PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 27: De troost van de kinderdoop (serie 1)

Zondag 27 · 1 mei 2022

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 27 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus staat de troost van het water van de Heilige Doop centraal. Het uiterlijke waterbad is niet de afwassing van de zonden zelf, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen van alle zonden. Wel dient de Doop als een goddelijk pand en waarteken om gelovigen te verzekeren dat zij geestelijk zo waarachtig van hun zonden gewassen zijn als zij uitwendig met water gewassen worden. Ook jonge kinderen van de gemeente behoren gedoopt te worden, omdat zij in Gods verbond begrepen zijn en hun de verlossing en de Heilige Geest toegezegd worden. Dit biedt eveneens vaste verbondstroost bij het overlijden van vroeg gestorven kinderen.

THEMA

De troost van het water van de Heilige Doop

KERNPUNTEN

  1. Wat het doopwater niet doet
  2. Wat doet het doopwater dan wel?
  3. Voor wie is het doopwater bestemd?

ZONDAG 27

Vraag 72: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf?
Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

Vraag 73: Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?
God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams met water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

Vraag 74: Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 27: De troost van de kinderdoop (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 27

THEMA

De troost van het water van de Heilige Doop

Gemeente, de Heidelbergse Catechismus wordt wel genoemd het ‘Troostboek voor de Kerk’. Zondag 1 begint ook met de ‘enige troost in leven en sterven’. Bij die troost gaat het om volwassen mensen, om kinderen en jongeren die tot hun verstand gekomen zijn. Zij kunnen nadenken, zij zijn verantwoordelijk voor wat zij doen en laten, en worden door het Woord van God geroepen tot geloof en bekering. In de zondag die u voor ons ligt, in Zondag 27 zoeken we vanmiddag ook samen naar de troost voor onze kleine kinderen, die nog niet tot hun verstand gekomen waren. En dan doel ik vooral op die kleine kinderen, die vroeg in hun jeugd door de Heere zijn weggenomen door de dood. Troost, die vast is en verankerd ligt in Gods verbond en woorden. Laten we eerst samen Zondag 27 lezen.

Vraag 72. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf? Antw. Neen het, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden. (Deze vraag en dit antwoord gaan over: wat het doopwater niet doet.)

Vraag 73. Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden? Antw. God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden. (Deze vraag en dit antwoord gaan over: wat het doopwater wel doet.)

Vraag 74. Zal men ook de jonge kinderen dopen? Antw. Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het

Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is. (Deze vraag en dit antwoord gaan over: voor wie het doopwater bestemd is.)

Het thema voor de catechismuspreek van deze middag is: De troost van het water van de Heilige Doop We letten op drie dingen, en die lopen parallel met de drie voorgelezen vragen en antwoorden: 1. Wat het doopwater niet doet 2. Wat het doopwater wel doet 3. Voor wie het doopwater bestemd is Bij ons derde punt zullen we vooral ingaan op de troost die er ligt in de Heilige Doop, als teken van het verbond van God, voor de vroeg gestorven kinderen van de gemeente. Als eerste dus:

1. Wat het doopwater niet doet

Als je gedoopt wordt, jongens en meisjes, worden dan je zonden afgewassen en vergeven? Als je handen vies zijn en je wast ze, dan zeg je: ‘nu zijn ze schoon’. Geldt dat ook voor de kinderen die gedoopt worden? Ze waren kinderen des toorns en aan allerhande ellendigheid onderworpen, maar nu zijn ze schoon gewassen? Heeft het doopwater zoveel kracht? Heeft dat doopwater iets van een magische kracht?

Nee, dat kan en doet het doopwater niet. Dat werkt niet als een magisch middel. En dat betekent dus tegelijkertijd dat de doop alleen niet genoeg is. Het is bedoeld (en dat weet je nog wel van de vorige zondagen) om iets anders te doen. Het sacrament van de Heilige Doop is een ‘teken en zegel’.

