Dood, waar is uw prikkel? · 1 Korinthe 15 · Pasen

Dood, waar is uw prikkel?
Preek 1 Korinthe 15:55: Dood, waar is uw prikkel? Hel (of: graf), waar is uw overwinning?

Thema preek 1 Korinthe 15: Dood, waar is uw prikkel?

De dood verslonden tot overwinning
1. Nu heerst de dood over het leven
2. Straks overwint het leven de dood

PDF LEESPEEK

Preek 1 Korinthe 15: Dood, waar is uw prikkel? | Ds. J. IJsselstein
Preek 1 Korinthe 15: Dood, waar is uw prikkel? | Ds. J. IJsselstein

Schriftgedeelte over Dood, waar is uw prikkel? – 1 Korinthe 15:50-58
50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
51 Zie, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,
52 In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.
55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?
56 De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet.
57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.
58 Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.

Links bij preek 1 Korinthe 15:50-58: Dood, waar is uw prikkel?
Eerste verschijning discipelen: Vrede! (Lukas 24) – Pasen
Zij meenden zij geest zagen (Lukas 24) – Pasen
Mede levend gemaakt (Efeze 2)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij 1 Korinthe 15

TERUG PASEN | 1 KORINTHE

Gemeente, de Heere Jezus heeft de dood overwonnen. Daar denken we, jongens en meisjes, aan met Pasen. De Heere Jezus overwon de dood. Hij was sterker dan de dood. Hij stond op uit dood.
Vanmorgen hebben we samen een stukje gelezen van 1 Korinthe 15. Waar Paulus schrijft over de opstanding van ons mensen, vooral over de opstanding van Gods kinderen.

De preek op deze Tweede Paasdag gaat over onze blijde verwachting van en hoop op wat God dan doen zal. Dan zullen, zegt Paulus, alle mensen die gestorven zijn, opstaan uit de dood. En alle mensen die dan nog leven, zullen van het ene op het andere moment veranderd worden.
Kijk maar naar vers 52: in een punt des tijds (in een ondeelbaar moment), in een ogenblik (als in het knipperen van een oog), met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan (de trompet zal klinken), en de doden (die in Heere gestorven zijn) zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij (die dan nog leven) zullen veranderd worden.
Zoals de Heere Jezus Zelf eerder voorzegd heeft: En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve (Mat. 24:30-31; 1 Thes. 4:16)
Maar… er zal een groot verschil zijn! De profeet Daniël zegt: En velen van hen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven. Zoals Paulus hier zegt: onverderfelijk, heerlijk, stralend, zoals het lichaam van de Heere Jezus blonk op berg van de verheerlijking; Math. 17:2). Maar de anderen, tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing. Mismaakt, walgelijk… (Jes. 66:24, Dan. 12:12).

Over de toekomst van die laatsten, van de goddelozen, gaat het vanmorgen niet. Hoewel ik wel een dringende boodschap voor u hebt.
Die eeuwige rust, die ik straks zal proberen te schetsen, lieve vrienden, is vooralsnog niet voor u bestemd. U wacht de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden (Mat. 22:13; 24:51)

Maar ons, geliefden in de Heere, is beter lot bereid.
En de weg daarheen is geopend door de opstanding van Jezus Christus, onze lieve Heere en Zaligmaker.
Vers 52 zegt: In een ogenblik, in een spilt-second, zal straks -we weten niet of we dan nog leven of dat we dan al gestorven zijn-, alles veranderen. Naar Gods wil moet alles veranderen.
Dit verderfelijke, dit verderfelijke lichaam, dat vanaf onze geboorte langzaam maar zeker steeds verder afgebroken wordt en uiteindelijk aan de totale afbraak in het graf zal worden prijsgegeven, dit verderfelijke moet(!) onverderfelijkheid aandoen.
En dit sterfelijke, dat bezig is te sterven -o, besef dat toch, lieve mensen, we zijn stervende mensen!), dit sterfelijke moet(!) onsterfelijkheid aandoen.
Maar dan wel in de passieve betekenis van het woord: dat moet ons aangedaan worden.
Dat is Gods wil, dat moet. En de opgestane Heere Zelf zal het doen.

