Zondag 14 · 15 augustus 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 14 (serie 1)
INLEIDING
In deze preek over Zondag 14 van de Heidelbergse Catechismus staat het wonder van de menswording van de Zoon van God centraal. De eeuwige Zoon van God nam uit het vlees en bloed van de maagd Maria door de werking van de Heilige Geest de ware menselijke natuur aan, om in alles aan Zijn broeders gelijk te worden, uitgezonderd de zonde. Dit deed Hij vrijwillig en uit peilloze liefde om als Middelaar te dienen. Door Zijn onschuld en volkomen heiligheid bedekt Hij de zonde en erfschuld van de gelovigen voor Gods heilig aangezicht, waardoor er voor verloren zondaars weer vrede met God mogelijk is.
Het mens-worden van de Zoon van God
ZONDAG 14
Vraag 35: Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?
Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is, en blijft, de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
Vraag 36: Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
Dat Hij onze Middelaar is, en met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 14
THEMA
Het mens-worden van de Zoon van God
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Lezen Lukas 2:1-7 Eerste berijming 12 Artikelen: 1,2
Lofzang van Zacharias:1
Gemeente, we zijn bij de behandeling van de Catechismus bezig met de Twaalf Artikelen. Het eerste artikel was (jullie weten het nog wel, jongens en meisjes): Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Het tweede artikel was: En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere. Daar ging het de vorige keer over. Nu is artikel drie aan de beurt: Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.
En onze Catechismus stelt daar in Zondag 14 twee vragen over, vraag 35 en vraag 36. Die gaan we samen lezen, met de antwoorden daarbij.
Vraag 35: Wat is dat gezegd (wat betekent dat): Die ontvangen is van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria? Antwoord: Dat de eeuwige Zoon van God, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware (echte) menselijke natuur, uit het vlees en bloed van de maagd Maria, door de werking van de Heilige Geest, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
Je ziet in dit antwoord twee dingen. Als eerste het feit dat het echt zo gegaan en gebeurd is. Dat de Heere Jezus, de Zoon van God, echt de menselijke natuur heeft aangenomen. En als tweede zie je het doel daarvan. Want er staat opdat Hij ons mensen gelijk zou worden, uitgenomen de zonde. Dus het feit en het doel staan in antwoord 35.
Vraag 36: Wat nuttigheid verkrijgt u door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? Antwoord: Dat Hij onze Middelaar is en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
Dit antwoord gaat over het nut (het voordeel zou je kunnen zeggen) van het mens-worden van de Zoon van God.
Het thema voor de Catechismuspreek is: Het mens-worden van de Zoon van God We letten op de drie dingen die ik genoemd heb: 1. Het feit 2. Het doel 3. Het nut Als eerste dus:
Over Hem gaat het, over de eeuwige Zoon van God, Die zoals hier staat: waarachtig en eeuwig God is en blijft. De Catechismus zegt eigenlijk: vergis u nou niet, laat er geen vergissing mogelijk zijn: Hij, de Zoon van God, is en bleef wat Hij was: de eeuwige God. En Hij werd (destijds in Bethlehem) wat Hij van tevoren niet was: mens. Hij, de eeuwige God, bond Zich aan de tijd, bond Zich aan het stof en nam de menselijke natuur aan. Hij wilde als een mens op deze wereld, op deze aarde geboren worden.
Waar, jongens en meisjes, is de Heere Jezus destijds geboren? In Bethlehem. Zoals het is voorgelezen uit Lukas 2. Je kent die bekende teksten wel, misschien wel omdat je ze weleens opgezegd hebt rond de Kerstdagen (of je leert ze nog een keer als je groter bent): En het geschiedde als zij daar (in Bethlehem) waren dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou (dat ze een kindje krijgen zou) en zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neer in de kribbe, omdat – niet overheen lezen! – voor hen geen plaats was in de herberg (Lukas 2:6-7).
‘Maar’, zeg je, ‘als je een kindje verwacht, dan is toch alles klaar? Dan is toch alles geregeld? Je verwacht een kindje, dus dan heb je toch alle babyspulletjes klaarliggen? Je hebt luiers, flessen, een wieg.’ Ja, dat is waar. Dus als je dit leest, wat ik net voorgelezen heb, en als je dit echt tot je door laat dringen, dan schrik je! Je zegt: ‘Is het echt waar?’ Ja, het is echt waar: voor dit Kind was geen plek! De eeuwige Zoon van God in de hemel wilde geboren worden op de aarde als mens. Maar voor Hem was geen plaats. Voor Hem was geen plek. Wij mensen wilden Hem niet hebben, wij wilden Hem niet ontvangen!
