Zondag 6 · 28 maart 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 6 (serie 1)
INLEIDING
In deze preek over Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus staat de noodzaak en het karakter van de ware Middelaar centraal. Nadat in Zondag 5 is aangetoond dat de mens een Verlosser nodig heeft die zowel waarachtig God als een rechtvaardig mens is, verklaart Zondag 6 wie deze Middelaar is: onze Heere Jezus Christus. Hij is ons van God geschonken tot een volkomen gerechtigheid en verlossing. De preek belicht hoe de Heere in Zijn grondeloze barmhartigheid in deze Enige Middelaar voorziet voor verloren zondaren.
De Middelaar
ZONDAG 6
Vraag 16: Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?
Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mens, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.
Vraag 17: Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?
Opdat Hij, uit kracht zijner Godheid, den last van den toorn Gods, aan zijn mensheid zou kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven.
Vraag 18: Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is?
Onze Heere Jezus Christus, die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Vraag 19: Waaruit weet gij dat?
Uit het Heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offerande en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 6
THEMA
De Middelaar
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, wij gaan vandaag/vanmiddag verder met Zondag 6 van onze Catechismus. Lees maar mee, jongens en meisjes, achterin je Bijbeltje. Zondag 6 gaat over de Middelaar, over de enige Middelaar Gods en der mensen: Jezus Christus en die gekruisigd.
Vraag 16: Waarom moet Hij een waarachtig (een echt) en rechtvaardig mens (zonder zonde) zijn? Antwoord: Omdat de rechtvaardigheid van God vorderde (dat is: eiste), dat de menselijke natuur die gezondigd had, voor de zonde betaalde. En dat een mens, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.
Vraag 17. Waarom moet Hij tegelijkertijd waarachtig God zijn? Antwoord: Opdat Hij, uit kracht van Zijn Godheid, de last van de toorn van God aan Zijn mensheid zou kunnen dragen en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven.
Eigenlijk gaan die twee vragen over de vraag: ‘Wat is Hij?’ Hij is echt mens, zonder zonde en Hij is echt God. En dan gaan we verder naar vraag 18.
Vraag 18. Maar Wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig, rechtvaardig mens is? Antwoord: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Dat gaat over de vraag ‘Wie Hij is’. Dus ‘Wat Hij is’, en ‘Wie Hij is’. En nu als laatste vraag 19:
Vraag 19. Waaruit weet u dat? Antwoord: Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerst in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.
Die vraag gaat over: ‘Waaruit we dat weten?’
Het gaat vanmiddag dus over: De Middelaar En dan de drie genoemde dingen: 1. Wat Hij is. 2. Wie Hij is. 3. Waaruit we dat weten. Als eerste dus:
Vorige keer, jongens en meisjes, hoorden we, kort gezegd: ‘Wie stout geweest is, die heeft straf verdiend.’ Andere kinderen spelen buiten en het is mooi weer, maar jij zit voor straf thuis, binnen, aan tafel. Zonde is: heel erg stout zijn tegen de Heere. En wie gezondigd heeft, wie stout geweest is tegen de Heere, heeft straf verdiend van de Heere. De Catechismus heeft ons de vorige keer verteld, dat die straf een heel erge straf is. Een tijdelijke straf voor nu, in deze tijd, in dit leven en eeuwige straffen voor na het leven.
We hebben straf verdiend. We hebben schuld. Daar ging het vorige keer over. En als je schuld hebt, dan moet je betalen. ‘De rekening staat open,’ zeggen we. ‘De rekening moet betaald, de rekening moet voldaan worden.’
En toen, je kent die woorden nog wel, hebben we het gehad over voldoening, over verzoening door voldoening. Voldoening komt van het woordje voldoen, van voldaan. Het betekent: betalen. Voldoening is betaling. Er moet voldaan worden. Er moet betaald worden. Maar, als je naar jezelf kijkt, dan weet je het: Ikzelf heb niets om te betalen. Als je spaarpot leeg is, heb je niets om te betalen. Niet voor jezelf, en ook niet voor iemand anders. Maar het moet wel goed komen. Het moet wel goed komen tussen je hart en de heilige God in de hemel. En daar gebruikten we dat andere woord verzoening voor. Daar zit het woordje zoen in, een kus. Denk maar aan de verloren zoon. Hij komt thuis en krijgt een kus van zijn vader. Met die kus zegt zijn vader: ‘Mijn jongen, alles is weer goed. Je bent met mij verzoend.’
