Zondag 5 · 21 maart 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 5 (serie 1)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 5, "Van des mensen verlossing", behandelt de verlossing van de mens naar Gods recht, zonder iets van onszelf, en door de enige Middelaar. De verdiende straf moet volkomen betaald worden, óf door onszelf, óf door een ander. Zelf lukt het niet, want we maken onze schuld dagelijks groter, en geen schepsel kan de eeuwige toorn Gods dragen. Er moet een Middelaar gezocht worden Die waarachtig en rechtvaardig mens én tegelijk waarachtig God is, om verzoening door voldoening te bewerken.
Van des mensen verlossing
ZONDAG 5
Vraag 12: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?
God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, òf door onszelf, òf door een ander, volkomenlijk betalen.
Vraag 13: Maar kunnen wij door onszelf betalen?
In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
Vraag 14: Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?
Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwige toorn GODS tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?
Zulk een, die waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook tegelijk waarachtig God is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 5
THEMA
Van des mensen verlossing
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, jongens en meisjes, de preek van vanmiddag gaat over de eerste Zondag van het tweede boek van de Catechismus. Het tweede boek, het tweede deel van de Catechismus gaat over des mensen verlossing, dat wil zeggen: over de verlossing van de mens. De preek van vanmiddag gaat over Zondag 5, over de vragen en antwoorden 12 tot en met 15. Laten we zondag 5 nu eerst met elkaar gaan lezen:
Vraag 12: Aangezien (omdat) wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? Antwoord: God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander, volkomen betalen.
Vraag 13: Maar kunnen wij door onszelf betalen? Antwoord: In generlei wijze (op geen enkele manier) maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
Vraag 14: Kan ook ergens een schepsel (dat alleen schepsel is) gevonden worden, dat voor ons betalen zou? Antwoord: Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen schepsel de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Antwoord: Zulk een, Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans (toch) ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is.
Het thema voor de Catechismuspreek van vanmiddag is: Van des mensen verlossing
We zullen in de eerste plaats zien dat die verlossing is naar Gods recht (dat staat in vraag en antwoord 12). Die is in de tweede plaats zonder iets van ons (dat zien we in de vragen
en antwoorden 13 en 14). En die is in de derde plaats door de enige Middelaar (zoals blijkt uit vraag en antwoord 15). Dus drie aandachtspunten als het vanmiddag gaat over de verlossing van de mens. Die verlossing is: 1. Naar Gods recht 2. Zonder iets van ons 3. Door een enige Middelaar De verlossing is als eerste dus:
Want, wie tegen de Heere zondigt, die verdient straf. Adam, in het paradijs, wist dat ook. De Heere had tegen hem gezegd: ‘Adam, ten dage als u daarvan eet, zult u de dood sterven.’ Dat was het loon op de zonde, dat was de straf op de zonde. En ook wij hebben gezondigd, dus ook wij hebben straf verdiend.
Daar gingen de vorige zondagen over. Ja, wij probeerden wel allerlei uitwegen te bedenken, zoals je dat ook probeert te doen als je straf krijgt van de meester: ‘Ah, meester, ik deed het per ongeluk, wilt u het niet een keertje door de vingers zien?’ Zo ging het ook in de Catechismus: ‘Misschien heeft de Heere God wel een fout gemaakt toen Hij ons geschapen heeft, misschien heeft Hij ons wel verkeerd geschapen.’ ‘Misschien is het wel niet helemaal eerlijk. Want als wij niets kunnen, is het dan wel eerlijk om iets van ons te vragen?’ ‘En, misschien is God wel zo barmhartig, dat Hij onze zonden gewoon een keer door de vingers wil zien.’
Maar de antwoorden waren allemaal duidelijk: ‘Nee’. Wij hebben gezondigd en God moet en wil de zonde straffen. Zo eindigt Zondag 4 met een snik, die wegsterft in het donker: we hebben de eeuwige straf verdiend. Zondag 4 had, jongens en meisjes, het einde van de Catechismus kunnen zijn. Dan waren we nu klaar geweest. Het begon allemaal zo goed, maar het is hopeloos verkeerd afgelopen, punt, uit.
