Ik ben niet waardig · Lukas 7

Romeinse hoofdman: ik ben het niet waard
Preek Lukas 7:1-10: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

Thema preek Lukas 7: Ik ben niet waardig

De Romeinse hoofdman over honderd
1. Wat er niet toe doet
2. Wat er wel toe doet

PDF LEESPREEK

Preek Lukas 7: Ik ben niet waardig

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over het Bijbelgedeelte, dat we samen gelezen hebben, over Lukas 7:1-10. Ik lees als samenvatting daarvan nu vers 6 en 7, de andere verzen komen straks vanzelf aan de orde. Lukas 7:6-7: En als Hij nu niet ver van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

Jongens en meisjes, de preek gaat over een Romeinse hoofdman over honderd. Dat is ook het thema van de preek:

De Romeinse hoofdman over honderd

Er zijn twee aandachtspunten.
We letten als eerste op: wat iets lijkt, maar wat er niet toe doet.
En daarna als tweede op: wat niets lijkt, maar wat er zeker wel toe doet.
Dus: De hoofdman over honderd:
1. Wat iets lijkt, maar wat er niet toe doet
2. Wat niets lijkt, maar wat er zeker wel toe doet

Als eerste dus:

1. Wat er niet toe doet

Wat iets lijkt, maar wat er niet toe doet
Nog maar net is de Heere Jezus terug in Kapernaüm, of Hij wordt aangeklampt door een paar Joodse ouderlingen: ‘Meester, kom, naar onze hoofdman!’
Want (kijk maar in vers 2 en 3): Want een dienstknecht van een zekeren hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven. En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende dat Hij wilde komen en zijn dienstknecht gezond maken.

Hij is een groot man, die hoofdman over honderd soldaten.
Een man, van oorsprong niet uit Israël. Hij is een Romein. Een, zoals de Bijbel dat noemt, een heiden.
Hij is officier in het leger van Herodes Antipas. En hij heeft heel wat soldaten onder zich: honderd man.
Hij is een groot man. Die in het verleden ongetwijfeld grote overwinningen heeft behaald.
En die nu, hier in Galilea, grote macht en grote invloed heeft.
Dat lijkt wel heel wat, maar… je hoort er verder weinig over.

Hij is trouwens niet alleen een groot man, hij heeft ook een groot probleem.
Zijn knecht, waarschijnlijk een ontwikkelde slaaf, een trouwe dienaar (hij noemt hem in vers 7: ‘mijn knecht’, waarschijnlijk zijn rechterhand), hij is ernstig ziek.
Mattheüs, die ook over deze geschiedenis schrijft in Mattheüs 8, zegt: hij is verlamd en lijdt zware pijn.
Lukas, de dokter, schat het op zijn manier in, in vers 2, en zegt: hij ligt op zijn sterven.

Maar gelukkig, hij heeft mensen die hem daarbij willen helpen.
Joodse ouderlingen zelfs! Die hem, horend bij het leger van Herodes Antipas, willen helpen.
Want volgens de Joden heeft hij zich niet alleen in het leger verdienstelijk gemaakt, maar zeker ook voor het Joodse volk.
En dus komen die ouderlingen naar Jezus toe. De hoofdman zelf stuurt ze. Met een bijzonder verzoek.

Je zou er bijna van onder de indruk raken… Zij, de Joodse oudsten, komen tot Jezus.
Ja, maar niet voor henzelf. Voor een ander, voor ‘hun man’, voor hun hoofdman.
Zoals je ook nu, biddend tot Jezus kunt gaan, maar altijd… voor iemand anders.
Zoals je ook nu, intens kunt luisteren naar de preek, maar altijd… voor een ander.
En niet voor jezelf…
Dat is gevaarlijk.
Dat lijkt heel wat, maar stelt (wat jezelf betreft) weinig voor.

Zij komen naar Jezus toe, met een dringend verzoek
Vers 3 zegt: ze bidden Hem. En vers 4: ze baden Hem ernstig.
Ze smeken Hem: ‘Kom, want zijn knecht ligt op sterven!’
En, Jezus van Nazareth, ‘Hij is het waard’.
Want?
Twee dingen. Kijk maar in vers 5: Want hij heeft ons volk lief (dat is het eerste), en (dat is het tweede) hij heeft zelf ons de synagoge gebouwd.

