Barmhartige Samaritaan · Lukas 10

De Barmhartige Samaritaan
Preek Lukas 10:25-37: En Jezus antwoordende zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem halfdood liggen.

PDF · Audio

YouTube player

Thema preek Lukas 10: De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

1. De aanleiding
2. De gelijkenis zelf
3. De les van gelijkenis

Preek Lukas 10: De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

Gemeente, we hebben zojuist een heel bekende gelijkenis gelezen, die van de barmhartige Samaritaan.
Daarover gaat de preek. En dat is ook het thema van de preek van vanmorgen:
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

We letten samen op drie aandachtspunten:
We letten als eerste op de aanleiding tot deze gelijkenis: wanneer, waarom en tegen wie vertelt de Heere Jezus deze gelijkenis?
Daarna letten we op de gelijkenis zelf: op het verhaal van de gelijkenis die de Heere Jezus vertelt.
En als laatste letten we op de les van deze gelijkenis: wat bedoelt de Heere daar nu mee te zeggen, ook tegen ons?

Dus, de preek gaat over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Drie punten:
1. De aanleiding
2. De gelijkenis zelf
3. De les van de gelijkenis

Als eerste dus:

1. De aanleiding tot de gelijkenis van barmhartige Samaritaan

Die staat in vers 25: En zie, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?

Kijk, daar komt een wetgeleerde. Dat is iemand die iedere dag de wet bestudeert. En die daar dus heel veel vanaf weet.
Hij stelt een vraag. Een heel goede vraag: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
Dat is een heel goede vraag. Dit is gewoon de beste vraag die je stellen kan!
Van alle vragen is er geen zo belangrijk als deze!

Want, jongens en meisjes, wij zijn zondaars. Net zoals die man (die straks in de gelijkenis langs de kant van de weg ligt): letterlijk half dood.
Geestelijk dood, helemaal dood in ons hart voor de Heere.
Sinds de zondeval in het paradijs houden we van de zonde, leven we zonder de Heere en luisteren we niet meer naar Hem.
Geestelijk dood. Hoewel ons lichaam nog leeft. Half dood dus.
Maar het duurt nog maar even, of ook dat is voorbij. Want ons leven gaat voorbij.
Ook ons lichaam zal sterven.
En wie zonder nieuw hart sterft, zal daarna eeuwig sterven, zonder ooit echt te sterven.

Gemeente, we zijn op weg eeuwigheid.
En dus gaat het vanmorgen (en in heel ons leven) niet om de vraag:
Hoe kunnen we het samen zo gezellig mogelijk hebben (ook in kerk)?
Hoe kunnen we zoveel mogelijk goede dingen doen?
Hoe kunnen we zoveel mogelijk vooruit komen, en onze kinderen vooruit laten komen?
Hoe kunnen we met elkaar zo veel mogelijk genieten van dit leven?
Want over honderd jaar bent u dat allemaal vergeten…
Van alles wat u nu ziet, is dan niets meer over.
Het gaat, in uw leven, en hier in de kerk, over de vraag: Hoe gaat u, hoe ga ik, hoe gaan wij straks, aan het begin van de eindeloze eeuwigheid, verschijnen voor God?
Dus is dit van deze wetgeleerde een heel goede vraag: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven(!) beërven?
Meester, ik heb leven nodig. Maar hoe?

Wat een mooie vraag! Maar… er zit wat achter.
De vraag is mooi, maar het motief is heel erg slecht!
Want Lukas schrijft: Hij stelt die vraag om de Heere Jezus te verzoeken.
Hij heeft een bijbedoeling. Hij wil de Heere laten struikelen. Hij wil laten zien, dat de Heere (als Meester, als Rabbi) wel geliefd en beroemd is, maar dat er iets bij Hem niet klopt! En dus is dit vraag om Hem te testen, om Hem te verzoeken.
Dit is gewoon een strikvraag! Om Hem voor het oog van de omstanders af te laten gaan. En hij hoopt dat Hij er intrapt.
Hij heeft zijn mond zo meteen vol over liefde, maar zijn hart is vol van haat!

