn?
Een paar dingen. Dan had Hij kennelijk meer vertrouwen gehad in de duivel, in Zijn Eigen zorg en Eigen methoden, dan in de zorg van Zijn hemelse Vader.
Je voelt trouwens ook in de verzoeking van de duivel, dat de duivel boven de Heere Jezus wil staan. Als de Heere Jezus doet wat de duivel vraagt, dan is de Heere Jezus, als de Zoon van God, aan de duivel gehoorzaam. Dan staat de Heere Jezus dus echt toe, dat de duivel boven Hem staat.

En dus is het antwoord van de Heere Jezus, in vers 4: Er is geschreven (dat staat in Deuteronomium 8:3), dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.
Met andere woorden: ‘Duivel, ik houd me aan Gods woorden. Ik sta onder Gods wet.
En daarbij: je doet alsof een mens niet zonder brood kan, maar brood is niet het allerbelangrijkste. Het Woord van God, dat is het brood des levens. En bij gebrek aan gewoon brood, zal Mijn Vader ongetwijfeld manna uit de hemel kunnen laten regenen, om Mij eten te geven.’
‘Duivel, Ik ga geen deal met je sluiten. Want een wonder is niet een kunstje om indruk te maken of om jezelf te helpen, maar alleen om het Woord van de Heere God te bevestigen.
Ik vertrouw op Mijn Vader.’
Dat is eigenlijk wat de Heere Jezus zegt: ‘Ik vertrouw volledig op Hem, die zojuist gezegd heeft: deze is Mijn geliefde Zoon!’
Dat is het antwoord van de Heere Jezus op deze verzoeking.

Welke lessen, welke geestelijke lessen liggen hier eigenlijk in?
a. Laat we als eerste opmerken dat de Heere Jezus ondanks hevige honger (niet vergeten: Hij was mens!), dat Hij ondanks hevige honger niet valt in de strik van de satan. Zijn omstandigheden zijn vele malen zwaarder als die van de eerste Adam! Die werd ook verleid om te eten. Maar de Heere Jezus, hoewel Hij veertig dagen en nachten niet gegeten en gedronken heeft, Hij blijft staande. Hij doet wat de eerste Adam niet deed en wat wij ook niet zouden doen: Hij blijft staande in deze verzoeking!
Wat een geschikte Middelaar, wat een geschikte Zaligmaker is de Heere Jezus Christus dan toch voor mensen zoals Adam, en voor adamskinderen. Zijn openbare optreden begint onder de moeilijkste omstandigheden met… gehoorzaamheid, in de plaats van een ongehoorzaam volk.
Wat een geschikte Zaligmaker, die niet alleen Zelf staande gebleven is in de verzoeking, maar die ook met dat Hij staande bleef, als Borg en Middelaar, het recht en de genade voor Zijn volk verdiende om hen staande te houden in hun verzoekingen en hen op te rapen na hun vallen in de strik van de verzoeking door de satan.
b. Er ligt in deze eerste verzoeking ook nog een tweede les. Gods kinderen kunnen ook in vergelijkbare omstandigheden in verzoeking gebracht worden (zie Handelingen 27:33). Ook wij kunnen in moeilijke omstandigheden gebracht worden, waarin de duivel ons probeert te verleiden.
Om…? Bijvoorbeeld om oneigenlijke en verkeerde middelen te gebruiken; of om ons te brengen tot wantrouwen wat betreft Gods goede zorg; of om ons te brengen tot twijfel aan Zijn Woorden, en uiteindelijk zelfs ook tot twijfel aan ons kindschap (Hebreeën 12:5). Maar, kinderen van God, als de Heere nu gezegd heeft: Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Psalm 32:8), Ik zal voorzeker met u zijn (Exodus 3:12), Ik ben met ulieden al de dagen (Mattheüs 28:20), zijn dat dan onvaste woorden? Zijn dat dan woorden om aan te twijfelen?
Denk eens aan wat de Heere Jezus zegt in Mattheüs 6: Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat u al deze dingen behoeft (6:31-32). En daarbij: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle Woord Gods. Wentel dan uw weg op de HEERE, en vertrouw op Hem, en op Hem alleen, Hij zal het maken (Psalm 37:5).

Wij gaan verder met de tweede verzoeking van de Heere Jezus, maar we gaan samen eerst zingen uit Psalm 55, daarvan het 13e vers.
Zo zacht als olie is zijn spreken;
Maar spies noch zwaard kan scherper steken.
Mijn ziel, God zal u onderhouden;
Werp uwe zorgen op den HEER;
Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer,
Dat die Hem vrezen, wankelen zouden.

