Zondag 15 · 22 augustus 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 15 (serie 1)
INLEIDING
In deze preek over Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus staat de plaatsvervangende verdienste van Christus centraal. Aan lichaam en ziel droeg Hij Zijn leven lang, maar vooral aan het einde, de toorn van God tegen de zonde om gelovigen van de eeuwige verdoemenis te verlossen. Onder de wereldlijke rechter Pontius Pilatus werd Hij onschuldig veroordeeld om hen van Gods strenge oordeel te bevrijden. Door de vloek van de kruisdood te dragen, nam Hij de vervloeking die op hen lag over. Zo verwierf Hij genade, gerechtigheid en het eeuwige leven.
In onze plaats
ZONDAG 15
Vraag 37: Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden?
Dat Hij aan lichaam en ziel, den ganse tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf.
Vraag 38: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.
Vraag 39: Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, danof Hij met een anderen dood gestorven was?
Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op zich geladen heeft, dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 15
THEMA
In onze plaats
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de vorige keer ging het over het mens-worden van de Heere Jezus. Je zou, jongens en meisjes, kunnen zeggen dat toen het lijden van de Heere Jezus begon. Daarna ging Zijn lijden Zijn leven lang door. Het eindigde aan het kruis, toen Hij riep: ‘Het is volbracht!’
We gaan daar met elkaar over nadenken naar aanleiding van Zondag 15 van de Catechismus. Het gaat daar over het eerste deel van artikel 4. We hebben het de laatste weken in de Catechismus over de 12 artikelen. Dit is artikel 4: Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd. Daar gaat het over in Zondag 15. Bij deze Zondag horen drie vragen en drie antwoorden.
Vraag 37: Wat verstaat u door het woordje geleden? Antwoord: Dat Hij (de Heere Jezus) aan lichaam en ziel, de ganse tijd van Zijn leven op de aarde, maar inzonderheid (vooral) aan het einde van Zijn leven, de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf. (In dit antwoord gaat het over lijden.)
Vraag 38: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden? Antwoord: Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijde. (In dit antwoord gaat het over oordeel.)
Vraag 39: Heeft dat iets meer in zich, dat Hij gekruisigd is geweest dan of Hij met een andere dood gestorven was? Antwoord: Ja het (jazeker), want daardoor ben ik zeker dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft, dewijl de dood van het kruis van God vervloekt was. (In dit antwoord gaat het over vloek.)
Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: In onze plaats We letten op drie dingen. Op: 1. Het lijden 2. Het oordeel 3. De vloek Als eerste letten we dus op:
Vraag 37 begint met: Wat verstaat u door het woordje geleden? Dat wil zeggen: wat betekent dat voor u, heel persoonlijk? Heeft het woordje ‘geleden’ betekenis voor u, voor jou? Ja, want (ik heb dat vaker gezegd) het is niet genoeg, dat je het allemaal weet en een klein beetje probeert te begrijpen en te onthouden (dat is ook belangrijk!), maar het gaat er vooral om, dat het iets persoonlijks voor je eigen hart betekent. Dat kleine woordje –je zou er bijna overheen lezen– geleden, wat betekent dat voor u, voor jou?
Geleden komt van lijden. En als ik lijden zeg, dan denk je aan verdriet, aan narigheid, aan ziek-zijn, aan ellende en pijn. Dan denk je aan al het lijden in deze wereld: erge ziektes, oorlog, geweld, ruzie en honger.
Hoe komt dat? Waar komt dat al dat lijden, al die narigheid vandaan? Er zijn mensen die tegen ons zeggen (en dat kan je wel begrijpen): ‘Kan die goede God van jullie dat zomaar laten gebeuren?’ Lastige vraag… Maar (ja, wat ik nu ga zeggen is geen dooddoener, om je een beetje zoet te houden, het is echt waar!), al dat lijden, dat komt allemaal door mij, door jou, door ons! Want ik en jij, wij hebben tegen God gezondigd. Dat begon vroeger al, in het paradijs. Daar hebben wij, mensen, met God gebroken. Sinds die ene dag is het leven van alle mensen, sinds die dag is alles in de wereld anders geworden. Dat kan je al lezend voelen door die nare woorden, door die zwaarbeladen termen die de Catechismus gebruikt: lijden, toorn van God, vervloeking, streng oordeel van God, eeuwige verdoemenis.
