Naäman in huis van Rimmon (Elisa VII) – 2 Koningen 5

Naäman in het huis van Rimmon

Preek 2 Koningen 5:18: In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: Wanneer mijn heer in het huis van Rimmon gaan zal om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak.



Het verzet van Naäman is gebroken. Hoe graag had hij zelf iets bijgedragen aan zijn genezing. Hoe graag had hij behandeld willen worden als een bijzonder mens.
Maar wat botste dat met onverdiende genade. Hij moest buigen. Hij moest van zijn wagen afkomen. Hij moest zich wassen in de Jordaan. Als teken van de afwassing van zonden door het bloed van de Heere Jezus Christus.
In vers 14 staat: Zo klom hij af en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man Gods; en zijn vlees kwam weder gelijk het vlees van een kleinen jongen, en hij werd rein.

Het was een beeld. Het wees allemaal heen naar iets anders. Naar hoe God onreine zondaars genade geeft. Zonder iets van ons. Alles wat we meegebracht hebben, hadden we net zo goed thuis kunnen laten. Want het gaat om genade, om genade alleen.
Door de Heere Jezus verdiend; door Zijn leven, door Zijn sterven en door Zijn opstanding. Door God (zoals Zondag 6 van onze catechismus zegt) geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing.
En door een genadig gegeven geloof aangenomen.

En dat geloof gaat nu blijken uit de vruchten. Want als we verder lezen, zien we welke grote dingen de Heere doet in het leven van Naäman. En we zien tegelijkertijd ook, hoe gevaarlijk die genade kan zijn voor mensen zoals wij.
 
Het thema voor de preek van vanmorgen is:

Genade, onverdiende genade

Die genade wordt als eerste:
    1. Zichtbaar in het leven van Naäman
En diezelfde genade wordt in de tweede plaats:
    2. Gevaarlijk in het leven van Gehazi
 
Als eerste dus:

1. Zichtbaar in het leven van Naäman


We lezen in vers 15: Toen keerde hij weder tot de man Gods, hij en zijn ganse heir, en kwam en stond voor zijn aangezicht en zeide: Zie, nu weet ik dat er geen God is op de ganse aarde dan in Israël. Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht.
Dit is geen oosterse beleefdheid. Dit is een uiting van geloof.

Hij is niet opgevoed bij de waarheid van de God van Israël. Zoals er nu misschien ook wel iemand hier is, of iemand meekijkt of meeluistert, die veel dingen die hier gezegd worden ook nog niet weet, kent of begrijpt.
Maar Naäman is door God gebracht bij de kern: Hij gelooft dat de God van Israël, de God van de Bijbel alleen God is. En hij gelooft dat alles wat God zegt, waar is.
Hij zegt: ‘Er is geen God op de ganse (op de hele) aarde, dan in Israël’, dan de God van Israël.

Gelooft u dat ook? Geloof jij dat ook? Ja, ik bedoel: echt met heel je hart?
Of dien je stiekem in je hart een andere god?
Of houd je stiekem in je doordeweekse leven van heel andere dingen?
Terwijl je, als je kijkt naar hoeveel je daarvan houdt, misschien wel moet zeggen: van die dingen houd ik meer dan van God. Want daar besteed ik meer tijd aan. Daar word ik blijer van. Dat geeft me een veel gelukkiger gevoel.
Wie is de God van uw leven? Wie is de God van jouw leven?

In het leven van Naäman is een nieuwe tijd, is een werkelijkheid aangebroken.
Vroeger boog hij met overtuiging voor de afgod Rimmon. Maar nu is Rimmon van zijn voetstuk gevallen.
Hoe diep hij boog, hoeveel geld hij ook gaf, Rimmon kon hem niet genezen. Maar de God van Israël wel.

De Heere heeft Naäman geloof gegeven in Hem. Ook dat was niet iets wat Naäman zelf meenam, of uiteindelijk zelf presteerde. Hij verzette zich, hij werd boos, hij wilde niet.
Zijn geloof kwam niet uit hemzelf. Zijn geloof was (zo noemt Paulus het later): een gave van God (Ef. 2:8).
God had zijn toorn, zijn grimmigheid gestild, zijn verzet gebroken. En hem zonder enige betaling, verdienste of prestatie, genezing gegeven van zijn ziekte, en redding van zijn ziel. En dat was allemaal Gods werk!