Het is een teken. Dat wil zeggen: het laat iets zien. Zoals een foto naar iets of naar iemand wijst, en dus iets laat zien, zo wijst ook de Heilige Doop naar iets. Naar de be-teken-de zaak. Het is een teken, en een zegel. Een zegel geeft garantie. Zoals het watermerk op een bankbiljet aangeeft, dat dat stukje papier geld waard is. De doop is een teken en zegel, de doop laat zien en garandeert: Alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

Je zonden kan en wil God wassen, wegwassen, schoonwassen. Niet door het doopwater zelf. Maar dat doopwater wijst ergens heen. Dat wijst naar het bloed van de Heere Jezus, dat drupte in Gethsémané en op Golgotha. En het doopwater wijst (en dat valt op, dat dat hier zo nadrukkelijk staat!), het doopwater wijst ook naar de Heilige Geest. En die twee horen bij elkaar. Het bloed van de Heere Jezus Christus en het werk van de Heilige Geest.

Denk bijvoorbeeld maar aan het volk Israël in het land Gosen. Het paaslam moest geslacht worden. Dat wees vooruit naar het komende Lam Gods. Maar alleen het slachten van het paaslam was niet genoeg. Het bloed van het lam moest ook aan de zijkant en aan de bovenkant van de deurposten gestreken worden. Dat wil zeggen: we hebben het werk van de Heilige Geest nodig in ons hart, waardoor wij de kracht van het bloed van de Heere Jezus leren kennen. We zeggen: het bloed moet toegepast worden, het moet door de Heilige Geest gestreken worden aan de posten van ons hart. En dat kunnen en doen we niet zelf, dat doet God. Dat is het werk van God de Heilige Geest. Water alleen, doopwater alleen is niet genoeg.

Maar, denk nu niet bij jezelf, dat het doopwater daarmee direct waardeloos en betekenisloos is. Je zegt (en dat brengt ons bij onze tweede gedachte):

2. Wat doet het doopwater dan wel?

Nou, luister eens: de Bijbel noemt (dat staat in vraag 73) de doop ‘het bad (het waterbad) van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden’. Dat is nogal wat! De woorden op zich kan je wel begrijpen. Je bent moe, je bent vies, en dus neem je een douche of je gaat in bad. En als je klaar bent, zeg je: ‘ik ben weer fris, ik voel me als herboren’. De Bijbel zegt: de doop is ook zo’n waterbad. Maar hoe bedoelt de Bijbel dat eigenlijk?

Dat is precies de inhoud van vraag 73. En het antwoord is: dat dat zo in de Bijbel staat, dat is echt geen vergissing! ‘God spreekt niet zonder grote oorzaak zo’. God wil er twee dingen mee doen, twee dingen mee bereiken.

1. In de eerste plaats wil hij ons leren (zo zegt het antwoord) dat zoals de onzuiverheid (de vuilheid) van het lichaam door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden. Daar is weer de gedachte van het teken. Het water van het gewone bad wast je schoon en maakt je fris en nieuw. En zo wijst het water van de Heilige Doop naar…? Naar twee dingen: naar het schoonwassen van ons zondige hart door het bloed van Jezus Christus, en naar het nieuw maken ervan door het werk van de Heilige Geest.

Je zegt: ‘ik vind het mooi om daar naar te kijken, ik vind het fijn om daar zo aan te denken’. Stop, wacht, dat is niet de bedoeling... Ik zei (en de catechismus zegt): de Heere wil ons hiermee leren. Dat wil zeggen: Hij wijst ons hiermee de weg. Hij wijst jou en mij hierdoor de weg om zalig te worden!

De Heilige Doop roept onze ellende over ons uit, als we horen en zien: wij zijn kinderen des toorns en we zijn aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen. Maar, maar er is een weg! Een weg die aangewezen wordt door het teken van het water. Want dat teken wijst. Het is een richtingwijzer, het is een wegwijzer, die je zegt: ‘Je moet daarheen!’ Er is redding en behoud in het bloed van de Heere Jezus Christus!

2. Maar er is nog een tweede reden waarom de Bijbel, waarom God de doop ‘het bad der wedergeboorte en de afwassing van zonden noemt’. En die tweede reden, is belangrijker dan de eerste reden. Want de catechismus zegt: ‘veel meer’. ‘Veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden’. De doop is niet alleen een teken, een wegwijzer. Maar voor Gods kinderen is de doop ook een zegel. Een zegel dat zonder woorden zegt: ‘Het is echt waar!