Maar, nu begint deel 2, hoofdstuk 2 van de Catechismus. De Catechismus is eigenlijk een boek dat je blijft lezen, maar waarin je ook steeds weer terugbladert, en soms ook vooruit bladert. Na het eerste hoofdstuk over onze ellende, wordt het tweede hoofdstuk zo mooi. En hoe meer je leest in hoofdstuk 1, hoe mooier hoofdstuk 2 wordt.
Hoofdstuk 2 gaat over (dat is de titel van het hoofdstuk): des mensen verlossing, de verlossing van de mens.
Hoofdstuk 2 gaat niet over de verlossing van de duivel, want die heeft God aan zichzelf overgelaten. Maar de mens heeft Hij gezocht. Hoofdstuk 2 is het hoofdstuk van het wonder, van het wonder van Gods eenzijdige genade.
En die verlossing begint met vraag 12. En als je goed kijkt naar vraag 12, dan zie je in de vraag alleen al drie dingen: a. Je ziet als eerste in vraag 12 een eerlijke belijdenis: Aangezien (omdat) wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben. Het is een eerlijke belijdenis: wij hebben die straf verdiend. Daar begint verlossing mee. Met verlossing van eigendunk, hoogmoed en excuses. Alle excuses zijn nu verdwenen. Nu zijn er geen ‘ja-maars’ meer. Het is over. Het is uit. Ik zeg: ‘Heere, U hebt gelijk.’ En ik zwijg. Nee, niet: Ik zwijg, en ik loop mokkend weg, want ik vind het oneerlijk. Maar ik zwijg, ik sla op mijn borst, ik buig mijn knieën en ik bid.
Dat is eigenlijk de kern van berouw en bekering. De kern zit niet in het zichtbare van heel veel tranen, van grote levensverandering, van ijverig in de Bijbel en in goede boeken gaan lezen. Dat kan allemaal zo zijn, maar de kern is: ik geef God gelijk, ik ga aan Gods kant staan. Ik zeg: ‘Uw oordeel, Heere, over mij is terecht. Ik buig voor U.’
b. Het tweede wat je ziet in vraag 12 is een gebed om een uitweg: ‘Heere, is er nog een middel? Is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?’ De Heere werkt in het hart van een zondaar geen wanhoop! Maar in alle nood, in alle doodsnood die er kan zijn vanwege de geëiste straf, gaat de roep uit een berouwvol hart naar boven: ‘Heere, is er nog een middel, om de straf te ontgaan?’
U zegt: ‘Dat is wel een beetje oppervlakkig. Dat is niet zo’n goed motief. Want het moet niet gaan om de straf, maar om God, om de eer van God.’ Nou, dan steekt u in geestelijk inzicht kennelijk boven de Catechismus uit, maar gelijk hebt u niet. Want God heeft ons geschapen met liefde tot ons eigen behoud en welzijn. En Hij roept ons op, om ons eigen behoud te zoeken, als Hij zegt: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jesaja 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Deze zondaar vraagt terecht of hij de uitvoering van het vonnis niet hoeft ondergaan, hij vraagt om vrijspraak van de eeuwige straf.
c. En het derde wat we zien in vraag 12 (en dat hoort er wezenlijk bij) is dit: ‘Is er een middel om tot genade te komen?’ U proeft, het is een uiting van het verlangen naar herstel van de relatie met God, het is een uiting van heimwee naar God.
Tussen mij en God is een breuk geslagen, en hoe kan die ooit hersteld worden? Ik zie die breuk, maar die moet geheeld worden, want ik kan God niet meer missen. Hoe dat komt? Dat komt omdat God me iets heeft laten zien van Zichzelf. Zeker, ook iets van Zijn heerlijkheid, van Zijn majesteit en recht, maar God laat in het werk van ontdekking aan zonde een zondaar ook altijd iets voelen van Zijn genade, liefde, goedheid en barmhartigheid. Ja, Hij stort letterlijk Zijn liefde uit in het hart (Romeinen 5:5En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.).
Dus in vraag 12 zien we drie dingen: ik belijd (‘U hebt gelijk, Heere’), ik bid om verlossing van de straf (‘Is er nog een middel om de straf te ontgaan?’), en ik verlang naar herstel van mijn verbroken verhouding met de Heere (‘Is er nog een weg om tot genade te komen?).
