Wie is als God? – Psalm 89

Wie is als God?
Preek Psalm 89:7: Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?

LEESPREEK

Citaat preek Psalm 89: Wie is als God?

De betekenis van de tekst
Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden?
Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?

Wie is als God?

Twee ‘wie-vragen?’, die antwoord uitlokken; zoals we dat vaker tegenkomen in de Bijbel.
Zoals de vraag in Spreuken 20:9: Wie kan zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van zonde?
Wie? Niemand!
Zoals de vraag in Exodus 15:11: HEERE! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?
Wie? Niemand!

Zo is het ook hier: Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie kan er met U vergeleken worden, in de hemel? Wie is als God?
In de wolkenhemel, waar zon, maan en sterren aanbeden worden als afgoden? Maar wie zijn zij, vergeleken met de Vader der lichten, met de Zon der gerechtigheid? Wie kan er met U vergelijken worden, in de hemel?
In de hemel der hemelen, waar de gezaligden en engelen zijn, de eerstelingen van Uw schepping? Zuiver, heilig, heerlijk en vol glorie?
Wie kan er met U vergelijken worden in de hemel? Niemand!

En: Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken? Wie kan er met U vergeleken worden? Niemand is als U, niet in de hemel, en ook niet op de aarde!

a. Er zijn in hemel: goede engelen, dragers van Gods volmaakte beeld.
Die goede engelen beschenen de wachters bij het graf van de opgestane Heere Jezus, alleen met hun licht, en zij werden als doden (Matt. 28:4). Toch zijn die ontelbare engelen maar vonkjes vergeleken met het licht van de Almachtige God Zelf. Vergeleken met God, vallen zij in het niet.

Er zijn in hemel goede engelen, en er zijn in het heelal: ook kwade engelen, duivelse machten, door Paulus genoemd: de god dezer eeuw, de overste van de macht der lucht (2 Kor. 4:4; Ef. 2:2), de antichrist, die zich verheft boven God (2 Thess. 2:4). Maar vergeleken met God vallen zij allemaal in het niet. Heere, wie van hen is aan U gelijk? Wie is als God? Niemand!

b. En op de aarde zijn er: mensen, zoals wij. Van wie de profeet Daniël zegt: Al de inwoners der aarde (wie het ook zijn) zijn (voor God) als niets geacht (Dan. 4:35).
En de profeet Jesaja zegt: Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal (…). Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid (Jes. 40:15–17).

Moet jij (met mij) dan niet zeggen: Wie ben ik dan, Heere? Als al de inwoners van de wereld, ook de groten die ik bewonder, niets zijn voor U, wie ben ik dan? Wie ben ik dan, dat ik denk dat ik mijn gang kan gaan? Wie ben ik dan, dat ik denk dat ik door kan gaan, zonder naar U te luisteren? Wie ben ik dan, dat ik denk dat ik U ter verantwoording kan roepen? Dat ik U de schuld kan geven van mijn schuld?

Ik zal nu als tweede naar aanleiding van de tekst iets proberen te zeggen over de grootheid en de heerlijkheid van God.
Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken? Wie is als God? Niemand!
Dat is het negatieve antwoord. Niemand is als God! Maar onze tekst begint met het woordje ‘want’. Want wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden?

En dat verwijst terug naar vers 6: Dies (daarom) loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen. Uw lof en uw heerlijkheid worden geroemd in de hemel, en in de gemeente der heiligen op de aarde.
Want: Wie is als U? Want: Wie kan U evenaren?