Liefgehad tot het einde – Johannes 13 – voorbereiding

Zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde

Preek Johannes 13:1: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.

Liefgehad tot het einde
ds. J. IJsselstein – Johannes 13:1 – Voorbereiding Heilig Avondmaal (deel 1)
 
Liturgie:
Psalm 89:3
Psalm 89:14
Lezen Johannes 13:1-7
Psalm 27:1,5,7
Voorzang Psalm 18
Psalm 89:7

Gemeente, en ik zeg dit vooral tegen u, kinderen van God, als voorbereiding op de komende bediening van het Heilig Avondmaal, is het goed dat we allemaal in deze week veel in stilte nadenken over het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus.
Dat zal ons meer dan ooit confronteren met de ernst van onze zonden en met onze ontrouw tegenover de Heere.

Het zal ons meer dan ooit iets en meer laten zien van Zijn onbegrijpelijke liefde en trouw. En het zal ook meer dan ooit ons hart laten ontvlammen in liefde, in terugliefde, in wederliefde tot Hem.
En, onbekeerde vrienden, het kan zelfs je harde hart breken.
 
Om u en mezelf mee te nemen in dat denken aan het lijden van onze Heere Jezus Christus, preek ik u vanmorgen met Gods hulp over Johannes 13:1, met het accent op het tweede deel van dat vers. Ik lees u voor Johannes 13:1:
En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.

Met in de preek het accent dus op deze woorden:
Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
 
Het is donderdagavond. De tekst zegt: En voor het feest van het pascha.
Het is de donderdagavond voor Goede Vrijdag.
Vanavond zal het pascha gehouden worden.
Vannacht zal de Heere Jezus gevangengenomen worden.
En morgen zal Hij veroordeeld worden tot de dood en gekruisigd worden.
 
Het is de avond van het pascha. Waarin zoals ieder jaar, iedereen herinnerd zal worden aan de verlossing uit de slavendienst in Egypte. Het is de avond waarin het paaslam geslacht zal worden, zoals destijds in het land Gosen.
Als God het bloed zag, gestreken aan de posten van de deuren van het huis, dan ging de verderfengel voorbij.

Maar nu, al die oude ceremoniën gaan voorbij. Nu zal het enige, echte Paaslam geslacht gaan worden: de Heere Jezus Christus Zelf.
En Zijn bloed zal (schrijft Johannes later) reinigen van alle zonde (1 Joh 1:7).
En vóór dat paasfeest, staat er, voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was…
Jezus weet het: Zijn uur is gekomen.

Heel vaak heeft Hij gezegd (zoals bij de bruiloft in Kana, en ook daarna): Mijn uur is nog niet gekomen (Joh. 2:4). Maar nu wel. Nu is Zijn uur wel gekomen.
Hier heeft de Heere Jezus naar uitgezien, naar uitgekeken, naar verlangd en op gewacht. Op dit uur, waarin de Vader Hem verheerlijken zal door de weg van Zijn bittere lijden aan het kruis.
 
Het uur (zegt de tekst), dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader.
Dat uur wordt dus niet Zijn einde, maar het wordt Zijn ‘overgaan’ tot de Vader.
Nu nog leeft Hij in deze wereld, die vol is van zonde en vijandschap tegen God.
En dat moet Hem dag in dag uit pijn gedaan hebben. Dat heeft Zijn rechtvaardige ziel gekweld. Maar de vreugde, de blijdschap schittert Hem tegemoet!
Nu zal Hij door de dood heen weer overgaan tot de Vader. Met Wie Hij van eeuwigheid was, in hemelse heerlijkheid en glorie.
 
Dus, wat staat er (kijkend naar de tekst)?
a. Het is donderdagavond, voor het eten van het pascha.
b. De Heere weet dat Zijn uur gekomen is, dat Zijn diepste lijden nu zal beginnen.
c. En dat Hij zo zal overgaan, dat Hij zo zal teruggaan naar Zijn Vader.
Alzo (de zin gaat verder): Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
 
Over die laatste zinsnede gaat de preek van vanmorgen.
Het thema voor de preek is:
     Liefde tot het einde
 
Er zijn twee aandachtspunten:
     1. Wie en waar zij zijn
Namelijk de Zijnen (zij, die van Jezus zijn), die in de wereld waren.
     2. Wie en hoe Hij is
NamelijkJezus, Die hen liefgehad heeft tot het einde.
Als eerste dus:
 