Je zegt: ‘Dat is niet mooi, dat is naar, dat is erg!’ Ja, dat is waar. Maar het is ook ernstig en gevaarlijk, het is levensgevaarlijk! Er is geen groter gevaar, dan wat zit opgesloten in deze woorden. De toorn van God rust op ons leven, dat wil zeggen dat er in God een heilige afkeer is tegen de zonde. God haat onze zonden. En dan dat andere woord: verdoemenis. Een woord wat het doopformulier ook gebruikt: we zijn de verdoemenis zelf onderworpen. Dat wil zeggen: het onherroepelijke,
uitgesproken oordeel van God, waardoor we de hemel niet binnen mogen gaan, maar – letterlijk– naar de hel moeten. De plaats waarvan de Heere Jezus zei, dat er wening zal zijn en knersing der tanden. Daar zal altijd gehuild worden. Daar is altijd spijt en wroeging. Daar is ook altijd haat en boosheid tegen God en andere mensen.
Je zegt: ‘Dat is allemaal verschrikkelijk naar!’ Ja, jongens en meisjes, dat is ook zo. Maar weet je wat nog veel verschrikkelijker en gevaarlijker is? Dat we het eigenlijk niet echt zien. Dat we het eigenlijk niet echt geloven. Dat we er eigenlijk nooit van wakker liggen. We denken diep in ons hart, terwijl we de Catechismus lezen: ‘O, wat maakt de Catechismus het toch zwaar!’ En er zijn ook mensen om ons heen die zeggen: ‘God is toch liefde? Jezus is toch voor ons gestorven? Nou, stop dan met die nare woorden! Het zal toch wel meevallen? Ik merk er tenminste nog niks van. Ja, soms wel van lijden en ziekte, maar van toorn en verdoemenis? Daar merk ik niets van.’
En dat is gevaarlijk, dat is levensgevaarlijk! Dat je het niet ziet en niet gelooft, terwijl het toch onherroepelijk komt. Want God is meer dan alleen maar liefde. Zijn heiligheid, zegt de Bijbel, brandt van toorn over onze zonden. En als je door leeft zonder dat te geloven en daarvoor te buigen, dan ga je het echt vroeg of laat tegenkomen: oog in oog staan met die brandende toorn, met de toorn die bliksemt uit de ogen van het Lam. Dan kom je echt in die plaats (waar heel veel mensen niet meer in geloven), dan komt je echt in de hel.
Er zijn ook mensen die het wel echt geloven. En dan bedoel ik niet alleen met hun verstand, maar met heel hun hart. Zij zeggen (niet tegen mensen, maar in hun hart tegen de Heere): ‘Heere, U hebt gelijk. Zo is mijn hart. Door mijn eigen schuld leef ik onder Uw toorn en wacht me uiteindelijk, als er niets verandert, de eeuwige straf. Heere, dat is terecht. Zo slecht ben ik voor U. Dat heb ik verdiend.’
Hoe komt het dat de ene groep mensen dat niet zegt, en de andere groep mensen dat wel zegt? Dat komt omdat God de ogen van die mensen geopend heeft. Juist voor die mensen wordt deze Zondag 15 een hele mooie Zondag. Voor die mensen is Goede Vrijdag de mooiste van alle feestdagen. Als hier in de Catechismus staat dat Hij (de Heere Jezus) op aarde aan lichaam en ziel Zijn leven lang, maar vooral aan het einde van Zijn leven, die toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft. De Heere Jezus, de Middelaar, heeft Zijn leven lang geleden. Het begon in de kribbe en eindigde aan het kruis. Zijn leven lang… geleden.