Verzoening door voldoening betekent: het komt alleen goed tussen God en je hart als er voldoening is. Als er voldaan wordt, als er betaald wordt. Maar, ik kan niet betalen! En jij ook niet, en u ook niet. Maar misschien is er een middelaar, iemand die wil staan midden tussen God en mijn zondige hart. Niet om te onderhandelen, zo van: ‘U een beetje zus en wij een beetje zo’, maar iemand die daar wil staan om voor mij, om in mijn plaats, op mijn plek, mijn straf te dragen. De Catechismus heeft vorige Zondag gezegd: ‘Dat kan, maar dan moet die middelaar wel echt mens zijn. En ook een mens zonder zonde. En Hij moet ook echt God zijn.
De Zondag van vanmiddag, begint eigenlijk met de vraag: ‘Hoezo? Waarom?’ Vraag 16 zegt: Waarom moet Hij, die Middelaar tussen God en mijn hart, waarom moet Hij een waarachtig, een echt mens zijn? En waarom moet Hij ook een rechtvaardig mens zijn, dat wil zeggen zonder zonde? De Catechismus antwoordt: Omdat de rechtvaardigheid van God eiste, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde, en omdat de mens, die zelf een zondaar is, niet voor anderen kon betalen. Eigenlijk kan je het heel eenvoudig zo zeggen: De mens heeft gezondigd, dus is het eerlijk dat de mens betaalt. Maar, het is ook heel logisch dat die mens dan zonder zonde moet zijn, want als je schuld hebt en je kan niet eens voor jezelf betalen, ja, dan kan je natuurlijk helemaal niet voor iemand anders betalen. Er staat, en dat is een moeilijke zin, de rechtvaardigheid van God vorderde dat. Bij het woordje ‘vorderen’, moet je ook denken aan betaling. Als iemand iets aan ons moet betalen en hij doet het niet, dan hebben wij vaak nog wel even geduld. Maar op een gegeven moment zeggen we: ‘Kom op, nu moet je betalen! Ik vorder betaling!’ Dat is wat de Catechismus zegt: God vordert betaling!
Betaling. Er staat in Psalm 69: ‘Ik moet voor voldoening, voor betaling zorgen’ (Psalm 69:2, ber.). ‘Ja,’ zeg je, ‘dat is waar. Ik heb schuld, maar ik kan niet betalen.’
Als er een deurwaarder (dat is een man die het geld van de rekeningen die je niet betaalt, thuis komt ophalen), als er nu een deurwaarder aan de deur komt en aanbelt en zegt: ‘Meneer, u moet betalen!’, dan zegt u waarschijnlijk: ‘Ik krijg het benauwd! Help me, meneer, want ik heb helemaal niets om te betalen.’
Nu zegt de Catechismus: ‘God vordert.’ God zegt: ‘Betaal Me al die openstaande rekeningen.’ Als God, als de hemelse Deurwaarder, dat tegen je zegt, dan krijg je het ook benauwd. En dan zeg je: ‘Heere, ik heb niets om te betalen.’ Weet je, we noemen dat met moeilijke woorden ontdekking aan de schuld van je hart. God schijnt als het ware met een zaklantaarn in de donkerste uithoekjes van je hart en Hij wijst en zegt: ‘Kijk daar zit heel veel zonde. Je moet betalen. En kijk daar, toen heb je dat gedaan en dat, en dat. Betaal Me!’ En terwijl je dat ziet, bij het licht van God de Heilige Geest, zie je de rekening steeds maar hoger en groter worden. God vordert, God eist: ‘Betalen!’ ‘Ja, Heere, maar ik heb niets!’
Daarom zegt de Catechismus, dat degene die betaalt, die middelaar tussen God en mijn schuldige hart, niet alleen echt mens moet zijn, echt mens zonder zonde, maar ook echt God. Waarom? Omdat de schouders van ons, mensen, veel te zwak zijn om de last van de straf, om de last van Gods toorn te dragen. Als die last op ons gelegd zou worden, zouden wij in elkaar zakken. Maar de Catechismus zegt, dat het God-zijn van de Middelaar Hem kan helpen, Hem kracht kan geven om die zware last te dragen.