God zegt met het zegel van de Heilige Doop: ‘het is echt waar, Mijn kind. Je kunt, je durft het misschien wel niet geloven, maar het is echt waar!’ En dat hebben Gods kinderen nodig. Want Gods kinderen worstelen vaak met twijfel en aanvechting, en ze verlangen vaak zo naar meer zekerheid.

Waarom twijfelen Gods kinderen? Dat komt omdat ze hun eigen hart kennen. Ze weten hoe bedrieglijk dat is. En ze kennen ook iets van de grootheid van hun zonden, van hun kwaad. En daarom kan het zijn, dat ze zich afvragen: ‘is het werk in mijn hart wel echt van God? Ben ik eigenlijk wel echt wedergeboren? Ben ik wel echt een kind van God? Heb ik wel deel aan het bloed van Christus? Is dat wel door de Heilige Geest gestreken aan mijn hart? Of bedrieg ik mezelf?’ En dan daarbij de diepe wetenschap: ik ben op weg naar de eeuwigheid. ‘Is het wel goed met me? Kan ik wel voor God verschijnen?’

Gods kinderen zoeken houvast, zekerheid, vastheid. Maar eerlijk gezegd zoeken wij het vaak op de verkeerde plaats. We zoeken het in wat een ander van ons vindt. Deze of gene dominee. Terwijl we nodig hebben dat we het uit Zijn mond, dat is uit Zijn Woord horen: ‘Ik ben uw heil alleen’. We zoeken het in onszelf, in onze liefde, in onze tranen, in de verandering van ons leven. Maar dat is zo wankel. Want één blik op mijn zonden doet me weer denken: ‘zou het wel echt waar zijn’? Waar vind je toch zekerheid? Voor je eigen hart en leven?

Onze Dordtse Leerregels zeggen in hoofdstuk 5, artikel 10: Deze zekerheid komt (in de eerste plaats) niet voort ‘uit enige bijzondere openbaring zonder of buiten het Woord om,

maar uit het geloof aan de beloften van God, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft.’

Dus zekerheid, kind van God, krijgt u in de eerste plaats uit het geloof in Gods belofte. Als het oog van uw geloof zich richten mag buiten uzelf, op het eeuwige blijvende Woord van God. En (zegt de catechismus) die belofte van God (die belofte van het Woord), die wordt nog eens extra verzegeld, noch eens extra gegarandeerd door het water van de Heilige Doop. Omdat Hij ons door dit goddelijke pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo zeker van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met water gewassen worden.

In strijd en twijfel en door moeilijke wegen leert de Heere ons om alle houvast in onszelf kwijtraken. Zo leren we vaste grond vinden in wat de Heere gezegd heeft, in Gods beloftewoord. Dit is de taal van het doopwater voor een kind van God, dat zo worstelen kan en zo aangevochten kan zijn: ‘Als u, Mijn kind werkelijk in een weg van berouw en bekering de afwassing van uw zonden zoekt, niet bij uzelf, maar buiten uzelf, in het bloed van Christus (zoals het u aangewezen wordt in het teken), dan mag u zeker weten… (als een zegel!) Kijk maar naar wat Ik doe, naar wat Ik u laat zien: Zo zeker als dit water wast van vuilheid en smet, zo zeker heb Ik u gewassen van al uw zonden en onreinheid.

Laten we, in een tijd waarin zoveel van Gods kinderen klagen over gebrek aan zekerheid, toch meer, en meer Bijbelse aandacht hebben voor de waarde van het zegel van het sacrament van de Heilige Doop. Het doopwater wil troost en zekerheid geven in het leven van Gods kinderen. Maar Woord en sacrament willen ook troost en zekerheid geven aan ouders van jong gestorven kinderen. We zullen dat zo meteen zien bij de behandeling van vraag en antwoord 74, maar gaan samen eerst zingen uit Psalm 115:7. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot. Hij zal ze groter maken, En z' u, zowel als 't kroost, dat gij bemint, Dat nevens u, zich aan Gods wet verbindt, In dubbele maat doen smaken.