2. Tweede verzoeking

We gaan verder met de tweede verzoeking, althans de tweede verzoeking volgens de rangschikking van de evangelist Lukas, wat de evangelist Mattheüs houdt een iets andere volgorde aan.
We lezen in Lukas 4, vers 5, 6 en 7: En als Hem de duivel geleid had op een hoge berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil; Indien U dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.
Ik ga vanmorgen in de preek voorbij aan allerlei vragen als: hoe heeft de duivel dit precies gedaan? En waar is hij, en hoe neemt hij de Heere Jezus mee?
We gaan net als bij de eerste verzoeking kijken naar onze vier punten, naar het gevaar van de omstandigheden in de verzoeking, naar de inhoud ervan, naar het antwoord van de Heere Jezus erop, en naar de geestelijke lessen die we daaruit kunnen trekken.

Als eerste dus: wat is het gevaar in deze verzoeking, en vooral in de omstandigheden van het moment van de verzoeking?
a. Het eerste gevaar is, dat het op het eerste gezicht helemaal geen verzoeking lijkt. Wij zouden geneigd zijn om met een glimlach onze schouders op te halen. Want de duivel is toch niet de hoogste eigenaar en bezitter van deze wereld? De schrijver van de Hebreeënbrief zegt later toch dat God Christus gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft (Hebreeën 1:2, zie ook Psalm 2:8)?
En heeft de Heere Jezus ook Zelf niet gezegd: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde? (Mattheüs 28:18)
Dit lijkt op het eerste gezicht ongevaarlijk, maar dat is het niet…!
b. Want er is nog een tweede gevaar: de duivel laat eerst iets zien… Voordat hij iets zegt, laat hij iets zien… En zonde begint altijd met zien, met kijken.
Zo begon het ook in het paradijs bij Eva, bij Adam, bij de eerste Adam. Ze zagen, ze begeerden, en toen pas aten ze.
En nu de tweede Adam! ‘Kijk, al de koninkrijken!’ En hij, de duivel, toonde Hem al de koninkrijken der wereld.
Maar let op het wonder: Hij kijkt, maar Hij begeert niet. Hij blijft staande!
c. En er is ook nog een derde gevaar. De duivel laat iets heel groots zien (al de koninkrijken van de aarde), en hij vraagt als antwoord van de Heere Jezus iets heel kleins: ‘Buig één keer Uw knie voor mij.’
Het voelt als een heel groot aas, met diep verstopt daarin een heel klein, maar gevaarlijk, dodelijk haakje.

Want, wat is in de tweede plaats de inhoud van deze tweede verzoeking: We lezen het in vers 6 en 7: En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, (aan) wie ik ook wil. Indien U dan mij zult aanbidden, zo zal het alles van U zijn.
‘Jezus, luister, dit is de kortste weg naar de kroon, dit is de kortste en snelste route naar Uw Koninkrijk! Zie toch af van die moeilijke weg van lijden en sterven. Eén knieval en U bent er! U kunt de kroon krijgen, zonder het kruis!’
En denk niet, gemeente, dat dit een lichte verzoeking geweest is. Later zucht Heere Jezus biddend in Gethsémané: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! Doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk U wilt (Mattheüs 26:39, zie ook
Lukas 12:50).
Dit is een verzoeking gericht aan het ambt van de Heere Jezus als Hogepriester. Wilt U sterven als Messias, onder intens lijden aan ziel en lichaam, of wilt U leven als Koning? Onder mij…?

Wat is in de derde plaats het antwoord van de Heere Jezus hierop?
We lezen het in vers 8: En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven (in Deuteronomium 6:13): U zult de Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen. ‘Satan, iedereen behoort de Heere God te dienen. En niemand behoort de knie voor u te buigen. En Ik volg vrijwillig en van harte het spoor dat de Vader Mij wijst, om als de eniggeliefde Zoon van de Vader te weg te volgen van lijden en sterven. De eerste Adam boog weliswaar voor u, maar Ik zal als de tweede Adam staande blijven, Ik zal niet voor u buigen. Ik zal God en God alleen dienen.’

