Zondag 4 · 14 maart 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 4 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 4 van de Catechismus gaat over de vraag of God wel eerlijk handelt met de mens. Doet God de mens geen onrecht?
Drie bedenkingen
ZONDAG 4
Vraag 9: Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?
Neen Hij; want God heeft den mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelven en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Vraag 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel
tijdelijk en eeuwiglijk straffen; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Vraag 11: Is dan God ook niet barmhartig?
God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 4
THEMA
Drie bedenkingen
LITURGIE
Lezen Galaten 3:1-18
Jongens en meisjes, wat stond er ook alweer in Zondag 3? Drie vragen waren er en drie antwoorden. Je weet ze misschien nog wel. Hoe was het vroeger? We waren goed geschapen. Maar wat gebeurde er toen? Adam viel in de zonde en daardoor wij met hem. En, zo was de derde vraag: Hoe is het nu? Nu zijn we allemaal verdorven, dat wil zeggen verloren, onbekwaam (niet in staat) om iets goeds te doen en geneigd tot alle kwaad. Tenzij, zo eindigde het de vorige keer: tenzij de Heere je een nieuw hart geeft.
En nu heb je daar een weekje over nagedacht. Of niet? ‘Ja’, zeg je, ‘zeker, maar klopt het allemaal wel? Ik heb eigenlijk nog wel een paar vragen, een paar bedenkingen.’ Nou, dat mag. Zeg ze maar. Trouwens, ze zijn al voor je opgeschreven in Zondag 4. Lees maar mee in Zondag 4 van de Catechismus:
Vraag 9: Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Antwoord: Nee Hij; want God heeft de mens (al)zo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd. (Dit is dus de eerste vraag, de eerste bedenking: Doet God niet oneerlijk?)
Vraag 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Antwoord: Nee Hij, geenszins (absoluut niet!), maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. (Dit is de tweede vraag, de tweede bedenking: Wil God de zonde echt straffen?)
Vraag 11: Is dan God ook niet barmhartig? Antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is,
ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde. (Dit is de derde vraag, de derde bedenking: Is God ook niet barmhartig?)
Gemeente, het thema voor de preek van vanmiddag is: Drie bedenkingen
De eerste bedenking is: Doet God niet oneerlijk? De tweede is: Wil God echt de zonde straffen? De derde is: Maar is God ook niet barmhartig? Dus, het thema voor de preek is: Drie bedenkingen. Dit zijn ze: 1. Doet God niet oneerlijk? 2. Wil God de zonde echt straffen? 3. Is God ook niet barmhartig? Als eerste dus:
Want vraag 9 zegt: Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Is het wel eerlijk van de Heere God? Ja, we waren zonder zonde, we waren naar Zijn beeld geschapen, en we deden alles wat de Heere van ons vroeg. Maar de Heere weet toch dat we nu anders geworden zijn? De Heere weet toch dat er iets gebeurd is? Is het dan niet oneerlijk dat de Heere nog steeds hetzelfde van ons verwacht en hetzelfde van ons vraagt? Terwijl Hij weet dat wij dat niet kunnen?
Als je drugs gebruikt, of als je verslaafd bent aan alcohol, kan je dan zeggen: ‘Ik kan er gewoon niets aan doen, want ik kan er gewoon niet mee stoppen?’ Nee toch? Je bent er toch zelf mee begonnen? Het is dan toch niet oneerlijk om tegen zo iemand te zeggen en te blijven zeggen: ‘Dat mag je niet doen. Je mag geen drugs gebruiken, je mag niet zoveel drinken!’
Het is dus niet oneerlijk van de Heere. Maar vind je het tegelijkertijd niet heel bijzonder, dat terwijl wij met de Heere gebroken hebben, dat Hij ons toch niet loslaat? Hij had ons rechtvaardig (dat zou ook eerlijk geweest zijn!), Hij had ons rechtvaardig allemaal weg kunnen doen: ‘Weg, Ik wil nooit meer iets met jullie te maken hebben. Ga weg van Mij, in de buitenste duisternis, in de eeuwige straf!’ Maar dat deed en doet de Heere niet. Hij blijft vragen, Hij blijft zeggen wat Hij van ons verwacht, namelijk dat we luisteren naar alles wat Hij zegt, naar al Zijn geboden.