Als Hij ook God is, dan kan Hij, zegt antwoord 17, voor ons gerechtigheid en leven verwerven, dat wil zeggen verdienen en teruggeven. Hij kan het weer recht, weer helemaal goed maken tussen God en ons hart. Je hoort de leerling in de Catechismus denken: ‘Wat zou dat een wonder zijn, als die Middelaar er echt zou zijn! Want dan is er toch nog een weg. Ik zie geen weg meer. Ik weet niet hoe ik moet betalen. Want, ik heb helemaal niets om te betalen.’
Ik heb (dat zijn een beetje ouderwetse woorden), ik heb de schuld ‘geëigend’. Het is mijn eigen schuld. Ik heb gezondigd. Ik moet buigen voor de rechtvaardige God en zeggen: ‘Heere, U hebt gelijk! Ik heb in alles tegen U gezondigd. Ik zie de onmogelijkheid van een eigen weg. Alles loopt dood.’
Maar, zo’n Middelaar, is Die er? Bestaat Die echt? Iemand Die echt mens is, zonder zonde, en tegelijkertijd God? Kan dat wel? Want je kunt wel iemand vragen, je kunt in de krant wel een advertentie plaatsen met een vacature en zeggen wat de eisen zijn waaraan iemand moet voldoen, maar de vraag is: is zo iemand er wel, aan wie zulke zware eisen gesteld worden? En: Wie is Hij dan? Dat zien we in onze tweede gedachte:
Vraag 18: Maar Wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig en rechtvaardig mens is? Het antwoord luidt: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing gegeven is.
Wat een wonder! Zo’n Middelaar is er! ‘Die bestaat!’, zegt de Catechismus. Hier is de onthulling van een groot geheim. God de Zoon, de eeuwige God, de Almachtige (Hij was God en Hij bleef God), Hij wilde mens worden. Hij wilde de menselijke natuur aannemen. Hij werd geboren uit Maria, gelegd in de kribbe. Het eeuwige Woord is vlees geworden. God heeft Zijn eigen Zoon in deze zondige wereld gezonden. Hij was en is en bleef God en Hij is mens geworden. En de Catechismus zegt: ‘Hij is het!’
Hij is het, de Middelaar, Die ons door God gegeven is tot…, en dan volgen er drie moeilijke woorden: wijsheid, rechtvaardigheid en heiligmaking. Gegeven tot Wijsheid. Wij waren blind. Wij hebben alle echte kennis van de Heere verloren. Maar Hij, deze Middelaar, geeft die kennis weer terug. Gegeven tot Rechtvaardigheid. Wij hadden onze band met God verbroken door tegen Hem op te staan, maar Hij maakt het weer recht, Hij maakt het weer goed. En gegeven tot Heiligmaking. Hij geeft een nieuw hart en een nieuw leven. Het doet terugdenken aan wat er gebeurde in het paradijs, aan wat we daar door de zonde zijn kwijtgeraakt: kennis, gerechtigheid, heiligheid. Die drie dingen maakt de Heere Jezus weer goed, die herstelt Hij weer.
Ja, staat er: Hij is ons gegeven tot een volkomen verlossing. In Hem is echt alles wat we nodig hebben tot de zaligheid. Want een kind van God zegt niet alleen: ‘Heere, die schuld dat is mijn schuld.’ Die eigent niet alleen de schuld: ‘Heere, U hebt gelijk, ik heb tegen U gezondigd.’ Maar een kind van God krijgt ook geloof om te zeggen: ‘Heere, als U Hem aan mij geeft, dan geloof ik. Kom mijn ongelovigheid te hulp. Heere, dan is Hij ook aan mij gegeven.’
Ons gegeven, zoals Jesaja geprofeteerd heeft: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst (Jesaja 9:5Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;). Een Kind, een Zoon is ons gegeven, als het mooiste geschenk van de Heere in de hemel voor de aller slechtste mensen.
