Wedergeboren tot levende hoop · 1 Petrus 1

Wedergeboren tot levende hoop
Preek 1 Petrus 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Thema preek 1 Petrus 1: Wedergeboren tot levende hoop

1. Onze lof aan God
2. De reden van onze lof

PDF LEESPREEK

Preek 1 Petrus 1: Wedergeboren tot levende hoop

Er is veel veranderd in het leven van Petrus. Weet je nog, jongens en meisjes, hoe trots hij was op zichzelf, toen hij tegen de Heere Jezus zei: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in de dood te gaan? (Luk. 22:33)
En weet je nog, hoe de Heere hem vlak daarvoor nog gewaarschuwd had? Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders (Luk. 22:31-32).
En weet je nog hoe diep hij viel? Toen hij zijn Meester verloochende en zei: Ik ken de Mens niet? (Matth. 26:74)

En toen, daarna, was zijn Heere, Die hij zo hartelijk lief had gekruisigd, gestorven en begraven.
Je kan je het verdriet en de hopeloosheid van zijn hart wel voorstellen. Van alles wat geweest was, was niets meer over dan één ding: het werk van de Heere op de bodem van zijn hart (Joh 21:17).
Maar wat werd het alles anders, toen zijn Heere opstond uit de dood. En hem opzocht, liefdevol met hem sprak en hem herstelde in zijn ambt.

Inmiddels is het jaren later, als Petrus deze brief schrijft. Aan (zo hebben we gelezen in vers 1): de vreemdelingen, verstrooid (ver buiten het beloofde land) in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië.

Ze dienen de Heere met heel hun hart.
Want ze worden in vers 2 genoemd: de uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus.
Het zijn gelukkige mensen. Maar hun leven is niet gemakkelijk. Ze leven, zo staat in hoofdstuk 4 van deze brief van Petrus, in de hitte van de verdrukking (4:12).

Vreemdeling zijn op de aarde, met een leven vol van verdrukking, moeite en verdriet, is dat geen ellendig leven?
Ja, als dat alles was, dan hadden zij, dan hadden wij een ellendig leven.
Paulus zegt in 1 Korinthe 15: Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen (1 Kor. 15:19).
We lijken een stel ellendige mensen, maar de werkelijkheid is anders. Het is precies omgekeerd.
Mensen die leven zonder God, – dat kan buiten de kerk, maar ook bínnen de kerk zijn -, die hun hoop gezet hebben op hun idealen, op hun succes, op hun vooruitgang, op hun mooie leven hier (‘want hier is het’, denken ze), dat zijn eigenlijk hopeloze en ellendige mensen. Want alles van hier gaat (zonder dat ze het in de gaten hebben) voorbij!
Maar deze mensen, in de verstrooiing en in de verdrukking, zij hebben (midden in hun ellende) wel hoop. Echte hoop, levende hoop! Gebouwd op de levende Heere Jezus Christus. Die opgestaan is en Die Zelf aan Petrus hoop, vertroosting, geest en leven gaf. Die hij nu (nu hij bekeerd is) meegeeft aan zijn broeders en zusters om hen te versterken.
De hoop van de zaligheid, die zo zeker is, als dat de Heere Jezus is opgestaan.

De tekst, gemeente, voor de preek kunt u vinden in 1 Petrus 1, daarvan het derde vers. Het klinkt als een nieuwtestamentische Psalm: Geloofd zij God, met diepst ontzag! Elk moet Hem vrezen!
We overdenken samen de woorden uit 1 Petrus 1:3. Daar lezen we Gods Woord als volgt:
Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Het thema voor de preek is:
De levende hoop
We letten samen op twee aandachtspunten. In de eerste plaats op onze lof aan God, en in de tweede plaats op de reden van onze lof.

Dus: De levende hoop

  1. Onze lof aan God
  2. De reden van onze lof

Als eerste dus:

1. Onze lof aan God

Want, zo zegt Petrus: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Deze feestdag, deze paasdag roept ons op om de Heere te loven!
De toestand van een christen (zo zegt de bekende Bijbeluitlegger Matthew Henry) is nooit zo slecht, of hij heeft nog grote reden om God te loven.

Al lijkt je leven nog zo voorspoedig, nog zo succesvol, zonder God is je leven om te huilen.
Al lijkt je leven nog zo mislukt, nog zo gebroken, met God heb je reden om de Heere te loven.