Dat is bijzonder.
De van oorsprong heidense man heeft het volk van Israël lief.
En hij heeft van zijn eigen geld en met zijn eigen mensen, de synagoge gebouwd.
En daarbij: Hij heeft ook zijn knechten, zijn slaven lief.
Wat is dit toch voor een man…?
Wat verhult zijn hart?
Maar, laten we blijven bij wat de Bijbel ons over hem vertelt, en het niet zelf gaan invullen.
Om al die dingen (zeggen de ouderlingen tegen Jezus) is hij het waard dat U komt.

Hij is groot, hij heeft grote macht, -hij heeft ook een groot probleem- …
Maar hij heeft ook grote liefde en grote waardigheid!
En ze bidden met grote ernst: Kom!

En -vers 6- Jezus ging met hen.
Had de Heere Jezus die dienstknecht nu al niet op afstand kunnen genezen?
Ja, dat had gekund. Maar dat doet Hij niet.
Want Zijn werk is geen beloning voor grote ernst, voor grote liefde, voor grote daden, voor grote waardigheid.
Dat lijkt heel wat, maar dat beweegt onze Heere niet om iets te doen.

De Heere gaat met hen mee.
Hij zegt wel iets tegen de ouderlingen. En daarmee indirect tot de hoofdman zelf. Mattheüs schrijft het: Ik zal komen en hem genezen (Matth. 8:7).
Een belofte…
Een belofte zondermeer…
Niet: ‘daarom (om zijn liefde, om zijn daden, om zijn waardigheid) zal Ik komen en hem genezen’. Want, ja, dat lijkt wel heel wat in onze ogen, maar de Heere kijkt daar anders tegenaan.
Nee, heel eenvoudig, heel simpel. Heel eenzijdig ook:
‘Zeg maar, los van hoe hij is en los van wat u van hem vindt: Ik zal komen en hem genezen.’

Een belofte, zoals de Heere die ook in deze tijd kan geven.
Aan mensen, waar je misschien ook niet zo goed van weet, wat je ervan denken moet.
Ze passen niet zo in ons plaatje. Net als hij. Hij werkt voor Herodes.
Ja, hij is wel anders dan de anderen: hij houdt van het volk van de Joden, hij houdt van zijn knechten. Maar verder…?
Waar is zijn belijdenis? Waar zijn vrijmoedig vertellen over het werk van de Heere in zijn hart?
Zoals er ook nu van die onzichtbare mensen kunnen zijn. Je merkt wel wat aan ze…, maar verder…?
Er zijn wel dingen die opvallen: hun liefde tot God, hun liefde tot hun naasten…, maar verder…?
Maar, gemeente, wij zien aan wat voor ogen is. Maar God ziet het hart aan.

De Heere heeft een woord voor hem. Juist voor hem!
Niet voor die vrome Joden, die in het openbaar zo ernstig bidden bij de Heere Jezus.
Zij verdwijnen naar achtergrond
Maar de Heere heeft een belofte voor deze hoofdman: Ik zal komen en hem genezen.

Een belofte…
Terwijl, zoals zo vaak, de vervulling van die belofte nog totaal onzichtbaar is.
Een woord van God, dat lijnrecht staat tegenover de werkelijkheid.
Ik zal hem genezen!
‘Ja…, maar: hij is stervend…!’
En wat blijkt? Bij deze hoofdman? En nu, als God spreekt door Zijn beloftewoord?
Gaat hij vragen?
Gaat hij redeneren?
Gaat hij zeggen: ‘Ja, maar ik zie er nog helemaal niets van?
Gaat hij zeggen: ‘O, natuurlijk, dat had ik al verwacht! Zo is Jezus toch’?

Nee. Het woord, dat beloftewoord haakt met weerhaken in zijn hart.
En meer dan ooit voelt hij zijn onwaardigheid!
‘Jezus komt eraan? Naar mijn huis! Maar wie ben ik eigenlijk? Ik ben het niet waard dat Hij onder mijn dak zou komen!
Maar Hij komt wel!’