En trouwens, toch nog even terug naar de vraag zelf: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Wat moet ik daarvoor doen, voor dat eeuwige leven? Want ik wil zo graag wat doen!
Herkenbare vraag, niet waar?
‘Wat moet ik doen? Ik doe al zoveel. Maar wat kan ik nog meer doen?
Geeft u me alstublieft wat praktische tips. Om te doen, om meer te doen.
Om heilig te worden, om nog heiliger te worden.
Want we willen graag iets doen, om in de hemel te komen!’

Om ‘de hemel te… beërven.
Maar, hebt u dat gevoel ook niet? Dat klopt niet helemaal, toch?
Een erfenis krijg je, als je kind bent van je vader en moeder. Als die overlijden.
Een erfenis krijg je niet als vreemde omdat je iets gedaan of gepresteerd hebt. Die krijg je omdat je kind bent. Omdat je vader en je moeder van je hielden!
Hier is sprake van een fatale misrekening!
Zoals zoveel mensen zich (ook nu) fataal misrekenen. Alsof hun doen geteld zal worden, straks op het moment van de grote afrekening.

Dus, even samenvattend:
a. De vraag is mooi. Dit is de beste vraag die je kan stellen. Want het gaat in dit leven, en het gaat hier in de kerk om eeuwig leven!
b. Maar er is ook iets wat niet klopt. Werken voor die hemelse erfenis?
c. Maar vooral ook die slechte bedoeling van de wetgeleerde: hij wil de Heere Jezus laten struikelen!

De Heere Jezus geeft hem antwoord. Hij stelt een vraag terug, in vers 26: En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?
Dus Hij wijst die wetgeleerde terug naar wat wij nu noemen: de Bijbel.
Die wetgeleerde denkt dat de Heere Jezus iets nieuws verkondigt, een nieuwe leer. Maar de Heere Jezus zegt als het ware: Ik preek helemaal niet iets nieuws. Kijk maar naar het Oude Testament, kijk maar naar de wet van Mozes.
Naar de wet, waar sinds de komst van de Heere Jezus trouwens niets aan veranderd is.

Nou, de wet, die kan die wetgeleerde wel dromen. Hij schudt het zonder problemen uit zijn mouw, in vers 27: En hij antwoordende zeide: U zult de Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw kracht en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
‘Goed antwoord’, zegt de Heere zegt tegen hem. Vers 28: U hebt recht geantwoord.
Met andere woorden: Voor Mijn test ben je geslaagd!
Maar dan dat volgende…, dat komt onverwachts…, dat raakt hem…: Doe dat en gij zult leven.

Nu gaat niet de Heere Jezus, maar nu gaat deze wetgeleerde door de mand vallen.
En wij misschien ook wel, met hem.
Want de Heere Jezus staat vanmorgen ook voor jou en voor u, en zegt: ‘Je wilt zo graag doen? Je wilt zo graag praktische tips? Doe dat dan, de wet van God, die zojuist is voorgelezen. Houd de wet dan, die Tien Geboden. Doe dat, dan zult u leven, dan zult u eeuwig leven!’

Wat zeg je daarop? Wat is uw antwoord, op wat de Heere Jezus hier zegt: Doe dat en u zult leven? Denk er even over na…
Er zijn twee mogelijkheden.
a. Als je een beetje zelfkennis zou hebben, als je je eigen hart een klein beetje zou kennen, dan zou je je schamen en diep voor de Heere buigen.
Dan zou je zonder twijfel zeggen: Maar, Heere, dan ben ik verloren! Als dat de weg naar de hemel is, dan kom ik er nooit. Dan ben ik ten dode opgeschreven. Want dat kan ik niet! Ik kan de wet niet houden!
b. Of (dat is de tweede mogelijkheid), of je zegt wat hij zegt, en je doet wat hij doet:
Hij schaamt zich niet, hij buigt niet. Hij recht zijn rug, hij steekt borst vooruit.
Kijk maar naar vers 29: Maar hij willende zichzelf rechtvaardigen.