De Bijbel is er vol van. Is ons leven, kinderen van God, geliefde medechristenen, er ook vol van?
Zuchten om wie wij zijn, mogen we in onze binnenkamer, in ons bidvertrek.
In het openbaar mogen we Gods lof bezingen.
De Psalmen zijn er vol van. Geloofd zij de HEERE God, de God Israëls, Die alleen wonderen doet (Psalm 72:18). Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Halleluja! (Psalm 106:48).
En Zacharias zingt het: Geloofd zij de Heere, de God Israëls! (Lukas 1:68)
En Paulus zingt in Romeinen 9: (Christus) is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid (Rom. 9:5).

Voor ik de vraag aan u stel, of u ook die lof bezingt, vraag ik u: kunt u Gods lof echt bezingen?
Ja, want je kan met je lippen wel goede dingen over God zeggen of zingen, maar voordat je goed van God spreekt of zingt, moet je wel eerst goed van Hem denken.
En dat doet geen mens van nature. We hebben zo vaak en zoveel slechte gedachten van God. We geloven Zijn woorden niet. We irriteren ons aan Zijn terechtwijzingen.
Zoals aan deze terechtwijzing: U moet wederom geboren worden (Joh. 3:3).
Dat wil zeggen: u bent zodanig in uw hart en in uw leven, dat Ik (de Heere) niets goeds meer van u verwacht. Alles in u is afgekeurd. Alleen een nieuwe geboorte kan u redden. Alleen Mijn Heilige Geest kan die slechte gedachten, die vijandschap, die geestelijke dood van u wegnemen.

Bij de lezers van deze brief van Petrus heeft de Heere dat gedaan. Daarom wekt Petrus hen op om te roemen in God.
Gezegend, geloofd en geprezen zij God, de Heere.
Ja ook, maar meer!
Gezegend, geloofd en geprezen zij onze God en onze Heere.
Ja ook, maar nog meer!
Gezegend, geloofd en geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
We aanbidden de innige band van liefde, de innige band van het Goddelijke Wezen tussen de Vader en onze Heere Jezus Christus.
Denkend aan het opstandingswoord van de Heere Zelf: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God (Joh. 20:17).

Door Pasen, door de opstanding van de Heere Jezus Christus, mogen we geloven, kinderen van God, dat de Vader Zijn Zoon in deze wereld zond. De Vader gaf Hem over in de dood van het kruis, om onze zonden. En de Vader wekte Hem op uit de dood.
De prijs was betaald, de kostbare prijs van het bloed van Christus. En de Vader vond het goed. Hij was tevreden. Hij aanvaardde de betaling.
Uit de handen van Zijn Zoon, de Heere Jezus, Die dat deed voor ons. Voor mensen zoals Petrus. En Die ons zo teruggebracht heeft tot de Vader, als aangenomen kinderen. Terug bij God. En zo werd Zijn Vader, ook onze Vader.

Dat is onze lof!
En, kinderen van God, geliefde medechristenen, is dat niet om van te zingen?
De Vader was in alles wat gebeurd is geen afstandelijke Toeschouwer.
Paulus zingt in Efeze 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.
De zegen van kruis en opstanding komt van de Vader! Van de Vader van onze Heere Jezus Christus. En wij roemen in Hem.
En die Naam Vader, dat voelt u, Die geeft aan dat er in ons hart een innige band is met Hem.
Met Christus, Die ons zo heeft liefgehad.
En met de Vader. Met Zijn vader, met onze Vader.

Er zijn mensen die roemen in God om de wonderen van Zijn schepping en om de wonderen van Zijn voorzienigheid, maar zonder persoonlijke band met God.
Maar wedergeboren mensen prijzen de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
In kruis en opstanding is de liefde van de Vader zichtbaar. Die Christus aan ons gegeven heeft. Die de prijs van Zijn kostbare bloed aanvaard heeft.
In kruis en opstanding is de liefde van Christus zichtbaar. Die Zijn leven voor ons gaf. En Die met grote kracht en majesteit de banden van de dood brak.
En dus is dit, als u de Heere door genade kennen mag, een dag om te zingen!
Of om biddend te roepen, als u de Heere nog niet kent: ‘Zegen ook mij, o Heere!’

Hij, zegt Petrus, is onze Vader. Want Hij heeft ons wedergeboren.
Dat zien we in ons tweede aandachtspunt:

2. De reden van onze lof

Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Er is maar één oorzaak van de zaligheid.
Die ligt niet in ons. Die ligt niet in onze wil, niet in onze keus, niet in onze goede manier van leven, maar in Gods barmhartigheid.
God heeft een brandend hart, vol van liefde en bewogenheid tot mensen die met Hem gebroken hebben, die Hem verlaten hebben. Tot mensen zoals Petrus, die Hem na ontvangen genade verloochend hebben.
Je kan, als de Heere je genade gegeven heeft, denken (na je verloochening) dat het nooit meer goed zal komen. Als je naar jezelf kijkt.
Maar, tobbende mensen, vol van vrees en zorg net als Petrus destijds, denk eens aan Gods barmhartigheid.