1. Wie ze zijn, en waar ze zijn
De Zijnen
Wie zijn het, die straks met de Heere aanzitten bij de instelling van het Heilig Avondmaal?
Wie zijn het, die de Heere volgende week nodigt tot de bediening van het Heilig Avondmaal?
De Zijnen, Zijn discipelen.
 
a. De Zijnen. Want (als eerste) God de Vader Zelf had ze uitverkoren, uitgekozen, voor alle dingen. Zelfs voordat er iets van hen begon te leven.
Voordat de aarde gemaakt was. Voordat de zon, de maan en de sterren hun licht verspreidden.
In de eindeloze eeuwigheid daarvoor had de Vader hen verkoren. Uitverkoren in Hem
(in Christus), voor de grondlegging der wereld (Ef. 1:4).
De Zijnen, door onbegrijpelijke, eeuwige verkiezing. 
Niet om iets in hen, maar uit vrije gunst die eeuwig God bewoog.
 
Ze worden genoemd: de Zijnen.
Want God de Vader Zelf had ze uitverkoren. En ze aan Christus gegeven.
Zoals de Heere Jezus even later bidt (in Johannes 17:6): Zij waren Uw, en U hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.
 
Kinderen van God, overdenk het deze week in stilte: We zijn (onbegrijpelijk!) van eeuwigheid af ‘de Zijnen’, uitverkoren door de Vader, gegeven aan Christus.
 
b. De Zijnen. Want (als tweede) Christus had ze gekocht.
In de belofte, toen Hij zei: Zie, Ik kom (Ps. 40:8).
En Hij gaat ze nu kopen met de prijs van Zijn kostbare bloed.
 
Kinderen van God, overdenk het in deze week in stilte: Christus heeft Zijn gemeente liefgehad, en Zichzelf voor haar overgegeven. We zijn duur gekocht. Niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, maar met Zijn kostbare bloed.
De Zijnen. Het gekochte eigendom van Christus.
 
c. De Zijnen. Want (in de derde plaats) Hij was het Zelf, Die ons door Zijn Heilige
Geest geroepen heeft.
Want Hij was het Zelf, Die ons door Zijn Heilige Geest opwekte uit onze geestelijke dood. Zoals Paulus schrijft in Efeze 2: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden; in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid (Ef. 2:1-2).

Want Hij was het Zelf, Die ons door Zijn Heilige Geest riep uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht. Zoals Paulus schrijft in Efeze 5: Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.

Want Hij was het Zelf, Die ons door Zijn Heilige Geest trok uit deze tegenwoordige wereld. Zoals Paulus schrijft in Galaten 1: Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader (Gal. 1:4).
 
Kinderen van God, overdenk het in deze week in stilte: Het was de Heere Zelf, Die ons trok uit ons vorige bestaan, met koorden liefde. En Die ons tot Hem bracht.
De Zijnen, het geroepen eigendom van Jezus Christus.

Zoals de Heere Zelf deze discipelen tot Zich geroepen heeft. Eenvoudige vissers, ongeleerd, onwetend. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 1: Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen (1 Kor. 1:27).
Weggeroepen van hun vissersschepen, bij hun netten vandaan gehaald, meegenomen uit het tolhuis.
 
Hadden zij Jezus gezocht? Nee, Hij had hen gezocht.
Denk, kinderen van God, er deze week over na: Hoe en waar de Heere u vond. Wie u voorheen was. Waar de Heere u vandaan gehaald heeft.
En u zult ongetwijfeld met mij moeten onderschrijven, wat de Heere zegt in Jesaja 65:
Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik (Jes. 65:1).
 
Hoort u, persoonlijk, bij ‘de Zijnen?’
Hoort u bij dat duur gekochte eigendom van Jezus Christus? 
Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 6: Dat u niet van uzelf bent, maar van Hem? Want u bent duur gekocht? (1 Kor. 6:20)
 
Geliefde gemeente, jongeren, volwassenen, ouderen. Wilt u daar deze week ernstig over nadenken? Want dit (en niets anders) is bepalend voor uw leven nu en voor uw toekomst straks.
Bent u van uzelf? Draagt u nog steeds zelf de last van uw eigen schuld? Of bent u eigendom geworden van de Heere Jezus Christus? Heeft Hij uw schuld overgenomen?
                          
Geef eerlijk antwoord op deze vraag, geliefde gemeente.
Want hier ligt de verborgen scheiding in het midden van de gemeente. Die in de dag van het gericht openbaar zal komen, als u met mij voor God zult staan.
U moet het weten! U mag niet in onzekerheid doorleven!
De dingen van het gewone leven wilt u netjes voor elkaar hebben. U hebt uw zaken goed geregeld. Hoe staat het met uw ziel?
 