Bij ons mensen is dat lijden verschillend. De één lijdt meer, de ander wat minder.
Soms heeft iemand ook een periode waarvan hij of zij zegt: ‘Toen heb ik veel geleden.’ Of jullie, jongens en meisjes, misschien herinner je je wel een tijd waarvan je zegt: ‘Toen heb ik een tijdlang heel veel verdriet gehad. Daarna ging het gelukkig wel weer beter.’
Toch is dit, wat hier van de Heere Jezus staat, veel erger. Hij heeft Zijn leven lang geleden, van het begin tot het eind van Zijn leven. Altijd! Het ging nooit over. Altijd was er lijden. Het begon in Bethlehem, bij Zijn arme en nederige geboorte. Hij werd gelegd in een kribbe, omdat er voor Hem geen plaats was. Vlak daarna moest Hij met Zijn vader en moeder vluchten, omdat koning Herodes Hem wilde doden. Toen Hij volwassen was, werd Hij 40 dagen en 40 nachten verzocht door de duivel. Daarna ging Hij preken, maar Zijn preken werden niet geloofd. Hij werd veracht, bespot, gehoond en gesmaad. Ook Zijn lieve vrienden, Zijn discipelen, deden Hem vaak veel verdriet. Aan het einde van Zijn leven werd Zijn lijden nog veel erger. Er staat dat Hij geleden heeft niet alleen naar lichaam (je weet wat dat is: je kunt pijn hebben in je hoofd, in je buik of waar dan ook), Hij leed niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel.
Wat is dat, lijden in je ziel? Je voelt: dat is lijden vanbinnen. Dat kan je niet zo goed zien. Dat is onzichtbaar lijden, dat is een onzichtbare strijd. Wat was dan die onzichtbare strijd, dat onzichtbare lijden? Ik zal een paar voorbeelden geven:
De Heere Jezus heeft dag in dag uit, terwijl Hij de zonde haatte als een diepe belediging van Zijn Vader in de hemel, de verstikkende stank in moeten ademen van de zonde van andere mensen. Dat deed Hem van binnen heel erg pijn, dat was voor Hem zwaar lijden in Zijn ziel. Een ander lijden in Zijn ziel was, dat Hij gekomen was tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij was niet welkom. Voor Hem was geen plaats. En wat heeft Hij geleden in Zijn hart onder het ongeloof van de mensen. Het meest nog onder het ongeloof van Zijn eigen discipelen. En wat heeft de Heere Jezus letterlijk tranen gehuild over Jeruzalem. Over mensen die zich niet wilden bekeren. Wat heeft de Heere Jezus geleden onder de oneer die Zijn Vader steeds maar weer werd aangedaan. Dat deed Hem van binnen heel erg pijn, dat was voor Hem zwaar lijden in Zijn ziel. Het zwaarste lijden in Zijn ziel was ongetwijfeld aan het einde van Zijn leven, op Golgotha. Dat lijden scheurde Zijn hart. Hij riep het uit: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Mattheüs 27:46b). Hij heeft Zijn leven lang geleden, maar vooral aan het einde van Zijn leven.
‘Maar’, zeg je, ‘waarom droeg Hij dan de zonde? Waarom moest Hij zoveel lijden?’ De Catechismus zegt: omdat Hij de toorn van God tegen de zonde droeg.
Goed tot je door laten dringen deze woorden. Jezus droeg de toorn van God tegen de zonde. Als je dat goed tot je door laat dringen, dan besef je tegelijkertijd dat je reden hebt om bang te zijn, als je nog steeds leeft zoals je geboren bent, als een kind des toorns levend onder de toorn van God. En als je kijkt naar het leven, naar het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus, dan zie je toch, lieve mensen, dat je dat zelf niet dragen kunt?