Ziet u, hoe het geloof in Gods beloften (wat het is geen ongeloof; hij gelooft: de Heere komt eraan!); ziet u, hoe het geloof in Gods belofte, de mens meer dan ooit zijn onwaardigheid laat voelen? En meer dan ooit laat buigen?
‘Heere, de mensen denken wel, dat ik het waard ben, maar dat is niet zo! Ik ben het niet waard!’

Dat hoort ondertussen eigenlijk al bij ons tweede punt:

2. Wat er wel toe doet

Wat niets lijkt, maar wat er zeker wel toe doet
Waar ik dan op doel? Op wat net zei: Meer dan ooit voelt hij zijn onwaardigheid, als hij de belofte hoort.
Als ik denk aan, als ik pleit op het Woord (zoals staat in Psalm 119) gesproken tot Uw knecht, waarop de Heere me verwachting heeft gegeven, dan zeg ik: ‘Natuurlijk, wat God belooft heeft, dat zal Hij vast en zeker doen?’
Nee!
Alles wat begint met ‘natuurlijk’ of met ‘vanzelfsprekend’, dat is geen taal van het geloof.
Dan zeg ik: ‘Heere, dat wat U dat doen zult(!), dat ben ik niet waard!’

Want dat woord wijst me opeens (meer dan ooit) op wie ik ben, tegenover God: Ik heb Hem verlaten. Ik ben een en al zonde en ontrouw. En nu komt Hij… tot mij…?

Hij zegt in vers 6-7, bij monde van een paar vrienden: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat U onder mijn dak zou inkomen.
Het beloofde komen van Christus tot ons hart, brengt ons hart tot leven, tot verootmoediging, tot klein worden voor God, tot genade en ootmoed.
Dat lijkt niets, maar dat doet er zeker wel toe!
Want dat niets-zijn in onszelf, verbindt ons aan God.

Hebt u dat vanmorgen ook gezegd, op weg naar de kerk, thuis in de stilte van de plek waar u bad? ‘Heere, neem moeite niet; want ik ben niet waardig dat U onder mijn dak zou inkomen?’

Maar, het valt op dat dat niet alles is. Hij gaat verder: Daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Groot zijn in aanzien, in invloed, in goede werken, in liefde en in waardigheid in de ogen van anderen, dat doet er niet toe!
Maar dit wel: groot zijn in ootmoed. Het is eigenlijk een tegenstelling: groot zijn in klein zijn, in niet waard zijn. En groot zijn in geloof.
We gaan het zo meteen verder zien, maar laten we eerst zingen uit Psalm 86:3:
HEER’, door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in ’t schuld vergeven.
Wie U aanroept in den nood,
Vindt Uw gunst oneindig groot.
HEER’, neem mijn gebed ter oren;
Wil naar mijne smeking horen;
Merk, naar Uw goedgunstigheên,
Op de stem van mijn gebeên.

———–

Omdat ik het niet waard ben, dat U onder mijn dak zou binnenkomen (vers 6), daarom (vers 7 en 8) heb ik ook mijzelf niet waardig geacht om tot U te komen; maar zeg het met één woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Zij, de Joodse ouderlingen, anderen, achten mij het waard. Maar ik mijzelf niet.
Wat een blijk van Gods werk in het leven van deze man.
Hoogmoed, de gedachte ‘ik ben het wel waard’, is geen kenmerk van genade.
Ootmoed, de belijdenis ‘ik ben het niet waard, dat U tot mij zou komen’, dat is een teken van het werk van God in het hart.
Maar wat een wonder is het, dat Christus hem, die zichzelf onwaardig acht om tot Jezus te gaan, wel waard acht om naar hem toe te komen.

