PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 24: Goede werken (serie 2)

Zondag 24 · 25 mei 2025

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 24 (serie 2)

INLEIDING

Deze catechismuspreek over Zondag 24 over de goede werken vertrekt vanuit de zondares in het huis van Simon de farizeeër, wier tranen en zalving lieten zien dat wie veel vergeven is, veel liefheeft. Zo wordt echte godsdienst getekend: geen uiterlijke plicht, maar een levende verbinding van de ziel met God, die vrucht draagt in liefde en goede werken. Deze goede werken verdienen niets, want zelfs de beste zijn onvolkomen en met zonde bevlekt; toch wil God ze belonen, niet uit verdienste maar uit genade; en waar Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, kunnen vruchten der dankbaarheid onmogelijk uitblijven.

THEMA

Onze goede werken

KERNPUNTEN

  1. Onze goede werken, ze verdienen niet
  2. Onze goede werken, ze worden wel beloond
  3. Onze goede werken, ze worden ook gezocht

ZONDAG 24

Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?
Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

Vraag 63: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

Vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?
Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 24: Goede werken (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 24

THEMA

Onze goede werken

Geliefde gemeente, Zondag 23 ging over hoe de Heere het weer goed maakt tussen de heilige God en zondige mensen, over hoe Hij zulke mensen rechtvaardig maakt voor Hem. Aan mijn kant is alles verloren, ik heb tegen God gezondigd! Maar God! Nochtans God! Zonder enige verdienste van mijn kant, uit pure genade, onverdiend, schenkt de Heere mij alles van Christus: Zijn betaling voor mijn schuld. En Zijn gerechtigheid en heiligheid schrijft Hij op mijn rekening, alsof ik nooit zonde had gedaan en altijd gehoorzaam was geweest.

Als je dat van de Heere krijgt, als je zoveel van de Heere gekregen hebt, dan gaat dat blijken, dan ga je dat zien aan je leven. Zoals we dat zojuist zagen, toen we lazen in Lukas 7, over de zondares in het huis van Simon de farizeeër. Laten we er nog even naar terugkijken. Naar Lukas 7, te beginnen bij vers 36, en dan lezen we door tot en met vers 38: En een der Farizeeën bad Hem dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeeërs huis, zat Hij aan. En zie, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande dat Hij in des Farizeeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf. En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf (Lukas 7:36-38).

Ze staat alom bekend als een zondares. Dit is niet iemand die je, als je Simon de farizeeër heet, graag bij je gasten hebt. Ze komt binnen, en terwijl ze bij de voeten van de Heere Jezus staat, rollen de tranen over haar wangen: tranen van verdriet om zoveel zonden, en tranen van blijdschap en verwondering. Omdat die vergeven zijn, om Hem, door Hem. Haar tranen druppen op Zijn voeten, die ze afdroogt met haar haar. En zij kust Zijn voeten en zalft ze met zalf. Wat een verdriet, wat een schaamte. En wat een liefde, hoogachting en eer, voor Jezus. Heb jij de voeten van Jezus ook wel eens nat gemaakt met je tranen?

Simon heeft het gezien, en hij ergert zich groen en geel. Hij zegt bij zichzelf (in vers 39): Deze, indien Hij een profeet was, zou wel weten wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.

En dan antwoordt de Heere (in vers 40-42): Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het. Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig; en als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben?

Simon – die snapt wat er gaat komen – zegt: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft (vers 43). Ja, dat klopt, Simon, wie veel vergeven is, heeft veel lief. Kijk eens goed naar die vrouw: Jij hebt Mijn voeten niet gewassen. Zij wel, met tranen. Jij hebt Mij geen kus, als groet, gegeven. Zij heeft niet opgehouden Mijn voeten te kussen. Jij hebt Mijn hoofd niet gezalfd. Zij heeft Mijn voeten gezalfd. Daarom zeg Ik u (vers 47): Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad. Dat betekent niet: zij heeft veel liefgehad, en daarom is haar veel vergeven. Maar dat betekent: dat haar veel vergeven is, Simon, dat kun je aan haar zien. Je ziet, dat haar hart aan Mij verbonden is. Dat haar zonden vergeven zijn, kun je zien aan haar liefde voor Mij. Is dat ook aan jou, aan u en aan mij te zien?