Zijn wieg, waar stond die? In een paleis? Nee! Zijn wieg was een kribbe, dat was het begin. En Zijn troon, waar stond die? Op Golgotha! Zijn troon was een kruis, dat was Zijn einde. De apostel Johannes zegt: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (1:11). ‘U bent niet welkom bij ons.’
Je zegt: ‘Maar als je niet welkom bent, dan kom je toch niet?’ Ja, zo gaat dat bij ons. En dat is dan ook het wonder van wat hier staat, en van wat in de Catechismus uitgedrukt wordt met dat ene woordje aangenomen. De Zoon van God heeft het mens-zijn aangenomen. Dat kunnen wij en ook jullie, jongens en meisjes, nooit zeggen. Je kunt voor je geboorte niet zeggen: ‘Ik wil geboren worden’. Je wordt geboren. Daar kun je niks aan doen. Dat merk je later pas. Maar van de Zoon van God staat het anders. Hij, Die van eeuwigheid al God was, deed het Zelf! Hij neemt (actief) de menselijke natuur aan. Niemand dringt Hem die op, niemand verplicht Hem daartoe. Hij kiest daar Zelf voor, heel bewust en heel vrijwillig. Het is Zijn wil, Zijn keuze om mens te worden, om de menselijke natuur aan te nemen.
Maar – niet vergeten! – daarachter (en we zien dat op het eerste gezicht niet zo goed) zien we het werk van de Vader, Die Zijn Zoon niet verliest en kwijtraakt (passief), maar Die Zijn Zoon overgeeft (actief). Ook heel bewust. Zoals Paulus schrijft in Romeinen 8: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen over- gegeven (heel bewust!), hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (8:32)
Wat een onbegrijpelijke liefde van de Vader, dat Hij Zijn enige, enig geliefde Zoon overgaf tot in de dood. Voor dat soort van mensen van wie gold en geldt: zij hebben Hem niet aangenomen. Ja, pas toen hebben we Hem aangenomen, toen wij door Zijn liefde overmeesterd werden. Het is heel bewust het werk van de Vader geweest om Zijn Zoon over te geven. Het is ook heel bewust het werk van de Zoon geweest om te komen als mens, om Zichzelf (en je hoort: dat is ook actief!) te vernederen. Het overkwam Hem niet, dat deed Hij ook. Hij deed wat staat in Filippenzen 2: Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienstknecht (van een knecht, van een slaaf) aangenomen hebbende en is de mensen gelijk geworden (behalve wat betreft de zonde) (2:6-7).
De Heere Jezus (zouden wij zeggen) kiest ervoor om mens te worden. Het is een daad, een stap, een beslissing van oneindige liefde. Want Hij weet (de Heere weet toch alles?), Hij weet, dat als Hij geboren zal worden in Bethlehem, Hij een leven binnentreedt van lijden, pijn en verdriet, en uiteindelijk van de kruisdood: één lange lijdensweg. Maar, wonder van liefde van de Zoon, Hij zocht die lijdensweg en Hij heeft er nooit één moment spijt van gehad, dat Hij dat gedaan heeft. Want Hij wist waarvoor Hij het deed. En Hij wist voor wie Hij het deed. Voor wie deed Hij het? Voor Zijn Vader in de hemel en voor Zijn volk dat Hij vrij zou kopen met de prijs van Zijn bloed.
Toen jullie geboren werden, jongens en meisjes, wist je nog niet wat er komen zou. Dat weet je niet, dat blijkt later pas. Maar Hij, de Heere Jezus, wist het wel. ‘Dit leven dat Ik
nu binnentreed in Bethlehem, dit leven zal een leven zijn van lijden, ellende, verdriet, pijn en straks van sterven aan het kruis.’ Wanneer is dat lijden begonnen? Dat begon in Bethlehem. Daarom is Kerst helemaal geen schattig feest. Over Kerst hangt de schaduw van Goede Vrijdag. Voor Hem was helemaal geen plaats! Vind je dat een mooi feest? Voor Hem was geen plek. Wij wilden Hem niet.