Waarom? Omdat wij het nog steeds kunnen? Nee, want we hebben in Zondag 3 gezien dat we dat nooit meer kunnen. En toch blijft de Heere het van ons eisen.
Waarom? Om ons te leren, niet alleen met ons verstand, maar ook in ons hart, dat we het echt niet meer kunnen! En dat dat echt alleen onze eigen schuld is. Zodat we verdriet zouden krijgen in ons hart naar de Heere toe.
En dus zegt antwoord 9: Nee Hij, want God heeft de mens (al)zo geschapen, dat hij dat (wel) kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Mag God nog iets van ons vragen, nu we niets meer kunnen? Is het niet oneerlijk als God tegen ons zegt: ‘u moet Mij nog steeds liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf’? God weet toch, dat wij dat niet kunnen?
De catechismus zegt: Nee, God is niet oneerlijk. Want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dat allemaal wel kon doen! We konden het wel, maar nu kunnen we het niet meer. Want? Want de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen (al zijn kinderen en kleinkinderen en ga zo maar door), door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd.
Door het ingeven van de duivel. Dat lijkt een excuus, maar dat is het niet. Want we wisten dat hij ons bedroog. En we weten nog steeds zo vaak dat hij ons bedriegt, terwijl we toch naar hem luisteren. Immers, de duivel heeft Adam niet gedwongen. En de duivel was ook niet in staat om zijn hart te veranderen. We hebben het zelf gedaan. We hebben heel bewust onszelf losgescheurd van God. Want we wilden als God zijn. En daarom hebben we geluisterd naar het ingeven, naar het influisteren van de duivel.
En het was ook, zo zegt de Catechismus, door moedwillige ongehoorzaamheid. Het was moedwillig. Het was geen daad van onbezonnenheid, maar het was willens en wetens, we deden het expres, heel opzettelijk. Ja, en als je expres door het rode licht rijdt en je krijgt een ongeluk, wie moet je dan aankijken? Jezelf toch?
Door die twee dingen hebben we onszelf beroofd, hebben we onszelf bestolen. We zijn eigenlijk inbrekers geworden in ons eigen hart. Als dieven hebben we de goede gaven van God (namelijk dat we naar Hem wilden en konden luisteren) zelf gestolen. Van al het goede dat we van God gekregen hebben, daar hebben we onszelf van bestolen. We zijn geen slachtoffers van diefstal, maar we zijn zelf de dieven. Als je in het verleden genoeg geld had, maar je hebt het allemaal opgemaakt met gokken en drinken en feesten, en nu ben je blut, dan moet je niet iemand anders de schuld geven, want je hebt het allemaal zelf gedaan!
We konden wat God van ons eiste, wat de Heere van ons vroeg, maar we kunnen het door onze eigen schuld nu niet meer. Dus is het niet terecht, als je naar de Heere kijkt en denkt: ‘Heere, U hebt een probleem. Want ik kan mezelf niet bekeren. Eigenlijk is dat Uw schuld, want U hebt dat nog steeds niet gedaan. Wat kan ik er eigenlijk aan doen?’ En het is ook niet terecht als je denkt: ‘Heere, U vraagt, U eist bekering en geloof van mij, dus blijkbaar kan ik dat zelf maken.’ Want de Heere wil ons juist laten voelen en weten en geloven dat we dat zelf niet kunnen!