En daarom zeg ik: doorzie toch uw gevaar! Doorzie uw lot! Zie toch het doodsgevaar waarin u zich bevindt! Als je zo leeft en zo sterft, onder de toorn van God… Wat dan? Dan wacht je uiteindelijk de eeuwige straf: de hel. Een plaats van eeuwig lijden.
En ik vraag u vanmiddag uit de grond van mijn hart: kan dat dodelijke gevaar waarin u zich bevindt, u nu niet bewegen om haast te maken met het werk van uw zaligheid? Om het niet steeds maar weer uit te stellen, naar een volgend jaar, en weer naar een volgend jaar, totdat u onverwacht staat voor God. O, u zult eeuwig spijt hebben van dat getreuzel, van dat uitstellen. Hoor toch Gods liefdevolle boodschap en maak haast! Doe wat u doen moet, zonder uitstel!
Maar nu dit wonder: Christus is gekomen, om die brandende toorn van God tegen de zonde te dragen. Tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht, staat er. De toorn van God tegen de zonde brandde. Niet tegen de zondeloze Heere Jezus, maar tegen de zonde die de Vader op Zijn schouders gelegd had. Daarom zegt Petrus later: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1 Petrus 2:24Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.). En Jesaja profeteerde: Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen (ons lijden werd Zijn lijden); doch wij achtten Hem dat Hij geplaagd en van God geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden (onze misdaden) is Hij verbrijzeld (vermorzeld); de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg, doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheden (onze misdaden) op Hem doen aanlopen (53:4-6). Tegen die ongerechtigheden, tegen die misdaden brandde de toorn van God. Tegen onze zonden.
Wie zijn die ‘onze’? Als hier staat tegen de zonde van het ganse (hele) menselijke geslacht, gaat het dan om iedereen, om alle mensen? Heeft de Heere Jezus voor iedereen persoonlijk de zonde gedragen?
Dat bedoelt de Catechismus niet. Wij bedoelen dat ook niet, als we het hebben over een bepaald geslacht, over een bepaalde familie. We kunnen bijvoorbeeld zeggen: het geslacht Jansen bestaat nog. Dat wil niet zeggen dat alle familieleden nog in leven zijn. Wat dat wel wil zeggen is, dat de familienaam nog steeds bestaat. Zo wordt het hier bedoeld. Door het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus is de familie van de mensen blijven bestaan. God heeft in het paradijs niet alle mensen weggedaan. Het zou wel eerlijk, het zou wel rechtvaardig geweest zijn, als God dat had gedaan. Maar Hij deed het niet. Er zijn sindsdien wel heel veel mensen gestorven, zonder God. Omdat ze dit offer geweigerd hebben. ‘Wij willen niet dat U Koning over ons zult zijn!’ Maar andere mensen (Gode zij dank!) zijn levend gemaakt. Hun ogen zijn geopend. Ze hebben de waarde, de betekenis van dit offer leren zien. Ze hebben leren zien dat Hij, de Heere Christus, Die lag in de kribbe en hing aan het kruis, wilde gaan staan in de plaats van verloren mensen. In de plaats van mensen die die toorn, die straf, dat lijden, die verdoemenis hadden verdiend.
En als je voor jezelf gaat zien, dat jezelf dat lijden van Christus aan het kruis had verdiend, dat jij die toorn van God had moeten ondergaan, wat wordt het dan een wonder als de Heere in je hart gaat zeggen: ‘Nu hoeft het niet meer, want Ik heb het voor je gedaan. Ik voor u, anders had u de eeuwige dood moeten sterven, maar nu ben Ik gestorven aan het kruis.’ Dan sta je verwonderd aan de voet van het kruis. Dan zeg je: ‘Die doornenkroon heb ik gevlochten, die beker van de toorn die Hij leegdrinkt, heb ik gevuld. Het is in mijn plaats!’