Onze derde gedachte:

3. Voor wie is het doopwater bestemd?

Er zijn mensen die zeggen: dat is alleen voor mensen die oprecht belijdenis kunnen doen van hun persoonlijke geloof. De doop is een zegel op het persoonlijke geloof. Heb je dat niet, nou dan mag je niet gedoopt worden. Want het bewuste, beleden geloof is een voorwaarde voor de doop.

Maar, als het echt zo zou afhangen van de mens, dan sluit dat onze kleine kinderen uit van de zaligheid. En dat is niet in de lijn van de Schrift, en ook niet in de lijn van de belijdenis. De doop is geen geloofsteken, maar teken van Gods verbond.

Vraag 74 zegt: Zal men ook de jonge kinderen dopen? Het antwoord luidt: Ja het, want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond van God en in zijn gemeente begrepen zijn.

Daar staat, met andere woorden gezegd: de kinderen van de gemeente zijn kinderen van het verbond. De kinderen van de gemeente leven op het erf van het verbond. Ze zijn daar door God apart gezet. God heeft ze tot Zijn eigendom gemaakt. Zo staat het geschreven in Genesis 17:7, waar God tegen Abraham zegt: Ik zal u tot een God zijn, en uw zaad (uw nakomelingen, uw kinderen) na u. En de Heere Jezus zegt in Markus 10:14: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. En even later (in vers 16) staat: En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve. En Petrus zegt in Handelingen 2: 39: Want u komt de belofte toe en uw kinderen. En Paulus zegt in 1 Korinthe 7: 14: De kinderen van de gemeente zijn heilig. Daarom noemt het Doopformulier de kinderen van de gemeente: ‘erfgenamen van het Rijk Gods en van Zijn verbond’.

Van die kinderen, van die kinderen, die geboren zijn binnen de kring van de gemeente zegt antwoord 74: Dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt.

Er zijn mensen die zeggen: dat gaat natuurlijk alleen over wedergeboren of uitverkoren kinderen. Maar die mensen kunnen niet goed lezen. Dat staat er namelijk niet. En zo staat het ook niet in de Bijbel. Ik wijs u bijvoorbeeld op Ezechiël 16:21. Daar noemt God de kinderen in Israël Zijn bijzondere eigendom. Zijn eigendom, waar Hij recht op heeft. Hij noemt ze letterlijk: ‘Mijn kinderen’. De kinderen in Israël waren geen vreemdeling van de verbonden der belofte, maar ze waren opgenomen in de kring van Gods verbond. En op die en op onze kinderen rusten Gods beloften. Zoals het Doopformulier zegt: ‘U hebt gehoord dat de doop een ordening Gods is, om ons en onze kinderen Zijn verbond te verzegelen.’

Je moet dat niet (om jezelf te verschuilen en te verontschuldigen) gaan veranderen en zeggen dat God helemaal niets beloofd heeft aan ongehoorzame kinderen en onbekeerde dopelingen. Aan het volk Israël was het land Kanaän beloofd. Maar schrijft Paulus: In het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad, want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen (1 Korinthe 10: 5).

Vanwege hun ongeloof! Want zo schrijft de Hebreeënbrief: En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof (Hebreeën 3:19). En zo laat de schrijver van deze brief en direct op volgen: Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan (die belofte is er, die is gedaan!) nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn (Hebreeën 4:1).

Je kunt als gedoopt kind, als gedoopte volwassenen echt verloren gaan. Je zegt: dat komt dan, omdat ik niet uitverkoren was. Ik zou bijna zeggen: houd toch op, om de waarheid van de eeuwige en verborgen raad van God te misbruiken! Je hebt een verzegelde machtiging gekregen om te komen. Maar je wilt niet instemmen met de weg, je weigert en wilt het verbond niet inwilligen. Omdat je door wilt gaan op de weg van de zonde en je niet wilt laten zalig maken uit vrije genade door het bloed van Christus.

Dat (die eis, die belofte en die weg) is ons geopenbaard. Wat verborgen is, zeker, dat is er ook. Dat God zegt: Jakob heb Ik u liefgehad en Ezau heb ik gehaat. Maar dat is verborgen. En dat is zeker niet bestemd voor onbekeerden. Het is verborgen. En wat u niet weet, daar mag u ook niet mee leven en niet mee werken.