En als dan, als het dan zo ver is (zoals die woorden nu al vervuld zijn in de opstanding van de Heere Jezus), dan zo zegt vers 54: dan zal het woord geschieden dat geschreven is, door Jesaja, de profeet: Hij zal de dood verslinden tot overwinning (Jes. 25:8).
De eerste vervulling van zijn profetie heeft plaatsgevonden, met Pasen: Christus heeft de dood overwonnen!
De tweede vervulling zal op Gods tijd zeker komen. Het woord zal geschieden, het zal werkelijkheid worden: De dood, die laatste vijand die tenietgedaan wordt (vers 26), de dood wordt verslonden (alsof hij wordt opgegeten) tot overwinning!

En dan, als Paulus daaraan denkt, dan jubelt hij het uit (terugwijzend Hosea 13:14): Dood, waar is uw prikkel? Hel (of: graf), waar is uw overwinning?
Laten we die woorden met Gods hulp in deze dienst op Tweede Paasdag verder samen overdenken.
De tekst voor de preek is 1 Korinthe 15:55:
Dood, waar is uw prikkel? Hel (of: graf), waar is uw overwinning?

Het thema voor de preek is:
De dood verslonden tot overwinning

We overdenken dit thema aan de hand van twee aandachtspunten:
1. Nu heerst de dood over het leven
2. Straks overwint het leven de dood

Als eerste dus:

1. Nu heerst de dood over het leven

Dat was de bittere werkelijkheid van die Goede Vrijdag en van die stille zaterdag. Tenminste zo leek het. De Levende was ten onder gegaan. En de stilte van de dood heerste over een gesloten graf.
Totdat op die vroege zondagmorgen God de Vader Zijn Zoon opwekte uit de dood. En Christus Zelf de dood overwon en opstond uit het graf.

Zo is ook de bittere werkelijkheid van ons menselijke bestaan. Door de zonde van één mens, door de misdaad van Adam heerst de dood in ons leven (Rom. 5:17).
Maar niet uitzichtloos en zonder hoop.
Want Christus is opgewekt (vers 20). Als dat niet zo was, dan hadden we geen hoop en goed vooruitzicht. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo schrijft Paulus in vers 19, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. En dan zijn ook zij verloren, die in Christus ontslapen zijn (vers 18).

Maar die hoop, die zekere hoop, dat vooruitzicht, ons blijde vooruitzicht, dat is voor straks. Nu nog is er de bittere werkelijkheid van de dood.
Als hij hartverscheurend en op het alleronverwachts ingrijpt in onze levens. Met zijn scherpe, giftige, dodelijke prikkel (vers 55). Als met een schorpioenensteek. Want daar duidt dat woord prikkel op: op de steek van een schorpioen.
Geen steek is scherper, dan de steek van een schorpioen.
Geen prik is dodelijker, dan de prikkel van de dood.
Onverbiddelijk pijnigt hij ons lichaam, sluit hij uiteindelijk onze ogen, en werpt hij ons in het graf. Sommigen van ons voelen de eerste tekenen van de dood al in hun lichaam, in ziekte, in afbraak, in pijn.
En zoals een schorpioen geen onderscheid maakt tussen de eeltige voet van een volwassene, de gerimpelde voet van een oudere of een teer klein kindervoetje, zo ook niet prikkel van de dood. Hij rukt het dierbaarste wat we hebben uit onze handen. En hij heeft nog nooit iemand overgeslagen. De Spreukendichter zegt: Het graf zegt niet: het is genoeg (Spr. 30:16).
Het is alsof de dood zegt: Kijk maar rond op de plaatselijke begraafplaats, ik heb nog nooit iemand overgeslagen…

Dat is de bittere werkelijkheid van ons leven.
Maar… Christus is opgestaan (vers 20).
Hebben we daarmee nu onze geliefden (ouderen, volwassenen, kinderen, baby’s) weer terug?
Nee, de wonden die geslagen, die gestoken zijn, zijn blijvend. Voor dit leven…
De tranen die gehuild worden door ouders en kinderen drogen niet. In dit leven…
Maar dit Woord van de levende God zegt midden in de bittere Mara’s van dit leven: Maar! Maar nu, Christus is opgestaan.
En dat zet alles, alles(!) in een ander perspectief, voor diegenen die in Hem ontslapen zijn. Want zij zullen, zegt Paulus, met Hem leven(!) (Rom. 6.8)

Als de bazuin zal klinken, als Christus zal geopenbaard zijn in Zijn heerlijke toekomst, Die hun Leven was, dan zullen ook zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid
(Kol. 3.4).
En wij met hen. Als ook voor ons gold: Het leven was mij Christus, sterven was mij gewin (Fil. 1:21).