Dit is dus de eerste bedenking: Is het niet oneerlijk van God? Zo denken we van onszelf allemaal. Dit is voor niemand van ons een vreemde vraag. Dit leeft van nature in het hart van ons allemaal. Maar bekering dat wil eigenlijk zeggen, dat je anders gaat denken. Bekering is eigenlijk ten diepste verandering van gedachten. Verandering van gedachten over God en over jezelf (Romeinen 12:2En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.). Ben jij, bent u op dit punt al anders gaan denken? ‘Heere, U vraagt niets onredelijks van mij. Dat ik dit allemaal niet meer kan, dat is mijn eigen schuld. In U is het onrecht nooit gevonden. Uw doen is rein. U bent volmaakt, U bent rechtvaardig, Heere, Uw oordeel rust op de allerbeste wetten.’ ‘Het is waar, Heere, Adams zonde, Adams schuld, dat is mijn zonde, dat is mijn schuld. Ik heb me moedwillig, ik heb me opzettelijk, ik heb me expres losgescheurd van U. Ik kon wat U eiste, maar nu kan ik het niet meer. En dat is mijn zonde, dat is mijn schuld. Ik heb gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw oog.’
Bent u al zo gaan denken? Bent u in het diepst van uw hart al zo van gedachten veranderd? En hebben die andere gedachten over God en over uzelf u al op de knieën gebracht met een verslagen en verbroken hart, terwijl u het oprecht in uw hart tegenover de Heere beleed: ‘Ik! Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog?’
We gaan verder naar de tweede bedenking, onze tweede gedachte:
Vraag 10 zegt: Wil God zulke ongerechtigheid en afval ongestraft laten? Weer een bedenking, weer een nieuwe uitvlucht. Voel je hoe hard je hart is? Ik geef het zomaar niet op! Daar is echt het werk van de Heere voor nodig, om mijn harde hart te laten buigen.
‘Goed, als ik dan zelf de schuld ben, kan dat dan niet gewoon weggepoetst worden? Kan dat dan niet gewoon door de vingers gezien en vergeten worden? Kan God niet een beetje toegeeflijk en tolerant zijn? God is toch liefde?’
Jazeker. En daarom, omdat God liefde is, daarom zegt het antwoord: Nee, geenszins! God wil de zonde niet door de vingers zien! Want Hij vertoornt Zich verschrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden.
Wat is het tegenovergestelde van liefde? Dat is haat. Wij hadden God lief, maar toen haatten we Hem. God is liefde, geen haat (1 Johannes 4:16En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.). Toch is de toorn van God, Zijn heilige toorn is werkelijkheid. Gods toorn is de spits van de vlam van Zijn liefde. De verwerping van het Woord van de Heere, van de prediking van het Evangelie en van de grote inhoud ervan, namelijk Gods liefde en bewogenheid met zondaars, de verwerping van dat alles wakkert Gods toorn aan. En het brengt, zo heeft de Heere Jezus Zelf gezegd, uiteindelijk in de buitenste duisternis.
Gemeente, Gods heilige toorn is werkelijkheid. Het is de keerzijde van Gods liefde en bewogenheid. God vertoornt Zich. Jongens en meisjes, wat is dat precies? Je zegt: ‘Is dat boosheid, is dat kwaadheid?’ Ja, maar tegelijkertijd is het ook heel anders. Toorn, dat is wat iemand voelt als zijn eer wordt aangetast, als hij of zij heel erg beledigd wordt. God heeft een afkeer, een afschuw van de zonde, omdat het Zijn eer aantast en omdat het botst met Zijn heiligheid. En dat maakt God heilig verontwaardigd. Er is grote verontwaardiging, afkeer en afschuw in God, omdat de zonde, omdat het kwade niet bij Hem past. Het krenkt Zijn liefde en heiligheid, en brengt Hem tot grote toorn. Tot heilige toorn. En dat is iets waar je voor vrezen moet, en waar niet mee te spotten valt.
