Besnijdenis van Jezus · Lukas 2

Besnijdenis van Jezus:
Preek Lukas 2:21: En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Thema preek: Het teken van Gods verbond

  1. Is vernederend
  2. Is richting wijzend
  3. is moed gevend

PDF LEESPREEK

Schriftgedeelte over Besnijdenis van Jezus Lukas 2:21-24:
En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem den Heere voorstelden (gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden), en opdat zij offerande gaven naar hetgeen dat in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

Link bij preek over Besnijdenis van Jezus Lukas 2:21-24:
– Preek Lukas 5: De hemelse Dokter 
– Preek Markus 5: Bloed vloeiende vrouw
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 4

TERUG LUKAS

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Lukas 2:21.
Daar lezen we Gods Woord als volgt, in Lukas 2:21:
En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Het thema voor de preek van vanmorgen is:
Het teken van Gods verbond

We letten samen op drie aandachtspunten:
Dat teken is in de eerste plaats diep vernederend, in de tweede plaats richting wijzend en in de derde plaats moed gevend.
Dus: het teken van Gods verbond is:
1. Diep vernederend
2. Richting wijzend
3. Moed gevend

Als eerste dus:

1. De Besnijdenis was en de Heilige Doop is vernederend

Heb je er wel eens over nagedacht, jongens en meisjes, jongelui, waarom de jongetjes in Israël vlak na hun geboorte besneden moesten worden?
Bij de Besnijdenis van die pasgeboren jongetjes werd met een scherp mes het velletje van hun voorhuid weggesneden.
Je kan je voorstellen dat die kereltjes krijsten van pijn. Het bloedde, het deed zeer!
Hun moeders kregen er ongetwijfeld tranen van in hun ogen.
En de jongetjes zelf zouden komende dagen ook nog vaak huilen…

Waarom moest dat zo?
Je kan zeggen, en dat is ook zo: Zo had de Heere tegen Abraham gezegd.
Hij had een verbond gemaakt met Abraham in Genesis 15. En hem beloofd, dat hij tot een groot volk zou worden. De Heere zei: Abraham, kijk eens naar de hemel, en tel de sterren eens, als je ze tellen kunt? Zo zal uw zaad zijn! Zoveel mensen zullen uit u geboren worden.
En Abraham geloofde wat de Heere zei.
Maar wat was het moeilijk, zelfs voor Abraham, de vader van alle gelovigen, om dat te blijven geloven. Want Sara kreeg geen kinderen. En dus nam Abraham ook Hagar tot vrouw en werd Ismaël geboren.

Het is jaren later, als de Heere terugkomt op Zijn belofte aan en Zijn verbond met Abraham.
En weer belooft in Genesis 17: Abraham, je zult tot een menigte van volken worden.
En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u (Gen. 17.7)
Wat een geweldige belofte!
En God geeft Abraham daarbij een teken!

Om de ‘zwakheid van ons vlees’, dat wil zeggen: omdat het voor ons zo moeilijk is om de woorden van de Heere te geloven.
Daarom gaf de Heere ons het sacrament van het Heilig Avondmaal en het sacrament van de Heilige Doop.
Daarom geeft de Heere Abraham ook een teken, het sacrament van de Besnijdenis.
De Heere zegt: Abraham, jijzelf en alle mannen in je huis, oud en jong, moeten van nu af aan besneden worden.

Maar, waarom (want dat was de vraag), waarom dat teken? Waarom zo’n teken?
Waarom geen ring aan zijn hand? Waarom geen kleine tatoeage op zijn voorhoofd?
Waarom een scherp mes moeten gebruiken om een stuk van zijn vlees af te snijden?
Zo naar…! Zo pijnlijk…!

Dat was (en dat is bij de Heilige Doop nog steeds zo) in de eerste plaats om ons te vernederen.
De Besnijdenis was een teken van verlorenheid en zonde. Abraham en zijn kinderen konden in het verbond met de Heere niet ingaan, zoals ze van zichzelf waren: zondige mensen, mensen met een zondig hart.
Er was geen reden voor Abraham en zijn kinderen om te denken: ‘Natuurlijk, ik snap het wel, dat God belooft onze God te zullen zijn!’ Want ze waren van zichzelf zondig en verloren.

De Besnijdenis wilde hen en al de Israëlieten levenslang laten denken: ‘Ik snap het niet!’
Zoals de Heilige Doop je ook levenslang wil laten denken: ‘Ik snap het niet, dat God met ons, dat God met mij te maken wil hebben. Met zulke zondige mensen!’