Opdat Hij, zegt de Catechismus, met Zijn lijden als met het enige zoenoffer ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf. Zijn lijden in de plaats van al Gods kinderen was een zoenoffer. Er moest voldaan, er moest betaald worden, er moest verzoening plaatsvinden. Het moest weer goed komen tussen God en hun hart. En wat was daarvoor nodig? Een offerdier. Een lam in de plaats van een zondaar. De Heere Jezus Christus, het Lam van God, aan het kruis in plaats van een doodschuldige zondaar. Daarom zegt Jesaja: Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem krank gemaakt. Als Zijn ziel Zich tot een –en dan komt het woord– schuldoffer (zoenoffer) gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad (kinderen) zien. Hij zal de dagen verlengen en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (53:10).
Door Zijn dood, zegt de Catechismus al Gods kinderen voor, heeft Hij ons verlost. Wij moesten (dat hadden we eerlijk verdiend) naar de plaats van eeuwige straf. Maar nu heeft Hij ons van die straf verlost, ons daarvan bevrijd, door Zelf die straf te ondergaan. Daarom schrijft Petrus later: U bent niet door zilver of goud verlost uit uw ijdele
wandel (…) maar (en dat is de blijde boodschap van Goede Vrijdag) door het dierbaar (kostbaar) bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:18-19Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is; Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;). Verlost ben je, als je kind van God bent, als je een nieuw hart gekregen hebt. Verlost ben je, van de dood, van de helse straf. Die krijg je dan nooit meer.
Wat krijgen Gods kinderen dan wel? Dat staat hier in de Catechismus. a. Als eerste: genade. Wat is genade? Genade is wat je krijgen kan, als je als een misdadiger tot de dood veroordeeld bent. Genade is niet zomaar wat lievigheid: ‘Hier mensen, je krijgt allemaal zomaar genade.’ Nee. Genade is gratie! Genade is persoonlijke gratie, die je krijgt van de hoogste, rechtvaardige Rechter in de hemel. Hij zegt tegen je doodschuldige hart: ‘Je hebt de dood verdiend, maar Ik, God, spreek je vrij.’ Als je dat eerste niet gelooft (ik heb de dood verdiend), dan kan je dat tweede eigenlijk niet kennen. Dan weet je niet wat genade betekent. Maar wat wordt dat tweede (‘Ik spreek u vrij’) een wonder, als je echt in je hart gelooft dat je de dood verdiend hebt. Waar zonde zonde wordt, daar wordt genade echt genade.
Wat krijgt een kind van God terug? Wat krijgt hij van God? Als eerste genade. Genade krijg je als misdadiger, op het schavot.
b. Als tweede (kijk maar in de Catechismus): gerechtigheid. Dat wil zeggen: dat wat de Heere Jezus heeft verdiend, waardoor het weer recht wordt, waardoor het weer goed wordt tussen God en je zondige hart. Ik denk aan wat Paulus schrijft in 2 Korinthe 5: Die (en dan gaat het om de Heere Jezus) geen zonde gekend en gedaan heeft, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij –het klinkt als ruilen– zouden worden rechtvaardigheid (daar heb je dat woord: rechtvaardigheid) Gods in Hem (2 Korinthe 5:21).
c. Wat krijgt een kind van God? We hoorden van genade, van gerechtigheid, maar nu als derde ook zelfs van eeuwige leven. In plaats van die nare woorden die er stonden (eeuwig lijden, eeuwige verdoemenis) staat er nu: eeuwig leven. Zoals Paulus schrijft: Zo is er dan nu geen verdoemenis meer (een streep erdoor!) voor degenen die in Christus Jezus zijn (Romeinen 8:1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.). Want: het is volbracht, de prijs is betaald, de schuld is verzoend.
We gaan daar samen van zingen uit Psalm 85, het eerste vers: U hebt Uw land, o HEERE, die gunst betoond, Dat Jacobs zaad opnieuw in vrijheid woont; De schuld Uws volks hebt U uit Uw boek gedaan;
Ook ziet U geen van hunne zonden aan; U vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust; De hitte van Uw gramschap is geblust. O, heilrijk God, weer verder ons verdriet, Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn te niet.