Kerst is geen schattig feest. Maar tegelijkertijd schittert Kerst wel van Gods eenzijdige liefde en genade. Het schittert boven de kribbe en later schittert het boven het kruis op Golgotha van de eenzijdige liefde van God de Vader, Die als het ware uit een geopende hemel zegt: ‘Deze (dit Kind in de kribbe, deze Middelaar aan het kruis), Deze is Mijn geliefde Zoon. Zie, Mijn Knecht! Hoort Hem!’ En Kerst en Golgotha schitteren beiden ook van de zondaarsliefde van Christus, Die Zich zo diep vernederd heeft tot in de kribbe van Bethlehem, tot in de dood van het kruis. O, hoor toch, verloren zondaars, u vroeg niet om Hem, u verwachtte Hem niet, u hebt Hem niet aangenomen, u hebt Hem niet gewild. Maar desondanks wilde Hij komen! Hij kwam in diepe vernedering. Voor het soort van mensen zoals u en ik! O, wonder van Goddelijke liefde en barmhartigheid! Kom verwonder u! Groter wonder heeft in deze wereld nooit plaatsgehad!
Hij heeft, zo zegt de Catechismus, de ware menselijke natuur aangenomen. Het zijn moeilijke woorden, maar het betekent, jongens en meisjes, dat de Heere Jezus echt mens is geworden. Echt mens, zoals wij ook echt mens zijn. Het was geen schijn, het was geen droom, het was niet alsof Hij mens was, maar Hij was echt mens. Als je in de kribbe had kunnen kijken, dan had je het gezien: een echt klein baby’tje dat sliep, dat wakker werd, dat verschoond moest worden, dat huilde, dat honger had, dat dronk bij Zijn moeder en weer verder sliep. Later was Hij een echt peutertje dat ronddrentelde in huis, Zijn eerste woordjes brabbelde, leerde lopen en leerde praten. Weer later was Hij een echt jongetje dat leerde lezen en misschien leerde timmeren bij vader Jozef in de werkplaats. Een echte jongen, Die blij was, speelde, lachte en huilde. En later, toen Hij ouder werd, was Hij een echte man, een echt mens. Niets van het menselijke leven was Hem vreemd. Hij wist (en dat zullen we straks nog meer zien) wat verdriet was, Hij wist wat zorg was, wat pijn was, wat eenzaamheid was, Hij had honger en dorst. De Heere Jezus huilde ook. Hij kon ook blij zijn. Maar het valt op dat, als de Bijbel daarover schrijft, hoe anders de mens Jezus was dan wij, zondige mensen, zijn. Van dat moment, zo staat in Lukas 10: Te dier ure verheugde Zich Jezus (Hij was erg blij) in de geest en zei: ‘Ik dank U, Vader!’ Hij was echt heel blij, maar Zijn blijdschap was op God gericht! En zo was de mens Jezus Christus in alle dingen gericht op God. Zoals het was voor de zonde, in het paradijs, toen Adam in alles nog gericht was op en dacht aan de eer van God. De Heere Jezus was echt mens, maar zonder zonde, en gericht op Zijn Vader.
‘Maar’, zeg je, ‘wie was dan Zijn vader en wie was Zijn moeder?’
Als Hij zegt: ‘Ik dank U, Vader, Heere in de hemel en op de aarde.’ Wie was Zijn Vader? En: wie was Zijn moeder? Eerst maar even dat laatste. De Catechismus zegt dat Hij de ware menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria aangenomen heeft. Dus (en dat wist je) Maria was de naam van Zijn moeder. Maria (waarschijnlijk een meisje van een jaar of 15, 16, 17) raakte in verwachting, werd zwanger en beviel van haar Kindje. En ze noemde dat Kindje, naar het woord van de engel, Jezus. Zo moest Hij heten. Want, had de engel gezegd, Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matthéüs 1:21b).
Het valt wel op dat de Catechismus haar de maagd Maria noemt. Trouwens, dat had Jesaja ook al gezegd. Misschien ken je die ook tekst wel, jongens en meisjes, van het opzeggen voor Kerst: Ziet, een maagd zal zwanger worden en zij zal een Zoon baren en Zijn naam IMMANUËL heten (God met ons) (Jesaja 7:14Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.). Een maagd, dat wil zeggen: een meisje (in dit geval van een jaar of 15, 16, 17) die geen gemeenschap heeft gehad met een jongen of man. Maar toch was ze in verwachting. Maria, zij was de moeder van de Heere Jezus.