Paulus zegt in Efeze 2: God is rijk in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmee Hij ons liefgehad heeft. Zelfs toen wij dood waren door de misdaden en de zonden (2:4-5).
En, zo voegt Paulus daaraan toe in Romeinen 5: Als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven (5:10).

Wie de lof van de Heere zingt en uit het oog verliest dat wij vijanden waren, en dat alles, echt alles alleen maar voortkwam uit Gods barmhartigheid, die zingt vals. Die kan beter maar niet zingen.
Dit verdiept de tonen van onze lof. Hier blikken we terug in de diepte van onze eerdere verlorenheid. Het was Gods barmhartigheid alleen, die ons optrok uit onze diepste nood.

Want God heeft ons (bijna nergens in de brieven van Petrus is hij zo persoonlijk als hier: ons), God heeft ons in Zijn grote barmhartigheid wedergeboren.
Zo erg was onze toestand, dat reparatie, dat restauratie uitgesloten was.
Er was een compleet nieuwe schepping, een nieuwe geestelijke geboorte nodig. Door de kracht van de Heilige Geest, door (zoals staat in vers 23) het levende en eeuwig blijvende Woord van God.

Wedergeboren, want wij waren dood door de misdaden en de zonden (Efeze 2:1).
En voor wie gestorven is, jongens en meisjes, is geen hoop. De dood is het einde van alles op deze aarde.
Dat doet pijn, als we denken aan lieve mensen, die gestorven zijn.
Maar we zagen het, toen zij gestorven waren. Er was geen warmte meer in hun lichaam. Er was geen adem meer. Ze konden niet meer zien, praten of horen. Niets was er overgebleven dan alleen de stilte van de dood.
Zo is, zegt de Bijbel, het ook met ons onbekeerde hart.
Kan je dat dan niet zelf levend maken?
Nee, want wie niet leeft, die kan helemaal niets.

En toch, luister! Dit is wat God wil doen!
Wat Hij deed in het leven van de mensen die de brieven van Petrus lazen, en in het leven van al de mensen die de Heere een nieuw hart gegeven heeft.
De Heere deed het! Zij konden het niet. Maar met een brandend hart, deed de Heere het: Hij wekte hun dode hart tot leven. Hij liet ze opnieuw geboren worden.
Je snapt, jongens en meisjes, het is net als bij een gewone geboorte. Als je als baby geboren wordt, dan kan je jezelf daar niet bij helpen.
Zo was het ook bij ons. De Heere heeft ons, zegt Petrus, wedergeboren. Hij heeft het gedaan.

Hoe de Heere dat doet, dat kan ik niet uitleggen. Dat is voor ons niet te begrijpen. Het is, zo zegt de Heere Jezus, net als bij de wind. Die kan je ook niet begrijpen (Joh. 3:8).
Maar je hoort de wind wel, en je weet ook waar de wind heengaat, de richting van de wind.
Zo is het ook als wij mensen wederom geboren worden.
Het is een onbegrijpelijk, bovennatuurlijk wonder.
Maar je merkt het wel. En ook, net als bij de wind, waar het heengaat: naar God!

Je ogen gaan open. Je gaat zien hoe slecht de zonde is. En hoe groot en liefdevol de Heere is. En dus, zo zegt de Bijbel, wordt je hart bedroefd naar God (2 Kor. 7:10).
Je hart gaat kloppen, er komt leven in je hart. Je wilt de zonde verlaten en de Heere liefhebben. Denk maar aan de verloren zoon, die met een vast voornemen in zijn hart zegt: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan. En hij doet het ook (Luk. 15:18).
Maar tegelijkertijd voel je ook, dat je nog zoveel genade mist. Denk maar aan de vader van de bezeten jongen, die aan de voeten van de Heere Jezus uitroept: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mar. 9:24).
En dus gaat dat opnieuw geboren hart vurig verlangen naar meer genade. Denk maar aan de dichter van Psalm 119, die zingt: Mijn ziel is verbroken van verlangen, naar genade, naar God (Psalm 119:20).
Een levend hart kan ook liefhebben. Het heeft de Heere Zelf lief, en ook de mensen die genade van de Heere gekregen hebben. Daarom schrijft de apostel Johannes: Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben
(1 Joh. 3:14).
En, wat geboren is, dat groeit ook. Dat eet en drinkt uit het Woord van God.
Wat geboren wordt is niet gelijk groot. Alles wat groot geboren is, dat is van de mens.
Wat nieuwgeboren is, dat is afhankelijk. Dat heeft in alles hulp nodig.
Je kan niet meer leven zonder God. Je gaat steeds dieper voor Hem buigen.

