Zondag 23 · 11 mei 2025
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 23 (serie 2)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 23 vertrekt vanuit Romeinen 3, waar alle mond gestopt wordt en niemand rechtvaardig blijkt te zijn, totdat het "maar" van vers 21 doorbreekt: Gods rechtvaardigheid, geopenbaard door het geloof in Jezus Christus. Drie vragen worden beantwoord: dat de gelovige in Christus rechtvaardig is voor God en erfgenaam van het eeuwige leven; hoe dat kan, namelijk doordat God, ondanks een aanklagend geweten, de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent; en waardoor, namelijk alleen door het geloof, dat als een lege hand aanneemt wat God geeft, zonder enige eigen verdienste.
Rechtvaardig voor God
ZONDAG 23
Vraag 59: Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.
Vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Godszwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.
Vraag 61: Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?
Niet, dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet ander dan alleen door het geloof aannemen en mij toeeigene kan.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 23
THEMA
Rechtvaardig voor God
Geliefde gemeente, na de behandeling van de Twaalf Artikelen, waar het in de afgelopen weken over ging, komt Zondag 23 van de Catechismus nu bij de kernvraag van ons leven: Hoe komt het weer goed tussen God en ons hart? Want dat het niet goed zit, dat hebben we samen gelezen in Romeinen 3. Laten we daar eerst nog even naar kijken, voordat we verder gaan met Zondag 23.
Romeinen 3, beginnend bij vers 9 en 10: Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben tevoren beschuldigd beide Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn, gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Is er iemand beter dan een ander? Is er iemand goed voor God? Nee, niemand. Kijk maar naar vers 12: Allen (wij allemaal) zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot één toe.
Waarom zegt de Heere dat eigenlijk tegen jou en tegen mij? Kijk maar naar vers 19: Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat (dat is Gods bedoeling, opdat) alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Waarom de Heere dat tegen ons zegt? Opdat alle mond gestopt wordt. Hand op de mond, allemaal. Zwijgen. Want we zijn allemaal verdoemelijk voor God…
Het beeld is dramatisch, onvergetelijk, angstaanjagend. De boeken worden geopend (Openb. 20:12). Alles wordt voorgelezen. En iedereen krijgt de kans om te reageren. Ook ik, ook u, ook jij. Maar het blijft stil… Er komt geen antwoord… Alle mond gestopt… Onze mond gesnoerd… Want wij zijn zelf afgeweken van God. En daardoor zijn we zelf ook niet meer in staat om het ooit nog goed te maken.
Liefhebben de Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf? (Mat. 22:37-40). Het is uitgesloten. We kunnen en we willen het niet meer. Kijk maar naar vers 20: Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden. Door ons komt het nooit meer goed.
Punt. Punt uit… Nee, vers 21: Maar! Onze toestand is duister en somber. En die duisternis is onpeilbaar, universeel. Maar plotseling breekt er licht door. De hoop herleeft. Geen licht van beneden, maar licht van boven. Een gerechtigheid van God. Hij schiet te hulp. Om mensen te redden, die het niet waard zijn om ooit nog gered te worden.
Kijk maar naar vers 21 en 22: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de Wet en de Profeten: Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus. Het kan weer goed komen tussen God en de mens, tussen God en jou. Maar niet door je eigen inspanning. Niet door het houden van de wet. Maar wel door de hoop op al die eigen inspanningen op te geven. En je te verlaten op en te vluchten naar Christus!
Vers 23 en 24: Want zij (en wij) hebben allen gezondigd, en derven (missen) de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd (zonder iets van ons), uit Zijn genade (alleen door wat de Heere ons geeft, ons toerekent) door de verlossing die in Christus Jezus is. Tot (vers 25) een Verzoening door het geloof in Zijn bloed.
Mensen, dit is de weg. Dit is de enige weg om zalig te worden. Zelf proberen, zelf doen is een doodlopende weg. Maar God heeft, midden in onze onmogelijkheid, een weg gebaand door het bloed van de gekruisigde Christus.