Doop en Besnijdenis willen ons voor de Heere vernederen.
De Besnijdenis liet zien: de zonde moet uit je leven worden weggesneden. Dat scherpe mes wees op hun zonden!
De Heilige Doop laat zien: je moet gewassen worden in het bloed van de Heere Jezus Christus, anders kan je het Koninkrijk van God niet binnengaan. Het water van de Heilige Doop wees in het verleden, en wijst bij de Doop van de kleine kinderen van de gemeente nog steeds, op de vuilheid van onze zonden.
Draai het dus niet om! Ga niet trots zijn op je eigen Doop of op de Doop van je kinderen. Het is in de eerste plaats een teken en bewijs van onze vuilheid, van onze ellende, van onze armoede, van ons verloren zijn en liggen onder de toorn van God vanwege onze zonden.

Moeilijk te begrijpen hè, jongens en meisjes?
Als je in de wieg kijkt van je kleine broertje of zusje, naar dat mooie gezichtje, naar die kleine oogjes, naar dat schattige neusje en die dunne vingertjes…
Dat je dan moet denken: ‘Ja, maar daaronder zit een zondig hart!’
Zoals ons Doopformulier ook zegt: Wij met onze kinderen zijn in zonden ontvangen en geboren, kinderen des toorns, die in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.

Daarom werden de jongetjes in Israël besneden.
Daarom zijn de meesten van jullie als baby gedoopt.
Zo vroeg al! Niet op je twintigste, maar als heel klein kind.
Om te laten zien: voordat je één zonde gedaan hebt, ben je al zonde.
Zo diep zit het.
In je hart!

Daar zit zonde. En die zonde moet weggesneden worden. Die zonde moet afgewassen worden.
De Doop van onze kinderen, ouders, is geen feestelijk gebeuren zondermeer.
De Doop is vooral ook heel confronterend. Onze kinderen, als we die van de Heere gekregen hebben, ze zijn verloren!
Wijzelf dragen het teken van onze verlorenheid, het teken van onze Doop aan ons voorhoofd. En onze kinderen ook.

En de Besnijdenis was in het Oude Testament een teken van die verlorenheid. Die iedereen wees op de noodzaak van, zoals Jeremia het noemt: de Besnijdenis van het hart. Op de noodzaak van het wegsnijden van de zonde uit het hart.
En de Doop in het Nieuwe Testament is nog steeds een teken van diezelfde verlorenheid. Die iedereen wijst op de noodzaak, dat ons hart en de harten van onze kinderen gewassen worden in het bloed van Christus.

Die merkwaardig genoeg Zelf ook besneden wordt op de achtste dag van Zijn leven op aarde. Want onze tekst zegt: En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou…

Maar, jongens en meisjes, de Heere Jezus is toch anders? Hij heeft toch geen zonden? Hij heeft toch geen vuil hart?
De profeet Jesaja zegt toch: Hij heeft geen onrecht gedaan, en er is nooit bedrog in Zijn mond geweest?
En Paulus zegt toch: De Heere Jezus heeft geen zonde gekend?
En Zelf heeft de Heere Jezus het toch ook gezegd: Wie overtuigt Mij van zonde?
Ja, dat klopt. De Heere Jezus had geen zonde. En dus was het teken van de Besnijdenis om die reden voor Hem eigenlijk niet nodig.
Maar toch lieten zijn ouders Hem wel besnijden. Want dat was wel hun plicht.
Maar er was meer. De Heere Jezus voegde Zich zo ook in de lijn van het verbond van God met Abraham, om zo Leraar te kunnen worden onder Zijn broeders.
Maar er was nog meer. De Heere Jezus wilde ook gehoorzaam zijn, Hij wilde alles doen wat Zijn Vader van Hem vroeg.
Hij kwam, zo schrijft Paulus: onder de wet (Gal. 4.4).
Het gebod dat Adam in het paradijs niet hield, dat hield Hij wel. Hij hield de wet volmaakt.
Hij was volmaakt gehoorzaam, in plaats van de ongehoorzaamheid van Zijn kinderen.
En zo droeg Hij ook de zonden van Zijn kinderen.

Dit is, zo zegt Matthew Henry, Zijn vroege gehoorzaamheid, tot bloedens toe.
Dit is Zijn eerste lijden. Druppelsgewijs en met tranen stort Hij Zijn eerste bloed.
Dat straks als stolsels op de grond drupt in Gethsémané, en overvloedig stroomt op Golgotha.