De Catechismus zegt: God toornt verschrikkelijk. Voelt u iets van het huiveringwekkende van Gods toorn om onze zonden? Mozes zegt in Psalm 90: Wie kent de sterkte van Uw toorn, van Uw verbolgenheid (dat wil zeggen: van Uw overstromende wraak), naardat U te vrezen bent (Psalm 90:11)? Want God is heilig, zonder enige zonde, en Hij kan en wil het kwade niet zien. Psalm 5 zegt: De boze zal bij U niet verkeren (hij zal bij U niet kunnen wonen). U haat al de werkers van ongerechtigheid (Psalm 5:6).
God vertoornt Zich verschrikkelijk, zo zegt de Catechismus, beide over de aangeboren en werkelijke zonden. De werkelijke zonden, dat zijn de zonden die je doet in je denken, praten, doen, en ook door niet te doen. Dat noemen we zonden van nalatigheid. Je doet de dingen niet, die je wel moest doen, als een zichtbaar bewijs van gebrek aan liefde voor en gehoorzaamheid aan God. Dat zijn de werkelijke zonden. De aangeboren zonden, dat zijn de zonden van Adam, die ook op mij zijn doorgegaan. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 15: Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht; welke is een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in de mens allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan; en zij is daarom
zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen.
En God wil die zonden, al die zonden, zo zegt de Catechismus, door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.).
Kan God de zonden dan niet vergeten? Kan Hij onze zonden dan niet door de vingers zien? De Catechismus zegt: Nee, dat wil God niet. Want Hij is heilig en rechtvaardig. En is het u niet genoeg, o mens, dat u God diep beledigd hebt, dat u Zijn heiligheid getart hebt, en dat u Zijn Godheid wilde aantasten? Wilt u nu nog een keer Zijn deugden en Zijn volmaaktheden aanranden? Buig toch voor Zijn rechtvaardige oordeel!
God wil een rechtvaardig oordeel vellen. Met tijdelijke straf in dit leven. En met de eeuwige straf, met het eeuwige lijden naar ziel en lichaam na dit leven in de hel: door God verstoten, maar niet van Hem verlost. In eeuwige wroeging en spijt. In eeuwig lijden, in eeuwige haat, tandenknarsend, zonder ooit nog een mogelijkheid van verzoening te verkrijgen.
Vergis u niet, gemeente, God Zelf heeft het zo gezegd. Op cruciale momenten, en ook nu, voert de Catechismus God Zelf sprekend in. Kunt u de wet volkomen houden? Nee, want er is geschreven (hoor, de allerhoogste God Zelf spreekt!): Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. Wie we ook zijn, vroom, ijverig, netjes, vriend van de wet of levend in de zonden, de vloek, de toorn van God rust op ons en dat is volkomen in overeenstemming met Gods Wezen, met Wie Hij is en met hoe Hij is: heilig en rechtvaardig en goed.
Dat was de tweede bedenking: Wil God de zonde echt straffen? Kan het echt niet anders? Zo denken we van onszelf allemaal. Dit is voor niemand van ons een vreemde vraag. Dit leeft in het diepst van het hart van ons allemaal. Maar bekering, dat wil zeggen: Je gaat anders denken. Hebt u ooit in uw leven hiervoor gebogen? Hebt u ooit van harte gezegd: ‘Heere, Uw doen is rein, Uw oordeel rust op de allerbeste wetten? Ik zal U geen onrecht toeschrijven, als U me weg doet, als U de uitvoering van Uw vonnis over mij voltrekt?’ Hebt u ooit uw handtekening gezet onder het vonnis van de vloek uit de Galatenbrief? Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. ‘Amen, Heere! Het is terecht, U hebt gelijk!’
Wat is het doel daarvan? Wat wil de Heere daarmee bereiken? Niet dat u zegt: ‘Heere doet U me maar weg. Laat U mij maar omkomen.’ Dat wil de Heere niet, en zo is de Heere niet. Het doel is dat u buigen zou. Dat u zeggen zou: ‘Heere, U hebt helemaal gelijk.’ Gods wonderlijke doel met deze strenge woorden is, om ons als mensen te vernederen. Om ons te laten bukken, en buigen, en breken. Om in ons hart plaats te maken voor Christus. De wet is gegeven om te veroordelen, met het doel om ons als veroordeelden tot Christus te brengen.