Daarover gaat Zondag 23. Over rechtvaardig worden en rechtvaardig zijn voor God. Over wat dat is? En over: hoe dat kan? En waardoor dan? Laten we Zondag 23 samen met elkaar gaan lezen. De vragen en antwoorden 59, 60 en 61:
Vraag 59. Maar wat baat het u (wat heb ik daaraan?) nu dat u dit alles gelooft? Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam van het eeuwige leven. Dit gaat over: dat ik rechtvaardig ben.
Vraag 60. Hoe bent u rechtvaardig voor God? Antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn geweten aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem. Dat gaat over: hoe ik rechtvaardig ben.
Vraag 61. Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent? Antwoord: Niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof aangenaam ben voor God; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan. Dat gaat over: waardoor ik rechtvaardig ben.
Dus Zondag 23 gaat over: Rechtvaardig voor God. Dat is ook het thema van de preek: Rechtvaardig voor God
Er zijn drie aandachtspunten: 1. Dat ik rechtvaardig ben 2. Hoe ik rechtvaardig ben 3. Waardoor ik rechtvaardig ben Dus, rechtvaardig voor God: dat, hoe en waardoor. Als eerste dus:
voor God Na alles wat de Catechismus uitgelegd heeft over de Twaalf Artikelen, komt nu de vraag, vraag 59: Maar wat baat het u nu (wat is de winst, wat is het voordeel daarvan, wat hebt u daaraan?) dat u dit alles gelooft? Het antwoord zegt: Dat ik in Christus rechtvaardig ben voor God.
Eerst maar even die laatste twee woorden van het antwoord: voor God. Want je kan ook rechtvaardig zijn in de ogen van de mensen. De ouderlingen zeiden over de hoofdman over honderd die de synagoge in Kapernaüm gebouwd had: ‘Heere, hij is het waard dat U zijn stervende knecht weer beter maakt.’ (Luk. 7:4Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet;) Zelf dacht hij er trouwens anders over, toen hij zei: Ik ben het niet waard dat U onder mijn dak zou inkomen (Lukas 7:6).
Je kan rechtvaardig zijn in de ogen van anderen. Je kan ook rechtvaardig zijn in de ogen van jezelf. Denk maar aan Saulus van Tarsen. Hij zegt: Naar de ijver (was ik) een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid die in de wet is, zijnde (in mijn eigen ogen) onberispelijk (Fil. 3:6).
Misschien zegt u dat (misschien iets minder stellig dan Paulus, maar toch) ook wel van uzelf. Nee, perfect ben ik niet. Maar toch, wat mij betreft is er op mijn leven niet echt veel aan te merken. Ik doe stipt wat de Heere aan me vraagt, althans dat probeer ik altijd wel te doen...
Maar luister, het gaat er niet om, wat de mensen van je denken. Het gaat er ook niet om, wat je zelf van jezelf vindt. Maar we staan voor God. De vraag is, voor u en voor mij, bent u rechtvaardig voor God?
Die volmaakte gehoorzaamheid eist aan al Zijn geboden. In doen en laten, in spreken en zwijgen, in denken, willen en verlangen. In alles! En Die de schuldige niet onschuldig houdt. En dus zegt Paulus in Romeinen 3:10: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. En dus zegt David in Psalm 143: En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps. 143:2).
Maar zegt dit kind van God in de Catechismus: in Christus… In Hem ben ik voor God rechtvaardig... Gods rechtvaardigheid, die volmaakte gehoorzaamheid eist, ontnam mij ieder weerwoord, legde mij de hand op de mond, legde mij op de grond. Maar Christus ging in mijn plaats staan. Ik strekte in de nood van mijn leven mijn lege handen naar Hem uit. Ik vluchtte tot Hem. En zag: dat Hij gehoorzaam wilde zijn in mijn plaats. Dat Hij de vloek voor mij wilde dragen. Dat Hij mijn schuld betaalde. Ik zag het… De Heere liet het mij zien. Ik zag het… En geloofde het. En nu ben ik door het geloof in Hem, om alles wat Hij deed voor mij, rechtvaardig voor God.
En dat geldt voor iedereen die in Christus is. Dat geldt voor al Gods kinderen. Of en in welke mate zij dat durven geloven of niet…, maar dit geldt voor al Gods kinderen.
