PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 13: Eniggeboren Zoon, onze Heere (serie 1)

Zondag 13 · 8 augustus 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 13 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 13 van de Heidelbergse Catechismus wordt de betekenis van Jezus als Gods eniggeboren Zoon en onze Heere verkondigd. Christus is de eeuwige, natuurlijke Zoon van God, Die van eeuwigheid één is met de Vader. Gelovigen zijn om Zijnentwil uit vrije genade tot kinderen aangenomen en ontvangen een nieuw kinderhart dat Hem liefheeft en zoekt. Omdat Hij hen met Zijn dierbaar bloed heeft vrijgekocht uit de macht van de duivel, zijn zij Zijn eigendom geworden. Zo worden aangenomen kinderen ook gehoorzame knechten die hun Heere en Meester dienen.

THEMA

De belijdenis van Gods eniggeboren Zoon, onze Heere

KERNPUNTEN

  1. Het Zoon-zijn van Christus
  2. Het kind-zijn van de gelovigen
  3. Het knecht-zijn van de kinderen

ZONDAG 13

Vraag 33: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch Gods kinderen zijn?
Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Vraag 34: Waarom noemt gij Hem onze Heere?
Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo zich tot een eigen gemaakt.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 13: Eniggeboren Zoon, onze Heere (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 13

THEMA

De belijdenis van Gods eniggeboren Zoon, onze Heere

Gemeente, we zijn in de behandeling van de Heidelbergse Catechismus bezig met de Twaalf Artikelen. Eerst ging het over God, de Schepper: Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en van aarde. Nu gaat het over het tweede artikel: En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere. Als je goed naar dat tweede artikel kijkt, jongens en meisjes, dan zie je vier namen staan. Over twee namen hebben we het al gehad. De eerste naam was: Jezus. Want, zei de engel, ‘Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.’ De tweede naam was: Christus. Daar ging het de vorige keer over. Hij is de door God Gezalfde hoogste Profeet, enige Hogepriester en eeuwige Koning. Vanmiddag gaat het over de twee andere namen van de Heere Jezus: Gods eniggeboren Zoon en onze Heere. We lezen met elkaar Zondag 13, twee vragen en twee antwoorden.

Vraag 33: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genoemd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn? Antwoord: Daarom dat Christus alleen de eeuwige, natuurlijke Zoon van God is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen. (In dit antwoord gaat het om twee dingen: om het Zoon-zijn van de Heere Jezus en om het kind-zijn van de gelovigen. Zij zijn tot kinderen aangenomen.)

Vraag 34: Waarom noemt u Hem onze Heere? Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle heerschappij van de duivel verlost heeft en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt heeft. (In dit antwoord gaat het om het knecht-zijn van die aangenomen kinderen.)

Het thema voor deze catechismuspreek is: De belijdenis van Gods eniggeboren Zoon, onze Heere Er zijn drie punten: 1. Het Zoon-zijn van Christus 2. Het kind-zijn van de gelovigen 3. Het knecht-zijn van de kinderen

Als eerste dus:

1. Het Zoon-zijn van Christus

Vraag en antwoord 33 zijn best moeilijk, jongens en meisjes. Ze gaan over het Zoon-zijn van Christus. Er staat: Waarom wordt Hij Gods eniggeboren Zoon genoemd? Waarom heet Hij zo? En dan begint het antwoord met: Daarom dat Christus alleen de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is. Eigenlijk is de vraag: wat betekent nu die uitdrukking eniggeboren Zoon van God? Het is een hele bekende uitdrukking, die je al heel vaak hebt gehoord. Het is ook een Bijbelse uitdrukking. Het staat bijvoorbeeld in Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien –en dan komt het– de eniggeboren Zoon van God Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard (dat wil zeggen: uitgelegd). Maar wat betekent dat nu: de eniggeboren Zoon van God?