Zo kan je weten of je wedergeboren bent.
En dat is nodig. Want de Heere Jezus zegt tegen Nicodemus: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3:3).
Kent u hier iets van, gemeente? Nee, ik vraag niet naar het moment van uw bekering. Maar kent u de gevolgen, de vrucht van dat ingrijpen van Gods barmhartigheid in uw leven?
Van die grote barmhartigheid, kinderen van God, zoals die opnieuw ingreep in het leven van Petrus, na zijn diepe val? Zei de Heere niet van tevoren: Als u eens bekeerd zult zijn, zo versterk uw broeders? (Luk. 22:32)
We hebben blijvend de vernieuwende genade van de Heilige Geest nodig.
Weg met eigen krachten! Het is de Heilige Geest, zegt onze belijdenis, Die ons wederbaart en maakt tot de nieuwe mens (NGB, art. 24). Hij wekt ons op tot een nieuw leven, en maakt ons vrij van de slavernij van de zonde (Gal. 5:6).

Laten we, voordat we verdergaan, nu eerst zingen uit Psalm 39:5:
Nu dan, o HEER’, wat is ’t, dat ik verwacht?
Mijn hope staat op U alleen.
Verlos mij, door Uw onweerstaanb’re kracht,
Van al mijn ongerechtigheên,
En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,
Den dwazen sterveling tot een smaad.

De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, heeft (zegt Petrus) naar Zijn grote barmhartigheid ons wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Het is alsof hij zegt: Ons leven kent een groot contrast, een immense tegenstelling.
We waren geestelijke dood, maar we zijn opnieuw geboren.
Ik was gevallen, ik had mijn Zaligmaker verloochend, maar Hij heeft mij weer opgeraapt, en me weer hersteld in mijn apostelambt. En dat was Gods barmhartigheid!

Tot een levende hoop.
Ja, want er is ook een dode hoop. Je kan hopen op de dingen van dit leven.
Op de mooie dingen die je hebt, jongens en meisjes. Op die mooie toekomst die je toelacht, jongelui. Op het mooie leven dat u leidt, volwassenen. Op dat mooie pensioen waar u van geniet, ouderen.
Maar wat een ellendige hoop! U wordt gefopt! U houdt uzelf voor de gek.
Het is niet wat het lijkt! U denkt dat u er hier iets van moet maken. Maar dit leven gaat voorbij!
De Spreukendichter zegt: Als de goddeloze mens (en dat kan ook binnen de kerk, leven zonder God, alleen maar leven, hoe netjes ook, voor nu!), als die mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs de allersterkste hoop is vergaan (Spr. 11:7).
Dat is echt een hopeloze manier van leven. Lieve mensen, zoek toch een blijvende hoop in God. Biddend om Zijn grondeloze barmhartigheid, vragend of Hij u in genade zal aanzien.

Er is een dode hoop, maar wij hebben door Gods genade, zegt Petrus, een levende hoop.
En die hoop die is niet gebouwd op iets van ons.
Maar, op…? Op wat of wie dan wel?
Op de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
Die Zijn zoon overgaf in de dood van het kruis, in onze plaats. Die de prijs die Hij betaalde, aanvaardde. En die ons in die weg aannam tot Zijn kinderen.
Een levende hoop, die gebouwd is op de levende Christus.
Pasen boodschapt ons dat onze hoop een levende hoop is. Want Jezus, Die onze Hoop is, leeft!

Onze hoop was ijdel, was leeg, als Christus niet was opgestaan.
Maar Hij is opgestaan. Hij heeft de dood overwonnen en het leven hernomen.
En nu geeft Hij ons Zijn leven: eeuwig leven! Voor nu, in dit leven, en voor straks, na dit leven.
Wat een hoop! Wat een heerlijke, wat een gelukkige, wat een vaste hoop, in de strijd tegen onze zonden, in de strijd tegen ons oude hart. We hebben door Gods genade houvast gekregen in het leven van Jezus, door het geloof in Hem.