Discpelen van de Heere Jezus Christus, kinderen van God, overdenk het deze week, mediteer er in stilte over. Over het onbegrijpelijk wonder dat God ons liefgehad heeft met een eeuwige liefde. Over dat Christus Zijn leven voor ons gegeven heeft. Over dat de Heilige Geest ons getrokken heeft uit deze tegenwoordige wereld.
Het zal zonder twijfel ons hart vernederen: Heere, hoe is het mogelijk, dat U mij liefhad, zocht en trok?
Het zal zonder twijfel ook ons hart in wederliefde laten ontvlammen: Heere, nu U dat voor mij deed, nu zal ik U hartelijk liefhebben, Heere, mijn sterkte.
        
En dat terwijl u (en dat weet de Heere) leeft en woont en werkt in omstandigheden, die misschien wel heel moeilijk zijn.
Want hoe noemt Heere Zijn kinderen? De Zijnen, die in de wereld waren.
In deze wereld, vol van zonde, vol van haat tegen God. Vol van verleiding, vol van dingen die aan ons hart trekken. Vol van aanvechting door de duivel, vol van moeite en verdriet. Thuis misschien, op ons werk, op school, in de kerk…
Wat toch wel de wil van onze goede Heere en Zaligmaker is. Die bad immers in Johannes 17: Ik bid (U, Vader) niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart van de boze (Joh. 17:15).
 
Maar we leven, kinderen van God, geliefde medechristenen, midden in die wereld onder Vaderlijke bescherming, bewaring en vertroosting.
En één van bijzonderste middelen, die de Heere gebruikt om onze zielen te troosten, te bewaren en meer zekerheid te geven van dat ‘van Hem zijn’, is het sacrament van het Heilig Avondmaal, wat de Heere Jezus kort hierna voor Zijn discipelen instelt.

Waarin zo troostvol klinkt en zichtbaar is: Dit is Mijn lichaam dat voor u (die van Mij bent) verbroken is. En dit is Mijn bloed dat voor u (die van Mij bent) vergoten is.
Bereid u erop voor, kinderen van God, door er in stilte biddend over te mediteren.
Over wie u was, over wie u geweest bent en blijft.
En over Hem, Die u koos, Die u kocht, Die u riep.
 
En Die u liefgehad heeft (en heeft) tot het einde.
We gaan er verder over denken in ons tweede punt, maar we zingen eerst de Voorzang van Psalm 18:
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,
O God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.
Mijn steenrots, burcht en helper is de HEER’,
Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer.
 
 
Gemeente, Het gaat in de preek van vanmorgen over: Liefgehad tot het einde.
We hebben in ons eerste punt gezien: Wie ze zijn en waar ze zijn, namelijk: de Zijnen, die in de wereld waren.
We gaan nu verder met ons tweede punt:
 
2. Wie en hoe Hij is
Namelijk Jezus, Die hen liefgehad heeft tot het einde.
Want, zo zegt onze tekst: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
 
Hij heeft de Zijnen liefgehad, ja, liefgehad tot het einde.
De Zijnen, die daar bij Hem aan tafel zitten.
De Zijnen, die volgende week hier aan de Avondmaaltafel zitten.
Hij heeft ze liefgehad.

Zij zochten Hem niet, maar Hij had ze lief.
Ze waren arm en veracht. Maar Hij had ze lief.
Ze waren hardleers. Maar Hij had ze lief.
Ze waren in woorden met elkaar en twisten over wie van hen de meeste was. Maar Hij had ze lief.
 
Nog even en Hij moet zeggen: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? (Joh. 14:9)
Petrus, voorwaar Ik zeg u, dat u in dezen zelven nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen (Matt. 26:34).
Thomas, breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig (Joh. 20:27).
 
En toch… en toch… Hij heeft ze liefgehad
En toch… en toch… Ondanks alles van ons, kinderen van God. Ondanks al onze zonden, ondanks onze hoogmoed, ons ongeloof, onze liefdeloosheid, onze koudheid, onze hardheid, onze biddeloosheid, ons vastgekleefd zitten aan de dingen van deze tijd, ondanks alles(!) van ons, ondanks ons helemaal…, heeft Hij ons liefgehad.
 