Wij zijn in Christus voor God rechtvaardig. Zelf hebben we het nooit gezocht. Zelf hebben we er niets aan gedaan. We hebben alleen maar tegengewerkt. Maar God! Hij deed het. Hij entte ons in in Christus, Hij verenigde ons met Hem. Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.).
In Christus rechtvaardig voor God, en erfgenamen van het eeuwige leven. We waren erfgenamen van de dood, van de hel en van de eeuwige ondergang. Maar sinds de Vader ons uit genade aangenomen heeft tot Zijn kinderen, heeft Hij ons recht gegeven op een andere, op de hemelse erfenis. Ook dat kwam niet van ons. Dat alles deed de Heere.
Gemeente, als u nu eerlijk naar uw leven kijkt, bent u dan, ben jij dan rechtvaardig voor God? Nee, niet even een snelle conclusie. Maar eerlijk kijken naar je hart en leven… Waar leeft u van? Van het feit dat u uzelf best wel goed vindt? Van het feit dat u in de ogen van anderen niet slecht bent? Van het feit dat u zelf een betere keus gemaakt hebt dan anderen, die dat niet zouden kunnen of durven?
Of weet u ervan, dat u met al uw vermeende goedheid onderuit bent gegaan? Op de grond terecht gekomen voor God, als een vijand, als een goddeloze? Als een mens met een hart vol van ongerechtigheid? De mond gesnoerd? ‘U hebt gelijk, Heere: er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Ook ik niet’? Maar! Uit genade, door God opgeraapt. En gebracht tot het geloof ‘in de verlossing die in Christus Jezus is’ (vers 24). En zo door Hem teruggebracht bij God? Door Hem, die ooit van Zichzelf zei: Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Mark. 2:17En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.)? Als een dode tot leven gewekt? (Rom. 4:17(Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;) Als een vijand met God verzoend? (Rom. 5:10Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.) Bent u, ben jij ook in Christus rechtvaardig voor God? Dan wacht ook u, dan wacht ook jou straks de erfenis van het eeuwige leven.
Voordat wij verder gaan met ons tweede aandachtspunt, zingen wij nu eerst Psalm 32:1: Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Die van de straf voor eeuwig is ontheven; Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt. Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren, Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren, En die in 't vroom en ongeveinsd gemoed, Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt.
Ons tweede aandachtspunt:
voor God? Vraag 60 vraagt: Hoe bent u rechtvaardig voor God? Het antwoord zegt: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn geweten aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt (geeft) en toerekent (op mijn rekening schrijft), evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.
Het antwoord is één lange zin, die in het midden ervan aangeeft, hoe dit kind van God hierin staat: Mijn geweten klaagt mij aan. Ik heb een mij aanklagend geweten, als ik mezelf toets aan Gods Woord en aan Zijn heilige Wet. Mijn geweten klaagt mij aan, dat ik tegen al de geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb. Zegt jouw geweten dat ook? Ik heb tegen al Gods geboden zwaar gezondigd? Ik heb er niet één van gehouden?
Mensen, wurm je nu niet in het excuus van de rijke jongeling, die (tegen beter weten in) zei: ‘Al deze geboden heb ik onderhouden van mijn jeugd af aan.’ Want… hij kende zijn hart niet! Zegt toch alsjeblieft: ‘Ja, Heere, ook ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Ook ik heb U op het hoogste misdaan. Ook ik heb zwaar tegen U gezondigd’.
En (zegt dit kind van God), ‘t is nog erger: Ik ben nog steeds (ook nadat ik genade van de Heere gekregen heb) tot alle boosheid, tot alle zonden geneigd. Want de wortel, het begin van alle zonden, zit in mijn hart. Ik ben werkelijk tot alles in staat. Dat ik alles niet doe, dat is Gods genade, maar het zit er wel in, hier, in mijn hart!
Je zou er hopeloos van worden, toch? Als je iets gaat zien van wat Jesaja schrijft: Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (waardeloos!) en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden (misdadiger die ik ben voor God) voeren ons henen weg als een wind (Jes. 64:6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.). In je hart neergeveld, op de grond geworpen, gebroken voor God.
Het was niets met mij. Tegen al Gods geboden zwaar en menigmaal misdreven. Het is nog steeds niets met mij. Want ben tot op de dag van vandaag nog steeds tot alle boosheid geneigd En het zal van mij uit ook nooit iets met me worden.