De Catechismus zegt dat het drie dingen betekent. a. Als eerste betekent het dat Christus de eeuwige Zoon is. Dat wil zeggen: Hij bestond al, voordat Hij werd geboren in Bethlehem. Hij bestond al voordat deze wereld geschapen werd. Voor er iets van ons was, was Hij er al. In Spreuken 8 zegt de Opperste Wijsheid, Christus: Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest (tot Profeet, Priester en Koning), van de aanvang, van de oudheden der aarde aan (Spreuken 8:23). Toen was Ik er al! Toen de wereld nog niet geboren was, toen de aarde nog niet gemaakt was, toen de bergen en de heuvelen er nog niet waren. Toen was Ik er al. Ik ben van eeuwigheid en tot eeuwigheid. De eeuwige Vader in de hemel is nooit zonder de eeuwige Zoon geweest en de eeuwige Zoon in de hemel is nooit zonder de eeuwige Vader geweest. De Vader in de hemel was er altijd en de Zoon was er altijd. De Zoon is de eeuwige Zoon van God. Jesaja zegt dat in die bekende tekst in Jesaja 9: Zijn Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God (en dan komt het) Vader der eeuwigheid, Vredevorst (9:5).

Drie dingen betekent die uitdrukking eniggeboren Zoon van God. In de eerste plaats dus dat Hij eeuwig is. b. In de tweede plaats betekent het ook, zegt de Catechismus, dat Christus de natuurlijke Zoon van God is. Zoals de meeste kinderen van ons (die vergelijking is niet helemaal goed, maar ik gebruik hem toch maar even) zoals de meeste kinderen van ons natuurlijke kinderen zijn van hun vader en moeder, van papa en mama, geboren uit mama’s buik. Je zegt: ‘Ik ben echt een kind van papa en mama. Soms kunnen mensen het ook zien aan m’n gezicht. Ze zeggen: ‘Je lijkt op je vader, je lijkt op je moeder.’ Natuurlijk, want je bent een natuurlijk kind van je ouders.’ Christus de Zoon, is de Zoon van de Vader. Dat wil zeggen: de Vader is Zijn Eigen

Vader. In de nooit begonnen eeuwigheid (er was geen begin!) zei de Vader tegen de Zoon, wat we lezen in Psalm 2: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd (2:7). Ik zeg maar na, wat de Bijbel hiervan zegt, omdat het ook mij aan woorden ontbreekt om dit uit te leggen. ‘U bent Mijn enige Kind, Mijn liefste Zoon, U bent Mijn Troetelkind.’ Dit is geen dorre theologie! Dit is ook zeker geen bijzaak! Dit is het fundament van het geloof van de kerk. Dit is wat Petrus ooit beleed, in zijn belijdenis: U bent de Christus, de Zoon van de levende God (Mattheüs 16:16). Daar is in de loop van de eeuwen heel veel over gediscussieerd en strijd over gevoerd, juist omdat dit het hart is van het christelijke geloof.

c. De eniggeboren Zoon van God. Hij is de eeuwige Zoon, de natuurlijke Zoon en Hij is de (dat is het derde) Zoon van God. Je zegt: ‘Leg het me nou eens uit, want ik begrijp het niet goed.’ Maar ik begrijp het ook niet, ik zeg alleen met eerbied na wat de Heere daarover in de Bijbel geschreven heeft. Hij is de eeuwige Zoon van de Vader. Niet gemaakt, niet geschapen, maar (zegt Psalm 2) gegenereerd en (zegt Spreuken 8) geboren, toen de aarde er nog niet was. Luister maar naar wat de Spreukendichter opschrijft uit de mond van de Zoon van God: Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water. Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. Toen was Ik een voedsterling bij Hem (bij Mijn Vader), en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen (8:24,25 en 30,31). En luister maar naar wat de Psalmdichter opschrijft uit de mond van de Zoon van God: De HEERE heeft tot Mij gezegd (in de eindeloze eeuwigheid hiervoor): U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd (Psalm 2:7).