Dat is toch (zou ik bijna zeggen), dat is toch niet te geloven!
Ja, en daarom is er volgende week bediening van het Heilig Avondmaal. Om ons te laten zien, om ons te laten proeven, dat het toch (ondanks alles van ons) echt zo is.
‘Ondanks, Mijn kinderen, dat u niets anders gedaan hebt dan Mij verdriet aandoen, heb Ik u zo lief. Dat Ik Mijn leven voor u heb afgelegd.’
 
Kinderen van God, geliefde medechristenen, denk er in deze week stil over na.
Het zal ons laten treuren over onze zonde, over onze ontrouw, over al ons kwaad.
Het zal het verlangen opwekken in ons hart om Hem te mogen ontmoeten. Onze Liefste, Die Zich dood geliefd heeft in onze plaats.
 
Want, schrijft Johannes, nu… Jezus nu wetende, dat Zijn ure gekomen is, dat Hij uit deze wereld zal overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
 
a. Terwijl Hij weet wat er aanstaande is. Hij weet dat Hij morgen zal moeten gaan lijden en sterven.
Als wij zouden weten, dat wij morgen (hoe dan ook) diep zouden moeten lijden, we zouden aan niets anders meer denken, dan aan onszelf.
Maar Hij, kinderen van God, dacht aan ons.

Zelfs Zijn lijden, veranderde Zijn liefde niet. Zijn liefde was (zoals Salomo schrijft) sterk als de dood. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken (Hoogl. 8:6-7).
Hij weet dat Hij morgen zal moeten gaan lijden en sterven, maar Zijn liefde blijft.
 
b. En Hij weet (als tweede) dat Hij eerdaags zal overgaan tot de Vader.  
Als wij wisten dat we binnenkort zouden emigreren naar een ander land, we zouden meer dan ooit geneigd zijn, om de dingen van hier te vergeten. 
Hoeveel meer recht had Hij, Die op het punt stond terug te gaan naar de hemelse heerlijkheid (waar Hij weer aanbeden en bezongen zou worden door miljoenen engelen) om ons te vergeten?
Maar nee, Hij deed het niet.
 
Ook niet toen Zijn discipelen korte tijd hierna vervolgd begonnen te worden. Niets, noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel heeft ooit scheiding gemaakt tussen de Zijnen en de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heere (Rom. 8:38-39).
 
Hij heeft Zijn discipelen, Hij heeft ons (kinderen van God) blijvend liefgehad.
Tot het einde. Tot het uiterste
a. Tot het einde, tot het uiterste van Zijn bittere lijden. Opdat wij verlost zouden worden van de bitterheid van de toorn van God over onze zonden.
Tot het einde, tot het uiterste van Zijn versmaadheid. Opdat wij nimmermeer te schande zouden worden.
Tot het einde, tot het diepste van Zijn verlating door Zijn Vader. Opdat wij nimmermeer door God verlaten zouden worden.

Totdat Hij eindelijk (dat was het einde) met Zijn dood en bloedstorting het Nieuwe en eeuwige Testament, het verbond der genade en der verzoening, besloten heeft, toen Hij zei: Het is volbracht!
De toorn van God is gestild. De hitte van Zijn gramschap is geblust. Nu is er geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn. Voor al de Zijnen.
 
Laten we kinderen van God, geliefde medechristenen, ons in stilte in deze week van voorbereiding verwonderen om zoveel liefde, totdat alles was volbracht.
Hij heeft Zijn discipelen, Hij heeft ons, kinderen van God, liefgehad en zal ons blijvend liefhebben tot het einde. Want Christus Jezus is gisteren en heden Dezelfde, en blijft het tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8).
 
b. Tot het einde, tot het uiterste ook van onze zwakheid en van ons onvermogen.
Zijn liefde en trouw zullen van ons niet wijken. In ziekte, in zwakheid, in pijn, rouw en verdriet. In verdrukking, in minachting en buitensluiting. In aanvechting, in twijfel en ongeloof. Ook niet in ‘niet weten’ hoe het aanstaande zondag moet, vanwege je zonde en vanwege je verwarde hart.
 
Aangevochten kinderen van God, één blik op de liefde van de Zaligmaker kan en wil uw hart breken. En vooral ook overtuigen. Niet van uw liefde voor Hem (want die is zwak en gebrekkig), maar wel van Zijn liefde voor u.

Denk daarom in deze week (als voorbereiding) in stilte veel na over de liefde van Christus.
Het zal ons zonder twijfel diep vernederen. Als we eraan denken, dat de toorn van God tegen de zonde zó groot is, dat God die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft.