2. Straks overwint het leven de dood

Want Paulus neemt ons in gedachten mee naar de grote dag der dagen, naar de dag van de terugkomst van de opgestane Zoon des mensen.
De dag waarop het graf definitief overwonnen zal zijn.
De dag waarop de prikkel van de dood er nooit meer zal zijn.

Wat is eigenlijk de prikkel van de dood?
Wat is de ultieme pijn van de dood?
Kijk maar naar vers 56: De prikkel nu des doods is de zonde.
De ultieme pijn van de dood, dat zijn: onvergeven zonden.
Daar moet je goed aan denken, lieve mensen.
Met vergeven zonden is de dood degene die ons verlost van onze grootste vijand, de zonde. Dan is hij degene, die ons als met de wagen van farao meeneemt naar het paleis van Jozef.
Maar met onvergeven zonden is sterven verschrikkelijk. Alstublieft, bespaar het uw familie, bespaar het mij, maar vooral: bespaar het uzelf. Het is vreselijk om onverzoend te sterven en te vallen in de handen van de levende God (Hebr. 10:31).

Want, zo zegt vers 56: De prikkel nu des doods is de zonde
De diepste pijn van die schorpioenensteek is de zonde. De dood zou geen macht over u hebben, als u geen zonde had.
Door de zonde is de dood in de wereld gekomen (Rom. 5:12).

En (ik lees verder in vers 56b): en de kracht der zonde is de wet.
De wet van de Heere laat zien hoe slecht de zonde is, als zonde tegen de heilige God.
De wet veroordeelt ons vanwege onze wetsovertredingen tot de dood.
En belooft ons als straf een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden (Hebr. 10:27).

Dat weet u…
Maar gek genoeg slapen de meeste onbekeerden onder u, onder die aanstaande dreiging rustig door. Ze hebben (zoals staat in Psalm 73), ze hebben geen banden tot hun dood toe (Psalm 73:4).
Hoewel sommigen die wel voelen, vooral door hun ziekte en door het gevoel van hun naderende dood. Hun hart begint verscheurd te worden door angst en grote zorg.
Beste vrienden, het is nog genadetijd.
Roep de Heere aan in de dag van uw benauwdheid (Ps. 50:15)!
Stel dat niet uit! Vlucht met uw doodsnood tot de levende en opgestane Christus!
Hij heeft alle macht over uw geestelijk dode hart!
Beken, belijd uw verlorenheid en zondeschuld. Voordat de dood onherroepelijk een einde maakt aan uw genadetijd. Voordat het voor altijd te laat is!

De prikkel nu des doods (zegt vers 56) is de zonde, en de kracht der zonde is de wet.
Maar (zegt vers 57) Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.
Kinderen van God, geliefden in de Heere Christus, die strenge eis van de Wet, die zware dreiging van de toorn van God boven ons leven, is er niet meer.
Want het is volbracht! Op Golgotha. Daar is de hitte van Gods gramschap geblust.
Christus is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven (Rom. 5.6).
En nu is geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1).

Hij is dood geweest, en Hij leeft in alle eeuwigheid (Openb. 1:18).
Hij heeft ons verlost van de vloek, een vloek geworden zijnde voor ons (Gal. 3:13).
En door Zijn Heilige Geest vernieuwt Hij in ons, al het kwaad dat onze geestelijke dood veroorzaakt heeft.
Het heil is des Heeren (Jona 2:9). De overwinning is behaald door de gekruisigde Christus.
Op Golgotha. Een plek die wel speciaal ontworpen leek, om Hem uit te dagen, om Hem te ontmoedigen. Als zei de dood: ‘Kijk maar goed om U heen, Jezus van Nazareth, op deze hoofdschedelplaats! Zult U mij overwinnen? Kunt U mijn angel breken? Zult U uit mijn greep ontsnappen?’

Ja, was antwoord. En Hij streed. En overwon. Toen Hij met grote kracht riep:
Het is volbracht (Joh. 19:30). Vader in Uw handen beveel ik Mijn Geest (Luk. 23:46).
Hij rustte een enkele dag in het graf. En Hij brak de banden van de dood. Hij brak de zegels van Zijn graf en stond op uit de dood!
‘Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar uw overwinning?’

En nu klinkt in dag der dagen de echo van die paasmorgen!
‘Dood, waar bent u? Waar is uw prikkel?
Graf, waar bent u? Waar is uw overwinning?’
Want Christus heeft de dood voor altijd overwonnen.