Wat de Catechismus ons hier zegt, wil ons leren wat de Heere doet in het werk van de verlossing. De Catechismus is in de eerste plaats onderwijs. In de eerste plaats is de Catechismus onderwijs aan onze kinderen en jongeren. Dat is ook de reden, jongens en meisjes, waarom ik jullie in de Catechismusdienst meer dan eens aanspreek. De Catechismus wijst ons hier in deze Zondag als eerste als onderwijs en tot lering aan, dat dit de christelijke leer van de verlossing is. Maar dat onderwijs betreft in de tweede plaats natuurlijk ook ons hart. Dus is er goede reden om te zeggen: ‘Leg jouw hart, leg uw hart hier eens naast!’
Dat eerlijk belijden: ‘Heere, U hebt gelijk, ik heb Uw straf verdiend. Ik zwijg…’ Heb jij dat al gedaan? Hebt u dat al gedaan? Dat ‘Ik kom vol schaamte en schuld naar U toe.’ Heb jij dat al gedaan? Hebt u dat al gedaan? Dat zeggen ‘Is er nog een weg, Heere, om de eeuwige straf te ontvluchten en tegelijkertijd de band met U hersteld te krijgen, want zonder U kan ik niet verder.’ Heb jij dat al gedaan? Hebt u dat al gedaan?
Als je dat niet kent, dan is je leven in gevaar. Je leeft onder de toorn van God, het vonnis is uitgesproken, maar je wacht gewoon af en doet alsof er niets aan de hand is. Je bent ook in gevaar, als je wel ziet hoe erg het is, maar niet in de nood van je leven tot de Heere vlucht. Dan blijf je steken in sombere en wanhopige gedachten, waarschijnlijk met diep in je hart een excuus, waarmee je de schuld op God afschuift. En je bent ook in gevaar, als je niet tot de Heere vlucht, maar denkt dat je het zelf wel kan oplossen. We zullen dat straks zien in vraag en antwoord 13 en 14.
Maar, voor het hart dat wel buigt, en belijdt, en verlangt, is er antwoord. Maar, dat antwoord valt op het eerste gezicht zo tegen! Waarom niet hier een vrijmoedig ‘Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden?’
Omdat de Catechismus als leerboek alle kanten, alle aspecten van de weg van de verlossing wil belichten. En onze Catechismus is ook pastoraal. Zij kent onze blindheid en ons verzet, die zich zo gemakkelijk kunnen vertalen in oppervlakkigheid, of in een eigen gemaakte keus die alleen maar een keus van ons verstand is. De Catechismus wil ons hart zo graag brengen bij, wat we noemen: verzoening door voldoening.
Jongens en meisjes, dat zijn moeilijke woorden, maar ik wil graag dat je ze begrijpt en probeert te onthouden. Verzoening met God, dat wil zeggen: het is weer helemaal goed gemaakt met God. En ‘door voldoening’ betekent: door betaling van de schuld. Dus goed onthouden: verzoening met God wil zeggen: het weer helemaal goed maken met God. En door voldoening betekent: door betaling van de schuld. Kijk maar, dat zegt antwoord 12 ook: God wil aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede (er is voldoening, er is betaling nodig!); daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander, volkomen betalen.
Er is een rekening, die betaald moet worden, een rekening van heel veel zonden en schuld. Zoals je soms, als je in een klein winkeltje iets koopt, ook een rekening krijgt, netjes uitgeschreven op een papiertje. En als je het geld betaald hebt, dan zet de meneer of de mevrouw van dat winkeltje er een stempel op: VOLDAAN! Of: BETAALD! Dat is eigenlijk wat de Catechismus bedoelt: er moet betaald worden. En zolang die betaling er niet is, krijg je op je hand of op je hart geen stempel: betaald!, voldaan!, verzoend! Als er wel betaald, als er wel voldaan is, dan is de schuld (zo zegt Psalm 85 het) uit Gods boek gedaan. Dan is er op de rekening het rode stempel gezet: VOLDAAN!, BETAALD!