Want -ik lees verder in vers 8- ik ben ook een mens onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij; en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat, en hij doet het.
Letterlijk zegt hij: Ik ben ook een man onder autoriteit, onder gezag.
Met andere woorden: Ik heb ook macht, ik heb ook gezag boven me. Zelf heb ik wel macht over mijn ondergeschikten, maar er is een macht boven mij, en daar heb ik geen macht over. Zoals deze macht, de macht van deze dodelijke ziekte van mijn knecht.
Maar U, Heere, hebt alle macht!
Alleen…, ik ben niet waard dat U komt en die macht gebruikt om mijn knecht te genezen.
Maar…, ik heb maar één woord nodig.
Eén woord is genoeg. Dan zal mijn knecht genezen. Dat, Heere, geloof ik…

En dat geloof, zo zegt de Heere in vers 9, dat is een groot geloof.
Welk geloof is groot geloof?
Dat geloof dat zegt: Daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht om tot U te komen; maar zeg het met één woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Zeg het met één woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Dat is de taal van groot geloof!
Dat lijkt voor het oog niets. Maar dat doet er wel zeker toe. Dat is levensreddend!
Hoe simpel! Hoe eenvoudig!
Dit haalt alle ingewikkelde definities van geloof onderuit.

We kunnen het zo moeilijk maken… Ik ook.
Geloven? Dat is eerst dit, en dan dat, en dan dat…
En het ontlokt u, onwaardigen, een diepe zucht…
Wat kunnen we het u moeilijk maken.
Dit is geloof: Heere, ik ben het niet waard. Maar zeg het met één woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Zegt U één woord. Dan zal alles veranderen!
Zegt U tot mij: ‘hij is gezond!’ En hij zal genezen zijn.
Zegt U tot mij: ‘Ik ben uw Heil.’ En mijn ziel zal gered zijn

Zo eenvoudig. Zo simpel!
Zoals het Evangeliebevel ook is. Zo eenvoudig, zo simpel.
Geloof! Met dit geloof: ‘Heere, ik ben het niet waard, maar zeg het met één woord en ik zal genezen zijn’. Geloof in de Naam van de Heere Jezus Christus, de gezonden Zaligmaker van verloren zondaars, en u zult zalig worden! (Hand. 16:31)
Roep de Naam des Heeren aan, en u zult zalig worden (Hand. 2:21).
Wend u naar Hem toe, en word behouden! (Jes. 45:22)
Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29).
Zo eenvoudig. Zo simpel.
Zo onvermengd met al onze toegevoegde dingen.
Heere, ik ben het niet waardig. Maar zeg het met één woord, en het zal zo zijn!

Vers 9: En Jezus dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden.
Drie keer lezen we in de Bijbel dat Jezus Zich verwonderde, dat Hij verbaasd was.
Hij verwonderde Zich over het geloof van de Kananese vrouw. Iemand van buiten de kerk, een heidense vrouw.
Hij verwonderde Zich over het geloof van deze Romeinse hoofdman over honderd.
Ook al iemand van buiten de kerk. Een heiden.
En Hij verwonderde Zich ook… over het ongeloof van de mensen uit Nazareth.
Over het ongeloof van de mensen uit de stad waar Hij opgroeide, van Zijn familieleden, van kerkmensen…

Maar hier is verwondering over…
Waarover?
Over de ernstige gebeden van die ouderlingen?
Over de prachtige synagoge van Kapernaüm?
Over het bloeiende kerkelijke leven in Kapernaüm?
Over deze voorbeeldige kerkelijke leiders?
Over de opvallend goede samenwerking met en de steun van de lokale overheid?

Waarover?
Over de grootheid van ons christen-zijn?
Over onze mooie woorden?
Over onze prestaties?
Over dat wij dingen doen, die anderen niet doen?
Over dat wij sommige dingen echt niet doen, die anderen wel doen?

Nee!
Maar over de grootheid van dit (voor het oog van mensen) onzichtbare geloof.
Dat buigt in onwaardigheid. Dat vertrouwt op Gods onfeilbaar woord. En op de Heere wacht.
Over hartetranen van vernedering.
Over ootmoedig buigen voor God.
Over onwaardig verwachten van de Heere Jezus
Over ogen van geloof die zien op Jezus: hopend op de rechtvaardiging van de goddeloze.
Over hartelijke liefde tot de naaste, zelfs van de laagste rang.
Dat lijkt allemaal niets in onze ogen. Maar Jezus verwondert Zich daarover!