En dat geloof van Naäman gaat nu blijken, uit een paar dingen:
a. Het blijkt uit de belijdenis van zijn geloof: Er is maar één God, en dat is de God van Israël.

b. Het blijkt ook uit zijn nederigheid. Want, weet je nog, hoe trots hij van de toren blies? Hoe beledigd hij was, dat Elisa niet naar buiten kwam? En dat hij zich moest gaan wassen in die vieze rivier de Jordaan?
En nu noemt hij zich heel nederig: ‘uw knecht’. Niet één keer, maar vijf keer!

c. Zijn geloof blijkt verder uit zijn dankbaarheid en liefde. Hij wil graag iets teruggeven. Hij zegt: ‘Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht.’
Maar Elisa is resoluut. Hij zegt in vers 16: ‘Zo waarachtig als de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme!’ En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, doch hij weigerde het.

Geld aannemen, betekent immers: doen alsof de Heere iets doet voor geld.
Niet voor niets, maar toch achteraf alsnog betaald.
Maar nee, genade is voor niets. Genade is vrij. En dus weigert hij iedere mogelijke gift van Naäman.

d. En het geloof van Naäman blijkt (als vierde) ook uit zijn vaste besluit.
Kijk maar naar vers 17: En Naäman zeide: ‘Zo niet, laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer anderen goden doen, maar de HEERE.’
Hij is vast besloten: van nu af aan zal hij nooit meer offeren aan een andere god.
Ik en mijn huis, wij zullen de Heere dienen en Hem alleen! (Joz. 24:15)

Het is duidelijk, veel dingen over de Heere weet hij nog niet. Maar dit is ook een man die nog geen dag(!) de Heere dient. En dus, begrijpelijk, zo denigrerend hij eerst sprak over het water van de Jordaan, zo overschat hij nu de grond, de aarde van het land Israël. Die natuurlijk niet anders is dan de grond in zijn eigen land, Syrië.
Omdat heel de aarde van de Heere is (Ps. 24:1).

Maar in het besluit van zijn hart schittert genade. Hij neemt zich voor, om thuis in Syrië, nooit meer te offeren aan Rimmon. Maar om een brandofferaltaar te bouwen van grond en ongehouwen stenen, om daarop de Heere te offeren.
Iedereen mag het straks zien: de rook van zijn altaar!
Dat wijst naar? Niet naar prestaties of bijdragen van hem zelf. Maar naar dat, wat hij uit genade kreeg van de God van Israël.

Dus, zijn geloof blijkt uit zijn belijdenis, uit zijn nederigheid, uit zijn liefde en dankbaarheid, uit zijn vaste voornemen om alleen de Heere te dienen.

e. En in de vijfde plaats blijkt het ook uit zijn gevoelig geweten.
Want, zo zegt Naäman in vers 18: ‘In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: Wanneer mijn heer in het huis van Rimmon gaan zal om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak.’

Rimmon was een Syrische, een Aramese god. De dondergod, de Baälgod van Syrië.
En Naäman, als belangrijke of zelfs belangrijkste adviseur van de koning (op wiens arm de koning leunde, dat wil zeggen: die hem adviseerde), hij werd geacht met de koning mee te gaan als hij naar de tempel van Rimmon ging.

En nu, wat blijkt? Hij heeft op zijn terugweg van de Jordaan, terug naar de profeet Elisa, al diep nagedacht over de toekomst van zijn nieuwe geloof. Hij realiseert zich dat dat niet meer past bij veel dingen van zijn oude leven.
Dat gaat botsen in zijn geweten. Dat gaat tot problemen leiden in zijn werk. Hij toont een gevoelig geweten te hebben.

De botsing tussen zijn exclusieve toewijding aan God en de verwachtingen op zijn werk, dat baart hem direct al zorgen.
Waren alle Bethel-bezoekende en Baal-kussende Israëlieten maar even bezorgd als hij…
Waren alle kerkmensen (zoals wij), ook maar zo bezorgd als hij…
Want hoe zit dat eigenlijk bij ons?