‘Maar’, zeg je, ‘wie was dan de vader van de Heere Jezus?’ ‘Ik dank U, Vader in de hemel…’ Dus Zijn Vader was God, de Vader in de hemel. ‘Maar’, zeg je, ‘op aarde dan? Had Hij dan geen echte vader hier op de aarde? Vader Jozef?’ Ja, ongetwijfeld noemde Hij Jozef ‘papa’ of ‘vader’. Maar eigenlijk was het toch anders. ‘Maar, je kunt als mama toch geen kindje in de buik krijgen zonder dat er een papa, zonder dat er een man of een jongen is?’ Nee, dat kan ook niet. Maar dat laat zien, dat er hier iets heel bijzonders gebeurd is. Hier is een heel groot wonder gebeurd!
Er zijn heel veel mensen die dat niet meer geloven. Ze zeggen: ‘Je bent gek, als je dat nog gelooft. Dat geloof je toch niet, dat een maagd zwanger kan worden?’ Maar, jongens en meisjes, de Bijbel vertelt het ons, en dus geloven we wat de Heere zegt. En trouwens, zou God in de hemel, Die al het leven gemaakt en geschapen heeft, dat niet kunnen? ‘Wat?’, zeg je. ‘Nou, dat een maagd, een meisje zwanger kan worden, zonder jongen of man, maar door het werk van de Heilige Geest.’ Zoals de engel tegen Jozef had gezegd: ‘Want hetgeen in haar ontvangen is, dat is… nee, niet uit jou, Jozef en ook niet van een andere man, maar dat is uit de Heilige Geest (Matthéüs 1:20b).’ Het is God, de Heilige Geest (zo zegt de Bijbel het en zo geloven we het) die het nieuwe leven in de buik van Maria heeft geschapen, heeft geschonken vanaf de eerste dag van Zijn ontvangenis. We zeggen nu: vanaf Zijn conceptie. Zondeloos leven is er in de buik van de jonge moeder Maria gelegd, door het wondere werk van God, de Heilige Geest.
En dat zondeloze, dat is het enige verschil met ons. Verder was Hij gewoon een baby, gewoon een jongen, gewoon een man, gewoon een mens. Dat wilde Hij ook. En daar had Zijn Vader in de hemel, Die Hem stuurde, een doel mee. Dat is ons tweede punt:
Er staat in antwoord 35: opdat Hij ook het ware zaad Davids zou zijn, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen (behalve wat betreft) de zonde. Met dat de Zoon van God mens werd op de aarde, werd vervuld wat eeuwenlang geprofeteerd was. In het paradijs ging het al over het Vrouwenzaad, dat wil zeggen over het Kind van een vrouw, van een moeder. Later ging het over het Zaad van David, over Davids Zoon, Die eeuwig zou zitten op Zijn troon. Zoals Jesaja ook geprofeteerd heeft: Want er zal een Rijsje voorkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï en een Scheut uit zijn wortels zal Vrucht voortbrengen (Jesaja 11:1Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.). Dat wil zeggen: Hij, de Messias, het ware Zaad van David, Hij zal komen. Op Gods tijd.
Maar wat heeft de duivel al niet gedaan om dat te voorkomen! Eeuwenlang heeft de duivel geprobeerd om de komst van de Heere Jezus te voorkomen, te blokkeren, om ervoor te zorgen dat het niet en nooit gebeuren zou. Misschien kun je, jongens en meisjes, daar wel wat voorbeelden bij bedenken.
Wat denk je van het volk Israël in het land van Gosen? Als ik, denkt de duivel, alle jongetjes laat verdrinken in de Nijl, dan zal de Heere Jezus nooit meer geboren kunnen worden. Wat denk je van het volk Israël in de woestijn? Amelek valt aan. Nu zal ik heel het volk Israël laten uitroeien, dan zal de grote Zoon van David nooit geboren worden. Wat denk je van de kindermoord in Bethlehem door koning Heródes? Als ik nu, alle kinderen, alle jongetjes laat doden, dan zal ongetwijfeld ook het Kindje Jezus gedood worden. Het lijkt, als je de geschiedenis terugkijkt, zo vaak langs de rand van de afgrond te gaan. Maar God vervult altijd Zijn beloften. En dus is de grote Zoon van David uiteindelijk toch geboren in Bethlehem.