Aan het eerste wat hij zojuist zelf gezegd heeft ‘God liefhebben boven alles’, gaat hij opvallend genoeg helemaal voorbij. Hij lijkt ermee te willen zeggen: ‘O, maar dat is voor mij geen probleem, dat doe ik uiteraard al. En, verder? Want geloven, dat doe ik al!’
En bij het tweede ‘je naaste liefhebben als jezelf’, daar begint hij bij te draaien.
Hij zegt: ‘ja, maar wie is dat eigenlijk, mijn naaste?’

Dus, nog even terug. Ik zei net: er zijn twee mogelijkheden, als reactie op wat de Heere zegt: Doe dat, en u zult leven!
De eerste mogelijkheid: buigen, jezelf schamen en zeggen ‘maar, Heere, dan ben ik verloren, dan kom ik er nooit!’
De tweede mogelijkheid: ieder tekort bij jezelf ontkennen en verder gaan. Zoals hij verder gaat met zijn eigenlijk doel: Jezus onderuit halen.
Wat zeg u, als u dit hoort: Doe dat (de wet van de Heere), dan zult u leven?

Doet dat, en u zult leven. Zo staat het ook in Deuteronomium 6 en in Leviticus 19.
Want die wet van de Heere, die Tien Geboden die iedere zondag gelezen worden, die wet is goed. Daar is niets mis mee. Paulus zegt in Romeinen 7:12: De wet (is) heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed (Rom. 7:12). Er is niets mis met de heilige Wet van God.

En dus klopt het ook niet (zeg ik even tussendoor), dat er tegenwoordig mensen zijn, die die wet een beetje willen veranderen. Zij zeggen: ‘Ja, die wet, die was voor vroeger. Toen was alles heel streng. Maar nu gaat het veel meer om de liefde, om dat je van God en van elkaar houdt. De wet? Die was oud en verouderd. Maar die is gelukkig door Jezus vervangen.’
Dat is dus echt niet waar! De Heere zegt Zelf in Johannes 15: Die Mijn geboden bewaart (het zijn ook Zijn geboden, want Hij is God!), die zal in Mij blijven (Joh. 15:10).
Want de wet is heilig, rechtvaardig en goed.
Het probleem zit niet in de wet. Het probleem zit in ons hart.
Paulus zegt in Romeinen 7: Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom. 7:14). Ik ben slaaf van de zonde.

Vers 29: Maar hij willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?
Hij wil eronderuit kruipen. Hij voelt het ongetwijfeld in zijn hart: Ik heb mijn mond wel vol van de wet, maar mijn hart is niet oprecht voor God. En dus gaat hij pijlsnel op zoek naar een excuus.
Zoals Adam en Eva dat in het paradijs ook deden, toen ze van de verboden vrucht gegeten hadden. Ze voelden het direct in hun hart: het klopt niet meer, het is niet meer goed, het is niet meer goed tussen de Heere en ons hart. ‘Snel! Bladeren zoeken, om ons te verstoppen!
Maar dat lukte toen niet. En dat lukt ook hier niet!
Hij wil zichzelf rechtvaardigen.
Hij wil de Heere Jezus onderuithalen, en zelf voor de dag komen als de beste.
Hij heeft het over de wet en over liefde, maar zijn hart is gemeen en zit vol van haat.

Waarom houdt de Heere deze wetgeleerde (die van zichzelf al zo netjes lijkt!), waarom houdt de Heere hem aan de wet?
Waarom lezen wij iedere zondagmorgen de wet voor? Voor de preek, voor het Evangelie?
Met de bedoeling dat we ons zouden gaan schamen en voor God zouden gaan buigen.
Om ons allemaal te laten voelen: die wet is goed, maar ik ben slecht. Ik kan de wet niet houden. Zo wordt het nooit goed tussen de Heere en mijn hart. Zo word ik nooit rechtvaardig voor God. Ik heb Iemand anders nodig, ik heb een Zaligmaker nodig, om mijn zondige hart te redden van de dood.
Ons tweede punt:

2. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan zelf

Ik lees in vers 30: En Jezus antwoordende zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem halfdood liggen.
Een zeker mens ‘ging af’. De weg gaat stijl naar beneden. Jeruzalem ligt 774 meter boven het zeeniveau, Jericho ligt er 252 meter onder. En dus gaat de weg heel stijl naar beneden.
De weg van Jeruzalem naar Jericho. Het is een ruige weg. Links en rechts zijn rotsen, met allerlei holen en grotten, en dus met schuilplaatsen voor rovers…

En ineens, wordt ie ook gepakt! Ze slaan hem bont en blauw. Ze pakken hem alles af en laten hem half dood, zwaar gewond aan de kant van de weg liggen.
En weg zijn ze weer!
Kijk, daar ligt ie… Hij beweegt nauwelijks… Overal ligt bloed…
Dat gaat niet goed, hoor!

Maar gelukkig, kijk, daar komt een priester aan. Waarschijnlijk heeft hij dienst gehad in de tempel, en nu is hij op weg naar huis. Veel priesters woonden destijds in Jericho.
Je herkent hem direct aan zijn priestergewaad, aan de jas die hij draagt.
Maar… (zucht), hij loopt met een grote boog om die man heen. Hij kijkt niet eens! Hij stopt niet eens!

Maar gelukkig, kijk, daar komt nog iemand aan. Een Leviet. Dat was iemand die de priesters hielp bij hun werk in de tempel.
Hij is een beetje anders. Hij komt wat dichterbij, hij kijkt goed…, maar dan laat hij de man toch liggen en loopt ook hij weer verder.
Daar ligt die man! Dat gaat niet goed, hor! Is er dan niemand die voor hem wil zorgen?

Maar kijk, daar komt nog iemand aan. Waarschijnlijk op een ezel.
Het is iemand uit de stad Samaria, een Samaritaan (zo heette zo iemand).
Daar hielden de Joden niet van. Ze haatten de Samaritanen.
Maar als die Samaritaan die zwaargewonde man aan de kant van de weg ziet, dan raakt het zijn hart.
Vers 33 zegt: hij werd met innerlijke ontferming bewogen.

Hij werd met barmhartigheid, met innerlijke ontferming bewogen.
Moeilijke uitdrukking, jongens en meisjes. Maar het is wel heel belangrijk dat je weet wat de Bijbel daarmee bedoelt. Ik zal het je proberen uit te leggen.
Stel je voor: je bent op weg naar school, je zit lekker op je fiets, het is mooi weer en ineens…, ook aan de kant weg, ineens…, zag je daar nou iets bewegen in het gras?
Je stopt snel, legt je fiets aan de kant in het gras en loopt ernaar toe.
Ah, nee. ’t Is een klein poesje. Met bloed aan zijn snuitje. Het miauwt zachtjes…
Gelukkig, het leeft nog wel. Het is vast aangereden door een auto of door een scooter.

En dan…, dan gebeurt er iets. Met jou, als je dat ziet! Je hart wordt helemaal warm vanbinnen. Het wordt helemaal warm van medelijden.
Dit beestje moet je helpen. Het is halfdood, straks gaat het helemaal dood.
En vanaf dat moment doe je wat je kan. Je vergeet school. De meester of de juf wacht maar even. Je pakt het beestje voorzichtig op en neemt het snel mee naar huis, om het te verzorgen.
Je (daarom vertel ik dit verhaal), je raakt innerlijk met ontferming bewogen.
Je hart wordt werd warm, het gaat branden van medelijden.
Daaraan moet je denken bij het Bijbelse woord: barmhartigheid. Aan een hart dat warm is, aan een hart dat brandt van medelijden.