Wat je hier ziet, jongelui, is dat echte godsdienst niet bestaat uit braaf je best doen, in de hoop dat je daardoor beter wordt. Dat komt uit jezelf. Echte godsdienst bestaat uit een levende verbinding van je ziel, met God. En dat komt uit God. Die Zijn liefde heeft uitgestort in je hart. Wat zichtbaar wordt aan je liefde tot Hem, en aan goede werken. Over zulke goede werken gaat Zondag 24 van de Catechismus. Laten we de vragen en antwoorden 62, 63 en 64 samen gaan lezen:

Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk (deel) daarvan zijn? Antwoord: Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn. Dat antwoord gaat over: Onze goede werken verdienen dus niet.

Vraag 63: Hoe? (Hoezo?) Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen? Antwoord: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade. Dat antwoord gaat over: Onze goede werken worden wel beloond.

Vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Antwoord: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Dat antwoord gaat over: Onze goede werken worden ook gezocht.

Zondag 24 gaat over: Onze goede werken Dat is het thema voor de preek van vanmiddag.

We letten samen op drie aandachtspunten. Ik heb ze inmiddels al genoemd. Onze goede werken: 1. Ze verdienen niet 2. Ze worden wel beloond 3. Ze worden ook gezocht Als eerste dus:

1. Onze goede werken, ze verdienen niet

Die gerechtigheid voor God, dat het weer goed moet komen tussen de Heere en je zondige hart, kun je daar zelf ook iets aan doen? Kan je daar zelf voor kiezen? Kan je dat zelf een beetje verdienen? Kan je daar zelf een beetje voor zorgen? Door? Nou, door goed je best te doen? Door zelf goede dingen te doen? Door zelf goede werken te doen? Door netjes te zijn, je best te doen, naar de kerk te gaan, goed te luisteren en op het rechte spoor te blijven? Door te proberen zelf te gaan geloven? Kan dat?

Nee! Denk maar aan wat Jesaja zegt: Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden (onze dingen die wij deden, waarvan we dachten dat ze best wel een beetje goed waren, ze) zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes. 64:6). Met andere woorden: wat jij en ik, wat wij van onszelf doen, is waardeloos! Daar verdienen we niets mee. Dat kan, als het over verdienen gaat, de kliko in.

Waarom? De Catechismus zegt: daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet. Wil je dat alles wat je doet of laat, voor God kan bestaan? Dan moet het volmaakt, dan moet het perfect zijn. Helemaal, absoluut helemaal zoals God het wil. Volmaakt heilig, volmaakt goed! Eigenlijk zoals God ons gemaakt had in het paradijs. Maar - en dat is waar dit antwoord ons aan herinnert - zo wilden wij zelf niet blijven. We hebben ons losgerukt uit dat heilige leven met God. We hebben onszelf van de goede gaven die God ons gaf, beroofd (Zondag 4). En sindsdien kunnen we ook niet meer heilig leven. Dat kunnen we wel proberen, maar dat is vergeefse moeite!

Tenzij onze gerechtigheid overvloediger is, dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën, we zullen het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan (Matth. 5:20).

Want dat alles van ons, wat voor het oog zo goed en zo mooi lijkt, verhult de werkelijkheid van ons hart, namelijk onze ongerechtigheid. Met die uiterlijke vermomming kunnen we voor God niet bestaan. Want God ziet het hart aan. God ziet naar waarheid in het binnenste (Ps. 51:8).

De Catechismus zegt: zelfs mijn beste werken zijn in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt. Mijn pogingen om zelf te kiezen, te komen en te geloven. Mijn Bijbellezen, mijn kerkgaan, mijn ijverig bidden, mijn stipte stille tijd houden. Ja, zelfs mijn zuchten om mijn zonden, ook na gekregen genade, alles van mij is onvolkomen en bevlekt... voor het oog van de heilige God. Die goede werken, die zijn niet goed! Alles wat ik probeer, alles wat ik doe, voldoet niet aan de eisen van Gods heilige wet. Het is met zonde bevlekt, en dus is er in Gods heilige ogen niets dat verdienen kan.

Dat geef je toe, dat stem je in, als je hart verbroken is voor God. Als je leert wat het betekent: zondaar, goddeloze te zijn, voor God.