Je zou er hopeloos van worden, toch? En toch, als de Heere je dat laat zien, bij het ontdekkende licht van Zijn genade…, ja, dan doet dat pijn. Om vernederd te worden. Want dat wil ik niet. Om te buigen. Want dat is zo tegen mijn natuur. En om te erkennen: Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig.
Maar tot hopeloosheid, tot wanhoop drijven, zal het je niet. Want het is God Die het doet. Gedreven door Zijn onbegrijpelijke zondaarsliefde. Niet om weg te stoten, maar om te brengen tot Hem. En dus laat de Heere juist in zulke ontdekking aan zonde, en in zulke verdere en diepere ontdekking aan zonde, ook altijd iets zien en proeven van Zijn liefde die trekt en van Zijn genade en barmhartigheid.
Vooral, door Zijn licht te laten vallen op Hem Zelf! Uitgedrukt in antwoord 60 in maar twee woorden. Maar het zijn twee woorden, die de kern van ons leven (nietwaar, kinderen van God?), die de kern van ons behoud geworden zijn: Nochtans God! Het is allemaal waar, wat hier staat over mij, maar God!
Maar God! Hij zegt, tegen dit onverbeterlijke, steeds weer blijvend zondigende kind van Hem: Maar Ik!
Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost (Jes. 44:22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.). Ik, de HEERE, uw Ontfermer (Jes. 54:10Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.).
Vanuit Mijn wet reken Ik u schuldig, doodschuldig. Maar vanuit Mijn Evangelie, om Mijn Christus, houd Ik u voor rechtvaardig. Want de gehoorzaamheid van Christus heb Ik op uw rekening gezet. En het handschrift van uw zonden heb Ik uitgewist door Zijn bloed (Kol. 2:14Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;).
Wat een wonder wordt dat in het leven van Gods kinderen. Niet als je dit voor jezelf gaat concluderen. Niet als je dit voor jezelf op een rij probeert te krijgen. Maar als de Heere Zelf in de nacht van je zonde-overtuiging, hier voor het eerst licht op laat vallen. En als de Heere daar later steeds meer licht op laat vallen.
Dan ga je geen stap vooruit. Dan word je geen groot christen. Dan ga je achteruit. Dan word je steeds meer een niets, een nul voor God. Omdat alles gaat schitteren van God, van Zijn eenzijdige liefde en genade. Omdat alles gaat schitteren van Christus, van Zijn werk. Omdat alles gaat schitteren van de Heilige Geest, Die je dingen laat zien en leert, die je nooit voor mogelijk had durven houden.
Zonder enige verdienste mijnerzijds… Zie je jezelf krimpen? Hier heb ik niets, maar dan ook helemaal niets aan gedaan. Uit louter genade. Dit was totaal onverdiend. Ondanks alles van mij. Maar God! Nochtans God!
Hij is het, Die mij (die zo veel, zo vaak en zo zwaar gezondigd heb, en die nog steeds zo slecht ben), Hij is het Die mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt. En toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad of gedaan.
Ik krijg de volkomen genoegdoening, de volmaakte betaling van Christus. Hij ging staan in mijn plaats. Met al de liefde van Zijn hart, voor mij. Hij droeg de volle last van de toorn van God over mij. Hij werd door God verlaten voor mij. Totdat het genoeg was voor God. Tegen wie ik zo gezondigd had. Totdat Christus genoeg gedaan had. Voor mij. En nu geeft, nu schenkt de Heere dat alles aan mij.