Het is zondermeer duidelijk, vanuit de Schrift (en ik noemde u de bekende teksten uit Genesis 7, Handelingen 2 en 1 Korinthe 7): dat ook de jonge kinderen (in de belofte) de verlossing van de zonde door het bloed van Christus en de Heilige Geest, die het geloof werkt, toegezegd wordt. Zij krijgen (en dat is heel bijzonder!) een verzegelde machtiging, waarin hun de weg tot de zaligheid gewezen wordt. Zij krijgen een heel nadrukkelijk recht om door Christus tot God te gaan.

En bij hen die groot worden, zal het feit of ze werkelijk door Gods genade en wedergeboorte in het verbond delen of gaan delen uiteindelijk blijken uit de vrucht van hun leven. Het zal vroeg of laat blijken uit hun leven of de Geest werkelijk het bloed van Christus tekent of getekend heeft aan hun harten. Want zonder dat zal niemand zalig worden.

Maar, hoe is het nu met onze kleine kinderen, die sterven voordat ze tot hun verstand gekomen zijn. Met onze kleine kinderen die sterven, nog voordat er iets in hun leven openbaar gekomen is of kon komen van vruchten, hetzij van goede, hetzij van kwade vruchten? Laten we aan het einde van deze zondag tot onze troost luisteren, in de eerste plaats:

1. Naar de Schrift a. Ik heb u al gezegd, dat het opvalt dat God de kinderen in Israël en dus ook de kinderen van de nieuwtestamentische gemeente nadrukkelijk ‘Zijn kinderen’ noemt. Hij roept (in besnijdenis en doop) Zijn naam over hun leven uit. Hij laat Zijn recht op hun leven gelden. b. Het valt in de tweede plaats op dat de Bijbel nergens spreekt over kleine kinderen die verloren zijn gegaan. Het is waar, we lezen dat Dathan, Abiram en On met hun kinderen ‘levend ter helle’ zijn gevaren, maar de kanttekening bij de Statenvertaling merkt op dat dat ook kan betekenen: ‘in het graf, in de kuil’. c. Het valt in de derde plaats op dat God in Zijn Woord op meerdere plaatsen op bijzondere wijze of met bijzondere liefde spreekt over kleine kinderen. Ik denk aan Psalm 8:3: Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. God veracht de kleintjes niet, maar zorgt ervoor dat Zijn lof klinkt en klinken zal uit hun monden. Ik denk ook aan Jesaja 40:11, waar staat: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen. Denkt u ook maar aan Zacharia 13:7, waar de profeet schrijft: Sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden, maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. U mag ook denken aan de bijzondere woorden in Mattheüs 18:14, waar de Heere Jezus zegt: Alzo is de wil niet, uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga. Ik denk aan Markus 10:16, waar van de Heere Jezus geschreven staat: En Hij omving ze (de kinderen) met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.

Betekent dat, dat alle gestorven kinderen van de gemeente automatisch naar de hemel gaan? Nee, daar zit helemaal niets in van automatisme of van vanzelfsprekendheid in! Want we weten ook de zucht van Job, die zegt: Wie zal een reine geven uit de onreine, niet één!

Waar hangt het lot van onze vroeg gestorven kinderen dan vanaf? Hangt het af van het getuigenis van een kind van God of van een bijzondere openbaring? Wat is het een zegen, als de Heere dat getuigenis geeft in de harten van één of meer van Zijn kinderen. Maar daar ligt de grond, het fundament niet. Hangt het af van de staat van de ouders, of ze bekeerd zijn of nog onbekeerd? Nee, dat zeker ook niet. Het bepaalt wel of zij de troost ervan mogen ervaren. Immers troost van God ontvangen, dat kan niet zonder geloof. Wat bepalend is en wat ons hoop en troost geeft, als het gaat om de vroeg gestorven kinderen van de gemeente, is de toezegging van God. Dat wat de catechismus zegt: Hun is door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest die het geloof werkt, toegezegd.

De belofte rust op hen: ‘Ik zal u tot een God zijn’. En: ‘U komt de belofte toe’.

De belofte van het verbond, die deze kleine kinderen niet door hun zondige leven en dadelijke zonden hebben veracht, zoals bij anderen later in ongeloof en onbekeerlijkheid openbaar komt. Zij waren (zo zeggen de Dordtse Leerregels) heilig uit kracht van het verbond.