Wat is het Evangelie dan toch bevrijdend, voor zulke mensen die volledig mislukt zijn. Voor zulke verloren mensen, voor zulke goddelozen, die eerlijk onder ogen zien: dat wat ik doe, is niet goed. In mij was en is niets goeds. Maar, dat was het Evangelie van Zondag 23, maar God! Nochtans God! Om Christus’ wil geeft God mij volkomen gerechtigheid en heiligheid. Mijn beste werken verdienden niets. Helemaal niets. Maar Christus verdiende alles. Echt alles. Voor mij. Zoveel genade, zoveel liefde wordt ongetwijfeld beantwoord met heel veel wederliefde. Dan wordt je leven anders, omdat er een levende verbinding is gelegd tussen God en je hart. Dan ga je uit liefde tot de Heere en in Zijn kracht leven voor Hem. Dan wordt je leven een godvruchtig, een godvrezend leven. Gericht op God, met een diep verlangen om voor Hem te leven. Dan ga je zingen, wat we nu samen eerst gaan zingen, voordat we verdergaan met ons tweede punt. Psalm 119 vers 49: Hoe lief heb ik Uw wet! Het is mijn doel, Den gansen dag haar ijv’rig te betrachten. Hoe listig ook mijn snode vijand woel’, ’k Heb wijzer geest en edeler gedachten Door Uw geboôn, wier kracht ik staag gevoel, Die ’k eeuwig zal met heil’gen eerbied achten. - - - - -

Onze goede werken, ze verdienen niet. Dat was ons eerste punt. Nu ons tweede aandachtspunt:

2. Onze goede werken, ze worden wel beloond

Vraag 63 vraagt: Hoezo? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen? Het antwoord: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

Vraag 63 zegt eigenlijk: maar hoe zit dat dan? Onze beste werken, waarmee wij iets proberen te verdienen voor God, die leveren niets op... Maar God zegt toch ook, dat Hij onze goede werken beloont. Dus, zie je wel, dan heb je er toch best wel wat aan...

Want God zegt dat Hij goede werken beloont. Bijvoorbeeld in Genesis 15:1: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. En in Psalm 19:12: In het houden van die (van Uw geboden) is groot loon. En wat te denken van Markus 10:29-30? Daar zegt de Heere Jezus: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil, Of hij ontvangt honderdvoud (loon), nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Dat is nog eens loon: het eeuwige leven zelf! Dus blijkbaar dragen die goede werken toch een steentje bij! Of niet soms...?

Maar de Catechismus zegt: deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade! Gemeente, dit raakt aan de vraag: wat is de kern, wat is het wezen van echte godsdienst? Echte godsdienst is niet een kwestie van allerlei uiterlijke plichten doen: netjes leven, in vrede leven met je medemens, naar de kerk gaan, stille tijd houden…, in de hoop dat je daar beter van zult worden. Nee, echte godsdienst bestaat uit een levende verbinding van je ziel met God. Die God daarin gelegd heeft. Niet jijzelf, maar God. Waardoor het beeld van God door God op je ziel getekend wordt. Zoals Paulus zegt: Christus krijgt een gestalte in je (Gal. 4:19).

Waardoor je leven een godvruchtig, godvrezend leven wordt. Gericht op God, met diep verlangen om voor Hem te leven! Niet verplicht door geboden, niet onder dreiging van straf, maar uit liefde tot God. Die door God is uitgestort in je hart. Uit liefde tot God komt er een verlangen om heilig voor Hem te leven. Want God is heilig. Zo'n door God nieuw gemaakt hart wil niets liever doen dan dat wat God wil. Het wordt gedreven door een diep verlangen naar God en naar volmaaktheid. Het is Gods vernieuwende genade die zo'n hart vult met liefde tot God en mensen, met zuiverheid en met een diepe afkeer van de zonde. Met ootmoed, met besef van eigen geringheid en kleinheid. En met een diep besef dat je alles te danken hebt aan Gods

genade. En dat alles leidt tot een nieuwe gehoorzaamheid. En als de Heere dan Zelf die liefde en gehoorzaamheid in ons hart werkt, dan gaat de Heere Zelf die liefde (die Hij Zelf gewerkt heeft) vergelden. Met genadeloon.

Wat is dat loon, dat genadeloon, dan...? De Heere Jezus zegt: Die Mijn geboden heeft en dezelve bewaart, die is het die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van (door) Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren (Joh. 14:21). De Vader zal hem liefhebben. En Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. Dan zal de Heere zo iemand meer licht en genade geven. Meer laten proeven van Zijn zoete gunst en nabijheid, en van de vrede met Hem. Dan mag Gods volk meer van de liefde van God en van Christus geloven, zien en ervaren, omdat de Heere die liefde meer en meer laat zien en voelen.