Geboren, wat betekent dat? De Heere Jezus zeg het Zelf in Johannes 5: Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelf (5:26). De Vader heeft het leven in Zichzelf en zo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf. Moeilijke zinnen, hè, jongens en meisjes? Eén ding moet je er echt van onthouden (schrijf dat maar op, als je meeschrijft met de preek): De Heere Jezus Christus –daar gaat het om– is de eeuwige Zoon van God.

En dat is wel heel belangrijk! Zó belangrijk dat ik zeg: daar hangt de zaligheid echt van af! Als je niet gelooft dat Jezus Christus de eeuwige Zoon van God is, dan kan je niet zalig worden. Want als Hij alleen maar mens was, dan was God niet Zelf uit de hemel naar ons mensen toegekomen, maar gewoon een ander mens, een schepsel. En geen ander schepsel, geen medemens is in staat om de toorn van God tegen onze zonden te dragen.

Als de Heere Jezus Christus niet de Zoon van God was, maar een mens, dan waren we totaal overgeleverd aan onszelf. Dat was ons eerste punt, het Zoon-zijn van Christus, nu ons tweede punt:

2. Het kind-zijn van de gelovigen

Want de Catechismus vraagt: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genoemd? Met andere woorden: Hij is toch niet de enige Zoon van God? Er zijn toch meer kinderen van God? De mensen met een nieuw hart, de mensen die oprecht in God geloven, zijn toch ook kinderen van God? Ja, dat is waar, maar de Catechismus zegt (en dan komt het weer terug) dat Christus de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is. Maar voor ons is het anders. Wij zijn om Zijnentwil (om Hem, door Zijn werk) uit genade tot kinderen van God aangenomen.

De kinderen van God op aarde zijn aangenomen kinderen. Aangenomen kinderen zijn, ook nu, echte kinderen van hun vader en moeder. Gods kinderen zijn aangenomen kinderen en toch heet de Heere Jezus Christus de eniggeboren Zoon, de enige Zoon, de unieke Zoon van God. Je zegt: ‘Er is dus toch verschil, dat hoor ik.’ Dat is ook zo. Aangenomen kinderen van God zijn echte kinderen van God. Ik denk aan Galaten 3:26 waar Paulus zegt: Want u zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Echte kinderen dus. En Paulus schrijft aan de Romeinen in Romeinen 8:16: Dezelve Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Echte kinderen dus. En toch is er verschil met de enige, de enigste, de liefste Zoon van de Vader. Het eerste verschil is dat de eniggeboren Zoon van God, Zelf God, de Schepper en Maker van ons mensen is. En wij? Wij zijn maar kleine mensjes in Zijn ogen. Wij zijn maar schepselen. Dus (hoe je het ook wendt of keert) is en blijft er een oneindige afstand tussen de eniggeboren Zoon van de Vader en die aangenomen kinderen. Er is en blijft een oneindige afstand tussen God en ons mensen.

Maar toch. Om Zijnentwil, staat er, zijn wij aangenomen tot kinderen. Vroeger, jongens en meisjes, waren we in het paradijs kinderen van God. Toen zijn we opgestaan tegen de Heere God en hebben we met Hem gebroken. Toen hebben we gezegd: ‘Wij willen niet meer dat U onze God en Vader bent.’ Toen hebben we vrijwillig gekozen voor een nieuwe vader, de duivel. Dat is een verschrikkelijk slechte vader! Hij is een verschrikkelijke heer en meester, die nog steeds diep in zijn hart uit is op onze dood en ondergang! Maar toen wij zo gevallen waren in het paradijs, toen bleek dat God iets wonderlijks bedacht had. Al in de eindeloze eeuwigheid daarvoor. Een wonderlijk plan van de zaligheid. Het plan om zulke ongehoorzame, wegvluchtende kinderen (Paulus noemt ze later ‘kinderen des toorns’) terug te halen en weer aan te nemen tot Zijn kinderen.