Zijn broeders in alles gelijk, staat er. Hij is in alles precies hetzelfde, behalve één uitzondering: uitgenomen de zonde. Het is een directe aanhaling uit de Bijbel. Als je in je Bijbeltje kijkt, jongens en meisjes, dan zie je onderaan de antwoorden altijd in het klein allerlei Bijbelteksten geschreven. Daaraan zie je ook, dat de Catechismus niet zomaar een verzinsel is van dominees of theologen, maar dat alles echt uit de Bijbel komt. Het is eigenlijk één grote samenvatting van wat er staat in de Bijbel. Dit staat in Hebreeën 2:17Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.: Waarom Hij (Christus) in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonde van het volk te verzoenen.
Hij moest Zijn broeders – daar gaat het nu om – in alles gelijk worden. Zijn broeders. Wonderlijke uitdrukking eigenlijk. Wie zijn dat? Nou, dat heeft de Heere Jezus Zelf gezegd in Matthéüs 12: Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, die is Mijn broeder en zuster en moeder (12:50). Dat wil dus zeggen dat de Heere Jezus Christus voor Zijn kinderen, voor de oprecht gelovigen en voor Gods uitverkoren kinderen die nog geboren moesten worden, dat Hij voor hen echt Mens moest worden.
Een tijdje geleden ging het daarover in Zondag 6. Waarom moest Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn? En toen was het antwoord, dat wanneer de mens gezondigd had, het niet eerlijk zou zijn, als niet de mens ook zou moeten lijden, sterven en betalen. Maar hier gaat het eigenlijk om iets anders, om iets nieuws. Welk doel had God nu voor ogen met het mens worden van de Zoon van God? Er staat nog een andere tekst bij die kleine lettertjes: Hebreeën 4:15Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.: Want wij hebben geen hogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, hoewel zonder zonde. Dus in het mens-worden van de Zoon van God ligt heel veel troost voor al Gods kinderen. In alles wat ons overkomt, bij alles wat gebeurd is en gebeurt in ons leven, kan Hij, zegt de apostel, meevoelen en meelijden. Want Hij weet, wat het is om ook mens te zijn.
Hebben Zijn kinderen pijn? We weten dat Hij nog veel meer pijn geleden heeft. Worden wij verzocht door de verleidingen van de duivel en de machten van duisternis en bestreden in ons geloof? We weten, tot onze troost, dat Hem de duivel nog veel meer op de hielen gezeten heeft. Zijn wij in verdriet, in rouw omdat geliefden gestorven zijn? We weten dat de Heere Jezus ook gehuild heeft aan het graf van Lazarus. Hij kent dat verdriet van rouw, leegte en gemis. Lijden we verdrukking in ons werk, in ons gezin, in de kerk? We weten dat de Heere Christus nog veel meer veracht en verdrukt is. Wat geeft dat ons in tegenspoed en kruis, in aanvechting en verzoeking troost en moed!
Hij noemt Zijn kinderen, Hij noemt ons broeders. Je voelt hoe dichtbij en vertrouwelijk dat klinkt. Hij noemt ons broeders en zusters, want Hij kent ons lijden, onze pijn, onze tranen. Wij hebben geen Verlosser, geen Zaligmaker Die eindeloos ver van ons staat. Hij is niet onbereikbaar, ontoegankelijk en onbekend met onze zorgen en ons verdriet. We hebben een Zaligmaker, Die alles, echt alles van ons weet.
En wat is dat een troost. Als de schrijver van de Hebreeënbrief daaraan denkt, dan schrijft hij: Laat ons dan (om die reden) met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij (die) barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd (4:16). Juist daarom, omdat Christus (hoewel zonder zonde) ons in alle dingen van ons mens-zijn gelijk geworden is, juist daarom mogen we met vrijmoedigheid, mogen we
onbeschroomd onze knieën buigen en zeggen en geloven in alle omstandigheden van het leven: ‘Heere, U weet toch alle dingen? U ziet het immers? U kent het toch? U weet er toch van, Heere? Want U aanschouwt toch de moeite en het verdriet? U kent het toch, Heere Christus, opdat we het in Uw hand zouden geven?’ Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van Gods genade.
Wij gaan daar samen eerst van zingen, voor we verder gaan met ons derde punt, uit Psalm 10, het 7e vers: Waarom ontrooft de lasteraar Gods eer? Wat vleit hij zich, dat God het niet aanschouwt? Gij ziet het toch, waarheen hij zich ook keert; Want Gij merkt op de moeite, smart en rouw, Opdat men 't U in handen geven zou. Op U verlaat zich d' arme; zou hij vrezen? Gij immers bent een trouwe hulp der wezen.