Dus dat genadeloon wordt niet uitbetaald in voorspoed. Ons leven, als kinderen van God, wordt in die zin geen leven van vooruitgang, roem, rijkdom of eer. Ons leven is en blijft een leven van kruisdragen, van smaadheid verdragen om Christus' wil. En, schrijft Petrus, dat is genade van God. Omdat dat kruis van dit moeilijke leven licht werpt op het kruis van de grote Kruisdrager. Die om de vreugde Hem voorgesteld het kruis verdragen heeft en de schande veracht heeft. Verlangend naar het loon op Zijn werk, verlangend naar de hemelse heerlijkheid. Maar midden in dat voor ons vaak moeilijke leven, kinderen van God, is er dit genadeloon: dat ons kruis oplicht en licht werpt op Christus. Dat in de donkere nacht om Hem, Gods vriendelijk aangezicht ons toestraalt, zoals Psalm 16 daarvan zingt in het vierde vers: Ik zal de HEER’, die Mij getrouwen raad Gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen, Daar ’t Godd’lijk licht Mij toestraalt vroeg en laat, Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen.

Als de Heere licht laat vallen op Hem, op Zijn Christus, en op Zijn weg, dan is dat ons meer waard dan het fijnste goud op aarde. Dan krijgen we meer vreugde in ons hart, dan anderen smaken in een tijd van weelde en overvloed. Want God, de liefde van de Vader, de liefde van Christus, is ons alles. Want, zoals ik aan het begin zei, de kern van het leven met de Heere is: dat er door het geloof een band gelegd is met God. En de vrucht en de vreugde daarvan, is liefde! Liefde tot God, liefde die verlangt om voor Hem te leven.

Dit is niet een genadeloon, waar ik trots op word. Het woord alleen al: genadeloon. Dat is loon dat ik niet verdiend heb. Dit is loon, dat mij ootmoedig en dankbaar doet buigen aan Gods voeten. En in stilte laat zeggen: 'Heere, dit leven met U is zo goed. En dit leven met U is zo onverdiend door mij. Heere, U, en U alleen, de eer voor alles!'

Zo beloont de Heere Zijn eigen werk in de harten van Zijn kinderen. In de weg van een nauw leven met Hem, ver van de zonde en met diepe eerbied voor Zijn heiligheid. Zo'n leven, van Hem gekregen, beloont de Heere uit genade met Zijn liefde, gunst en zegen.

Anderzijds beloont de Heere een slordig leven van Zijn kinderen – weg dwalend van het Woord, levend in de zonde, zonder diepe eerbied voor Zijn driemaal heilige Naam – met donkerheid. Met het inhouden van Zijn zegen, met tanende liefde en geestelijke dorheid. En uiteindelijk met het weren van de kandelaar van zijn plaats. Kinderen van God, laten we de Heilige Geest niet bedroeven. Zoals Paulus vermaant als hij schrijft: En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing (Ef. 4:30). Het verlies van het besef van Gods hoogheid, Zijn heiligheid, een slordig leven, genade vervangen door werken of trots worden op eigen werken, het zal vroeg of laat leiden tot veel geestelijke koudheid, armoede en doodsheid.

Geliefde gemeente, laten we waken en bidden. Laten we het eenzijdige werk van God niet vervangen door wat we zelf in elkaar prutsen. Laten we het diepe besef van Gods heiligheid niet vervangen door horizontaal denken en spreken over God. Laten we het volmaakte werk van Christus niet vervangen door de dodelijke illusie dat we samen kunnen werken met God. Want dan dooft het licht van Gods gunst. Dan verliezen we de genade, dan verliezen we genadeloon. En dan dreigt hetzelfde als in de tijd van Eli. Namelijk dat er voor het oog nog wel godsdienst is, een tabernakel, een kerk, maar dat ondertussen op de deur daarvan geschreven staat: Ikabod! De heerlijkheid is geweken.

Leef nauw, kinderen van God. Leef in het diepe besef van Wie God is. Hij is heilig, heilig, heilig. Leef ver bij de zonde vandaan. En leef van genade. Van de onverdiende genade van Christus. En van de hele Christus, Die dit alles doet. En Die alle eer krijgt voor Zijn werk. Alleen zo zullen we, en persoonlijk en als gemeente, in Gods gunst ervaren wat Asaf zingt in Psalm 73: Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen (Ps. 73:28). Zo, zo alleen kun je, persoonlijk en ook als gemeente, leven met God. Gericht op de komende dag der eeuwigheid. Zoals de apostel Petrus zegt: nu al deelachtig aan de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden (1 Petr. 5:1). De vreugde, het plezier van de wereld, kan je gestolen worden. De zonde kan je gestolen worden. Al dat gemakkelijke praten over God en Jezus, zonder eerbied en vrees, kan je gestolen worden. Al dat zelf kunnen geloven, dat vertrouwen op je eigen goede werken, kan je gestolen worden. Als je mag leven van het wonder.