Misschien zegt u: ‘Ik heb eigenlijk nooit problemen op mijn werk. Ik heb nooit ergens last van.’
Niet? ‘Nee, want niemand heeft het door, ik heb ze nooit verteld, dat ik christen ben…’
Dat is niet goed.
Dit, wat Naäman hier zegt, is beter. Paulus zegt: Ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus (Rom. 1:16). En Petrus zegt: Wees altijd bereid om verantwoording af te leggen van de hoop die in je is (1 Petr. 3:15).

Naäman zegt: ‘Waar ik ook ben, en hoe het ook gaat, ik zal alleen de Heere dienen. En iedereen mag dat zien, aan mijn zelfgebouwde altaar. Maar ik vind het wel lastig (en wie zou dat deze pasbekeerde man kwalijk nemen?), ik vind het wel lastig, want hoe moet dat nu verder met mijn werk? Vergeef me, dat ik wel met mijn baas, met de koning mee zal moeten naar de tempel van Rimmon. Maar nooit zal ik in mijn hart Rimmon, Hadad, Baäl meer dienen!’  

Nemen we dat deze man kwalijk?
Elisa in ieder geval niet. Elisa keurt het niet goed, en hij keurt het niet af. 
Hij zegt: ‘Ga in vrede!’ Het is een antwoord van verdraagzaamheid. Ongetwijfeld vertrouwend, dat de Heere deze man verder zal leren en leiden op zijn moeilijke weg.
De Heere leert Zijn kinderen ook niet alles (letterlijk) op één dag.

De kern van dit deel van de geschiedenis is: Naäman heeft een teer geweten.
Koning Ahazia vraagt in 2 Koningen 1 zonder aarzelen naar Baäl-Bezub.
Maar Naäman maakt zich maanden van tevoren al zorgen, hoe het straks moet…

Hoe zit dat eigenlijk met ons in deze moderne, Godloze tijd?
Misschien werk je ook wel op een plek, waar veel dingen verkeerd gaan. Er wordt gefraudeerd, mensen worden slecht betaald, er vindt onrecht plaats, arbeidsmigranten worden uitgebuit, er wordt gevloekt…
Je leeft met andere woorden van maandag tot en met vrijdag in de tempel van Rimmon.

Je blijft staan, op de plek die de Heere je gaf.
Goed zo, jongelui, niet wegvluchten in de veiligheid van de refowereld. Blijf staan op je plek in de maatschappij.
Soms spreekt je geweten. Wees daar dankbaar voor. Dat is de waarschuwende stem van God, Die je weg wil houden van de zonde.

Je werk brengt je langs de grens van wat je niet mag doen, van waar je niet aan mee mag werken. Blijf staan, aan de goede kant van die grens. Blijf weg van de zonde.
Dien God, meer dan je baas of collega’s. De Heere zal je helpen.

Maar loop niet weg. Want dan gaan je baas en je collega’s iets missen, wat levensreddend voor ze kan zijn.
Ik bedoel, net als bij Naäman: je altaar…, je zichtbaar dienen van de enig levende God…
Laat je altaar dagelijks branden. Zodat men het ziet, zodat men het ruikt.
Hij is geen aanbidder van onze Mammon. Zij dient haar eigen God.

Gemeente, Naäman stijgt in allerlei opzichten ver boven ons uit.
In zijn publieke belijdenis, in zijn voornemen en belofte om God alleen te dienen. In zijn gewetensstrijd rond de exclusieve aanbidding van God alleen. En dat midden in een heidense maatschappij, waarin hij zo’n belangrijke positie heeft.

Wat moet dat toen een irritatie opgeroepen hebben bij vrome Joden.
Wat riep het later irritatie op in de tijd van de Heere Jezus.
En wat roept het ook nu irritatie op!

De Heere gaat de kerk, Hij gaat ons (met al onze godsdienst) zo vaak voorbij.
En Hij redt een heidense Syriër, een ongelovige. Die alles deed, wat wij niet doen.
We dachten dat wij beter waren. Totdat Gods genade hem of haar brak, terwijl wij (trots als we zijn) niet wilden buigen
Zo zegt de Heere: ‘Er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elísa; en geen van hen werd gereinigd dan Naäman, de Syriër (Luk. 4:27).’