We letten in de vierde plaats op wat wij allemaal, en in het bijzonder ook Gods kinderen, daarvan kunnen leren. Wat is de geestelijke les van deze verzoeking?
Dit: Als de duivel ons tot zonde wil verleiden, laat hij ons vaak eerst iets zien. Niet voor niets heeft Johannes het later over de begeerlijkheid der ogen (1 Johannes 2:16).
Dat(!), dat zien met de ogen, verstrikte Eva, het verstrikte Dina, de dochter van Jakob, en later Achan, en Simson, en David, en Ananias en zoveel anderen.
De duivel laat ons vaak, (zonder iets te zeggen!), hij laat ons vaak iets zien, iets van het mooie van deze wereld en van deze tijd.

Denk maar aan de rijke man. Hij zegt, nadat de duivel hem influistert: En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! (kijk toch eens om u heen!) u hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk (Lukas 12:19).
Denk maar aan Demas, over wie Paulus aan Timotheüs schrijft: Want Demas heeft mij verlaten, hebbende (al om zich heen kijkend) de tegenwoordige (de zichtbare) wereld lief gekregen, en is naar Thessalonica gereisd (2 Timotheüs 4:10).
Hij laat ons vaak het mooie van deze wereld zien, tegenover de moeite van de dienst van de Heere. Hij zegt: ‘Wat wil je nou?’
Liever alles krijgen toch? In plaats van jezelf verloochenen.
Liever de heerlijkheid van de wereld toch? In plaats van afzien en minachting.
Liever de begeerlijkheid van je ogen toch? In plaats van geloven in wat je niet ziet, in plaats van het verwachten van loon, dat straks pas uitbetaald wordt; als je het al ooit krijgen zult…!

En daarbij belooft de duivel veel meer dan dat hij kan waarmaken. Want hij heeft niet alle macht! En dus zijn zijn beloften vals. Hij kan niet eens geven, wat hij belooft. Denk maar aan zijn belofte aan Eva: u zult als God zijn (Genesis 3:5). Maar wat komt er van terecht? Dit, wat staat in Psalm 49: de mens is als de beesten die vergaan (Psalm 49:12).
En al zou hij kunnen waarmaken wat hij belooft, wat is dan nog de winst in het krijgen van de vervulling van zijn beloften? Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel (Mattheüs 16:26)?

Wat moeten we doen, om deze verleidingen en deze verzoekingen te weerstaan? Gebruik maken van het geestelijke wapen van het Woord van God, zoals de Heere Jezus doet. Zeggen: Er staat geschreven.
Gebruik maken van het geestelijke wapen van het gebed, bidden dat onze ogen anders gericht zullen worden. Denkend aan wat Paulus schrijft in 2 Korinthe 4: Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. (2 Korinthe 4:18).
Denkend aan wat dichter van Psalm 119 zegt: Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien (Psalm 119: 37).
We gaan het zingen uit de berijmde versie van Psalm 119, daarvan het 19e vers en daarna gaan we verder met de overdenking van de derde verzoeking.
Wend, wend mijn oog van d’ ijdelheden af;
Verlevendig mijn hart door Uwe wegen;
Dat mij ’t betreden dier paden vreugd verschaff’.
Bevestig toch aan Uwen knecht den zegen,
Waartoe Uw woord hem blijde hope gaf;
Hij is oprecht tot Uwe vrees genegen.

Gemeente, we overdenken vanmorgen de drie verzoekingen van de Heere Jezus door de duivel. Steeds lettend op het gevaar in de omstandigheden van de verzoeking, op de inhoud van de verzoeking zelf, en op de reactie, het antwoord van de Heere Jezus. En daaruit proberen we geestelijke lessen te trekken.

3. Derde verzoeking

Laten we gaan kijken naar de derde verzoeking. Lukas plaats deze verzoeking in zijn opsomming op de derde plaats, omdat Lukas in zijn stijl van schrijven altijd een spits richt op de tempel, zoals ook blijkt uit het laatste vers van zijn Evangelie (Lukas 24:53).
Laten we eerst de verzen 9, 10 en 11 samen lezen: En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelf van hier nederwaarts. Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen. En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat U Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.

Hoe het precies gegaan is, dat weten we niet. Of de duivel de Heere in gedachten of werkelijk meenam naar Jeruzalem, dat laten we nu rusten.
Er staat: hij stelde Hem op de tinne des tempels. Deze plek is waarschijnlijk het dak van de zuilengang van Salomo, van waar je naar beneden kon kijken in het diepste ravijn naast de Tempelberg, in het Kidrondal, een duizelingwekkende hoogte van 150 meter.