En dat zal straks voor ieder die in Hem gelooft, werkelijkheid worden.
Maar de troost van die straks komende werkelijkheid is voor nu.

Kijk maar naar vers 57: Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning… geven zal?
Nee, Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft(!) door onze Heere Jezus Christus.
Ons sterven, kinderen van God, is geen ondergang, is geen verlies, maar opstanding en overwinning. Gode zij dank, door Hem!
Zeker de weg naar die opstanding en die heerlijkheid, is een moeilijke weg
Onze weg is veelal een weg van tranen en lijden.
Als broeder of zuster, als medegenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus (Openb. 1:9).
We kunnen de deur van Immanuëlsland niet binnengaan, dan door het donkere dal van de schaduw van de dood. Dat is de enige weg om de hemelse heerlijkheid binnen te gaan.
Maar, zegt David: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad
vrezen, want U (Heere) bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij (Ps. 23:4).
We hebben geen kwaad te vrezen, want al moeten we door doodsjordaan: de Heere zal bij ons zijn, rivieren zullen ons niet overstromen (Jes. 43:2).

Door die weg (ja, het moet wel door die moeilijke weg), maar door die weg zal ons sterven, kinderen van God, geen ondergang of verlies zijn, maar opstanding en overwinning.
Door de opstanding en overwinning van Christus.
Door Hem is het handschrift van onze zonde en schuld uitgewist, is het recht van God voldaan, is Zijn wraak gestild, is de wet vervuld, is de zonde verzoend, en zijn de kaken van de dood gebroken.
Als Johannes op Patmos daaraan denkt, en in gedachten kijkt in het open graf van een kind van God, dan zegt hij: Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht (Openb. 20:6).
Zalig sterven, in de Heere ontslapen, dat is onze eerste opstanding.

Laat ik dit alles wat meer gaan toepassen op onszelf.

Kinderen van God
Dit moet ons, kinderen van God, dringen en aansporen (in de eerste plaats) om niet tevreden te zijn met allerlei ervaringen, gevoelens en inzichten, of met een veranderd leven met veel inzet, ijver en vrijmoedigheid.
We moeten zoeken naar vergeving van zonden en verzoening met God. Want alleen met vergeven zonden is er vrede met God en een sterven zonder prikkel.

Dit moet ons in de tweede plaats dringen en aansporen om ook de zekerheid van die vergeving van zonden te zoeken. Niet als een rustgevend bezit, niet als iets wat we op zak hebben, maar wel als een vaste grond buiten ons. Door gekregen geloof in het beloftewoord van de Heere.
In het blijvende geloof dat wij niets zijn, dat wij niets hebben en dat het ook nooit iets met ons zal worden. Levend van genade voor een verloren mens.
Maar vast en vaster verankerd in Hem, Die kwam zulke verloren mensen te zoeken. En die dat verlorene droeg, door de dood heen, tot het leven in Hem.

Dit moet ons in de derde plaats dringen en aansporen om onze overgebleven zonden te doden en te staan naar gegeven heiligheid.
Want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien (Hebr. 12:14).

Een bekende puriteinse godgeleerde zegt: ‘De zonde moet sterven, voordat wij sterven.
Hij sterft op de goede manier, wiens zonden dood zijn, voordat hij sterft.’

Dit moet ons in de vierde plaats dringen en aansporen om de geestelijke strijd te strijden.
Denk aan vers 58: Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in Heere.
Wees standvastig, blijf staan waar u staat. Houd de waarheid en de troost van deze opstanding vast, wat er ook tegenop komt. En blijf staan in heiligheid, geloof en volharding.
Wees onbeweeglijk, ga niet wankelen in tijden van beproeving, tegenslag of vervolging.
En wees altijd overvloedig in het werk van Heere. Dat zal de Heere genadig belonen
(HC, Zondag 24, 63)