Het gaat vanmiddag over: In onze plaats. Het ging als eerste over het lijden. Nu als tweede:
Waarom, zo vraagt de Catechismus, heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden? Omdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel van God, dat over ons gaan zou, bevrijde.
Heb je het je ook altijd al afgevraagd, waarom deze man Pontius Pilatus altijd weer naar voren komt? Waarom moet de kerk al eeuwenlang de naam horen van deze heidense stadhouder? Wat heeft die man voor betekenis? Had er niet beter wat kunnen staan over Kajafas, de voorzitter van het Sanhedrin?
Het klopt, dat Kajafas de voorzitter was, maar hij had geen recht (geen bevoegdheid) om een doodsvonnis uit te spreken. En dus heeft Pilatus dat gedaan. ‘Maar’, zeg je, ‘waarom zegt de Catechismus het dan zo? Omdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel van God, dat over ons gaan zou, bevrijde. Het lijkt wel alsof het vonnis van Pilatus naast het vonnis van God staat. Alsof je die twee zomaar met elkaar zou kunnen vergelijken! Hoe zit dat?’
Dat zit zo: Pilatus was de officiële rechter. Dat hij niet eerlijk was in zijn oordeel, dat was zijn verantwoordelijkheid. God maakte gebruik van de officiële rechter. En wat die rechter Pontius Pilatus oordeelde, dat sprak hij uit als dienaar van de overheid. En als dienaar van de overheid was hij, zo zegt Paulus later, dienaar van God (Romeinen 13:4Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.). Als officiële rechter, als iemand van de overheid, sprak hij op dat moment namens God! Dus eigenlijk, als Pilatus zegt: ‘Deze Man mag de doodstraf krijgen’, dan is het eigenlijk God de Vader (Die deze Pontius Pilatus gebruikt) Die Hem ter dood veroordeelt. Niet omdat Hij Zelf zonden gedaan heeft, maar om de zonden die, zoals Jesaja zegt, op Zijn schouders gelegd zijn. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt (en dan komt het) was op Hem. Die heeft de Vader op Hem gelegd. En door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jesaja 53:5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.). Dwars door het spreken van die heidense stadhouder Pontius Pilatus horen we het spreken van de rechtvaardige Rechter uit de hemel. Het is de Vader, het is de onbegrijpelijke zondaarsliefde van de Vader Die de Middelaar (Die nooit zonde gedaan heeft) laat
veroordelen en overgeeft tot de dood van het kruis. En dat in plaats van verloren mensen, van misdadigers die zelf de dood hadden verdiend.
Dus wat hier van Pontius Pilatus gezegd wordt, is niet zomaar een detail, zomaar een aardigheidje om te weten... wat daar gebeurt, is de meest wonderlijke ruil, die ooit heeft plaatsgevonden. Het gaat hier echt over ruilen. God de Vader zegt: ‘U, Mijn eniggeliefde Zoon, krijgt de doodstraf om de zonden die ik op Uw schouders leg. En u, Mijn kinderen, die die straf verdiend had, u spreek Ik vrij.’ Want de straf hoeft maar één keer gedragen te worden. Dat is eerlijk.
Opdat wij, zegt de Catechismus, daarmee (door die wonderlijke ruil) van het strenge oordeel van God, dat over ons gaan zou, bevrijd zouden worden. Je voelt, als je dit zo leest, de ernst en de lading van de woorden. Hier is iemand (en kijk eens in uw hart, of dat bij u ook zo is), hier is iemand die ruiterlijk toegeeft: dat oordeel moest over mij gaan, dat heb ik verdiend. Dat zou een terechte (dood)straf geweest zijn.