Je zegt bij jezelf, jongens en meisjes, als je terugdenkt: ‘Waarom heeft de Catechismus eigenlijk zo lang gepraat over ellende? Wekenlang ging het over zonde, over schuld, over betaling. De Catechismus kon toch ook gelijk aan het eind van Zondag 2 zeggen: Je moet in de Heere Jezus geloven?’ Ja, maar in ons hart is, - kijk maar in je eigen hart, u ook, ik ook - in ons hart is helemaal geen plaats voor de Heere Jezus. Tenminste, als je bent zoals je geboren bent. Als je niet weet van zonde en ellende. Als je niet van harte gelooft en ziet en ervaart dat je tegen God gezondigd hebt. Als je nooit hebt gezien wie je bent voor God, voor de Heilige God. Ja, dan kun je wel praten en zingen over Jezus, maar het zegt je helemaal niets. Want de Naam Jezus betekent: Hij zal Zijn volk (en dan komt het) zalig maken. Waarvan? Van hun zonden.
Als je denkt dat het wel meevalt met die zonden, als je daar zo zwaar niet aan tilt, ja, dan is er in je hart geen plek voor de Zaligmaker. Als je je zonde niet kent, dan voel je ook niet, dan geloof je ook niet dat je de Zaligmaker nodig hebt. En daarom zeg ik: ‘Er is in ons hart van nature helemaal geen plaats voor de Zaligmaker.’
Maar die moet er wel komen. Dus, moet er plaats gemaakt worden. Er moet plaats gemaakt worden in ons hart. Hoe doet de Heere dat? Door je zonden aan te wijzen, in alle hoeken van je hart: ‘Jongen, meisje, je hebt tegen Mij gezondigd.’ Je zegt: ‘Maar was het niet genoeg om dat één keer te zeggen?’ Daar ging het al over in Zondag 2, en nu we zijn al bij Zondag 6! Waarom ging de Catechismus daarna zo uitgebreid wijzen op Gods rechtvaardigheid? En zeggen dat er betaald moest worden? En dat de rekening voor 100% voldaan moest worden? Omdat wij mensen, als we onze zonden zien, meestal gaan proberen om het zelf op te lossen. We proberen er zelf nog iets van te maken. Maar dat blijkt een doodlopende weg, want de Heere is niet tevreden met een beetje. Hij is heilig, rechtvaardig. Hij wil volledige betaling, volledige gehoorzaamheid.
Je zegt: ‘Maar waarom wijst de Heere daar dan zo op?’ Omdat de Heere zo graag wil, dat we niet denken dat we het zelf wel kunnen oplossen, en dat we ons zelf wel beter kunnen maken. De Heere wil zo graag, en dat is het werk van God de Heilige Geest in het hart, dat we die hoop echt opgeven. Hij wil dat we gaan vragen om genade: ‘O, God, wees mij zondaar genadig.’ Hij wil dat we echt gaan vragen om de Middelaar, om Zijn betaling. Er moet plaats gemaakt worden voor Gods plan van verlossing.
En dat zeg ik niet, en dat moet u ook niet doen, uit een soort van degelijkheid, om te laten zien en te laten voelen dat je het goed doorhebt ‘dat het allemaal niet zo gemakkelijk gaat’. Terwijl je dat stiekem in je hart gebruikt als excuus om je achter te verschuilen. U zegt: ‘Dat gaat zomaar niet. Daar moet plaats voor gemaakt worden.’ En zegt u er zachtjes bij: ‘En dus ken ik er niets van, hoor, want ja, er is bij mij nog nooit plaats voor gemaakt.’
Maar dat misbruik verandert niets aan het feit dat er wel echt door God plaats gemaakt moet worden in ons hart voor de Middelaar.
Jongens en meisjes, je kunt wel heel veel van de Heere houden, en je kunt wel iets gezien hebben van de zonde in je hart, en misschien is je leven wel heel anders geworden, maar toch, diep in je hart, houd je misschien nog wel vast aan jezelf. Je hoopt dat het nog wat wordt, met al je eigen proberen, en dat dat je uiteindelijk toch wel een beetje zal helpen. Ik zou de Heere zo graag blij maken met mijn werk, met wat ik doe en met wat ik probeer.