Dat is bijzonder, vind je niet? De apostel Johannes is er ook zo verbaasd over, als hij schrijft in zijn brief: Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij (die met Hem gebroken hebben, zulk soort van mensen!) kinderen van God genoemd zouden worden (1 Johannes 3:1). Johannes zegt als het ware: ‘Ik kan het niet begrijpen! Ik kan niet uitdrukken hoe groot die liefde van de Vader is. Zo groot is die liefde, dat God ons, die met Hem gebroken hebben, uit onbegrijpelijke en onnavolgbare liefde weer terug wil hebben en weer aan wil nemen tot Zijn kinderen.’

Dat was echt niet verdiend! Dat verdienden we helemaal niet. De Catechismus zegt: het was uit genade. Er is nog nooit een kind van God geweest, jongen en meisjes, en er zal er ook nooit één komen die eerlijk kan zeggen: ‘Ik was zo goed en ik heb zo goed mijn best gedaan, daarom heeft God me als een kind aangenomen.’ Dat kan niet. Want we zijn allemaal even slecht. Het kan alleen maar door de genade van de Heere Jezus Christus, zoals hier staat in de Catechismus: om Zijnentwil. Om God, om de Heere Jezus Christus’ wil, om de eniggeboren Zoon van God.

Om de Heere Jezus Christus’ wil aangenomen tot kinderen. Hoe? Dat weet je wel: door het krijgen van een nieuw hart. Dat oude hart van ons, dat Adamshart, is vijandig tegenover God. Daarin is geen liefde tot God. Dat oude hart is blind, dat begrijpt niet de dingen die van God zijn, de dingen van de Bijbel, de dingen van de dienst van God. Dat oude hart wil de zonde doen, dat heeft de zonde lief. Dat oude hart leeft voor zichzelf en is alleen maar gericht op zichzelf. Maar het is het werk van de Geest van God om dat oude hart te veranderen en nieuw te maken. Wat gebeurt er dan? Dan komt er in plaats van vijandschap liefde tot God. Zo zegt de Bijbel dat ook. God stort, Hij giet als het ware, liefde in je hart. En terwijl je eerder blind was en de dingen van God niet zag, nu ga je ze wel begrijpen en zien. Je wilt de zonde niet meer doen. Je krijgt verdriet over je zonde. Je krijgt heimwee naar God. Dat noemt de Bijbel de droefheid naar God, over je zonden. Dan ga je de Heere echt zoeken.

Maar zeg je (en misschien is het ook wel uw vraag, ouderen): ‘Hoe kan je nu weten of je echt een kind van God bent? Hoe kun je nu weten of je hoort bij die aangenomen kinderen van God?’ Als ik dat nu gewoon zeg: ‘Ik ben een kind van God’, zou ik het dan ook zijn? Als ik een heleboel goede dingen zeg van de Heere, zoals grote mensen dat zeggen ‘als ik van Hem getuig’, zou ik het dan zijn? U zegt: ‘Als ik de dingen vertel die ik van Gods kinderen hoor over hun ervaringen en bevindingen en als ik zeg: dat heb ik ook meegemaakt, zou ik?’ U voelt: zo gaat het niet.

Je bent kind van God als je een kinderhart hebt. Je bent geen kind van papa of mama, omdat je kunt vertellen over de man die papa heet of over de vrouw die mama heet. Je zegt: ‘Zo werkt het niet. Ik ben kind van papa en mama omdat ik zoveel van ze houd en vooral omdat zij zoveel van mij houden. Ik kan echt niet zonder ze. Als ze zouden sterven (zoals dat bij sommige andere kinderen gebeurd is) dan zou ik niet weten hoe het verder moest. Ik kan niet zonder ze, ik wil zo graag bij ze zijn. Ik wil ook graag doen, wat zij willen dat ik doe. Ik wil ze geen verdriet doen. Papa en mama zijn alles voor me.’ Eigenlijk zeg je daarmee: er zit een soort onzichtbaar touw, een onzichtbare band tussen mijn hart en het hart van mijn papa en het hart van mijn mama. Klopt, daarom deed en doet het zoveel pijn en verdriet bij die kinderen hier in de kerk die hun vader of moeder missen, omdat een van hen of zij beiden gestorven zijn. Probeer die kinderen te helpen en veel voor ze te bidden!