De rekening moet betaald worden... Je wordt ook nooit gelukkig, als je straf hebt, als je binnen moet blijven, en toch stiekem naar buiten gaat. En als je in de gevangenis zit en stiekem weet te ontsnappen, ook dan wordt je nooit echt gelukkig. Want de straf is nog steeds niet weg, de rekening is nog steeds niet voldaan. Dan is er nog geen voldoening gekomen. God wil dat aan Zijn recht genoeg gedaan wordt, God wil dat de schuld betaald wordt. Je bent pas echt gelukkig als je straf betaald is. Dan pas ben je echt vrij.
God wil dat er betaald wordt. Vanaf nu gaat het niet meer om wat ik wil (want ik buig voor God!), het gaat om wat Hij wil. En Hij wil dat er betaald wordt. Heb je dat wel eens gezien voor jezelf, jongelui, voor je eigen hart? U, ouderen? ‘Ik heb een hemelhoge schuld en God wil dat er betaald wordt?’ God is eerlijk, Hij is recht, Hij is rechtvaardig. Hij vordert betaling. Geen oneerlijke verlossing, maar, zo zegt de Bijbel: Sion zal door recht verlost worden (Jesaja 1:27Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.).
Gelukkig staat er niet: ‘Er moet betaald worden, en dat moeten wij zelf doen, punt.’ Er is een lichtpuntje. Er staat: óf door onszelf, óf door een ander, maar de rekening, de schuld moet volkomen, voor 100% betaald worden.
Als dat zo is, als iemand betaalt (wij of iemand anders), dan is het goed. Dan is de schuld betaald, dan is de zonde weg, dan is de schuld uit Gods boek weggedaan.
We gaan verder naar ons tweede aandachtspunt.
2. Een weg zonder ons Want weer glipt onze hoogmoed naar voren. Als er dan hoop is, dan kan ik het misschien zelf wel! Zelf doen, dat wil iedereen. Als je thuis aan tafel zit, en je vraagt om hagelslag op je brood, dan zeg je: ‘Ik wil het zelf doen.’ Want, denk je, als ik het zelf doe, dan krijg ik tenminste lekker veel. Als je op school aan het werk bent, en de juf doet iets voor, dan denk je ongeduldig: ik wil het zelf doen. Nu ik! Zo is het hier ook. We vallen de onderwijzer, de meester bijna in de reden. Als het dan misschien kan, dan willen we het zelf doen! Kijk maar in vraag 13: Kunnen wij door onszelf betalen? Kunnen we het zelf doen?
Wat zouden we dat graag willen. Juist ook als de Heere werkt in ons hart. Je ziet je zonde, je voelt je schuld, en je gaat je best doen om je zelf te verbeteren. Buigen en belijden voor God? Nee, ik zal eerst proberen mezelf een beetje op te knappen. Want het is beter, als ik er eerst voor zorg dat ik wat serieuzer, ernstiger, netter en ijveriger ben. Als ik meer huil om mijn vroegere zonden, en mijn hart en leven probeer te wassen van de vuilheid van mijn zonden nu, dan gaat het misschien een beetje beter. Dan zal de Heere misschien wel eerder naar me luisteren. Maar, nee, Jeremia zegt: Want al waste u zich met salpeter, en (al) nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtig- heid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE (Jeremia 2:22Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.).
Dus, stop er maar mee. Houd er maar mee op. We maken onze schuld iedere dag alleen maar meer. Het is gewoon stuk. Het gaat gewoon nooit meer lukken om het zelf te doen. Het is alsof je de grote, antieke, porseleinen vaas in de kamer van oma hebt omgeduwd, expres nota bene, en hij is in 1000 stukjes gevallen. Die kan je nooit meer lijmen. Die is voor altijd kapot. Je kan het proberen, maar het gaat je nooit lukken.
Je kan proberen om minder zonden te doen, maar het gaat niet lukken. Het gaat voor je gevoel eerder slechter dan beter. Wat je ziet steeds meer zonden, je lijkt steeds meer zonden te doen. Je zegt: ‘Het gaat niet vooruit, het gaat achteruit.’