Je zegt: ‘Maar, ik zou ook zo graag de Heere Jezus leren kennen! Ik bid er om, ik bid er heel vaak om. En als ik over Hem hoor, als ik over Hem lees, dan verlang ik er nog meer naar om Hem te kennen. Ja, soms zeg ik in mijn hart, heel zachtjes: De Heere Jezus is mij meer waard dan alles van de aarde.’ En tegelijkertijd zeg je met een naar gevoel in je hart: ‘Maar Wie is Hij toch, dat ik in Hem geloven zou?’ Als dat hartelijke verlangen leeft in je hart, dan merk je dat het waar is, wat de Catechismus hier zegt: ‘Hij moet ons door God gegeven worden.’
Jezus kan je niet stelen, Hij laat Zich niet stelen. En het gaat hier ook niet om een Jezus over Wie je misschien wel veel weet met je verstand. U weet misschien precies de weg te beschrijven naar Jezus, maar u bent die weg zelf nog nooit gegaan. En als iemand dan aan u vraagt: ‘Wie is Hij voor u? Wat dunkt u van de Christus?’, dan blijft het zo akelig stil.
Om getroost te leven en straks zalig te sterven, heb je nodig dat je de Middelaar, tussen God en je hart, onze Heere Jezus Christus, persoonlijk kent. Door de Heere God gegeven. Zoals Simeon het Kind in zijn armen neemt en zegt: ‘Dit is mijn, door God gegeven, Zaligmaker.’ Hoor maar: Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid (Uw Zaligmaker) gezien (Lukas 2:29-30Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,).
Of zoals Thomas. Je zit net als hij middenin twijfel en ongeloof. Je weet niet hoe je er ooit nog uit kan komen. En dan komt Jezus, terwijl de deur gesloten is. En Hij zegt: ‘Kom Thomas, breng je vinger maar hier in Mijn zij. Steek je vinger maar in het teken van de spijkers van het kruis in Mijn handen en wees niet ongelovig, maar gelovig.’ En dan zeg je, met Thomas, als de Heere zo tot je komt door het Woord en je geloof geeft: ‘Mijn Heere, mijn God. Ik zal U, mijn Zaligmaker roemen.’
Het is geen kwestie van diep nadenken, het is niet een beslissing of een eigen keus. Je krijgt het uit genade, terwijl je niets verdient. Onverdiend, als een gift uit de hemel. En als ons hart dan zegt: ‘Mijn Heere, mijn God’, en als we dan zeggen uit de grond van ons hart: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’, dan weerkaatst dat in de hemel en klinkt het antwoord terug: Zalig bent u, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard (het is niet van uzelf), maar (van) Mijn Vader, Die in de hemelen is (Mattheüs 16:17En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.).
De Middelaar, de Heere Jezus Christus wordt door God geopenbaard. Dat wil zeggen: God onthult Hem, God laat Hem zien, Hij schuift Hem naar voren, Hij laat Hem kennen in je benauwde hart. ‘Hier is Hij. Ziet hier is uw God, Middelaar Gods en der mensen, de Heere Jezus Christus.’
Het zijn momenten of perioden die we nooit vergeten. Als God in je benauwde hart, benauwd omdat er betaling wordt geëist, iets laat zien van Zijn weg, van de weg van de Middelaar, als Hij je iets laat zien van de Middelaar Zelf, staande in jouw plaats voor de rechtvaardige God, tussen God en jouw zondige hart, van dat Hij voor mij, wat is dat een troost voor je verdrietige hart! Als Hij je bevrijdt van je zonde en de rekening van je schuld betaalt, als Hij het licht ontsteekt in de duisternis van je hart en je Hem mag zien, dan mag je uitroepen: ‘Mijn Zaligmaker! Hij is veel schoner dan wie dan ook van de mensen, want er is genade uitgestort op Zijn lippen.’
Wat krijgt de Heere Jezus Christus dan een waarde! Wat wordt Hij dan kostbaar! Dan wordt Hij echt alles voor je. Dan wordt je leven ook een ander leven. Als je leven zo aan Hem verbonden wordt, krijgt je leven een andere richting.