Een kinderhart zit vast aan vader en moeder. Een hart van een kind van God zit vast aan de Heere, is aan Hem verbonden met de band die we het geloof noemen. En dat is precies wat Paulus zegt in Galaten 3:26: Want u bent allen kinderen Gods door het geloof (door die band) in Christus Jezus. Je kunt ook terugdenken aan de vorige keer, aan Zondag 12: het Hoofd Christus is verbonden aan het lichaam, aan de ledematen. Hoofd en lichaam zitten aan elkaar verbonden.

Hoofd en lichaam zitten aan elkaar vast door (zegt de Bijbel): het geloof. Door het geloof, dat hongert naar God. Door het geloof, dat dorst naar Christus. Door het geloof, dat roept. Door het geloof, dat ziet uit. Door het geloof, dat verlangt en hoopt. Door het geloof, dat zoekt de zaligheid in God en in Christus en het zal het daar ook vinden.

Aangenomen tot kind. Op het moment dat je geboren wordt door een nieuwe geboorte, door wedergeboorte, door dat onbegrijpelijke wonder van God, ben je kind van God. Door het krijgen van een nieuw hart, door het krijgen van een kinderhart, ben je een kind van God.

Maar durf je dat op dat moment (ik spreek in z’n algemeenheid) ook te geloven en te zeggen? Voor sommige mensen lijkt het zo gemakkelijk, zo automatisch. Ze weten het altijd zo zeker: ‘Ik ben een kind van God.’ Het lijkt zo gewoon, niks bijzonders. Het lijkt vanzelfsprekend. ‘Ik ben de twijfel te boven.’ Verheerlijk ik de twijfel? Nee. En nogmaals: Nee!

Maar dit wil ik u vragen, u die zo gemakkelijk gelooft en boven alle twijfel verheven lijkt: bent u nu echt zo goed, dat u nooit meer op uw knieën zegt: ‘Vader, ik ben het niet waard om Uw kind genoemd te worden, want mijn hart… mijn hart tegenover U, o, goeddoende God!’ Bent u nu echt zo goed, dat u nooit meer zegt, als u kijkt naar uw zondige hart, naar uw zondige leven, naar uw trots, uw hoogmoed, uw Godvergeten: ‘Heere, zou het wel waar zijn? Of heb ik me vergist? Want m’n leven bewijst bijna het tegenovergestelde?’ U zegt: ‘Ja, maar ik ben toch een aangenomen kind?’ Ja, maar bent u echt zo goed, dat u nooit meer zegt, terwijl u kijkt naar uw verloren leven, naar uw verloren dagen (vandaag, gisteren, afgelopen week), zegt u dan nooit stilletjes op uw knieën: ‘Heere, ik ben het waard –al ben ik Uw kind– dat U me alsnog wegstuurt en nooit meer naar me omkijkt?’ En als de duivel nu rondgaat als een briesende leeuw om de kinderen van God te verslinden, is het dan wel zo’n goed teken, dat hij u zo met rust laat?

Ik vraag u, of het wel een wonder is in uw leven, dat God heeft omgezien in genade naar zo´n slecht mens als u bent? Weet u wel wat genade is? Weet u wel wie u bent voor God? Ziet u de grote afstand niet die er is tussen de heilige, rechtvaardige God en u, zondig mens? En als er gezegd wordt in de Bijbel dat God straks alle tranen, alle kindertranen, van de ogen zal afwissen, hoe moet het dan met uw gezicht, als daar geen tranen meer zijn?