Waarom hij wel? En ik niet, of nog niet?
Vrije genade. Eenzijdige ontferming. Verkiezende liefde.
Het is niet degene die wil of degenen die loopt, maar het komt van de ontfermende God.
Bots daar niet tegen! Stoot je daar niet aan! Maar buig…
Buig vrome, gelovige, godsdienstige mensen tot dit niveau. En zeg: ‘Heere, melaats, heiden, zondaar, verloren, dat ben ik ook! Hebt U zondaars uitverkoren? Wees mij, zondaar, dan ook genadig!’

Dan zal God, in diezelfde vrije en eenzijdige genade en ontferming, ook uw hoogmoed breken, ook u van uw melaatsheid genezen, ook uw hart vernieuwen en ook u heen laten gaan in vrede.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Gevaarlijk in het leven van Gehazi

Vers 19 zegt: En hij (Elisa) zeide tot hem: ‘Ga in vrede.’ En hij ging van hem een kleine streek lands.
Vers 20: Gehazi nu
Ineens komt de knecht van Elisa, Gehazi, om de hoek kijken.  
Wie is die Gehazi eigenlijk, die (zoals hij in vers 20 genoemd wordt) jongen van Elísa?

Laten we samen even wat punten op een rij zetten.
Gehazi is de jongen, de knecht van Elisa.
Zeven dagen per week is hij in de aanwezigheid van de profeet. Hij ziet zijn leven, hij hoort zijn gebeden, hij luistert naar wat Elisa zegt.

Hij is er ook vaak bij, als Elisa de profetenzonen les geeft. Zoals pas, toen zij soep kookten van wilde kolokwinten. Toen er een man twintig gerstebroden bracht en groene aren in de hulzen (2 Kon. 4).
Hij heeft het gestorven zoontje van de vrouw uit Sunem gezien (2 Kon. 4). Hij heeft meegemaakt dat hij opgewekt werd uit de dood.
En nu zojuist heeft hij die wonderlijke genezing van Naäman (die eerst melaats was, maar nu rein), van dichtbij meegemaakt.

Vergelijkbaar wel met zoveel dingen uit uw leven, uit jouw leven, toch?
Iedere dag hoor je het Woord van de Heere. En u hebt ook zoveel wonderlijke dingen van de Heere gehoord en gezien.

En wat heeft het allemaal uitgewerkt in het leven van Gehazi? Niets.
En wat heeft het allemaal uitgewerkt in uw en jouw leven? Zeg het maar.
Is uw godsdienst net als bij Gehazi ook niet meer dan een jas, die je aantrekt?
Waardoor het iets lijkt aan de buitenkant? Maar je binnenste, je hart, je verborgen leven ziet niemand…

Gehazi doet wat hij moet doen: Hij zorgt voor zijn meester, hij is gehoorzaam, hij volgt hem waar hij ook heen gaat. Maar zijn hart ligt ergens anders…
U doet wat u moet doen. U leest uw Bijbel, u komt naar de kerk, u leeft als voorbeeldig mens. Maar, waar ligt uw hart?

Uw leven is vol van bijzondere voorrechten, boven miljoenen anderen in deze wereld.
Boven alle dingen, hebt u het voorrecht gekregen, dat aan u de woorden van God zijn toevertrouwd.
Maar voorrechten en zegeningen kunnen je ziel niet redden.
De vrouw van Lot was getrouwd met een rechtvaardige man.

Ezau had een godvrezende vader en moeder.
Judas was een volgeling van Jezus. Demas een collega van Paulus.
En zij gingen allemaal (ondanks al die voorrechten) verloren!
Lieve mensen, u hebt meer nodig. U hebt nodig door de Geest van God wederom geboren te worden. Anders kunt u het Koninkrijk van God niet binnengaan.

Als je dit Bijbelgedeelte snel leest, dan denk je misschien: God is ook streng! Eén leugen, en Gehazi wordt gestraft met melaatsheid.
Maar er is meer.
Gehazi leefde een zondig leven. Gehazi was vijand van genade. En hij bleek ongevoelig voor al de roepstemmen van de Heere in zijn leven.
Dat bleek uit wie hij was, dat bleek uit wat hij deed en zei.