De volkomen genoegdoening, en: de gerechtigheid en heiligheid van Christus. Dat Hij volmaakt was. Dat Hij altijd leefde in overeenstemming met al Gods geboden. Dat Hij onbesmet was, zonder enige zonde. Dat rekent de Heere ook mij toe. Zo, zegt de Catechismus, alsof ik zelf nooit zonde gekend of gedaan had. Wat is dit doortinteld van verwondering en blijdschap. Als God boven mijn leven, wat zo door en door verzondigd is, gaat schrijven: ‘U was melaats, van uw hoofd tot uw voeten
toe. Maar nu zie Ik, om Christus’ wil, geen zonden meer in u. Ik heb rein water op u gesprengd en u bent rein.’ (Ezech. 36:25Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.). Gewassen door het bloed van Christus. U bent in Mijn ogen weer, zoals Ik u ooit schiep. Zoals Paulus schrijft in 2 Korinthe 5:21: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Hier ligt het geheim van het zaligmakende geloof. In deze twee woorden: Nochtans God! Maar God! Dit is geen conclusie van ons menselijke verstand. Dit is geen optelsom van menselijke ervaringen. Hier zakt de mens door de bodem van zijn of haar bestaan heen. ‘Verloren ben ik! Tegen al Gods geboden heb ik zwaar en menigmaal gezondigd. Onverbeterlijk!’ Maar terwijl ik wegzink in mijn zelfveroordeling, zinkt mijn hart op de bodem Christus. En klinkt van de hemel door dit Woord in ons hart: Maar God! Maar Ik! Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet (Jes. 43:25Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.). Niet meer en nooit meer.
Als je daar iets of meer van mag gaan geloven, dan buig je. Dan buk je aan de voeten van de Heere. En dan geef je alle eer daarvoor aan Hem. Want, zo zegt Paulus in Romeinen 3:27: Waar is dan roem? Hij is uitgesloten! Het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus (Gal. 6:14Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.).
En dat alles, zo zegt de Catechismus, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem. Dus wat doe je zelf? Niets. Je hand ophouden om iets van de Heere te krijgen. Zoals wanneer je een cadeau krijgt. Iemand geeft je iets. En jij steekt lege hand uit: ‘dank u wel!’ Wat doe je dan? Niets. Je krijgt iets. Je hoeft er niets voor te doen. Je steekt alleen je lege hand uit.
En de mate waarin Gods kinderen dat mogen doen, daarin is verschil. De Bijbel zegt van Abraham: Hij geloofde God en de HEERE rekende het hem tot gerechtigheid (Gen 15:6En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.). De vader van de maanzieke jongen roept: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.). En groot was het geloof van de Kananese vrouw, die eenvoudig zei: Heere, help mij (Matt. 15:25En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!)
Er is wat dit betreft verschil tussen Gods kinderen. Maar waar om gaat is: of wij iets kennen van de kern van dit ware geloof. Dat niets leert schrijven op eigen werken, op eigen prestaties, gevoelens en ervaringen. Dat erkent en belijdt: ik heb tegen al Gods geboden zwaar gezondigd, en ik ben tot op de dag van vandaag tot alle zonden geneigd.
En dat zo, kijkend met één oog naar zichzelf, op de grond belandt. Door de bodem heen gezakt van alle hoop op zichzelf, door alles heen gezakt tot op de enige steenrots Jezus Christus. Maar dat tegelijkertijd met het andere oog, hopend en vol verwachting, kijkt naar dit beloftewoord, dat zegt: Maar God! Nochtans God. Nochtans is God met mij begaan, Hij ziet mijn angst en tranen aan. En geeft mij (die niets heeft) alles! Alles van Hem.
Door de één meer en helderder geloofd en gezien dan door de ander. Daarom is het ook zo nodig, kinderen van God, geliefde medechristenen, dat we gebouwd worden op het fundament van de Schrift. Verdiep u daarom biddend in dit Woord. Biddend ook om meer en meer verlicht te worden door de Heilige Geest. Om op te wassen in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus. Om meer oog van geloof te krijgen op de dingen die ons door God geschonken zijn. Want zo zal het pad der rechtvaardigen zijn gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe (Spr. 4:18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.).
Een groot, gearriveerd, zelfverzekerd en trots christen zal je er niet van worden. Want genade maakt klein. En meer genade maakt nog kleiner. Hoe meer je leren kennen van dat ‘nochtans’ van God, van die vrije gift van Gods genade, hoe dieper je gaat buigen.
Denk maar aan wat Johannes schrijft aan de gemeente van Smyrna. Wat zegt hij? Ik weet dat u heilig geworden bent en in alle dingen rijk bent? Nee, hij zegt: ‘Ik weet uw armoede, maar (maar God!) u bent rijk.’ Zo leven van genade geeft zalige blijdschap, vreugde in God, verwondering, maar ook blijvende tranen om wie ik ben en blijf: zondaar.