Zo is het ook bij deze Samaritaan. Hij raakt innerlijk met ontferming bewogen.
Hij weet dat het gevaarlijk is. Misschien zitten die rovers nog wel in de buurt, misschien zitten ze nu wel naar hem te loeren. En misschien wordt hij wel ziek van al dat bloed aan zijn handen.
En hij weet ook, dat dit hem heel veel tijd gaat kosten.
En hij weet dat dit een Joodse man is, die misschien ook wel een hekel aan hem heeft.
En hij weet dat dit hem ook veel geld gaat kosten. Want hij giet olie (zalf) en wijn (als desinfectans) in zijn wonden…
Maar hij stapt van zijn ezel af, tilt de man op, en zet of legt hem op zijn ezel. En zelf gaat hij er naast lopen. Zo gaan ze samen verder naar de herberg. En daar verzorgt hij hem nog verder (vers 34).

Het is jammer dat hij de volgende dag weer verder moet reizen. Maar hij geeft de baas van die herberg, van dat kleine hotel twee penningen, twee denariën, twee munten. Dat was ongeveer het geld waar je toen twee dagen voor werken moest. Zeg maar tweehonderd euro. Voor een vreemde man…!
En hij zegt tegen de baas van die herberg: ‘Zorg goed voor hem. En als hij je meer kost, dan krijg je het later van me terug.’

Wat de Heere Jezus eigenlijk doet, is: Hij laat die wetgeleerde iemand zien, die niet zijn mond vol heeft over de wet, maar die die wet ook echt in de praktijk brengt.
Hij heeft oog voor echte nood. Hij heeft diep medelijden met die man aan de kant van de weg. Hij neemt zelfs risico. Want zou hij zelf niet ziek kunnen worden van al dat bloed? En zouden de rovers hem ook niet kunnen pakken? Misschien zitten die nu wel stiekem naar hem te kijken!
En al is die man iemand met een andere huiskleur en een ander accent, hij is geen racist.
Hij geeft met liefde wat hij heeft: olie en wijn, om zijn wonden te verzachten. En hij blijft zorgen, wat het hem ook kost.
Zo’n naaste, zo’n helper is zeldzaam… Die is er bijna niet…
Ons derde punt:

3. De les van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

De Heere Jezus kijkt de wetgeleerde aan, en stelt hem nog een keer een vraag.
Deze vraag, in vers 36: Wie dan van deze drie dunkt u (denkt u) de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was?
En hij zeide (vers 37): Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen en doe gij desgelijks.

Hè? Weer datzelfde! Doe dat!
Eerst ging het om het principe, en toen zei de Heere: Doe dat!
En nu gaat het om de praktijk, en nu zegt Hij weer: Doe dat!
Als je dit kan, dan zal je leven, eeuwig leven!

Het is een boodschap die miljoenen mensen in deze wereld iedere dag horen, van het boeddhisme, van het hindoeïsme, van het rooms-katholicisme…
Een boodschap die duizenden mensen (ook kerkmensen!) zelfs in hun Bijbel denken te kunnen lezen als wegwijzer naar de hemel, naar het eeuwige leven!

Maar dan heb je het verkeerd gelezen. Dan heb je het verkeerd begrepen.
Want het doel van de wet, het doel van wat Jezus hier zegt, is niet dat je je uiterste best zou gaan doen om beter te worden, maar het doel hiervan is dat je je zou gaan schamen, dat je je hoofd zou gaan buigen en zeggen: ‘Maar, Heere, dat kan ik ook niet. Als dat de weg is, dan ben ik ook verloren!’
Dat is de bedoeling van de Heere!

Dat zie je ook in de vraag die de Heere Jezus aan de wetgeleerde stelt. Die wetgeleerde vroeg: ‘Wie is mijn naaste? Wie moet ik eigenlijk liefhebben? Voor wie moet ik eigenlijk zorgen? Wie is de patiënt? Want ik wil zo graag iets doen!’
Maar Heere Jezus draait het volledig om. Hij vraagt na het vertellen van de gelijkenis niet: ‘Wie is uw naaste?’, maar ‘Wie is de naaste van die zwaargewonde man?’
Met andere woorden: die man, die halfdode man, dat bent u! En wie is uw naaste? Wie helpt u?
U denkt dat u de hulpverlener, u denkt dat u de dokter moet zijn, maar u bent zelf de patiënt! En, man, wie helpt u nu toch?