En het kan niet anders: als je dat echt gelooft en echt meent, dan voelt dat als een zwaar pak op je schouders, als een last op je ziel. Dan kan je daar niet zomaar op rusten. Dan ga je daar niet zo gemakkelijk over praten, zo in de zin van: ‘Ja, de mens is dood en heeft de dood verdiend. Dat hoor ik zo graag. Ik vind het zo fijn, als dat benadrukt wordt.’ Dat heeft de schijn, dat u er in uw hart echt helemaal niets van gelooft. Want er is geen ter dood veroordeelde misdadiger die dat graag hoort. Dit zijn geen woorden om op te gaan rusten. Als dit echt voor je leeft, dan zeg je niet zoveel meer, dan zeg je misschien wel niks meer. Dan ga je roepen, vragen, zoeken, op je knieën je schuld belijden en zeggen: ‘Heere, ik ben het waard, dat U nooit meer naar me luistert en nooit meer naar me omziet, maar Heere: is er nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en tot genade te komen? Is er nog genade voor zo een, die de dood verdiend heeft?’
Is dat uw gebed? Zit u zo in de kerk? Wat wordt het dan een wonder, als de Heere laat zien, dat het oordeel dat voor mij bestemd was, door God op Christus gelegd is. De straf die mij de vrede aanbrengt, heeft God op Hem gelegd. Wat wordt het dan een wonder, als je met Psalm 85 zingen mag: de hitte van Gods gramschap (van Gods toorn over mij) is geblust! Uitgeblust door het bloed van het Lam. Nog kort ons derde punt:
Als het gaat over de vloek van het kruis, dan zegt de Catechismus daar bijzondere dingen over. De vraag is: Heeft dat iets meer in zich (met andere woorden: voegt het nog wat toe, of is
het overbodig dat het er staat?) dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een andere dood gestorven was? Het antwoord: Ja het (jazeker!), want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich geladen heeft, dewijl de dood van het kruis door God vervloekt was.
Weer van die nare, zwaarbeladen woorden, jongens en meisjes. Vloek, vervloeking. Het kan niet anders (en u voelt dat met mij mee), dat wanneer de last van vloek en vervloeking op je schouders ligt, dat dat voelt als een loodzware, ondraaglijke last. En het kan niet anders, als God die last van je schouders wegneemt, dan voelt dat als een onbegrijpelijke bevrijding.
Maar ja, hoe kan dat? Hoe kan God (als je een nieuw hart hebt) de zonden van je hart hebben weggenomen? Ik zeg het nog een keer: dat kan alleen maar door ruilen. Daar is een moeilijk woord voor: plaatsvervanging. Iemand vervangt iemand anders, iemand staat op de plaats van iemand ander. Dus eigenlijk is dat ook ruilen. Je hebt strafwerk op school en je vriendje zegt: ‘Zullen we ruilen? Ik zal het strafwerk maken, dan kan jij snel naar huis.’ Dat vindt de juf natuurlijk niet goed, maar toch. Je moet nablijven en je zegt tegen je vriendje: ‘Wil jij alsjeblieft voor mij nablijven, want dan kan ik snel naar huis, want ik moet nog wat anders doen.’ Ruilen. In de plaats van iemand anders.
Zo gaat dat hier in de Catechismus ook. Hier is een man, een vrouw, een jongen of meisje met een nieuw hart, die zegt: ‘De vloek lag op mij.’ En dan betekent dat woordje ‘vloek’ dat je bij God bent weggestoten, dat je bij God vandaan bent weggeduwd, omdat je tegen Hem gezondigd hebt. Maar toen kwam de Heere Jezus en Hij zei: ‘Ik wil ruilen. Vader in de hemel, leg die vloek maar op Mij. Ik zal dat strafwerk doen in de plaats van hem of haar. Ik zal de ergste dood sterven die denkbaar is. De dood met een vloek: ook weggestoten bij U vandaan. De vloek van het kruis zal Ik dragen. En u, misdadiger, die voor altijd weggestoten moest worden? Ik zal in uw plaats gaan staan.’ Vind je dat geen wonderlijk werk van de Heere Jezus? Hij zegt: ‘Nu zal Ik me laten wegstoten bij Mijn Vader vandaan.’ Waarom? Om te ruilen. ‘Als Ik die vloek draag, krijgen Mijn kinderen genade, gerechtigheid en het eeuwige leven.’