Voor het oog lijkt Hij een buitenstaander, Die in het verbond wordt opgenomen (hoewel Hij de eeuwige Zoon van God is).
Voor het oog lijkt Hij een zondaar, van Wie symbolisch de zonde weggesneden moet worden (hoewel Hij zonder zonde is).

Want, Besnijdenis is schuldbekentenis. Maar Hij zet Zijn handtekening eronder.
Niet voor Hemzelf, maar voor Zijn volk. Als Hij Zijn eerste bloed voor hen offert.
Zoals ook de Doop schuldbekentenis is. Met de Doop van onze kinderen, ouders, hebben we onze handtekening eronder gezet. Wij beloofden plechtig: Het is waar, wij, met onze kinderen zijn in zonden ontvangen en kinderen des toorns, die in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.
Het Doopformulier zegt: De besprenging met het water wijst ons op de onreinheid van onze zielen, waardoor we opgeroepen worden om een mishagen (een walg) aan onszelf te hebben, ons voor God te verootmoedigen (ons voor Hem klein te maken en te buigen) en onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelf te zoeken.

Voel je, jongens en meisjes, jongelui, zo wel eens aan je voorhoofd?
‘O Heere, de onreinheid van mijn ziel…, de zonde van mijn hart…, ik ben zonde…!’
Kijkt u, ouders, zo wel eens in de wieg of in het bedje van uw kleine kinderen? Denkt u zo wel eens aan uw oudere kinderen?
‘O God, ze zijn zonde…!’

De Besnijdenis van de Heere Jezus was vernederend. Maar zo wilde Hij het, van harte en vrijwillig voor Zijn volk.
Zijn ziel had geen onreinheid of zonde. Maar, zo zegt Paulus: Hij is zonde voor ons gemaakt (2 Kor. 5.21).

Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt, maar laten we eerst samen zingen uit
Psalm 51:3:
’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;
Neen, ‘k ben in ongerechtigheid geboren;
Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toren.
Reeds van het uur van mijn ontvangenis af.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in ’t gemoed;
Gij, HEERE, Die weet, al wat ik heb misdreven,
Gij, die mijn geest met wijsheid hadt gevoed,
En in mijn ziel Uw Godd’lijk licht gegeven.

Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Besnijdenis en Doop zijn richting wijzend

Want het ondergaan van de Besnijdenis deed niet alleen pijn, en het denken aan je Doop doet niet alleen pijn, maar het wees en het wijst ook ergens naar toe!

Het water van de Doop wijst naar het afwassen van de zonde door het bloed van de Heere Jezus. Het Doopformulier zegt: Ten tweede betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de afwassing der zonden door Jezus Christus.
En het wegsnijden van een stukje huid bij de Besnijdenis, wees naar het wegsnijden van de zonde uit het hart.

En zo wees ook de Besnijdenis van de Heere Jezus vooruit. Naar het moment (waarvan Jesaja zegt) dat Hij volledig zou afgesneden worden uit het land van de levenden. Zijn Besnijdenis wees vooruit naar het kruis, waar Hij de last van de zonde van Zijn Kerk zou gaan dragen.
En dus zegt onze tekst: En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden
zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Juist bij die confronterende Besnijdenis wordt publiek duidelijk, en laat Heere Jezus Zelf zien: Wie Hij werkelijk is. Een nu lijdende en straks stervende Jezus, voor en in plaats van Zijn volk. Die Jezus heet, omdat Hij Zijn volk zalig zal maken van hun zonden.
Zijn volk, dat van zichzelf zo zondig is.
Eeuwenlang wees de Besnijdenis daarop, en nog steeds wijst de Heilige Doop daarop: U bent zonde.
En het is de Heilige Geest, Die het ons leert, om daar onze handtekening onder te zetten.
‘Zonde? Verloren? Ja, dat ben ik. Ik ben verloren, een kind des toorns.’

Zo zondig en zo verloren, dat God er Zelf aan te pas moest komen.
Hij zond Zijn eniggeliefde Zoon in deze wereld. Voortgekomen uit het welbehagen van God. Door onszelf niet gezocht, niet verdiend en niet gevraagd. Maar door God gezonden om zondaars zalig te maken.
Daarom heeft de Vader de zonden van Zijn volk op Hem gelegd.
Daarom wordt Hij hier besneden.
Daarom sterft Hij straks aan het kruis.
Om mensen zoals wij, verloren mensen, met God te verzoenen.