Op hen rustte… Ja, zeker, ook de last van geestelijke dood en verlorenheid, de last van de erfzonde en de erfsmet. Maar tegelijkertijd ook de belofte die aan hen is toegezegd.

En daarom heeft de kerk altijd beleden, zoals staat in artikel 2 van de Contraremonstrantie, dat: Dat voor Gods uitverkoren kinderen te houden zijn, niet alleen de volwassenen die in Christus geloven, maar ook de kinderen des verbonds, zolang als zij metterdaad niet het tegendeel bewijzen. Dat is geen geloof in een veronderstelde wedergeboorte. Wie dat zegt, heeft er niets van begrepen. Onze kinderen zijn van nature verloren! Maar dit is een hartelijk geloof in de betekenis en de reikwijdte van de belofte van God voor de kleine kinderen van de gemeente, die de Heere in hun kindsheid wegneemt door de dood. We hebben geluisterd naar de Schrift, naar verschillende teksten uit de Bijbel. Laten we in de tweede plaats tot onze troost ook luisteren:

2. Naar onze belijdenis. Ik doel op artikel 17 van het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels, waar staat: Nademaal wij van den wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der gelovigen (volgens de akte van de synode zijn dat ‘de kinderen van de gemeente’) heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten de godzalige ouders (daarmee worden wedergeboren, godvrezende ouders bedoeld) niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt En dan worden drie teksten als bewijs genoemd, die ik u eerder aanhaalde: Genesis 17:7, Handelingen 2:39 en 1 Korinthe 7:14.

In dit artikel van onze belijdenis, dat wij van harte onderschrijven, worden eigenlijk twee dingen gezegd: a. De jonggestorven kinderen van de gemeente zijn heilig uit kracht van het verbond. Niet vanwege hun ouders, maar vanwege het verbond. b. De werkelijke troost ervan is een zaak van geloof. En dus wordt die troost toegezegd aan godzalige ouders. En ook aan kinderen van God, die die troost, die hen door de HEERE gegeven is, mogen doorgeven aan anderen in de gemeente.

We hebben geluisterd naar de Schrift, naar belijdenis, en luisteren tot slot

3. Naar een citaat van vader Brakel1 Alle kinderen der bondgenoten, hetzij bekeerden of onbekeerden, hetzij voor of na het ontvangen van de doop, in hun jonkheid stervende, moeten gehouden worden zalig te zijn, uit kracht van het verbond Gods in hetwelk zij geboren zijn, en alzo te zijn kinderen des verbonds. Zijn de ouders onbekeerd en trouweloos in het verbond, dat is op hun eigen rekening: de zoon zal niet dragen de misdaad van de vader. Wie goed luistert, hoort in dit alles doorklinken de triomf van vrijmachtige, verkiezende genade, een halleluja op het eeuwig verbond der genade. En dat ver boven alle menselijke redeneren verheven! God zal, om Hem, om Hem alleen, om het eeuwige welbehagen, uit de mond van miljoenen kinderen lof worden toegezongen!

Wilt u meezingen, ouders? Dan is het nodig dat u ook zelf geborgen wordt in het hart van het verbond. Dat u ook zelf door de Heilige Geest met het bloed van Christus gewassen wordt.

Zoek daarom, ouders, bedroefde ouders, de enige troost in leven en sterven, én voor uzelf, én voor uw kinderen. Dan zult u tot uw vreugde en blijdschap op Gods tijd ook zelf iets mogen zien en geloven van de troost voor uw jonggestorven kinderen, waarvan én de Schrift én de belijdenis én velen van onze godzalige vaders zo’n helder getuigenis geven. Dat geve de Heere u en ons naar de rijkdom van Zijn genade, tot roem van Zijn Naam die heerlijk is.

Amen.

Slotzang Psalm 22:16:

Zij komen aan, door Goddelijk licht geleid, Om 't nakroost, dat de HEERE wordt toebereid, Te melden 't heil van Zijn gerechtigheid En grote daden.

1 Voeg daarbij het heldere getuigenis van vele godgeleerde oudvaders, zoals Matthew Henry, John Owen en Samuel Rutherford en vele anderen.