Want als u niets kent van de toorn van God over uw zonden, van het afschuwelijke van dat wat u tegen God gedaan hebt, dan heeft Christus ook geen waarde voor u. Maar als de Heere je echt laat zien wie je bent, en als Hij je iets laat zien van Wie Hij is, de heilige God die voldoening, Die volkomen betaling eist voor al je zonden, wat kan het dan benauwd worden in je hart. Maar wat krijgt Jezus Christus dan ook waarde voor je ziel! Als in de verte of dichterbij het licht valt op Hem, en dat tegen de donkere achtergrond van mijn schuld tegenover de heilige God.
Zonder diep te buigen voor God, zonder jezelf te veroordelen en je te laten veroordelen door het Woord van God, krijgt Christus geen waarde. Maar aan die schuldverslagen zondaars, die buigen voor God, die Hem hun schuld erkennen en die voor Hem belijden, aan zulke zondaars wil de Heere juist laten zien, dat God de zonden ‘eer Hij die ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus.’
God leidt mensen verschillend. Maar één ding hebben al Gods kinderen gemeenschappelijk: zonden werden voor hen echt hun zonden, hun zonden tegen God. ‘Mijn zonden zie ik mij steeds meer voor ogen zweven. Ik heb tegen U, ja, U alleen misdreven. Ik gevoel steeds meer de grootheid van mijn kwaad. Uw wet klaagt me aan en Uw heiligheid veroordeelt me.’ Ik leer als een arme zondaar met de stokbewaarder vragen: ‘Heere, wat moet ik doen om zalig te worden?’ Hebt u dat, gemeente, ooit al leren vragen? Hebt u ooit leren bidden, wat we nu samen gaan zingen uit Psalm 51? Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad, Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden, En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Gods offers zijn een gans verbroken geest, Door schuldbesef getroffen en verslagen; Dit offer kan Uw heilig oog behagen; 't Is nooit, o God van U veracht geweest.
Gemeente, het gaat vanmiddag over drie bedenkingen: Doet God niet oneerlijk? Wil God de zonde echt straffen? Nu in onze derde gedachte de derde bedenking, de derde gedachte:
Vraag 11 vraagt: Is dan God ook niet barmhartig? Het antwoord zegt: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
Ik geef het zomaar niet op. En valt een straaltje licht op mijn benauwde en verbroken hart, maar voordat ik het weet, heb ik weer een volgende uitvlucht. Wat is er een Goddelijk geweld nodig, om al onze uitvluchten te breken, om ons werkelijk te laten buigen voor Hem en om ons aan Jezus’ voeten te brengen.
Ja, zo zegt het antwoord, God is wel barmhartig. Daar is heel ons leven ook vol van. Van Gods barmhartigheid en goede zorg: thuis, op school, op de club, op de catechisatie, in het gezin, in de familie, in de kerk, overal. De dichter van Psalm 119 zegt: HEERE, Uw barmhartigheden zijn vele (Psalm 119:156). God is rijk in barmhartigheid! Maar ja, dat is niet hetzelfde als: door de vingers zien, tolerant of toegeeflijk zijn. Want ouders die nooit straffen, vaders en moeders die alles door de vingers zien, die zijn ten diepste eigenlijk helemaal niet barmhartig. Die zijn misschien wel eerder wreed.
De Catechismus zegt: Het is waar, God is zeker barmhartig. Maar Hij is ook rechtvaardig. Beiden, allebei! En dat botst niet, dat is echt niet tegenstrijdig. Trouwens, de Heere heeft het Zelf gezegd. Zo ben Ik, Mijn Naam is: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft (dat wil zeggen: Ik ben barmhartig!) en Die (ook) de schuldige geenszins onschuldig houdt (dat wil zeggen: Ik ben ook rechtvaardig) (Exodus 34:6Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.,7).