Wat is eigenlijk het gevaar in de omstandigheden van deze verzoeking?
Dat is het uitdagende! Zoals de duivel je nog steeds bijna van de steilte kan afduwen met woorden als: ‘Doe het dan, als je durft? Heb je soms het lef niet?’ Of, vriendelijker: ‘Heb je het vertrouwen soms niet? Dit is de kans om je te bewijzen. Om te bewijzen wie je bent en wat je kunt…’
Het raakt aan ons gevoel om onszelf te bewijzen. En dat doen wij, zondige mensen, zo graag.

Wat is eigenlijk de kern, de inhoud van deze verzoeking?
Een aantal dingen vallen op:
a. Het eerste wat opvalt is dat de duivel weer een unieke kans aan de Heere Jezus schetst om te laten zien Wie Hij is. Dat zou toch geweldig zijn, als Hij gedragen zou worden op engelenvleugels, en zo, vanaf het dak van de tempel naar beneden zou zweven! De mensen beneden zouden Hem zonder twijfel als de Messias kronen, zonder kruis…!
Of Hij zou (want de duivel gelooft Gods woorden niet!), of Hij zou op de grond te pletter vallen…
En dus hoe het ook zou gaan, Zijn werk als Zaligmaker zou mislukken.
b. Het tweede wat opvalt, is dat de duivel weer het vertrouwen van de Heere Jezus op Zijn Vader uitdaagt.
Maar dit keer anders. Hij gebruikt daarbij nu Gods Eigen Woord. Hij zegt als het ware:
‘Uw Eigen Vader heeft het toch Zelf zo gezegd? Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen. En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat U Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot. Dat heeft Uw Eigen Vader toch gezegd? Nou dan, waag de sprong! Probeer het maar! Doe het experiment maar!’
c. En het derde wat opvalt is dat de Heere Jezus eerder Zelf een beroep heeft gedaan op het zwaard van Gods Woord, maar dat de duivel nu datzelfde zwaard ook pakt. Hij verandert zich in een engel des lichts (2 Korinthe 11:4). Hij pakt de Bijbel, doet hem open, bladert naar het Psalmenboek en wijst de Heere Jezus op Psalm 91: Er staat geschreven…

Maar, en daar(!) zit de verzoeking: er gaan twee dingen mis.
In de eerste plaats dit: De duivel citeert het Woord van God niet goed en niet compleet. En dat is precies hetzelfde als wat de duivel deed in het paradijs bij Eva. Bij Eva voegde hij aan het Woord van God iets toe, maar hier laat hij iets weg.
Want Psalm 91 zegt dat Hij Zijn engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen in al uw wegen. En dat laatste, dat laat de duivel weg. Dat ‘in al uw wegen’, wat betekent: op al uw goede wegen, in de wegen van het gaan in het spoor van Mijn Woord.
De duivel citeert de Bijbel niet goed en niet compleet, en hij maakt er in de tweede plaats ook nog verkeerde toepassing bij.

En dat horen we ook terug in het antwoord van de Heere Jezus.
Er staat in vers 12: En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.
Satan, jij, ik, wij mogen de Heere niet verzoeken. Wat dat betekent?
Dat betekent, dat je niet mag proberen te testen of te toetsen, dat je niet uit mag proberen of het Woord van God wel of niet waar is.
Je mag best wel, net als Gideon, een bevestiging vragen bij het Woord van God. Maar je mag niet uit wantrouwen proberen uit te testen of God al dan niet de waarheid spreekt. Zoals Israël dat wel deed bij Massa en Meriba in de woestijn. Daar verzocht Israël de Heere, toen het zei: Is de Heere in het midden van ons, of niet? (zie Exodus 17:7).
Dus, dit verzoeken is: uitproberen of het wel waar is, wat de Heere zegt!
De belofte van Psalm 91 is wel waar, maar de toepassing die de duivel ervan maakt, is verkeerd. Dit is geen uitnodiging voor een experiment, maar een uitnodiging tot vertrouwen. En bij dat vertrouwen hoort het gaan in Gods weg. Bij dat vertrouwen hoort het gehoorzaam zijn aan de Heere.
Die twee dingen staan hier dus lijnrecht tegenover elkaar: de duivel gehoorzamen en God uitproberen, of: gehoorzaam gaan in Gods weg en gehoorzaam zijn aan Zijn gebod, en op Hem vertrouwen. Dat laatste, dat is de echte inhoud van Psalm 91.