Dat bleek uit zijn afkeer van de ziele-nood van de Sunamitische vrouw. Toen zij in groot verdriet bij Elisa kwam, stootte hij haar weg (2 Kon. 4:27).
Het bleek ook uit zijn ongeloof. Denk maar aan de man uit Baäl-Salísa. Die kwam met aren en twintig gerstebroden, en het eerste wat Gehazi zei, was: ‘Dat is te weinig!’
En nu komt er weer iets opborrelen uit zijn zondige, onbekeerde hart.

Kijk maar naar vers 20: Gehazi nu, de jongen van Elísa, den man Gods, zeide: ‘Zie, mijn heer heeft Naäman, die Syriër, belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft wat hij gebracht had; maar zo waarachtig als de HEERE leeft, ik zal hem nalopen en zal wat van hem nemen.’

Een paar dingen vallen op.
a. Als eerste: Hij zegt iets tegen zichzelf. Zijn zonde komt dus op uit hemzelf.
Er was voor hem geen reden om te klagen, er was geen gebrek. Maar onvrede, kwaad borrelt op uit zijn eigen hart.

Dit is wat de apostel Jakobus bedoelt, als hij schrijft: Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht. Want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid, ontvangen hebbende, baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood (Jak. 1:13-15).
Herkent u dat: Zonde, die opborrelt uit je eigen hart?

b. En wat hij zegt (dat is het tweede wat opvalt), is doordrenkt van afkeer van zijn naaste, van de man die genade kreeg. Hij zegt, en de minachting is voelbaar: die Syriër!
Dit voelt als de oudste zoon, die zei (niet: ‘mijn broer’, maar): ‘uw zoon, die zijn goed met hoeren doorgebracht heeft.’
Herkent u dat? Boos neerkijken op anderen, die genade kregen?

c. En het derde wat opvalt is, dat hij alles doet onder het mom van vroomheid.
Hij zweert met een eed! Zo waarachtig als de HEERE leeft.

En zo gaat hij op pad, Naäman, die Syriër, achterna.
Kijk maar naar vers 21: Zo volgde Gehazi Naäman achterna. En toen Naäman zag dat hij hem naliep, viel hij van de wagen af hem tegemoet en hij zeide: ‘Is het wel?’
Vers 22: En hij zeide: ‘Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der profeten van het gebergte van Efraïm gekomen; geef hun toch een talent zilver en twee wisselklederen.’

d. Het volgende, het vierde: een leugen, een opzettelijke leugen.
Wel een beetje doorzichtig, trouwens. Je vraagt voor twee gasten toch ook geen 500 euro aan je buren? Eén talent, dertig kilo zilver, 20.000 euro, dat is wel erg veel voor een bezoekje van twee profetenzonen!
En wat stelt hij zijn meester, en daarmee ook de God van zijn meester, in een kwaad daglicht.
Alsof Elisa direct berouw gekregen heeft van zijn weigering om geld aan te nemen…

Vers 23, en ook de volgende verzen: En Naäman zeide: ‘Belieft het u, neem twee talenten.’ En hij hield aan bij hem en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen.
Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand en bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan en zij togen heen. Hij verstopt het spul in een huis, en…

Vers 25 en 26: Daarna kwam hij in en stond voor zijn heer. En Elísa zeide tot hem: ‘Vanwaar, Gehazi?’ En hij zeide: ‘Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.’
Maar hij zeide tot hem: ‘Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd om dat zilver te nemen en om klederen te nemen en olijfbomen en wijngaarden en schapen en runderen en knechten en dienstmaagden?’    

Vanwaar, Gehazi?
Gehazi, dit is je gelegenheid om eerlijk te zeggen wat je gedaan hebt…
Zoals je als man of vrouw ook kan zeggen tegen de ander: ‘Waar ben je geweest?’
Zoals je als ouders ook aan je kinderen kan vragen, als docent aan je leerlingen: ‘Waar ben je geweest?’

Wat een gemakkelijke leugen: ‘Nergens.’
En hij zeide: ‘Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.’
Wat zien we hier, gemeente, dat het pad van de zonde bergafwaarts gaat. Met als kern, steeds weer terugkomend: liegen.
Pas op, niet doen! Daarmee gaat het van kwaad tot erger!