Dit moet ons in de vijfde plaats, kinderen van God, dringen en aansporen om niet overmatig bang te zijn voor ons stervensuur en om ons uiteindelijk niet te verzetten tegen onze dood.
Als het stervensuur zich aankondigt, als de dood zich aandient, mogen we gewillig zijn om de aanwijzing van de Heere te volgen. Niet willen sterven, is immers niet naar Christus willen gaan.
Nu Hij voor de dood betaald en die overwonnen heeft, waarom moeten wij er dan nog zo voor terugschrikken? De dood is voor ons geen doodsteek uit Gods toornige linkerhand, maar het is de wenkende rechterhand van de Vader, Die ons thuis haalt. Laten we dan in ons stervensuur onze ziel gewillig geven in de handen van de Vader (Ps. 31:6).
Het is voor ons toch goed om nabij God te zijn? Om verlost te zijn van zonde?
Als ons leven Christus was, is ons sterven toch gewin (Fil. 1:21)?
Dan moet onze ziel toch niet kleven aan het stof (Ps. 119.25, vgl. Ps. 63:9)?
De jaren die dan voorbijgevlogen zijn (misschien zijn het wel 70, 80 of 90 jaren geweest), ze waren alleen maar de weg om voorbereid te worden op het binnengaan van Immanuëlsland.
Om toebereid te worden, als een bruid die voor haar man versierd is (Openb. 21.2)

In handen van duivel was de dood onze vijand.
Maar de dood uit de handen van Christus, Die die dood overwonnen heeft, maakt hem tot een vriend, die ons laat oversteken uit deze zondige wereld, naar het eeuwige zalige leven bij God in de hemel.
Ons sterven is sterven aan zwakte en verderf.
Ons graf is het graf van onze zonde.
Onze eerste opstanding is onze vereniging met Christus, Die ons zo uitnemend liefgehad heeft. Moeten we dan niet zeggen met Paulus: Ik verlang ernaar om ontbonden te worden en met Christus te zijn (Fil. 1:23)?
Dat zal de hemel van de hemel zijn: met Christus te zijn. Christus zal de hemel van de hemel zijn! Waar we eeuwig de heerlijkheid van God zullen zien in het aangezicht van Jezus Christus (2 Kor 4:6).

Dit moet ons in de zesde plaats, kinderen van God, dringen en aansporen om alle dank en lof voor deze overwinning aan Christus te geven.
Die ons verlost heeft en nog verlossen zal van de angel, van de prikkel van de dood. Zoals staat in vers 57: Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.

Dit moet ons in de zevende plaats dringen en aansporen om niet overmatig verdrietig te zijn bij en na het verlies van onze geliefden, die in de Heere gestorven zijn.
Hoewel ik als mens weet, dat de schorpioenensteek van de dood blijvend veel pijn en verdriet doet. Maar toch, vergeet niet, rouwdragenden onder ons, als uw geliefde -klein of groot, jong of oud- in de Heere ontsliep, dan was de dood de dood van zijn of haar zonde.
De dood verloste hem of haar in één keer en voor altijd van zonde, verdriet en gevaar.
Hij trok uw geliefde wel uit uw handen, maar wierp hem of haar ongewild in de handen van Christus.
‘s Avonds vernachtte het geween, aan deze kant van het graf. Maar ’s morgens was daar, in de hemel, gejuich: eeuwige blijdschap kwam er op zijn of haar hoofd! (Ps. 30:6)
Denk maar veel in stilte aan de hemelse vrede en zaligheid van uw geliefde doden.
En vooral aan Hem, Die ze kocht met prijs van Zijn dierbare bloed.

Onbekeerden
Dit is in de tweede plaats niet anders dan een indringende waarschuwing voor u, onbekeerde vrienden. Laat ik tegen u de volgende dingen zeggen:
a. Bereid u toch voor op uw sterfdag. Anders wordt het een ramp.
Hoe kan u zo rustig doorleven, met onvergeven zonden? Gelooft u wel echt, dat u straks voor God moet verschijnen? Voor de heilige, voor de rechtvaardige God, Die alle dag over zonde toornt (Ps. 7:12)?
Maar waarom verdoet u uw tijd dan met vanalles en nog wat, en waarom gaat u dan iedere avond weer rustig slapen, terwijl u weet dat uw zonden niet vergeven zijn?
Zonder ooit werk te maken van uw bekering en zonder ooit te roepen om genade?
Vroeg of laat, of u het nu wilt of niet, moet u sterven.
De dood wenkt ieder uur (Ps. 89:19, ber). De dichter van Psalm 89 zegt: Wat man is er die de dood niet zien zal? (Psalm 89:49)