En, wie helpt u, en jou, en mij?
Dat is Gods boodschap in deze gelijkenis. Voor jou, voor u, voor mij!
Je denkt, terwijl je voor Mij, voor de Heere Jezus, staat, dat je goede werken moet doen om de hemel te beërven? Dat je met praktische tips weer een stukje verder komt?
Dat dat je moet helpen, dat je moet zorgen en verzorgen? Dat je de hulpverlener, dat je de verpleegkundige, dat je de dokter bent?
Maar je vergist je. Ik ben de Helper. En jij, u bent de patiënt: halfdood liggend aan de kant van de weg, verloren en ten dode opgeschreven.

En nu sta je voor Mij, de echte Naaste, de Barmhartige Zaligmaker, Die Zich neerbuigt naar verloren mensen.
Ik heb echt oog voor uw nood. Ik ben vrijwillig naar deze zondige wereld gekomen, in gevaar van mensen, in gevaar van de duivel. Ik maak geen onderscheid, Ik heb oog voor iedereen, Ik zoek het verlorene. En Ik wil met liefde voor u zorgen. Ik wil alles voor u doen, wat het Mij ook kost.
Het heeft Mij zelfs Mijn eigen leven gekost, toen Ik vrijwillig, voor mensen zoals u, viel onder de handen van de moordenaars.

Zo stond Ik, de Heere Jezus, al zo vaak voor u. En nu weer…
Laat Mij toch alles doen. Want u kunt het niet meer!
Als Ik het doe, dan zult u leven, dat zult u eeuwig leven krijgen.
Niet verdienen, maar uit genade krijgen.
Wat zegt u, wat zeg jij, als antwoord daarop? ‘O, God, wees mij zondaar dan genadig?’

Lieve mensen, is het leven van deze wetgeleerde misschien ook een tekening van uw leven?
U wilt doen. U wilt graag tips om nog beter te worden. En u praat daar misschien ook wel over met elkaar. Over wat u daarvoor moet doen.

Luister, u hebt de wet verkeerd begrepen. Daar is de wet niet voor bedoeld. En daar is hij ook nooit voor bedoeld geweest. De wet wil u vernederen. De wet wil u aan de voeten van de Heere brengen. Omdat u het zelf niet meer kunt.

Je zou er trouwens ook moe van worden, van al dat doen, van al dat proberen.
Toch? Iedere keer weer proberen, en weer mislukt, en weer proberen, en weer mislukt.
Wetgeleerden, wordt je niet moe van al dat werken?
En zondaars (om het tegenovergesteld ook maar te noemen), u en jij die de wet aan je laars lapt, word je niet moe van al die zonden?

Kom tot Mij, zegt de Heere Jezus, dan zal Ik je rust geven (Matt. 11:28).
Echte rust. Door olie en wijn in je wonden te gieten. Door je op te rapen van de kant van de weg. Door de prijs van Mijn leven en van Mijn hart voor je uit te tellen.
Want Mijn hart (daar gaat hier om!), het hart van Christus brandt om het verlorene te redden van de dood!

Jongens en meisjes, misschien denk je ook wel, dat je heel veel goede dingen moet doen, om beter te worden. Maar je bent net als die zwaargewonde man. Die kon zelf ook niets.
Maar nu komt er vanmorgen Iemand bij je langs, Die je wil helpen. Die alles voor je wil doen.
Je hoeft jezelf niet te helpen, je kan jezelf niet helpen. Maar de Heere wil het doen.
De Heere wil je oprapen uit de zonde, de Heere wil je genade geven en al je zonden vergeven. Als je dat biddend aan Hem vraagt, zal Hij het je geven.
Zoek Hem, dan zal je Hem vinden. Bid Hem, dan zal hij je geven. Klop op Zijn deur, dan zal Hij voor je opendoen (Luk. 11:9).