Hoe de Heere dat werkt, daar is Hij vrij in. Dat wil zeggen, jongens en meisjes, dat doet de Heere zoals Hij wil. Hij luistert niet als wij Hem iets willen voorschrijven. Sommige kinderen van God mogen de Middelaar zien in het volle licht, Hem omhelzen als hun Zaligmaker en zeggen: ‘Ik zal Hem mijn Zaligmaker noemen.’ In het volle licht van Gods vriendelijk aangezicht. Anderen zien minder of maar iets van Hem, het blijft allemaal nog zo omneveld door een sluier van aarzeling. Maar Hij wordt hen wel alles waard! Maar hieraan, en dat zeg ik als een spiegel voor mijn en uw hart, herkent u de openbaring van de Middelaar: je verliest jezelf voor God. Er blijft niets van je over. Want als je
érgens zondaar wordt voor God en érgens diep gaat buigen, is het daar waar ik de Middelaar zie lijden en zie sterven in mijn plaats. Daar waar het klinkt: ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Je verliest jezelf en vanaf dat moment heeft God je hart helemaal. Je bent, jongens en meisjes, als het ware met een dik touw verbonden aan de Heere Jezus Christus. Het geloof in Hem is de band, is het touw, dat die twee harten aan elkaar verbindt. En Hij legt de knoop in mijn hart en Hij verbindt me voor eens en voor altijd aan Hem. Vanaf nu heeft Christus mijn hart en mijn leven genomen. En niets op de wereld waardeer ik meer dan Hem. Ik zeg met Paulus: ‘Ik zal alles, alles, schade (verlies), drek (vuilnis) achten om de uitnemendheid (het alles overtreffende) van de kennis van de Heere Jezus Christus.’ Er komt een andere richting in je leven. Het wordt, het is, het blijft genade. Genade overwint je. En genade maakt bescheiden, nederig en ootmoedig. Wie veel van Christus kent en veel van Hem geleerd heeft, wordt klein, wordt minder en drukt de voetstappen van Christus, in dienen, in buigen en in lijden. Wie groot is in zichzelf, kent maar weinig van Christus. Echt waar! Wij gaan er samen van zingen uit Psalm 89, het achtste vers: Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Israëls God gegeven.
Vraag 19 zegt: ‘Waaruit weet u dat? Hoe komt u daarbij?’ Uit het Heilig Evangelie. Dat heeft God eerst in het paradijs geopenbaard en daarna door de heilige patriarchen Abraham, Izaäk, Jakob en door de profeten laten verkondigen en door de offers en de andere ceremonieën van de wet laten afbeelden en het is ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld. Onze derde gedachte:
Jongens en meisjes, als iemand je iets vertelt, dan zeg je soms: ‘Hoe kom je daaraan? Ik laat me natuurlijk niet zomaar van alles wijs maken. Hoe weet je dat? Komt het uit de krant? Maar uit welke krant dan? Heb je het van internet? Maar van welke site dan? Hoe kom je erbij? Waar komt het vandaan?’ Wat je in je hart ervaart, belangrijker dan dat: wat je in je hart bevindelijk kent en gelooft, dat moet uit betrouwbare bron komen. Het moet maar niet een lesje zijn, dat je uit je hoofd geleerd hebt, een nagepraat lesje dat je moeder of je oma vroeger ook altijd al zei. Ook niet een praatje, nagepraat van deze of gene dominee. De vraag luidt: ‘Hoe weet u dat?’ En het antwoord is zonneklaar: ‘Uit het Heilig Evangelie.’ Uit het Woord van God, dat het eerst werd geopenbaard in het paradijs. Het kwam van God. God openbaarde het aan de mens die van Hem wegvluchtte, die niets meer met Hem te maken wilde hebben.
Maar God ging hem achterna en openbaarde Zijn boodschap, Zijn Woord. Hij gaf Adam en Eva de belofte van Zijn Zoon. Later, in al de eeuwen daarna, heeft God dat Evangelie verder laten verkondingen. Mensen hebben het gehoord uit de mond van Abraham, Izak en Jakob, de aartsvaders, de patriarchen. Daarna uit de mond van al de profeten. Ze hebben het Evangelie gehoord, ze hebben het ook gezien in de offers in de tabernakel en in de tempel. En eeuwen later is de belofte vervuld. Toen kwam de Eniggeboren Zoon van God in deze wereld. Toen ging Zijn licht schijnen. Zijn licht ging ook schijnen over alles van het Oude Testament. Toen werd het Oude Testament veel voller, veel mooier dan we ooit hadden kunnen weten en ooit hadden gezien. Dus het Oude Testament moet je niet weggooien. Je moet niet zeggen: ‘Dat is oud, dat is versleten.’ ‘Het is vervuld.’ Het is mooier geworden dan dat het was.