In de Besnijdenis van Jezus en in Zijn kruis schitteren Zijn komen in deze wereld om zondaars zalig te maken, Zijn genoegdoening en Zijn staan in de plaats van zondaars.
Daarom had de engel Zijn Naam al genoemd. Daarom heet Hij Jezus.

Een Naam die ons niets zegt, als onze zonde ons niet drukt, als onze verlorenheid ons niet benauwt.
Maar een Naam die zo troostvol wordt, als we onze zonden steeds voor ogen zien zweven. Als we maar niet heilig kunnen worden. Als we maar niet gehoorzaam kunnen worden.
Wat wordt deze Naam, deze plaatsbekleding dan troostvol voor ons benauwde hart.
Als de Heere ons laat zien en geloven, dat Hij, deze Jezus kwam om de treurenden te troosten, om ons stenen hart weg te nemen en ons een nieuw, een vlesen hart te geven.

Daarover gaat het vooral in onze tekst. Over Zijn Naam. Over Wie en hoe deze Jezus is. En over waarom Hij zo gekomen is.
Want de Besnijdenis van de Heere Jezus is eigenlijk niet de hoofdzaak, dat is eigenlijk niet het hoofdthema van onze tekst. Het is meer de weg naar het volgende, naar de kern van de zin: En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou (vernederende woorden, ontdekkende woorden; zo erg is het, niet met Hem, maar met ons!), zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS.

Nu we in dit Kind van Bethlehem onze schuld en onze zonden zien (ontdekkend, confronterend, vernederend), nu richt de Heere ons oog en ons hart op Wie Hij werkelijk is: Jezus!
Op die bloedende Jezus, Die kwam om het verlorene te zoeken. Om in onze plaats, kinderen van God, gehoorzaam te zijn. Om voor onze schuld te lijden.

Is het ook niet zo bij de bediening van de Heilige Doop? Zonder vernedering is er in ons hart geen plaats voor de echte betekenis van de Doop. Maar het werkelijk door genade confronterende, ontdekte, ontmaskerde hart, mag in de Doop ook een vingerwijzing van God zien!
‘Verloren mensen, kom en zie! Hij Die mij, Hij Die ons (met dit woord en met dit teken) heeft gezegd en heeft laten zien, alles wat wij gedaan hebben: Hij is Jezus, de Christus der Schriften.

Het Doopformulier zegt: zo (met dit water) verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzo dat wij van onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden.
Ontdekte zondaars, u voelt aan uw voorhoofd niet alleen uw hemelhoge schuld. Maar het water van de Heilige Doop wijst u ook naar de vergeving die er voor al uw zonden beschikbaar is in het bloed van Christus. Het water van de Doop wijst u de enige weg, om uw straf te ontgaan en tot genade te komen. Om met God verzoend te worden. De enige weg naar de vrede met God, door het bloed van het kruis.

Besnijdenis en Doop zijn richting wijzend.
a. Ze wijzen in de eerste plaats de weg naar de vergeving van zonden door het bloed van de Heere Jezus Christus.
b. Maar ze wijzen in de tweede plaats ook op de bijzondere plek die Abraham en zijn kinderen, en die ook wij gekregen hebben als kinderen van Gods verbond.

Apart gezet van de mensen die buiten het verbond staan. In ons hart is er geen verschil met mensen die God niet kennen en in de Bijbel niet geloven. Maar (en dat is bijzonder!) God heeft toch verschil gemaakt.

Hij heeft je, jongens en meisjes, opgenomen in Zijn verbond.
Hij heeft je beloofd: Ik zal je tot een God zijn.
Een confronterender teken is er niet, dan het teken van je zonden en verlorenheid op je voorhoofd.
Maar een moedgevender teken is er ook niet, dan het teken van Gods trouw aan je voorhoofd.

Wat is jouw antwoord, wat is uw antwoord op die trouw van God en op de teken van Zijn trouw?
Ga je je eigen weg? Vergeet je God?
Leef je in de zonde? Zonder God, omdat je dat gewoon zelf wil?
Je Doop roept je op tot een nieuwe gehoorzaamheid. Tot een leven voor de Heere.
Je hebt gewoon geen keus!
Je hebt het recht niet om je eigen weg te gaan!
God heeft recht op je! Want het teken van het kruis staat op je voorhoofd!