Onze zaligheid, kinderen van God, geliefde medechristenen, ligt vast buiten ons: in Christus Jezus, in Zijn liefhebbende en barmhartige Vader, en in Gods beloften. Die voor ons zijn als een anker voor onze ziel, dat vastligt in het binnenste heiligdom in de hemel, waar Christus is binnen gegaan (Hebr. 6:19-20).
Hij is als overwinnaar over de zonde, de hel, de dood en het graf opgestaan, en ingegaan in het binnenste heiligdom van de hemel. En daarmee heeft Hij een eeuwige verlossing teweeggebracht, die nooit kan wankelen.
Ons leven kan wankelen, door onze verloochening, door onze ontrouw, maar in de hemel ligt alles vast.
Onze hoop is een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Onze hoop ligt vast in Zijn leven.
Onze hoop voor nu. Als we eigendom mogen zijn van onze getrouwe Zaligmaker Jezus Christus, Die leeft, dan zullen we ook leven met Hem.
Onze hoop voor straks. Als blijken zal, dat Hij na Zijn opstanding is heengegaan om in de hemel voor ons plaats te bereiden. Zoals staat in vers 4: Een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.

Hoopten we alleen in dit leven op Christus, dan waren we de ellendigste van alle mensen. Maar Christus is opgewekt en Hij is de Eersteling geworden van al de gestorven heiligen, die met Hem opgewekt zullen worden.

Onze hoop is een vaste hoop, gefundeerd in de opstanding, in het leven van Christus.
Een hoop midden in moeite en verdrukking, in aanvechting en lijden.
Maar onze hoop strekt zich ook ver vooruit.
Ons leven is een gelukkig, een zalig leven, hier op aarde, met God.
Maar ons echte leven ligt in de toekomst. We zijn immers, zo begon Petrus in vers 1: vreemdelingen in de verstrooiing. We moeten door menigerlei verdrukkingen gaan.
Maar worden door de kracht van God bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd (1 Petr.1:5).

Tot op de dag, dat Jezus terugkomt op de wolken van de hemel.
We geloofden het: Hij leeft.
Dan zullen we het zien: Hij leeft.

Ons moeilijke leven (waar het vuur van de beproeving ons leven loutert, schoonmaakt van het vuil van de zonde), ons moeilijke leven zal uitlopen op (wat staat in vers 7): lof, eer en heerlijkheid (voor God in de hemel) in de openbaring van Jezus Christus.

We hebben de levende, de opgestane Heere Jezus Christus nooit met eigen ogen gezien, zoals de ooggetuigen, zoals Petrus.
We hebben Hem niet gezien, zegt vers 8, maar hebben Hem toch hartelijk lief. Omdat Hij ons eerst zo liefgehad heeft.
Maar hoewel we Hem niet zien (zegt Petrus), geloven we en verheugen we ons met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
O, wat een gelukkig, wat een heerlijk leven!

We zijn bedroefd, verdrietig in verdrukking en kastijding (zo zeggen onze kanttekenaars), maar verheugen ons in de troost van de Heilige Geest.
Want die moeite en dat verdriet, die verdrukking en die kastijding leren ons geduldig te zijn.
Want: de verdrukking (werkt) lijdzaamheid; en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven (Rom. 5: 3-5).
De liefde van de Vader van onze Heere Jezus Christus, de liefde van onze opgestane Zaligmaker en de genade van de Heilige Geest houden ons hoofd boven water. Totdat we na alle strijd en beproeving loon, genadeloon zullen ontvangen, zoals staat in vers 9: verkrijgende het einde (het loon) uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.

Blij vooruitzicht, dat ons hoofd omhoog richt.
Ons sterven kan ons benauwen: de afbraak van ons aardse lichaam, pijn, ziekte, achteruitgang van gedachten. Maar zoals Christus door de dood tot het leven inging, zo zal Hij ons ook, door onze dood heenleiden tot het eeuwige leven met Hem. Hij is de Eersteling Die ontslapen is. En Die opgestaan is. En wij mogen Hem zo ook volgen.

Daarom (zo zegt vers 13) opschortende de lenden uws verstands, en nuchteren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. U namelijk, die (zo zegt vers 21) door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.

Gemeente, is dit ook uw toekomst? Is dit ook jouw toekomst?
Ligt uw toekomst hier op de aarde, waar alles voorbijgaat?
Of ligt uw toekomst daar, in de hemel? Als dat zo is, laat u dan vandaag door de woorden van Petrus even uittillen boven alle moeite en strijd. En zeg met ons: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Halleluja. Amen.

Links bij preek Wedergeboren tot levende hoop (1 Petrus 1)
Lijden als christen om Naam Christus (1 Petrus 4)
Dewijl dan deze dingen alle vergaan (2 Petrus 3)
Lees meer:
Kanttekeningen bij 1 Petrus 1

TERUG PASEN | 1 PETRUS