En die gekomen Christus, dat is de kern van het antwoord: ‘Hij wordt gekend door het Woord, door het Evangelie.’ Het is goed om goede boeken, om meditaties, om oudvaders te lezen. Het kan leerzaam zijn om soms een levensverhaal te lezen van een kind van God. Maar gemeente, Christus vindt u in het Woord, in Gods eigen Woord. De Heere Jezus Christus kan je vinden in de Bijbel. Dat zegt de Bijbel zelf. Petrus schrijft: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten (2 Petrus 1:19En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.).
Dus als het donker is in je hart, als je gebukt gaat onder je schuld voor God, als je voelt dat je moet betalen, maar niet kan betalen, als je de weg niet meer weet, waar moet je het dan zoeken? In het Woord! Want Christus, de Heere Jezus, is in dit Woord. Dat Woord spreekt als een levend Woord hier in de kerk, onder de bediening van het Woord en onder de bediening van de sacramenten. Dat is Gods weg. Het is niet de gewone weg van de Heere om te spreken, om te werken door visioenen, gezichten en dromen. God is een God van Zijn Woord en Hij openbaart daarin en daardoor Zijn Christus. Hij laat Hem zien, Hij drukt Hem in je armen vanuit het Woord, door het spreken van de Bijbel. De Geest werkt niet op een mystieke manier, op een wonderlijke manier buiten het Woord om. De Heilige Geest heeft Zich gebonden aan het Woord. En als we biddend daarnaar luisteren, niet naar ons inwendige licht, maar biddend luisteren naar het Woord en het spreken van de Geest daarin, dan wil de Heere daardoor werken.
Als dan ons bedroefde hart hoort vanuit dit Woord: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1: 18) en als we dan horen vanuit dat Woord: Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jesaja 53:5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.), dán zeggen we, omdat het
Woord spreekt en omdat de Geest in ons hart spreekt door het Woord: ‘Mijn Heere’, als U het zegt, Heere, dan zeg ik het na, ‘mijn Heere en mijn God’.
Nooit vergeten, gemeente, de Geest werkt door het Woord. Het is een levensgroot gevaar als je het spreken van het Woord tegenstaat. Ik denk terug aan de afgelopen Catechismuszondagen. U hoorde van zonde en schuld, maar buigen deed u niet. U hoorde van de eis van betaling, van de vordering van de straf. U hoorde dat er voldoening, betaling nodig is, maar u haalde uw schouders op. U luisterde niet naar het Woord. En vandaag hoort u het Woord van de belofte en van de komst en het werk van de Heere Jezus Christus, maar u legt het opzij. Geen behoefte aan… Lieve vrienden, wees toch gewaarschuwd, het zal Tyrus en Sidon, het zal Jakarta en Phnom Penh, en zoveel andere heidense steden meer, verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan u. ‘U, Kapernaüm’, zegt de Heere Jezus, ‘dat tot de hemel toe verhoogd zijt geworden, u zult tot de hel toe neder gestoten worden’, als u niet luistert naar dit Mijn Woord.’ Want wie dit Woord hoort, die hoort Christus. En wie dit Woord verwerpt, verwerpt Hem. En wie Hem verwerpt, verwerpt Degene die Hem gezonden heeft, God de Vader in de hemel. O, geloof dan toch Zijn heil- en troostrijk Woord. Verhard u niet, maar laat u heden met God verzoenen.
Amen.
Slotzang Psalm 42 vers 1 en 5
't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’; God des levens, ach, wanneer Zal ik naad'ren voor Uw ogen, In Uw huis Uw naam verhogen?
Maar de HEER’ zal uitkomst geven, Hij, Die 's daags Zijn gunst gebiedt; 'k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied; 'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen.
Andere preken over Zondag