Hebt u zich daarop voorbereid?
U zegt: ‘Ja, ik heb een begrafenisverzekering… voor geval dat…’
Hoort u wel wat u zelf zegt?
Ik heb een begrafenisverzekering…, zodat de kosten voor de familie gedekt zijn, en voor een waardige begrafenis…
[Zucht] Goed.
Maar hoe gaat u zelf de kosten betalen van uw onsterfelijke ziel? Als de Heere u persoonlijk de prijs zal vragen van een hemelhoge schuld?
Schuif dat toch niet voor u uit. Uw ziel moet gered zijn! En zolang dat niet zo is, bent u in dodelijke gevaar. In dodelijk gevaar om net als de inwoners van Sodom en Gomorra om te komen in een regen van vuur en zwavel. In het dodelijke gevaar om te vallen in de handen van de levende God.
b. Bedenk in tweede plaats dat voor u de prikkel van de dood niet weggenomen is.
De dood heeft voor u wel een prikkel. En denk daar niet gering over.
Zeker, ik heb goddeloze mensen zien sterven, in grote rust. Zij hadden geen banden tot hun dood toe (Ps. 73:4).
Maar ik heb ook anderen zien sterven, bij wie op het sterfbed hun open ogen gingen voor alles wat ze in hun leven gedaan hadden. Tegen die God, voor Wie zij spoedig staan zouden.
De dood trok hen als het ware al in gedachten voor God. Spiegelde hen als het ware het oordeel al voor. Plaagde hen met grote angst, met scherpe wroeging, en met een bitter vooruitzicht. En dat gaf hun meer pijn, dan dat ze ooit in hun lichaam hadden gevoeld.

Bedenk, beste vrienden, dat voor u de prikkel van de dood niet weggenomen is. Dat voor u het graf niet overwonnen is. De dood zal u meesleuren in het graf. En u prijsgeven aan minachting, aan misvorming en aan eeuwig afgrijzen (Dan. 12:2.). En u zult vallen in de handen van de levende God (Hebr. 10:31).

En wat gaat u dan tegen Hem zeggen?
Niets…
U zult verstommen…
O, om uws levens wil (letterlijk!), denk na over uw eeuwige bestemming.
En vlucht vandaag tot Christus. Anders komt u om!

Tot slot, geliefden in de Heere, kinderen van God.
Onze dood is overwonnen door de dood van Christus.
Ons leven is verdiend door het leven van Christus.
En dus reizen we door dit moeilijke leven (zo moeilijk vanwege onze zonden, vanwege beproeving en lijden) toch een goede toekomst tegemoet.

En laten we daar, kinderen van God, dan ook bij leven.
Laten we leven in verwachting, in uitzien naar de ontmoeting met Christus.
Daarnaar verlangen, naar Hem verlangen, is niet alleen een zaak van ons sterfbed. Christus moet ons leven zijn. En Christus is daar (boven).
En dus moeten we niet leven voor hier en nu, en straks op ons sterfbed denken aan daar.
Maar onze wandel moet in de hemelen zijn, om de Zaligmaker te verwachten (Fil. 3:20).
Laten we veel denken aan en mediteren over de hemel, en over het lijden en sterven en het leven van onze Zaligmaker.
Laten we niet leven alsof we hier altijd zullen blijven of zouden willen blijven.
Dan kan je nog zoveel goede dingen zeggen over de Zaligmaker, maar dat stelt de liefde van de Zaligmaker bitter teleur.

We reizen, zo zei ik, dwars door dit leven een goede toekomst tegemoet.
Zingend met de dichter van Psalm 17 (zoals ds. Meeuse het berijmde):
Maar ik zal U zien, God getrouw
U in gerechtigheid genaken,
Als ik U straks, na mijn ontwaken,
verzadigd met Uw beeld, aanschouw

Hier is het nog vaak donker. Straks zullen we voor altijd bestraald worden door het licht van Gods vriendelijk aangezicht.
Hier is er nog vaak zoveel gemis. Straks zullen we voor altijd Christus zien van aangezicht tot aangezicht.
Hier zijn er nog vaak tranen, ook om het verlies van dierbaren. Daar worden ze voor altijd gewist.
We zullen voor altijd met Heere wezen (1 Thess. 4:17-18)
We zullen ingaan in de vrede en rusten van onze arbeid (Jes. 57:2)
Wij verwachten die dag met groot verlangen.
De dag waarop de bazuin zal klinken en het geroep zal worden gehoord: Zie, de Bruidegom, ga uit, Hem tegemoet (Mat. 25:6)!
De dag waarop het woord geschied zal zijn (vers 54), en het voor altijd werkelijkheid zal zijn: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? (vers 55)

Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus (vers 57).
Amen.