Een God Die liefde is, en Die de zonde door de vingers ziet, bestaat niet. Dat is een droom, dat is een waan, dat is een godsbeeld dat je zelf in je hoofd gemaakt hebt. En een God Die alleen maar straft en wraak neemt, en Die zonder barmhartigheid is, die bestaat ook niet. Dat is ook een droom, een waan, een godsbeeld dat je zelf in je hoofd gemaakt hebt, of dat andere mensen daarin gestopt hebben. God is barmhartig en rechtvaardig. En, zo zegt de Catechismus: daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft zal worden. Mijn zonde, dat is niet zomaar een foutje, dat is geen klein overtredinkje, mijn zonde is
zonde tegen de allerhoogste majesteit van God. Het is majesteitsschennis, het is diepe belediging van de hoogste Koning, van Zijn goedheid en van Zijn heiligheid.
En Gods gerechtigheid eist straf. Die eis staat en blijft staan. Wat je ook doet, of wat je ook denkt te kunnen doen of te hebben: de eis blijft. U en ik, wij hebben de doodstraf verdiend. Dus is dit het einde van welke mogelijkheid dan ook om onszelf te verlossen. Dat is uitgesloten! Als God Zijn recht handhaaft, als Zijn eis blijft bestaan (en die blijft bestaan!), dan is er voor ons geen doen meer aan. Zo U, HEERE, mijn ongerechtigheden gadeslaat (dat wil zeggen: als U die aandachtig onderzoekt en weegt; en dat doet de Heere) wie zou dan bestaan? (Psalm 130:3Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?) Ik niet. U ook niet. Niemand!
Waarom laat God degene die deze vraag stelt hier zo beven? Eisend, toornend, terwijl God de vloek uitspreekt, en de vraagsteller als het ware steeds meer in het nauw brengt en laat vastlopen? Hij komt steeds meer in de klem, Hij moet met de dichter zeggen: ‘Ik wil vluchten, maar ik kan nergens heen.’ Waarom? Om hem en ons vooruit te duwen naar de volgende vraag: ‘Heere, is er dan nog wel een weg? Is er nog een andere weg?’ ‘Ik weet het niet meer. Ik zie geen weg meer. Al mijn deugden, alles waarvan ik dacht dat het goed was, het is allemaal een wegwerpelijk kleed, het is allemaal waardeloze rommel. Is er nog een weg bij U vandaan?’ ‘Ik heb U, Heere, zo vaak geschonden, ik heb U zo diep beledigd, ik heb U zo hard op het hart getrapt. Is er nog een weg waarin U groot en heerlijk wordt? Een weg waarin mijn ziel gered kan worden?’
Wat een wonder als dan straks blijkt, dat die twee, die voor ons verstand zo onverenigbaar lijken, genade en recht, barmhartigheid en rechtvaardigheid, elkaar vriendelijk en in vrede hebben ontmoet in Christus Jezus.
God Zelf heeft een weg gebaand. Hij heeft de zonde gestraft, en de straf op Hem, op Jezus Christus gelegd. Hij droeg de vloek. Door Zijn striemen is ons genezing gebracht. De hitte van Gods toorn is over Hem uitgestort. Het zwaard is ontwaakt tegen Hem, tegen de goede Herder. De Heilige is veroordeeld als een misdadiger en als een lam is Hij geslacht op Golgotha. De zonde is gestraft. Hoort u dat, verbroken zondaars? De zonde is gestraft. En God is rechtvaardig. En dus hoeft de zonde niet twee keer gestraft te worden. De straf is gedragen, de prijs is voldaan. En daarom kan een zondaar in het Goddelijke gericht worden vrijgesproken.
O, diepte van Goddelijke wijsheid. Al de deugden, al de volmaaktheden van God zijn verheerlijkt en groot gemaakt om de ziel van een misdadiger te redden.