Het zal ons hart, zonder twijfel, vullen met diepe verwondering. Als we in stilte de gewisse belofte van God overdenken: alleen om Hem, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus. Hij heeft al mijn zonden op Zich genomen en weggedragen.
Het zal ons hart, zonder twijfel, ook vullen met een diep verlangen om heel ons verdere leven te leven in liefde tot God en tot onze naaste.
 
Als je leven donker is, kinderen God. Als je hart vervuld is met zorg, met twijfel.
Als je aangevochten en bestreden wordt. Als je zuchten moet: Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? (Ps. 77:10)
Zie dan opnieuw op Hem, Die de Zijnen, Die Zijn ellendigen niet vergeet.
Zie dan opnieuw op Hem, en op Hem alleen, Die de Zijnen liefgehad heeft tot einde.
 
Tot het einde ook van al onze ellendige mislukkingen. Tot het einde van al onze omzwervingen en afvalligheid. Tot het einde van al onze onwaardigheid en diepe nood.
Onze liefde zal nooit een grond kunnen zijn om op te bouwen.
Onze liefde zal nooit een grond kunnen zijn om aan de bediening van het Heilig Avondmaal te gaan.

Christus is ook niet in de eerste plaats voorwerp van onze liefde.
Maar de Zijnen zijn voorwerp van Zijn liefde.
Niet onze liefde, maar Zijn liefde is gegaan en gaat tot het einde.
 
En dus, kinderen van God, zie in deze week van voorbereiding, in gebed en stille overdenking, veel op de lijdende en stervende Jezus.
Het zal ons oefenen in zelfvernedering, in onszelf mishagen. Het zal ons oefenen in hopen op Zijn beloftewoord. Het zal ons oefenen in wederliefde tot Hem.
 
Tot slot, geliefde gemeente, onbekeerde vrienden.
Als u de liefde van Christus niet kent, dan bent u arm. Dan bent u straatarm.
Dan mist u veel. Dan mist u alles.
Als u Zijn eigendom niet bent, als u nog steeds leeft voor eigen rekening, dan bent u nog steeds diep ellendig.
Maar dan bent u vooral ook in groot gevaar!
Denk eraan, u bent op weg naar de eeuwigheid, u bent op weg naar de grote ontmoeting met God. En dat kan vanavond al zijn!
 
Ik zeg dat, omdat ik van u houd, omdat ik niet wil dat u verloren gaat.
Maar, als dat alles was, hoefde u niet te luisteren…
Maar de Heere Zelf zegt het tegen u, omdat Hij niet wil dat u verloren gaat!
Tekent dat nu niet, de hartelijke en medelijdende liefde van God en Christus? Dat de Heere je, middenin al je liefde tot jezelf en tot de dingen van deze wereld, roept?
Oprecht en welgemeend. En zegt: ‘Je bent verloren. Maar ga niet verloren, kom terug!’
 
Tegen u zeg ik niet: Denk hier deze week nog eens rustig over na. Want dat zou voor u te laat kunnen zijn.
Bedenk nu, wat tot uw vrede dient. Buig nu. Kus nu de Zoon. En verneder u nu voor God.
Erken nu uw ongerechtigheid. Er kom nu terug.
Er is Zaligmaker beschikbaar voor u. Eén Die nog nooit iemand heeft afgewezen.
Wendt u naar God toe en wordt (vandaag nog) behouden. Voordat het te laat is. En je het nooit meer over kunt doen.
Herkansing uitgesloten…
 
Nog één laatste ding, gemeente.
Onbekeerde vrienden (ik bedoel u, die dat veel te gemakkelijk zegt), blijf volgende week niet thuis…
U zegt dat er dingen zijn, die u niet aan kunt zien.
Maar ik zeg u (in liefde, maar scherp): Weet u wat u niet kunt aanzien? U kunt het niet aanzien dat Christus zondaars liefheeft!
 
Kom volgende week allemaal. Veracht de liefde van Christus niet.
Kijk ernaar, zie het voor je ogen. En laat Hem je harde hart breken.
 
Maar vergeet niet, onbekeerden onder ons, dat het volgende week voor u wel eens te laat kan zijn. En dus, kijk nu, met uw zonden, met uw dode en verloren hart naar de verhoogde koperen slang. En uw ziel zal gered zijn!
 
De Heere geve ons, kinderen van God, een gezegende voorbereidingsweek.
Waarin we samen in stilte voor God veel nadenken en mediteren over de liefde van onze lieve Heere en Zaligmaker. Die ons, ons…(!) heeft liefgehad tot het einde.
 
Amen.