Nog kort ons derde aandachtspunt:
voor God. Eerst ging het over: dat ik rechtvaardig ben voor God. Toen over: hoe ik rechtvaardig ben voor Hem. En nu in de derde plaats over: waardoor dat zo is.
Vraag 61 vraagt: Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent? Het antwoord zegt: Niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof aangenaam ben voor God; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.
Niet dus omdat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof aangenaam ben voor God. Mijn geloven is, in die zin, niet het punt waar het om draait.
Door ‘mijn geloven’ ben ik niet aangenaam voor God. Het is niet zo dat de Heere zegt: ‘Goed zo, jij kan goed geloven! Jij bent goed bezig!’ Want dan wordt ons geloven weer werken. Geloof is geen prestatie van jezelf. Je hoeft ook helemaal niets te presteren. Want God heeft alles al gedaan. Voordat iemand ooit ging geloven, had God alles al gedaan. Het geloof is alleen de lege hand, die aanpakt wat de Heere geeft.
En, zegt de Catechismus, die genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus (uit antwoord 60), die mijn gerechtigheid voor God is, die kan ik niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.
Dus, die Heere, Die dat alles onverdiend aan mij geeft, Die dat alles onverdiend aan mij toerekent (als had ik het allemaal zelf gedaan), Hij laat mij door het verborgen werk van Zijn Heilige Geest, die leeggemaakte hand van mij uitsteken. Zoals een bedelaar zijn hand uitsteekt – niets om trots op te zijn dus, niet als eigen prestatie, maar – om aan te nemen wat ik in mijn handen gedrukt krijg. Zo neemt het geloof, als een lege hand aan wat van Christus is en wat de Heere mij geeft.
Dus heb ik geen eigen gerechtigheid, maar ik krijg die van Hem. En dus heb ik geen eigen goedheid en gehoorzaamheid, maar ik krijg die van Hem. Ik mag dat alles uit Zijn hand aannemen. En de mate waarin ik daarvan mag genieten, de mate waarin ik mij daarin mag verblijden, die is afhankelijk van de maat van het geloof dat de Heere mij geeft. En van wat dat geloof mag doen. Om Bijbelse woorden te gebruiken: op Christus zien, tot Hem vluchten, op Hem vertrouwen, bij Hem schuilen, de handen op Hem leggen, mij in Hem verblijden en zo de vrede proeven die alle verstand te boven gaat. Allemaal en nog veel meer Bijbelse uitdrukkingen voor wat het geloof mag aannemen: dingen die ons van de Heere geschonken zijn.
Geliefde gemeente, tot slot, leg uw hart hier eens naast. Naast alles wat de Catechismus ons vanmiddag voorgehouden heeft. Leeft u nog steeds voor eigen rekening? Leeft u nog steeds in uw zonden? Leeft u nog steeds in uw vertrouwen op uzelf? Dat gaat zo niet goed komen, he? Er is een Zaligmaker beschikbaar voor u en voor jou. Die goed wil maken, wat je zelf nooit meer goed maken kan. Buig je knieën voor Hem en vraag Hem om vergeving van al je zonden en schuld. Wie ziek is heeft een dokter nodig. Ga dan toch biddend naar de Heere Jezus toe.
Kent u door Gods genade iets van Zijn werk in uw hart? We zullen, kinderen van God, op het spreekuur van deze hemelse Dokter chronische patiënten blijven. Altijd weer bedelend om Zijn genade. Altijd weer luisterend naar Hem. Die ons zuchten blijvend zal beantwoorden met: Nochtans God! Maar Ik! Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zal ophouden (Luk. 22:32Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.).
De Heere Zelf geve ons meer en meer alles van onszelf te verliezen. Diep, dieper, ja allerdiepst te buigen. En als zondaars te leven van de genade die in Christus Jezus is. Rechtvaardig voor God, door Zijn bloed.
Wij besluiten dan (zoals Paulus zegt in Romeinen 3:28), wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Tot eer en lof van God drie-enig alleen.
Amen.
Slotzang Psalm 32:6:
Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken, Verheugd in God, naar waarde nooit te danken. Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd, Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Andere preken over Zondag