Veel van Gods kinderen hebben het moeilijk met de vraag: ‘Ben ik wel een kind van God?’ En dat moet u niet verachten. Dat komt maar door één ding: doordat ze hun bedrieglijke, zondige hart hebben leren kennen. Dan moet je wel tot de conclusie komen: als ik een kind van God ben, dan ben ik een slecht kind! Dan ben ik een liefdeloos kind, een ongehoorzaam kind, een biddeloos kind, een weglopend kind, een dwalend kind! Dan zeg ik: ‘Heere, ik ben het niet waard om Uw kind te zijn. O, wat een wonder van vrije genade dat U dit mens, zo door en door slecht, in genade toch tot een kind wilde aannemen.’

Gelukkig maar, dat de Heilige Geest ons leert, waar we precies op moeten letten als het gaat om de vraag of ik een kind van God ben. Dat staat in Romeinen 8: Dezelve Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn (8:16). Hoe doet Hij dat dan? Hoe laat Hij Gods kinderen weten dat ze kind van God zijn? Ik noem u twee dingen. In de eerste plaats: door ze te brengen bij het Woord van God en ze geloof te geven om daar ‘amen’ op te zeggen. Om te geloven wat ongelooflijk is, om te geloven wat ik niet begrijpen kan. Het is de Heilige Geest Die het als het ware influistert en voorzegt. ‘Zeg het maar na, zeg er maar ‘amen’ op, als God zegt: Ik heb al uw zonden achter Mijn rug geworpen (Jesaja 38:17). Zo ver het oosten verwijderd is van het westen, zover heb Ik uw overtredingen weggedaan (Psalm 103:12). Ik zal nooit meer op u toornen, Mijn kind, noch op u schelden (Jesaja 54:9b).’

Het is de Heilige Geest, Die ons influistert en zegt (terwijl we de woorden zien en horen): Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp! (Markus 9:24). Het is de Geest van God, Die ons dat geloof geeft. Want we hebben dat niet van onszelf. En dat geloof is de band, waar ik het over had. Maar daarbij is er in het leven van Gods kinderen vaak zoveel ongeloof. Ik heb het zo nodig dat de Heere Zelf me opzoekt in al mijn ongeloof. Ik heb zo nodig dat de Heere Zelf het licht ontsteekt in mijn donkere hart, zoals Hij dat ook bij Thomas deed. Die zei: ‘ik kan het niet geloven en ik wil het niet geloven.’ Maar toen de Heere kwam, toen Hij de Schriften opende, toen Hij zijn ogen en zijn hart opende, toen zei hij het als een kind: ‘mijn Heere en mijn God!’ (Johannes 20:28).

De Geest leert de kinderen van de Heere dat ze kinderen zijn, door ze te brengen bij het Woord en ze geloof te geven om dat Woord aan te nemen.

Als tweede leert de Geest het (dat staat verderop in de Catechismus, in Zondag 32) door Gods kinderen te wijzen op de vruchten van het geloof. En onze belijdenis is geestelijk wijs, als ze die vruchten gaat opnoemen. Want dan hoor je vruchten, waar je niet hoogmoedig op kan worden en trots op kunt zijn. Je hoort vruchten van kleinheid. Want dan zeggen onze vaders: (en kijk maar in je leven, want dan kan je weten of je een aangenomen kind van God bent of niet) ‘die vruchten van het geloof zijn droefheid naar God over mijn zonden, honger en dorst naar Christus en Zijn genade voor zo’n slecht mens als ik ben, en een kinderlijk vrezen en zoeken van de Heere.’ (DL, HI, art. 12) Als je die vruchten ziet, zeggen onze Dordtse Leerregels, dan mag je daaruit weten dat je een kind van God bent.

Laten we daar samen eerst van zingen, met de kindertaal van Psalm 25 vers 7: Gods verborgen omgang vinden Zielen, waar Zijn vrees in woont; 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, Naar Zijn vreêverbond, getoond. d' Ogen houdt mijn stil gemoed, Opwaarts, om op God te letten; Hij, Die trouw is, zal mijn voet, Voeren uit der bozen netten.