Ook in deze derde verzoeking liggen voor ons allemaal, en in het bijzonder voor Gods kinderen, geestelijke lessen. Deze vooral:
a. De Heere Jezus staat op de rand van het tempeldak. ‘Spring!’, zegt de duivel.
Maar het geloof zegt: ‘Nee, er is ook een trap om beneden te komen.’
Kennelijk heeft de Heere niet de voorkeur voor een spectaculair wonder. Hij kan Zijn openbare dienstwerk beginnen met een geweldig wonder, maar Hij doet het niet. Hij begint met preken. En de wonderen die Hij straks gaat doen, doet Hij alleen maar om Zijn woorden te bevestigen en kracht bij te zetten.
b. Het is in de tweede plaats ook goed om te weten wat de duivel hier eigenlijk op het oog had. Dit: ‘Spring, Uw hemelse Vader zal U toch niet kunnen redden.’ Dus: ‘Spring en val te pletter in het Kidrondal.’
Hadden we daar maar meer oog voor: de duivel heeft maar één ding op het oog, onze dood! En niets meer!
c. En de derde les in deze verzoeking is: de duivel speelt met het Woord.
En dat doet hij nu nog steeds! Hij citeert Bijbelteksten, maar altijd selectief, en altijd net iets anders dan bedoeld, en altijd met een verkeerde toepassing. De duivel zegt niet: ‘Zoek de Heere, bid, klop! Doe het! En houd vol!’ Nee, hij verdraait de Schriften.
Laat ik een voorbeeld noemen. Als de Heere zegt in Jeremia 3:14: Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion, dan zegt de duivel: ‘Zie je wel, er zijn er maar weinig. Maar één uit [plaatsnaam], hooguit twee uit een familie… Pechvogel, er zijn er al twee in je familie!’
Goed geciteerd, maar verkeerd uitgelegd en verkeerd toegepast. Want de Heere bedoelt te zeggen: al was u de enige in heel [plaatsnaam], Ik zal u zeker aannemen. En al was er in uw familie maar één, Ik wil u zeker als de tweede aannemen.

Gemeente, de duivel vindt het prima dat je de Bijbel in je hand hebt, en er iedere dag een beetje in bladert of leest. En hij fluistert je ook nog in: ‘Vraag maar aan de Heere of Hij je wil bekeren. Of Hij het echt wil… U zult het vanzelf wel zien, of Hij het wil of niet…’
Is dat, op die manier, een Bijbels gebed? ‘Heere, wilt U mij bekeren? Wilt U dat eigenlijk wel, of wilt U dat misschien toch niet?’
Nee, dit is een Bijbels gebed: ‘Heere, doe het toch! Bekeer me toch, dan zal ik bekeerd zijn! Want het ligt niet aan U en aan Uw wil, maar het ligt aan mij en aan mijn hart!’

Laat ik u een ander voorbeeld geven. De duivel vindt het prima als u uw kinderen laat dopen. Als u ze maar niet gaat opvoeden in de dienst van de Heere.
De duivel vindt het prima als u aan tafel vraagt om genade, als u deze genademiddelen maar niet gebruikt: het verborgen gebed, stil Bijbellezen en biddend luisteren naar het Woord.
Het is eigenlijk allemaal meer van hetzelfde. God toetsen (bent U wel betrouwbaar?), maar niet in Zijn wegen wandelen.
En dan uiteindelijk denkt u of zegt u: ‘Ik heb heel veel gebeden ‘wilt U het doen, Heere?’, maar U bleek toch niet betrouwbaar. U hebt me bedrogen.
U zei wel: bid, en u zult ontvangen, maar ik heb nooit iets gekregen. U zei wel: zoek, en u zult vinden, maar ik heb nooit iets gevonden. U zei wel: klop, en u zal opengedaan worden, maar er is nooit iets gebeurd.’
En dus denkt u of zegt u: God bleek toch niet betrouwbaar.

U vergist u! U bent gefopt, u bent bedrogen door de duivel!
Want die zei: ‘Probeer het maar uit, dan zult u zien of het waar is of niet…, dan zult u zien dat het niet waar is… En dus bad u: Heere, wilt U me wel echt bekeren. Of niet…?