Gemeente, het ging vanmiddag eerst over het feit van het mens-worden van de Zoon van God, toen over het doel daarvan, en nu als derde nog:
Want wat heeft een kind van God er aan, dat de Zoon van God mens is geworden? Welk voordeel hebben Gods kinderen daarvan? Dat is vraag 36: Wat nuttigheid verkrijgt u door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? Dat Hij onze Middelaar is en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
Hij werd heilig (zonder zonde) ontvangen uit de buik van Maria en gelegd in de kribbe van Bethlehem. Heilig, zonder zonde. En dat dat moest, dat dat nodig was, dat is het drama van Kerst. En tegelijkertijd is dat het wonder van Kerst. Dat God, de Eeuwige, Zich neer gaat buigen over onze ellende en verlorenheid. Over die ellende die beschreven staat in antwoord 36: dat ik (heel persoonlijk!) in zonde ontvangen en geboren ben.
Niet alleen boven het kruis van Golgotha staat geschreven: ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven’, maar datzelfde staat ten diepste geschreven boven de kribbe van Bethlehem: ‘Ik in uw plaats. Voor u, Mijn kind, ben Ik in heiligheid ontvangen en geboren, voor u die in zonde ontvangen en geboren bent.’ Met andere woorden: ‘Hier in de kribbe van Bethlehem begint Mijn eerste lijden. Hier begint ook Mijn eerste verzoenende werk voor Mijn Kerk. Niet pas over dertig jaar, als Ik groot ben, ga preken, wonderen ga verrichten en uiteindelijk zal gaan lijden en sterven. Maar hier, in Bethlehem, bij Mijn prilste begin. Daar waar het bij u, Mijn kind, al fout ging (in zonden ontvangen en geboren) daar en vandaar af zal Ik alles voor u doen, alles voor U overdoen, alles voor u nieuw maken.’
Want ik ben in zonden ontvangen en geboren. En dat kan ik nooit meer overdoen. Maar Christus zegt tegen al Zijn kinderen: ‘Ik zal het voor u doen. Ik zal het letterlijk overdoen. En Ik heb het voor u overgedaan, om uw schuld te bedekken voor Gods heilig oog. Ik bedek uw schuld en uw zonde vanaf het eerste moment met Mijn heiligheid, zonder zonde. Ik bedek die met Mijn volkomen onschuld. Ik leg er als het ware een kleed over, over uw onheiligheid en zonde, waarin u ontvangen en geboren bent.’
Ja, jongens en meisjes, daar denk je niet aan, hè, als je staat aan een mooi wiegje (misschien van je broertje of zusje, of van je neefje of nichtje). En als je daar zo naar kijkt dan zeg je: ‘Prachtig hè, klein kopje, mooi mutsje, fijne handjes, mooie haartjes, kleine oogjes, hij slaapt zo rustig.’ Je zegt: ‘Is het wel waar? ‘t Zal toch niet waar zijn? Dit kindje heeft toch nog geen zonde gedaan?’ Nee, dat klopt. Nog geen zonde gedaan. Maar de Bijbel zegt iets wat nog veel erger is. Vanaf het eerste moment, nog in je moeders buik, ben je al zonde. Ik ben zonde. Jij bent zonde. Ja, ik doe ook veel zonde, ontelbaar veel tegenover God, maar wat nog veel erger is: ik ben zonde.
Hebt u dat wel eens gezien, ouderen, voor God: Ik ben zonde? Omdat ik in zonde ontvangen en geboren ben, ben ik zonde voor God. Heel mijn leven (mijn aard, mijn natuur, mijn karakter) is doortrokken van zonde. U zegt: ‘Maar ik doe ook zoveel goede dingen!’ Zolang je geestelijke ogen gesloten zijn, denk je dat en zeg je dat. Totdat God met het ontdekkend licht van Zijn genade in je hart gaat schijnen. Dan zeg je zonder twijfel uiteindelijk toch: ‘Ja, Heere, wat ik ook doe: ik ben slecht. Ik ben fout. Ik ben zonde. Zonde voor U, o heilige God in de hemel.’ En dat zeg je niet alleen aan het begin van je bekeringsweg, maar dat zegt bijvoorbeeld Paulus ook jaren na zijn bekering. Hij zegt dan nog steeds: Wie verlost mij toch van dit lichaam van zonde en van dood? (Romeinen 7:24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?). Wie? Er is er maar Eén, Die dat kan, wil en doet: Hij, Die op deze aarde kwam en geboren werd in heiligheid, zonder zonde om (zoals de Catechismus dat zegt) onze Middelaar te zijn. Hoor je, hoe persoonlijk en dichtbij dat klinkt? Onze Middelaar, Die met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods heilig aangezicht bedekt. Door Zijn mens-worden heeft de Zoon van God een weg geopend. En die weg begon niet in ons hart, maar in de hemel. En die weg eindigde in de kribbe en die eindigde daarna aan het kruis. Een weg waarin de Heilige, de Zondeloze Zijn onschuld, zondeloosheid en heiligheid bewezen heeft.