Onze belijdenis zegt: Wij geloven dat God, Die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, (…), Zijn rechtvaardigheid bewezen heeft tegen (!) Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons (!), die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons (!) gevende Zijn Zoon in de dood door een zeer volkomen liefde (…)
Door een zeer volkomen liefde. De tekenen van die liefde mogen Gods kinderen zien met hun ogen, tasten met hun handen en proeven met hun mond bij de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal. Zijn lichaam is om onze overtredingen gebroken. Zijn bloed is om onze misdaden vergoten. God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren (Romeinen 5:8Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.). Hij, Christus, heeft gedaan wat wij niet wilden en niet konden: Gods Naam verheerlijkt, Gods eis voldaan, onze straf weggedragen, onze schuld verzoend en de hitte van Gods toorn voor ons geblust. En de tekenen van het sacrament (en daarom is het sacrament van het Heilig Avondmaal zo troostvol voor Gods kinderen), die tekenen laten zien en proeven: Ik deed dat voor u, Mijn kind. Mijn hart brak voor u. Ik vergoot Mijn bloed voor u. Daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.
Dat was de derde bedenking: God is toch ook barmhartig? Zo denken we van onszelf allemaal. Dit is geen vreemde vraag. Dit leeft van nature in het hart van ons allemaal. Bekering wil zeggen: anders gaan denken, van gedachte veranderen in het diepst van ons hart. God is barmhartig, zeker, maar er moet ook betaald worden voor mijn zonden en voor mijn schuld.
Deze Zondag van de Catechismus wil ons meer en meer ontmaskeren, wil ons meer en meer overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Deze vragen willen ons vanmiddag ontmaskeren als mensen die rondlopen met verkeerde gedachten over God. Als mensen die God de schuld geven. Als mensen die zelf uitvluchten zoeken, zonder er ooit ergens een te vinden. Als mensen die zichzelf niet kunnen redden, en die zichzelf nooit meer kunnen terugbrengen bij God.
Waarom? Waarom zijn Gods woorden opnieuw zo scherp? Om u af te brengen van uw eigen weg, waarin u nog hoopt op iets van uzelf. Om u te maken tot een arme zondaar, die niets anders meer overheeft dan lege handen. Om u te maken tot een mens die gered moet worden.
Geliefde gemeente, een andere weg is er niet! Echt niet! Die is er echt helemaal niet! Maar deze weg is er wel.
Volgende week gaat de Catechismus die weg verder uit de doeken doen. Maar neem het nu alvast mee naar huis: Er is een geopende weg! Er is een overvloedige fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid (Zacharia 13:1Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.). Niemand is te zondig, niemand is te slecht, niemand is te verloren. Er is een Naam gegeven onder de hemel waardoor verloren zondaars zalig kunnen worden. Waardoor verloren mensen, dwars door een vloed van overtuiging, van verdriet en heimwee, van berouw en verslagenheid heen, gered kunnen worden, en gebracht zullen worden tot vergeving en verzoening met God. Het is de Naam van Jezus Christus.
Jongelui, je hart is door en door slecht. Maar hoor de goede boodschap van onze lieve Heere en Meester: Je kunt zalig worden! O, beter bericht voor zondaars is er niet: Laat je zalig maken! Laat u, geliefde gemeente, door Jezus Christus, met God verzoenen.
Amen.
Slotzang Psalm 90:1, 9:
Gij zijt, o HEER’, van d' allervroegste jaren Voor ons geweest een toevlucht in gevaren. Eer berg en rots uit niet geboren waren, Eer d' aarde rustt' op hare grondpilaren, Van eeuwigheid, o God Die eeuwig leeft, Zijt Gij de God, Die eind noch oorsprong heeft.
Laat Uw genâ ons met haar troost verrijken, En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken, Uw heerlijkheid niet van hun kind'ren wijken; Uw liefd', Uw macht behoed' ons voor bezwijken; Sterk onze hand, en zegen onze vlijt; Bekroon ons werk, en nu, en t' allen tijd'.
Andere preken over Zondag