Maar zo zegt de Heere, en dat heeft de satan altijd verzwegen: Ik heb geen lust aan de dood des stervenden, spreekt de HEERE Heere, daarom bekeert u en leeft
(Ezechiël 18:32). Ik, de Heere, wil wel, maar u wilt niet.
En u laat u bedriegen, u laat u eindeloos bedriegen door de satan, die een mensenmoordenaar is van de beginne…!

4. Conclusies

Laten we tot slot nog een aantal conclusies trekken uit deze geschiedenis.
a. Deze geschiedenis laat in de eerste plaats zien, kinderen van God, de trouw van onze Zaligmaker. Hij was getrouw in alle dingen, in al de dingen die de Vader Hem had opgedragen (Hebreeën 3:1-6).
Wat een geschikte Zaligmaker. Zelf bleef Hij staande in al deze verzoekingen. Maar met dat Hij staande bleef, verdiende Hij als Borg en Middelaar ook de kracht, de genade en de garantie voor ons, om ons in onze verzoekingen staande te houden, als ook de verzoening voor al onze zonden in struikelen en in vallen.

b. Dat ook Hij verzocht werd, mag ons in de tweede plaats tot grote troost zijn. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebreeën 4:15).

c. In de derde plaats: Jezus wilde geen kroon zonder kruis.
Dat is wat de duivel ons voorhoudt: de kroon, zonder kruis. Maar onze Meester heeft eerlijk gezegd, dat onze weg een weg zal zijn van veel verdrukkingen.
Hij geen kroon zonder kruis?
Dan zullen ook wij de kroon niet behalen zonder kruis en lijden.

d. Laten we in de vierde plaats altijd biddend oog hebben voor de listen van de satan. De duivel presenteert de zonde als een lekker aas aan een (verstopte) vishaak, als gif in een gouden beker. Het bagatelliseert de ernst van het kwaad, als hij zegt dat de beste mensen ook weleens zonde doen. Dan moedigt hij ons aan om het te durven, om te denken dat we het kwaad uiteindelijk best wel aankunnen:
Ga gerust mee met wereldse vrienden, jij bent sterk!
Sla gerust een zondag over, jij kan dat wel hebben!
Drink gerust, jij kan gaan tot de grens!
Kijk gerust films vol seks en geweld, dat zal jij heus nooit doen, jij hebt jezelf goed in de hand!
En ondertussen vergeten we wat Paulus zegt in Efeze 6: Wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (6:12).

En dus, gemeente, kan ik en u en mezelf, ja iedereen, tot slot niet anders dan deze raad meegeven:
a. Blijf ver van de zonde, op grote afstand ervan.
Het is een besmettelijk kwaad, besmettelijker dan het coronavirus. Speel niet met het aas, waarmee de duivel u als een vis wil vasthaken. Hij zal u nooit meer willen loslaten.
b. Bedenk dat de zonde niet alleen zoet is, maar ook bitter.
De zonde is aanvankelijk zoet, maar eenmaal vastgehaakt aan de vishaak van de duivel, verandert hij al snel in schaamte, verdriet, innerlijke kwelling en angst (Job 20:12-14).
c. Bedenk dat de zonde een gevaarlijk tovermiddel is.
De zonde is als wie Delila was voor Simson. Ze kuste hem, en liet hem doden. De zonde kust uw ziel, maar bedriegt u ondertussen voor de eeuwigheid.
d. Bedenk dat het verlies wat u door de zonde leidt, groot is.
De zonde heeft ons in het paradijs het leven en de gunst van de Heere laten verliezen. En wie doorgaat op het pad van de zonde verliest straks voor eeuwig de onuitsprekelijke en heerlijke vreugde en de volheid van de glorie en de hemelse vrede bij God.

Wie de duivel volgt, verliest God, Christus, de hemel en uiteindelijk zijn eigen ziel. Maar wie God vindt, die vindt het leven. Want deze Christus, over Wie het vanmorgen ging, die is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij is de enige Weg terug, naar God toe.

Nu dan, zegt Jozua: Kiest u heden, wie u dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen de HEERE dienen! (Jozua 24:15).

Want, zo zegt Mozes, want, zo zegt de meerdere Mozes: U zult de HEERE, uw God, vrezen, en Hem (alleen) dienen (Deuteronomium 6:13).

Amen.

Slotzang Psalm 95:5:

Verhardt u niet; neemt Zijn genâ
Ootmoedig aan”. “Laat Meriba,
Laat Massa u ten afschrik wezen,
Waar ‘k door uw vaders ben verzocht,
Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,
Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.