En nu Hij die vloek gedragen heeft, zegt de Catechismus, nu mag ik er zeker van zijn, dat Hij dat voor mij deed. Dat is een wonderlijke zin. Meestal spreekt de Catechismus namelijk over ons, in het meervoud. Maar hier komt het ineens heel dichtbij. Ik (enkelvoud) ben er zeker van dat Hij (Christus) dat voor mij deed. Daar ben ik zeker van. Het gaat hier om de zekerheid van het geloof. En het is opvallend dat dat hier in deze Zondag opeens aan de orde komt.
De zekerheid van het geloof. Een zaak waar veel kinderen van God mee worstelen. Waar vind ik die zekerheid? Waar vind ik meer houvast in mijn geestelijk leven?
Voor sommige mensen lijkt dat een overbodige vraag. Die denken: ‘Natuurlijk, het is vanzelfsprekend: twijfel is zonde. Jezus Christus is toch voor mij gestorven? Ja, dat de profeet Jeremia zegt, dat ik een bedrieglijk hart heb, dat zal wel. Maar mijn hart is beter.’ Klopt dat wel? Ik vraag dat aan u, omdat ik medeverantwoordelijk ben voor uw ziel op reis naar de eeuwigheid. Klopt dat wel? Weet u wel zeker, dat uw hart niet zo bedrieglijk is? Ik weet het, ik snap het dat u zich irriteert aan die vraag. Toch stel ik hem en wil u vragen om daar ernstig over na te denken. Ik verheerlijk geen twijfel, maar ik maak me zorgen over het automatisme dat ik soms hoor: ’Ja, natuurlijk, Jezus is voor mij gestorven!’ Mijn vraag is (en wilt u daarover nadenken?): klopt dat wel? Kent u uw bedrieglijke hart wel? Is het voor u wel een wonder geworden: Hij, de zondeloze Christus aan het kruis gestorven voor mij, die een vijand en misdadiger ben? Dan kan het niet vanzelfsprekend zijn!
Het wordt een wonder dat je niet kunt begrijpen en steeds minder gaat begrijpen, als je leest wat hier de Catechismus zegt: ik lag onder het oordeel van God, mij wachtte (terecht) de eeuwige straf, ik lag onder de vloek. En nu Hij in mijn plaats…! Waar vind je de zekerheid van dat laatste, van dat Hij in mijn plaats? Daar waar Hij hangt op Golgotha. Daar zie je, als God je een oog van geloof geeft, wat ons Avondmaalsformulier zegt: dat de toorn van God tegen deze zonde (van mij) zo groot was, dat deze niet ongestraft kon blijven, maar dat God die (wonderlijke ruil!) gestraft heeft aan Zijn lieve Zoon met de bittere en smadelijke dood van het kruis. In mijn plaats.
Als je op die plaats bukt, als een terdoodveroordeelde, en omhoog ziet voor het eerst of opnieuw… dan ligt het vast. Dan is het zeker, dat Hij dat deed in mijn plaats. Gratie, genade voor een terdoodveroordeelde. U zegt: ‘Waar vind ik de zekerheid van het geloof?’ Die vind je, als je als een terdoodveroordeelde zondaar bukt aan de voet van het kruis. Daar hangt een zondeloze Christus, Die in mijn plaats door God veroordeeld is als zijnde een misdadiger, zoals ik. Daar hoor ik de roep: Het is volbracht!
Hoe dieper je daar buigt, hoe meer zekerheid je daar vindt, op die plaats, bij het kruis.
Amen.
Slotzang Psalm 69:14
Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, En Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erfelijk wonen.
Andere preken over Zondag