Hoeveel te meer is de Doop voor Gods kinderen een teken van Gods trouw: Ik zal niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden. Ik zal, zo zegt de Heere, om Christus, uw lieve Zaligmaker, u tot een God zijn!
Hoeveel te meer is de Doop voor Gods kinderen ook een teken van onze plicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Tot dagelijkse vernieuwing van ons leven, door het werk van de Heilige Geest, Die ons ook in de Doop beloofd is.
Het teken van het kruis staat op ons voorhoofd!
Zouden we dan nog langer in de zonde kunnen blijven?
Zouden we dan nog langer voor onszelf kunnen blijven leven?

Het teken van Gods verbond is vernederend. Het wijst ons op onze zonde en schuld.
Het teken van Gods verbond wijst ons ook op Christus, op de vergeving van zonden door Zijn bloed.
Die twee aandachtspunten hebben we samen overdacht.
Nu tot slot nog ons derde en laatste punt:

3. Het teken van Gods verbond is moed gevend

Wat hier in de tempel gebeurt, wijst ons op het begin van alles.
Let maar op, jongens en meisjes. Want wie kiest de Naam van de Heere Jezus?
Doet vader Jozef dat? Die zelf ooit besneden is, omdat hij zonde was?
Nee.
Want Wie is eigenlijk de Vader van de Heere Jezus? Wat zei de engel meer dan negen maanden geleden tegen Maria?
De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden en u zult zijn Naam heten: JEZUS!

Dit is het Kind van God, dit is Gods Zoon.
God Zelf heeft als Eerste, ongevraagd, Zijn Zoon gestuurd.
En God Zelf heeft als Eerste Zijn Naam genoemd: Jezus.
Alles begon in God.

En nu bevestigt God Zijn verbond met zijn Eigen lieve Zoon, nu Hij op de achtste dag besneden wordt.
En daarom en sindsdien wordt de Naam van God in de Heilige Doop in één adem genoemd met onze namen en de namen van onze kinderen.
Daarom en sindsdien zijn jullie namen, jongens en meisjes, jongelui, ooit in één adem genoemd met Gods Naam. Je Doop laat je zien, dat de Naam van God voor altijd verbonden is met jullie eigen naam.
Want als er kleine kinderen gedoopt worden, dan zeggen we niet: ‘jongetje, of meisje, ik doop u..’, maar zijn of haar naam wordt genoemd. Zoals ook jouw naam genoemd is, in één adem met Gods Naam.

En dat ontneemt je het recht om je naam ooit te koppelen aan een ander.
Aan de afgoden van deze tijd, aan de zonde, of aan plaatsen waar de Naam van Jezus wordt geminacht.
Want de Naam van Jezus staat op je voorhoofd!

Wat hebben wij, kinderen van God, dan nog voor reden, om te twijfelen aan de waarheid van Gods woorden? Nu Zijn Naam en Zijn handtekening op ons voorhoofd staan?
En wat hebben wij dan nog voor reden om door te gaan met zondigen? Nu het teken van de grote prijs die Hij voor ons betaalde op ons voorhoofd geschreven staat?

En wat hebt u nog voor reden, wie u ook bent, om weg te blijven? Hij, Die Zijn handtekening op uw voorhoofd gezet heeft, heeft beloofd: Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen, die zal Ik niet weigeren!
Wat hebt u dan nog voor reden om door te gaan op de weg van de zonde, en om niet aan Zijn voeten te buigen?
De Heere heeft beloofd, dat Hij u zal ontvangen, als u terugkomt naar Hem toe.
En Hij Zelf wil u terugbrengen.
Kom dan, met bekering en berouw. De Heere zal u aannemen.

Jongens en meisjes, jongelui, voel maar veel aan je voorhoofd. Laat je gedoopte voorhoofd maar veel biddend aan de Heere zien.
Laat veel aan de Heere zien dat je verloren bent. Dat de Heere je beloofd heeft: Ik zal je tot een God zijn. Dat Hij recht op je heeft. En dat je voor Hem leven moet.

En zeg dan maar biddend: ‘Heere, doet U alstublieft wat U beloofd hebt? Doet U alstublieft alles aan mij, wat U me hebt laten zien in het water van de Doop?
Om Jezus wil.’

Amen.

Slotzang Psalm 89:13,14:

Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad,
Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat.
Maar zo zijn kinders ooit Mijn zuiv’re wet verlaten,
Zo ’t richtsnoer van Mijn recht ter reeg’ling niet kan baten,
Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven,
Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven.

Dan zal Ik hen, die dwaas en wreev’lig overtreên,
Bezoeken met de roe en bitt’re tegenheên;
Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden.
Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden;
‘k Zal nooit herroepen ’t geen Ik eenmaal heb gesproken,
’t Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.