Maar het ergste van alles wat hier gebeurt is (en daar moeten we het verder over hebben):
Gehazi haalt de boodschap van Elisa onderuit!
Zijn boodschap aan Naäman: Genezing, genade is vrij, zonder geld, zonder prijs. Wat je meegenomen hebt, Naäman, had je thuis mogen laten.

Want mijn God is geen God Die vraagt, Die voorwaarden stelt. Hij vraagt geen geld, geen goed, geen nederigheid of eerlijkheid, geen geloof, hoop of liefde, geen tranen, want dat heb je toch allemaal niet van jezelf.
Mijn God is niet een God Die iets vraagt, maar een God Die geeft. Die alles geeft!
Aan mensen die nooit naar Hem gevraagd hebben, aan mensen die Hem nooit gezocht hebben.
Dat was een revolutionaire boodschap toen. Maar, naar het lijkt, ook nu!

Gemeente, je kunt een leven vol voorrechten van God gekregen hebben. Terwijl je in je hart als twee druppels water lijkt op Gehazi.
De Heere zegt: ‘Ik wil niets van je aannemen, je mag alles van Mij krijgen. Ik wil je alles geven.’ Maar dan zet Ik jou erbuiten, dan schakel Ik jou uit. Met al je vroomheid, godsdienst, geloof, tranen, werken, geld en ijver. Jou schakel Ik uit.

Maar dan… Wat gebeurt er dan in uw hart?
Komt er dan in uw hart ook geen trekje naar boven van die vroegere Naäman? Vervuld met toorn? Naar huis gaan met grimmigheid?
Ik uitgeschakeld worden? Ik opzij gezet worden?
Ik gelijkgeschakeld worden met Naäman, met Gehazi, met hoeren en tollenaars? Ja.

Bevrijdend. Want dan krijg je genade, dan krijg je Jezus. Dan krijg je alles.
Jezus alleen. Die alles verdiende. In Zijn leven en aan het kruis.
En Die je alles uit genade, onverdiend geven wil. Voor niets!
Want ‘Jezus plus’ dat gaat niet. Zo wil de Heere het niet.
Jezus ‘plus mijn inspanningen’: plus mijn initiatief om te geloven, plus mijn voorbeeldige leven, dat gaat niet. Zo wil de Heere het niet.

Gemeente, genade is wonderlijk. Dat ziet u bij Naäman: alles krijgen, voor niets.
Maar genade is ook gevaarlijk. Dat ziet u bij Gehazi. Hij wordt melaats.
Kijk maar naar vers 27: Daarom zal u de melaatsheid van Naäman aankleven en uw zaad in eeuwigheid. Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw.

Het had erger met hem kunnen aflopen, zoals Paulus zegt in Galaten 1: Indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt (anders dan het evangelie van vrije genade), die zij vervloekt (Gal. 1:8-9)
En het loopt nog erger met u af, als u vasthoudt aan dat andere Evangelie…
Genade is eenzijdig. De Heere hoeft geen ruilmiddel. Hij hoeft niet omgekocht te worden.

Gemeente, het is één van twee.
Óf uw kostbare ziel op weg naar de eeuwigheid wordt vrijgekocht door niets van u.
Niet door uw vroomheid, of door godsdienst, of door uw geloof, tranen, werken, geld of ijver. En u krijgt uit enkel goedheid, eenzijdig bij God vandaan, door wedergeboorte: een geschonken geloof en een vernieuwd leven…
Óf (wat u ook probeert mee te nemen, te geven of te doen): De toorn van God blijft op u!

Kom met Naäman van uw wagen af. Lever alles van uzelf in. Buig, en bid om genade!
En ga heen in vrede.
Want God ontfermt Zich, niet over het goedgelovige, over het rijke, over degene die geen ding gebrek heeft, maar: over het verlorene.
Het is Jezus, en Jezus alleen.

Gemeente, het is één van twee.
Neem twee talenten zilver en een paar wisselklederen om voor een poosje te genieten van de dingen van deze tijd, en verlies uw kostbare ziel.
Óf… (nee, maar ik bid u), verlies beter alles van uzelf en bid om genade.
En ontvang vrede met God.

Amen.