Kijk maar, dat staat ook in antwoord 13. Kunnen we het zelf? In generlei wijze. Op geen enkele manier. Maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder. Iedere dag wordt onze schuld alleen maar groter. Op geen enkele manier kunnen we onszelf verbeteren. Dat is uitgesloten. Wij maken onze schuld iedere dag meer en groter. We zijn bankroet, we zijn failliet, en met de dag komt er schuld bij. We zinken steeds verder weg in het moeras van onze onvergeven zonden.
Je ziet in gedachten de leerling om zich heen kijken. Eerst naar zichzelf. ‘Nee, ik kan het niet.’ En nu: ‘Anderen dan?’ Wat tekent dat toch onze vijandschap tegen God. We willen niet omhoogkijken!
Kijk maar in vraag 14: Kan ook ergens een schepsel (dat alleen schepsel is) gevonden worden, dat voor ons betalen zou? Misschien wil iemand anders wel voor ons betalen: een dier, een offerdier misschien, of een engel uit de hemel misschien? Dat zou wel heel erg mooi zijn, want dan kunnen we het toch nog een beetje zelf oplossen. Dan kunnen we toch nog een beetje onszelf verlossen. Maar het antwoord is klip en klaar: Nee. En er zijn twee argumenten voor dat ‘nee’.
a. In de eerste plaats wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft. Want dat is niet eerlijk. Dan zou God de schuld afschuiven op een ander schepsel, dat niets gedaan heeft. En bovendien: een engel heeft wel een ziel, maar geen lichaam. En een dier heeft wel een lichaam, maar geen ziel. Dus kunnen de schepselen ook niet betalen voor onze zonden.
b. En als tweede zegt de Catechismus: dat geen schepsel de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde kan dragen om andere schepselen daarvan te verlossen.
De straf is zwaar, zo zwaar (want de straf is het dragen van de eeuwige toorn van God), dat geen ander schepsel die kan dragen. Niemand anders kan ons verlossen. Zoals dat staat in Psalm 49: Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven (Psalm 49:8).
Eerst leek er een weg te zijn, maar nu is alles weer zo donker. God haalde me van mijn troon, van de troon van mijn trots en hoogmoed, zodat ik ging zeggen: ‘U hebt gelijk, Heere.’ Toen ging ik zoeken. Eerst in mezelf, om mezelf te verbeteren, maar dat lukte niet. Toen keek ik hopeloos om me heen. Maar er was niemand die me kon verlossen. De rekening moet betaald, de rekening moet voldaan worden. Ik moet voor voldoening zorgen, voor het stempel: Voldaan! Betaald! Maar hoe, maar waarmee?
Wat is het nodig, dat God ons op de knieën brengt. Wat is het nodig, dat we alle hoop opgeven en uitroepen: ‘Genâ, o God, genâ! Weest U mij, zondaar, genadig!’ Dat, jongens en meisjes, is het gebed dat de Heere hoort en verhoort. Laten we het samen biddend gaan zingen uit Psalm 51, het eerste vers: Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet. Ai, was mij wel van ongerechtigheid; Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor, hoe een boeteling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden. Het is het eerste vers van Psalm 51.
Gemeente, er is maar één weg tot verlossing, tot voldoening, tot betaling van onze schuld. We zien het tot slot in onze derde gedachte:
3. Door de Middelaar Leest u maar mee in vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Het antwoord zegt: Zulk een (zo Iemand), Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans (toch) ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is. Hoort u het ook? Er is iets veranderd. Eerst was er de vraag om een middel. En nu horen we de vraag om een Middelaar. We hebben een Middelaar nodig.
Jongens en meisjes, even terug. Eerder heb ik gezegd: je hebt verzoening nodig. Verzoening krijgen, met God verzoend zijn, betekent dat alles weer goed is tussen God en je hart. En verzoening krijg je door voldoening, door dat stempel: de rekening is voldaan, de prijs is betaald. En nu komt er bij die eerste twee woorden, verzoening en voldoening, een derde begrip bij. Nu zegt de Catechismus: je hebt een Middelaar nodig. Ook dat is een woord dat je vanmiddag onthouden moet. Drie woorden dus heel goed onthouden: verzoening (alles is weer goed tussen de Heere en je hart), voldoening (betaling) en nu: de Middelaar.