En Hij past wat Hij daarmee verdiende toe aan zondige en verloren harten, als Hij Zijn smetteloos wit kleed legt over mijn zonden en mijn schuld. Over die zonde, die er al was toen ik geboren werd. Over mijn erfzonde. En over het feit dat ik zonde ben. Want
nogmaals, gemeente, mijn natuur is verdorven. Of merkt u dat niet? Ziet u dat niet? Gelooft u dat niet?
Als je het gaat zien, merken en geloven, dan wordt dit zo’n onbegrijpelijk en naar waarde nooit te bezingen wonder. Dat de Vader Zijn liefste en enige Zoon, naar de wereld stuurde. Dat de Heilige Geest Hem ontvangen liet worden in en geboren liet worden uit de buik van de maagd Maria. Dat de Zoon van God als mens wilde komen om de schuld van mij, van al Zijn kinderen, te vergeven, weg te nemen en te bedekken. Zoals Psalm 32 zingt: Welzalig Hij wiens zonden zijn vergeven, wiens overtreding bedekt is, door het kleed van de heiligheid en zondeloosheid van Christus. Hij, de Heilige, in plaats van mij, de onheilige. Hij, de Zondeloze, in plaats van mij, de zondaar.
Boven de kribbe van Bethlehem hangt de zwarte schaduw van mijn zondeschuld. Dat de Zoon van God moest komen om te lijden en te sterven, dat Hij moest komen in onze natuur, dat was mijn zondeschuld. Dat staat met inktzwarte letters geschreven boven de kribbe van Bethlehem. Maar dat Hij kwam en dat Hij wilde komen en boven diezelfde kribbe als het ware schreef: ‘Ik voor u’, dat was genade, dat was vrije gunst die eeuwig God bewoog. Door Hem, door Christus, is er voor verloren mensen, voor doodschuldige zondaars weer een weg om vrede met God te krijgen! Door onze Middelaar.
En de grote vraag, gemeente, aan het einde van deze dienst: is deze Middelaar Hij ook uw Middelaar? Is Hij ook uw Middelaar, Die met Zijn onschuld uw zonden voor Gods heilig aangezicht bedekt heeft?
Dat is de vraag die overblijft. Een levensbelangrijke vraag, waar u antwoord op geven moet. Nu… Is deze Middelaar uw Middelaar? Is deze Zaligmaker uw persoonlijke Zaligmaker? Staat deze Middelaar voor u, voor jou tussen de heilige God en uw of jouw zondige hart? Tussen de vlekkeloos heilige God en dat hart, dat niet alleen zonde gedaan heeft, maar dat zelfs in zonde ontvangen en geboren is? Hebt u al leren roepen: ‘Zone Davids, ontferm U over mij!’ En mag u ook weten, dat Hij Zich over u ontfermd heeft? Heeft Hij ook al tegen u gezegd: ‘Uw zonden zijn u vergeven’? Zijn uw zonden en onheiligheid (o, geeft u toch antwoord in uw hart tegenover de Heere!), Zijn uw zonden en onheiligheid al bedekt door het kleed en zondeloosheid van de heiligheid van deze Middelaar, de Zoon van God?
Amen.
Lofzang van Zacharias: 1
Lof zij de God van Israël, De HEER’, Die aan Zijn erfvolk dacht, En, door Zijn liefderijk bestel, Verlossing heeft teweeg gebracht; Een hoorn des heils heeft opgerecht; 't Geen Davids huis was toegezegd, Dat wil Hij ons nu schenken; Gelijk Gods trouw, van 's aardrijks ochtendstond, Door der profeten wijzen mond, Zich hiertoe aan de vaderen verbond.
Andere preken over Zondag