Het ging eerst over het Zoon-zijn van Christus, over het kind-zijn van de gelovigen en nu in ons derde aandachtspunt gaat het over:

3. Het knecht-zijn van de kinderen

Als je een kind van God bent, jongens en meisjes, ben je heel erg gelukkig. Een beter leven op de aarde is er echt niet.

Je mag heel gelukkig zijn als je een goede, een lieve vader en moeder hebt. Dat heeft ook niet iedereen. Maar als de Heere God in de hemel, om de Heere Jezus Christus’ wil, je God en je Vader is en de Heilige Geest je daar iets van laat zien, dan behoor je echt tot de gelukkigste mensen van deze wereld.

Maar daar hoort wel iets bij. Dat is thuis ook zo. Als je kind bent, moet je wel eens wat doen: de vaat afdrogen (als je geen vaatwasser hebt), boodschappen doen, je kamer opruimen, misschien een beetje helpen in de tuin, en ga zo maar door. Je zegt: ‘Maar dat is niet erg, dat doe ik (meestal) graag. Ik vind het ook goed om te doen, want het is voor papa, het is voor mama.’ Nou, bij kind van God zijn hoort ook zoiets. Want de Catechismus zegt eigenlijk dat kind van God zijn ook knecht van God zijn betekent. We kijken nog even naar vraag en antwoord 34: Waarom noemt u Hem onze Heere (onze Meester, onze Baas)? Het antwoord zegt: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle heerschappij van de duivel verlost heeft en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt heeft. Drie dingen dus: 1. We waren slaaf van de duivel. 2. We zijn vrijgekocht. 3. En daarna zijn we het eigendom geworden van onze nieuwe Meester.

Trouwens, wat mooi hè, dat het hier zo staat (wat ook voorgelezen is uit de Petrusbrief). Je proeft, je voelt iets van het geluk van Gods kinderen: de Heere Jezus Christus heeft ons niet met goud of met zilver maar met Zijn dierbaar (kostbaar) bloed gekocht. Wat klinkt dat wondermooi, wat klinkt dat als een prachtig lied. Wat is het toch een wonder dat de Heere Jezus ons gekocht heeft, niet met geld, niet met goud of zilver, maar met Zijn kostbare bloed. Wat had Hij toch een hoge prijs over voor zulke slechte mensen. Gekomen uit de hemel, uit de heerlijkheid van Zijn Vader naar deze zondige wereld. Altijd gehoorzaam geweest. Geleden, gekruisigd, gestorven en begraven. Om ons, zo staat hier, los te kopen uit de macht van de duivel.

Hier vervalt ook alle reden voor dat gewone, automatische, vanzelfsprekende kind van God zijn. Dit dringt ons tot buigen, tot stille aanbidding: De lofzang is in stilheid tot U, o God (Psalm 65:2). O liefde, die om zondaars te bevrijden, zo zwaar wou lijden. Om ons los te kopen, om ons vrij te kopen. Want we waren slaven, daar hadden we zelf voor gekozen. We waren slaven van de zonde en de duivel. We leefden onder die macht, onder die heerschappij. Maar de kostbare prijs van het bloed van Christus was afdoende, was voldoende om ons vrij te kopen.

En nu zijn we, zegt de Catechismus, niet meer het eigendom van de zonde en van de duivel, maar we zijn het eigendom geworden van onze nieuwe Meester: Jezus Christus. Hij is onze Heere en Meester.

Als je jaren als slaaf de duivel gediend hebt, dan kan je wel begrijpen dat het onder die nieuwe Meester niet een soort van luilekkerland is, om te leven in luiheid en in nietsdoen. Nee, het leven onder die nieuwe Meester is een leven van gehoorzaam zijn en dienen. Zoals Petrus zegt in 1 Petrus 1:14: we moeten gehoorzame kinderen zijn, niet gericht op de dingen van deze tijd en niet lopend in het spoor van de wereld, maar gehoorzaam de Heere dienend. Zondag 12 zei de vorige keer al, dat we als kinderen van de Heere ons leven als een levend dankoffer offeren: ‘Heere, hier is mijn leven, alles is voor U.’