Dat God naar je omgezien heeft. Dat God je als een goddeloze gerechtvaardigd heeft door het bloed van Christus, Dat God je de heiligheid van Christus schenkt, alsof je zelf volmaakt heilig was. En nu, hoe dichter en teerder je leeft in de nabijheid van de Heere, hoe meer je dat mag zien en geloven. Hoe meer de Heere je dat genadeloon gaat geven: meer geloof, hoop, liefde en zekerheid. En ook meer ootmoed, dieper buigend en vrezend komend tot de Heere en Zijn goedheid (Hos. 3:5).

We gaan verder met ons derde aandachtspunt:

3. Onze goede werken, ze worden ook gezocht

Vraag 64 vraagt: Maar maakt deze leer geen zorgeloze en goddeloze mensen? Het antwoord: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Deze leer van: de rechtvaardiging van de goddeloze… Deze leer van: dat onze beste werken onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn, en dus: niets verdienen… Maakt ons dat zorgeloos? Of goddeloos?

Wat? Zou dit ons zorgeloos of goddeloos maken? Nee, zo maakt deze leer ons niet, zo zijn we van onszelf! En genade, onverdiende genade maakt ons juist anders. Als de Heere Zijn liefde uitgestort heeft in je hart, dan kan het niet anders, dan komt er terugliefde in je hart tot God. Als de Heere genade in je hart gewerkt heeft, en door het geloof een band gelegd heeft met Hem, dan is de eerste vrucht die daaruit voortkomt: liefde! Liefde tot God, en liefde tot de medemens. Zoals ik in het begin zei: echte godsdienst bestaat uit een levende verbinding van je ziel met God. Waardoor het beeld van God op je ziel getekend wordt. Christus krijgt een gestalte in je. Waardoor je leven vanzelf een godvruchtig leven wordt, met liefde gericht op God en met een diep verlangen om heilig voor Hem te leven.

En dus zegt de Catechismus: het is gewoon onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Het is gewoon onmogelijk dat je genade kent, en geen diep verlangen hebt om de Heere te dienen. Dat is uitgesloten!

Ondertussen blijft het wel de verdrietige werkelijkheid van ons leven, wat Jakobus zegt: Wij struikelen allen in vele (Jak. 3:2). Het lukt ons maar niet om te leven, zoals we zouden willen. We hebben tot ons verdriet nog maar een klein beginsel van gehoorzaamheid. We wilden zo graag dat het meer, dat volmaakt zou zijn, maar dat is het niet! En we moeten blijven vechten tegen onze oude natuur. Want het vlees begeert tegen de geest (Gal. 5:17). Wat we willen, doen we zo vaak niet. En wat we niet willen, doen we zo vaak wel.

Maar dat goede, dat liefhebben van de Heere en van Zijn dienst, dat komt ook niet uit ons. Dat is vrucht van de genade die de Heere in de harten van Zijn kinderen heeft geplant. Hij, Die Zijn volk roept tot heiligheid, is Degene Die hen Zelf heilig maakt. En Die ons vruchten laat voortbrengen van dankbaarheid, om Hem te dienen, zoals Zacharia zingt: zonder vreze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven (Luk. 1:74-75).

Kinderen van God, heiligheid, gegeven heiligheid en goede werken moeten ons leven sieren. Heiligheid in denken, verlangen, woorden, daden en goede werken. Want onze God is heilig. En Hij wil ons heilig maken. Tot een heilig volk, een verkregen volk opdat we zouden verkondigen de deugden van Degene, Die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (zie 1 Petr. 2:9).

Met een hart dat bang is voor de zonde, bang om de heiligheid van God te schenden. Met een hart dat verlangt naar de liefde en de gunst van God. En dat geeft een biddend en afhankelijk leven. Biddend met de dichter van Psalm 119: Heere, wend mijn ogen van de ijdelheden af (Ps. 119:37). Laat mijn ziel niet kleven aan het stof.

Biddend met de dichter van Psalm 19 vers 7 (ber.): Weerhoud, o HEER’, Uw knecht, Dat hij zijn hart niet hecht, Aan dwaze hovaardij, Heerst die in mij niet meer, Dan leef ik tot Uw eer, Van grote zonden vrij. Amen.

Slotzang Psalm 19:7:

Weerhoud, o HEER’, Uw knecht, Dat hij zijn hart niet hecht, Aan dwaze hovaardij, Heerst die in mij niet meer, Dan leef ik tot Uw eer, Van grote zonden vrij, Laat U mijn tong en mond, En ’s harten diepsten grond, Toch welbehaag’lijk wezen! O HEER’, die mij verblijdt, Mijn rots en Losser zijt, Dan heb ik niets te vrezen!