Terug naar die wetgeleerde. De Heere stelt hem een laatste vraag: Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was?
Hij snapt de vraag en zegt in vers 37: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft.
Hij was toch zo druk met het liefhebben van zijn naaste? Maar kijk nu: hij heeft zo’n hekel aan de Samaritanen, dat hij ze niet eens noemen wil!

We kunnen onze mond vol hebben (dat blijkt) met: ‘alles doen uit liefde tot God en de naaste’, maar wat blijkt?
Hier zit wat anders. We houden allemaal vooral van onszelf. En dat doet hij ook.

Maar zijn antwoord heeft, zonder dat hij daar zelf erg in heeft, wel iets moois.
‘Wie was de naaste?’, vraagt Heere Jezus.
Hij zegt: die barmhartigheid aan hem gedaan heeft.
Precies! En daar gaat het om! Om barmhartigheid.

Om de barmhartigheid van de Man, Die voor hem staat. Die hij diep in zijn hart haat. Want hij wilde Hem laten struikelen.
Maar daar wordt de Heere Jezus niet minder barmhartig van. Hij is zonder twijfel ook innerlijk bewogen met deze wetgeleerde. En zo ook met u en jou.

Geliefde gemeente, laat u toch helpen door deze barmhartige Heere Jezus.
Laat u toch oprapen van de kant van de weg. Laat uw wonden toch verzorgen. Laat u toch dragen in Zijn armen. Want Christus is innerlijk bewogen met het verlorene, met zondaars die Hem haten, met mensen die denken dat zij alles zelf wel kunnen doen.

Geef nu maar ruiterlijk toe, dat je half dood aan de kant van de weg ligt. Dat je alles kwijt bent. Dat je bloedt uit duizend wonden. Dat je ten dode opgeschreven bent, in levensgevaar. En er is niemand die naar je omkijkt…

Behalve Een, Die voor dat soort van mensen naar deze wereld kwam.
Om zulke ellendige mensen op te rapen uit de modder van de zonde.
Hij betaalde voor ze, met de prijs van Zijn leven en van Zijn bloed. Hij liet Zich voor dat soort van mensen vrijwillig vallen onder de handen van de moordenaars.
Zoals Jesaja zegt in Jesaja 53: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5). Voor mensen zoals u en ik! Die God van Zijn eer wilden roven. En de Zaligmaker verworpen hebben.

Breek toch met de gedachte dat je het zelf zou kunnen. Want je kunt het niet.
Christus is bereid om olie en wijn in je wonden te gieten. We gaan het straks zingen:
Hij(!) heelt gebrokenen van harte, en Hij verbindt z’ in hunne smarte,
Die, in hun zonden en ellenden, tot Hem zich ter genezing wenden.
Hij is de enige barmhartige en getrouwe Hogepriester.

Tot slot, jongens en meisjes, je snapt, als je zelf door de barmhartige Samaritaan opgeraapt bent van de kant van de weg, dan loop je natuurlijk nooit meer voorbij aan iemand anders, die ook aan de kant van de weg ligt. En dus: wie door de Heere opgeraapt is uit de modder van de zonde – dat kan niet anders! – die heeft ook zelf een brandend hart voor andere mensen die aan de kant van de weg liggen.
Want dat nieuwe hart, dat de Heere uit barmhartigheid geeft, dat kent zelf ook iets van datzelfde vuur, dat brandt van medelijden om anderen (geminacht en verschopt) te redden van de dood. Want wie veel vergeven is, heeft veel lief (Luk. 7:47)
Bent u zelf opgeraapt door de barmhartige Zaligmaker? Laat het dan uit uw leven blijken, dat u Hem alle dank verschuldigd bent.
Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is (Luk. 6:36)

Amen.

Links bij preek Lukas 10: Martha en Maria: Eén ding is nodig
Preek Lukas 10: Martha en Maria
Preek Lukas 9: Hoe Jezus volgen
Preek Lukas 7: Ik ben niet waardig
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Lukas 10

TERUG LUKAS

Barmhartige Samaritaan