Zondag 13 zegt eigenlijk precies hetzelfde. We zijn als kinderen van God niet het eigendom van onszelf, maar van onze Meester. We groeien niet tot kleine zelfstandigen, tot ZZP’ers, tot eigen ondernemers, nee, we blijven als kinderen in dienst. In dienst van onze goede en grote Meester. Verlost (gelukkig) van de macht en heerschappij van de duivel, van die baas die een despoot, een dictator, een moordenaar is. Van hem zijn we verlost. Nu hebben we een andere Baas. Een goede Meester, de allerbeste Meester Die we dienen mogen.

Maar, we zijn de zonde nog niet definitief te boven. Want die oude baas leeft nog en hij wordt genoemd ‘een doodsvijand’. Petrus schrijft dat hij omgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1 Petrus 5:8). Dus zijn we, gelukkig levend onder het vaandel van onze nieuwe Koning, Eigenaar, Bezitter en Meester, toch op de aarde nog wel een strijdende Kerk. Biddend, strijdend, vechtend tegen de duivel, tegen de zonde in ons hart en tegen de wereld. Biddend, strijdend tegen onze twijfel en tegen ons ongeloof in de woorden van de Heere.

We huilen hier op de aarde in ons hart vaak kindertranen vanwege ons ongeloof. En we snikken hier op de aarde vaak van kinderverdriet (vaak in het verborgen, zonder dat de mensen dat zien) vanwege ons dwalen, ons verdwalen en het vergeten van onze goede Heere en Meester.

En op andere momenten kijken we met onuitsprekelijk kinderverlangen omhoog (zoals we zongen uit Psalm 25): mijn stil gemoed houdt mijn ogen opwaarts, om op God te letten. Diep verlangend, als kinderen, naar de dag dat het werk van onze Koning, onze Meester, naar de dag dat het werk van de Heilige Geest in onze harten voltooid zal zijn. Diep in ons hart verlangend naar de dag, dat de Vader met een zachte doek al die kindertranen zal wegvegen. Dan zal er geen kindertwijfel meer zijn. Dan zal er geen kinderverdriet meer zijn.

Dan zullen er geen kindertranen meer zijn. Dan zal het kindergeloof overgaan in aanschouwen.

Jongens en meisjes, nog één ding ga ik zeggen en dan gaan we stoppen. Als er een bruidspaar trouwt (hier in de kerk), dan zien ze er altijd heel gelukkig uit. Je bent natuurlijk ook heel gelukkig met elkaar. Ongetwijfeld is dat één van de mooiste dagen uit je leven. Maar dit, waar ik het net over had, zal zonder twijfel de allermooiste dag zijn van al Gods kinderen. De dag waarop we onze hemelse Bruidegom (de Heere Jezus Christus, Die ons zo uitnemend heeft liefgehad), onze Heere en Meester zullen zien, zoals de Bijbel dat zegt ‘van aangezicht tot aangezicht’ (1 Korinthe 13:12). Als we tegen Hem zullen zeggen: ‘U bent onze Heere, o eniggeboren Zoon van de Vader. U bent onze Heere. U bent onze oudste Broeder. En om U zijn wij, zondaars, tot kinderen van God aangenomen.’ Dan zal Hij ons (die hier op aarde nooit groter worden dan kleine kinderen) thuisbrengen bij Zijn Vader en ook bij onze Vader, in het Vaderhuis met de vele woningen. Kinderen komen thuis! Wij verwachten, zegt Guido de Brès (en wij zeggen daar van harte ‘amen’ op), die grote dag (de allermooiste en allerlaatste dag van ons leven) met een groot verlangen, om dan altijd bij de Heere te mogen zijn (artikel 37 NGB).

Amen.

Slotzang is Psalm 73:12,13

'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat; En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.

Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bittere smart Of bange nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.