En zo is het nog!
Als we van Jezus gehoord hebben. Als we Hem te hulp geroepen hebben in onze onwaardigheid. Als we horen van Zijn komst. Als we Zijn beloftewoorden horen.
En dan, middenin in de vernedering van ons hart zeggen: ‘Heere, ik ben het niet waard, maar één woord van U is genoeg.’
Dan verwondert Jezus Zich.
Dan is er blijdschap bij de Vader.
En dan zingen de engelen. Vanwege Gods Eigen werk in het hart van een zondaar.
Dan zegt Christus: ‘Ik heb zo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden. Laat staan in [plaatsnaam]… ‘

Dit geloof is groter dan het geloof van Johannes, van Petrus, van Simeon en Anna.
Dit wil al het grote, ook onder Gods kinderen, beschamen!
Je kan denken, dat je groot geworden bent: groot in genade, groot in ervaring, groot in bevinding, groot in woorden, groot in roeping, groot in vrijmoedigheid en getuigen, groot in zekerheid, maar je hoort op zijn best bij de ‘kleinen in de genade’.
Onze classificaties deugen niet.
Dit is de hoogste stand in het genadeleven:
‘Heere, ik ben het niet waard, maar spreek alleen één woord.’
Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij (Ps. 40:18).
Zoals de Heere zegt door de mond van Zefanja: Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen (Zef. 3:12).

Dit! is een groot geloof! En dan ook nog in het hart van een heiden!
In het hart van een Cambodjaan of Ecuadoraan.
In het hart van die mensen, waarvan wij denken: ‘ja, die snappen dat allemaal nog niet zo, dat bevindelijke leven!’

Maar dit is de echte bevinding, dit is het ware geloof. En het is groot!
In Kapernaüm, in [plaatsnaam], en wereldwijd: ‘Heere, hier is mijn nood! Al mijn zonden, al mijn ellende, de hardheid, de doodsheid van mijn hart. Heere, hier is het allemaal. Ik ben het niet waard, maar één woord van U is genoeg!’
Zo simpel, zo eenvoudig.
Zo simpel, zo eenvoudig, dat wij er niet mee uit de voeten kunnen.
Het is ook voor de wijzen en de verstandigen -ook in de godsdienst- verborgen.
Het wordt de kinderen geopenbaard! (Luk. 10:21)

Hebt u ooit de nood van uw hart, zo aan de voeten van de Heere gelegd?
‘Heere, ik heb grote nood! Maar, Heere, ik ben maar klein. En hoe dichter U bij mij komt, hoe meer ik mijn kleinheid zie.
Maar het is Uw grootheid, Heere, dat één woord genoeg is!
Dat geloof ik. Dat wat U beloofd hebt: Ik zal komen, en hem genezen.’

Hij gelooft het beloftewoord.
En (zo schrijft Mattheüs): En Jezus zei tot de hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.

Zegt u dit vanmorgen ook zo in uw hart: ‘Heere, ik ben het niet waard. Maar zeg het met één woord, en dan zal mijn ziel gered zijn…?’
U zegt: ‘Was het maar zo simpel…’
Maar zo simpel is het!
U zegt: ‘Maar u moest eens weten, hoe ingewikkeld het allemaal is.’
Nee, dat hoef ik niet te weten. Mijn enige vraag is: ‘Zegt u dit ook?’
‘Heere, hier is de nood van mijn verloren hart en leven. Mijn onwaardigheid. Ik ben het niet waard. Maar, zeg het, o Heere, met één woord. Dan zal alles veranderen!’

Waarom zegt je dat eigenlijk niet zo, jongelui, net als deze man?
‘Heere, ik ben niet waardig dat U onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk één woord, en ik zal genezen zijn.’
Geloof je niet, dat het waar is?
Maar dan is God een leugenaar…
Of ben je bang, dat het wel waar is…?
Veel mensen maken geen werk van hun bekering, omdat ze bang zijn voor de verhoring van hun gebeden.
Je denkt: ‘Maar als de Heere nu eens echt één woord spreekt?’
Wat moet ik dan allemaal gaan doen? En heb ik daar wel zin in?
En waar moet ik dan allemaal mee stoppen? En wil ik dat wel?

Wil je wel echt bekeerd worden?
Ik kan me goed voorstellen, dat je het niet wilt…
Want dat zal een breuk betekenen met je huidige leventje.
En ik snap: je weet hoe dit voelt, maar je weet niet wat je ervoor terugkrijgt.