Dat woord lijkt een beetje op ons woord bemiddelaar. We hebben het over een bemiddelaar als er twee mensen met elkaar in conflict zijn. Twee mensen hebben ruzie met elkaar. Ze staan lijnrecht tegenover elkaar. Hoe komt dat ooit weer goed? Nou, er is maar één manier: met een bemiddelaar. Zo iemand probeert die twee mensen weer bij elkaar te brengen. Hij zegt misschien: als jij dit doet, en jij dat. Jij moet hier een beetje toegeven, en jij daar. Je moet natuurlijk alle twee een beetje water bij de wijn doen
‘Heere, wilt U misschien een beetje…?’ Nee, dat kan niet. Want de eis van de Heere staat vast: 100% gehoorzaam zijn en de verschuldigde rekening voor 100% betalen. Dus: dit is een andere soort Middelaar. Er staan wel twee partijen tegenover elkaar: God en de zondige mens. Maar verder is het helemaal anders. Ik moet denken aan Mozes. Het volk Israël heeft gezondigd in de woestijn. Ze hebben een gouden kalf gemaakt. En dan lezen we in Exodus 32: Zo keerde Mozes weder tot de HEERE, en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. Nu dan, vergeef toch hun zonden! maar zo niet, zo delg (dat wil zeggen: streep) mij nu uit Uw boek, hetwelk U geschreven hebt (Exodus 32:31-32). ‘Leg,’ Heere, zo zegt Mozes, ‘hun zonde dan maar op mij!’ Mozes was daarin een voorbeeld, een type van de Heere Jezus Christus, Die de rekening voor Zijn volk betaald heeft. De straf van Zijn kinderen is op Hem gelegd. Jesaja zegt: De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (Jesaja 53:5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.). Hij is geen gewone bemiddelaar, die twee partijen uiteindelijk toch zelf de zaak laat oplossen. Maar Hij is als Middelaar degene die het probleem oplost, door de straf Zelf te dragen. En van zulke middelaars is er maar Eén. Hij is de enige Middelaar (1 Timotheüs 2:5Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;).
U zegt: ‘Ja, maar daar gaat het volgende week pas over.’ Ja, dat is waar, maar het is net als met een huis vol licht in een donkere nacht. De gordijnen kunnen het licht niet tegenhouden. Het licht breekt er doorheen. Hier breekt het licht van de Verlosser, hier breekt het stralende licht van de Middelaar door de duisternis van zonde en schuld heen.
Maar eerst nog even het onderwijs van de Catechismus in antwoord 15: Die Middelaar, die Verlosser, Die verlost van de schuld van de rekening, Die de straf Zelf draagt en de band met God herstelt, Die moet waarachtig en rechtvaardig mens zijn en toch ook sterker dan alle schepselen. Dat wil zeggen Hij moet ook tegelijk waarachtig God zijn.
U voelt, dit is geen plan dat een mens voorstelt. Uit alles blijkt dat de mens steeds meer uitgeschakeld wordt. Eigenlijk willen we dit helemaal niet. ‘Zelf doen?’ ‘Nee’, zegt God, ‘Ik doe het.’ Hij moet mens zijn. Want de mens heeft gezondigd, en dus moet een mens de straf dragen. Hij moet ook waarachtig en rechtvaardig mens zijn. Dat komt volgende week zondag in Zondag 6. En Hij moet tegelijkertijd ook echt God zijn.
Je kan zeggen: ‘Natuurlijk, dat is waar, dat moet, want wij kunnen het niet.’ Maar die simpele vaststelling is niet waar de Catechismus op zit te wachten. Wat hier gebeurt is
dat de Catechismus ons toe duwt naar het wonder: verzoening kan alleen door een Godswonder. Wat een troost is dat voor mensen, die niet meer weten hoe het verder moet. Van mijn kant is er geen weg meer. Maar hier opent zich de weg van het wonder, bij God vandaan. Bij mij, in mijzelf, is het een verloren zaak geworden. Ken je dat in je eigen leven? Maar bij God vandaan wordt er een weg geopenbaard! Kent u dat in uw eigen leven?