Maar toch wil ik je dringend vragen, kinderen, jongelui, volwassenen, ouderen: om al die dingen die er in je leven zijn en die niet kloppen, bij de Heere te brengen.
Zoals deze hoofdman het deed met zijn zieke knecht.
Doe ook zo met alles wat je weghoudt van God. Zeg eerlijk: ‘Heere…,
Ik weet niet of ik dit wel wil.
Ik weet niet of ik U wel echt wil dienen.
Ik zie trouwens ook niet echt het probleem van mijn huidige leventje.
Ik heb ook niet echt zin om te bidden, om Bijbel te lezen.
Ik zie het probleem eigenlijk helemaal niet, dat over mij geschetst wordt.
Verloren? Op weg naar de eeuwigheid? Op het punt om voor U te moeten verschijnen?
Diep in mijn hart geloof ik er eigenlijk helemaal niets van!’

Kom, zeg het vanmorgen allemaal eerlijk tegen de Heere.
‘Ik zie het niet. Ik wil het niet. Ik geloof het niet. Dat is mijn ellende!
Maar spreek, Heere, één woord. Dan zal mijn ziel gered zijn.’
Doe het! Nu!

Of je het doet, of niet…, dat zal grote gevolgen hebben.
Want, waar Lukas stopt, voegt Mattheüs er nog iets aan toe.
Hij schrijft: Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham en Izak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen (Mat. 8:11).
Wat een bemoediging!
Dit wil je, met je harde, dode hart, moed geven!
Velen zullen komen!
Uit het oosten. Uit Cambodja, uit China, uit Indonesië…
Uit het westen. Uit Albanië, uit Ecuador, uit Nederland…
Ze zullen komen. God heeft beloofd!
Met hetzelfde gebed: ‘Ik ben het niet waard, Heere, maar spreek alleen één woord!’
En niemand van hen is geweigerd. Want ze zullen aanzitten.
Dat gebed, dat geloof, wat voor ons oog niets voorstelde, werd hun tot eeuwig behoud.
Zou je daar niet bij willen zijn? Met Abraham en Izak en Jakob willen aanzitten in het Koninkrijk der hemelen?

Wat een grote belofte!
Maar ook…: wat een grote dreiging!
Want: de kinderen des Koninkrijks (zo schrijft Mattheüs verder) zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn en knersing der tanden.
De kinderen des Koninkrijks…
Die groot waren in hun eigen oog.
Groot in liefde, groot in ijver, groot in zelfwaardering, groot in zelfverzekerdheid.
Maar, aan klaagliederen (die speelden over verlorenheid en schuld) hadden ze geen boodschap. En op de fluit van het Evangelie (die speelde over genade voor vijanden) hebben ze niet gereageerd.

Geen groot geloof. Zelfs geen klein geloof…
Geen acht geslagen op de grote zaligheid.
En nu…:
Groot verdriet: buitengeworpen.
Grote duisternis: de buitenste duisternis.
Grote wroeging: wening, tranen.
Grote haat: knersing van tanden.

Waarom wil je verloren gaan?
Waarom wilt u, ook als voor het oog godsdienstig mens, verloren gaan?
Waarom wil je vanmorgen hier en straks thuis op je knieën ook niet zeggen: ‘Heere, ik ben niet waardig dat U onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en ik zal genezen worden?’

Doe het toch. Nu en straks. En geloof het. Omdat God het zegt.
Zie op Hem en word behouden (Jes. 45:22).
Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden (Hand 16:31).

Laat het toch niet gebeuren, dat je straks buitengeworpen zult worden.
Als kind van het Koninkrijk, met het teken van Gods verbond op je voorhoofd.
Maar dan: voor altijd buiten. In de buitenste duisternis.

Kom!
Je tijd is kort!
Kom nu!
En zeg: ‘Heere, Zaligmaker van zondaars, ik ben het niet waard. Maar spreek één woord. En mijn ziel zal gered zijn!’

Amen.

Links bij preek Lukas 7: Romeinse hoofdman over honderd
Medicijnmeester niet nodig? (Lukas 5)
Zelf verloochenen, kruis opnemen (Lukas 9)
Externe links:
– Kanttekeningen bij Lukas 7

TERUG LUKAS