Deze Middelaar is gekomen, om te staan tussen de heilige God en verloren zondaars. God en mens. Hij is gelegd in de kribbe, in diepe vernedering. Zijn hele leven was een leven van volmaakte gehoorzaamheid en van bitter lijden, vooral in Gethsémané en op Golgotha. Toen Hij leed en stierf. Alleen, door Zijn discipelen verlaten. Want zij wilden het zelf doen. Maar Hij stierf in hun plaats. En zo voldeed Hij, hun rekening. Toen Hij riep (en daar gaat het hier over!): Het is volbracht! (Johannes 19:30Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.) Het is voldaan! De schuld is betaald! De hitte van Gods toorn is geblust, dat wil zeggen: voorbijgegaan. En door Zijn opstanding en hemelvaart heeft Hij een weg gebaand naar de hemel voor verloren zondaars.
Lieve mensen, door dit Godswonder kunt u zalig worden: verlost van de vloek, de straf betaald en de band van vrede met God hersteld. Zoekende zondaars, hier gaat het licht van de morgenzon op, hier worden de eerste stralen van Gods gunst en genade gezien, in de stikdonkere nacht van overtuiging van uw zonden. Zoek het toch niet meer in uzelf, blijf toch niet om u heen kijken, maar val op uw knieën, sla op uw borst, en zie omhoog, en zeg en roep: ‘O, God, wees mij zondaar genadig.’
U, die nooit echt gezocht hebt, denkt u echt, dat u zo verder kunt gaan? U kunt zelf echt de straf niet dragen. U kunt andere dingen misschien zelf wel, maar dit kunt u niet, dit kunt u nooit. Roep toch als een verloren, onmachtige en onwillige zondaar om redding, om zaligheid en om behoud van straf. Want ook voor u is er een weg geopend, ook voor u is er een Zaligmaker beschikbaar, waardoor en door Wie u zalig kunt worden.
Tot slot, gemeente een ernstige waarschuwing. Veel mensen hebben ooit in hun leven de last van hun zonden gevoeld. Ze hebben eronder gebogen. Ze zijn wakker geschud uit hun dodelijke rust. Ze zijn ontwaakt. Ze hebben het gevaar van hun leven gezien. En ze zijn hard aan het werk gegaan. Aan de voet van de Sinaï, met de wet. Ze zijn hun leven gaan reformeren: dit erin, dat eruit. Ze zijn ijverig geworden, ze zijn vroom gaan doen en zijn zogenaamd voorbeeldig
gaan leven. Ze zijn netjes geworden. Ze zijn bekeerd van de kroeg naar de kerk. Ze zijn, net als de vrouw van Lot, Sodom ontvlucht. Anderen hebben een verstandelijke keus voor Jezus gemaakt. Je moet heel lang zoeken, maar zoiets vind je echt nergens in de Bijbel.
Maar de grote levensvraag is: ‘Is je schuld betaald? Bent u met God verzoend?’ Want met je eigen vroomheid kan je niet voor God verschijnen. En met je eigen keuze kan je ook niet voor God verschijnen. Je hebt nodig iets te kennen van de diepte van je verlorenheid en schuld, anders krijg je nooit een Middelaar nodig. Je hebt nodig, dat je de hoop op jezelf verliest, anders krijg je nooit de enige Middelaar nodig. Gemeente, u hebt een Verlosser nodig. U hebt de Middelaar nodig. Want u moet met God verzoend worden.
En die Verlosser is er. Niet Iemand om een beetje beschouwelijk over na te denken, maar u wordt genodigd, nu, vanmiddag, om tot Hem te komen, om aan Zijn voeten te buigen, en te zeggen: ‘Zone Davids, ontferm U over mij, arme zondaar.’ Zelf redt u het niet. U hebt de Redder, de Zaligmaker, nodig.
En hier is Hij! Hij staat voor u, als met tranen van medelijden en ontferming in de ogen. Tranen om u, om uw verloren lot. Kom. Kust de Zoon! Wendt u naar Hem toe en wordt behouden!
Verwerp Hem niet. Want Hij is de enige Middelaar Gods en der mensen: Jezus Christus en die gekruisigd! O, kom tot Hem en laat u door Hem met God verzoenen!
Amen.
Slotzang Psalm 9: 4 en 18
Andere preken over Zondag