Grotelijks begeerd eten · Lukas 22 · voorbereiding

Grotelijks begeerd met u te eten
Preek Lukas 22:15: En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.

Thema preek Lukas 22:15: Grotelijks begeerd dit pascha met u te eten

1. Wanneer het is
2. Met wie Hij aanzit
3. Wat Hij zegt

LEESPREEK

Schriftgedeelte over: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te etenLukas 22
13 En zij heengaande, vonden het gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
14 En als de ure gekomen was, zat Hij aan en de twaalf apostelen met Hem.
15 En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;
16 Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.
17 En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden.
18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
19 En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
20 Desgelijks ook den drinkbeker na het Avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.
21 Doch zie, de hand desgenen die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.
22 En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee dien mens door welken Hij verraden wordt.
23 En zij begonnen onder elkander te vragen wie van hen het toch mocht zijn die dat doen zou.
24 En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.
25 En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heersen over hen, en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.
26 Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste; en die voorganger is, als een die dient.

Link bij preek Lukas 22:15: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten
– Keus Mozes, zoon farao’s dochter (Hebreeën 11)
– Lijden als christen om Naam Christus (1 Petrus 4)
Twee zwaarden; het is genoeg · Lukas 22
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 22

LIJDENSPREKEN / LUKAS

Gemeente, het is donderdagavond. Vanavond zal het paasfeest gevierd worden. Maar waar moeten de Heere Jezus en Zijn discipelen dat eigenlijk doen? Want nog steeds heeft de Heere Jezus geen vaste plaats voor Hemzelf en voor Zijn discipelen. Toen Hij werd geboren, was er geen plaats voor de Heere Jezus (Luk. 2:7). En nog steeds is voor Hem geen plaats.

De Heere Jezus heeft twee van Zijn discipelen, Petrus en Johannes, aangewezen om de paasmaaltijd voor te bereiden. En dat doen ze. We lezen in vers 13: En zij bereidden het pascha.
En dan lezen we de tekst, die we met Gods hulp in deze dienst van voorbereiding op de bediening van het Heilig Avondmaal (zo de Heere wil volgende week zondag) met elkaar willen overdenken: Lukas 22, vers 14 en 15.
Het is een kort gesprek, een gesprek van voorbereiding, gepast voor deze dienst van voorbereiding. We lezen in Lukas 22, vers 14 en 15:
En als de ure gekomen was, zat Hij aan en de twaalf apostelen met Hem.
En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.

Het thema voor de preek van vanmorgen is:
De Heere Jezus bij de laatste paasmaaltijd

We letten samen op drie aandachtspunten.
In de eerste plaats op: Wanneer het is. Want, zo lezen wij: En als de ure gekomen was.
In de tweede plaats op: Met wie Hij aanzit. Want toen, zo staat er: zat Hij aan en de twaalf apostelen met Hem.
En in de derde plaats op: Wat Hij zegt.Namelijk dit: En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd (dat wil zeggen: intens verlangd) dit(!) pascha met u(!) te eten, eer dat Ik lijde.

Dus: De Heere Jezus bij de laatste paasmaaltijd
1. Wanneer het is
2. Met wie Hij aanzit
3. Wat Hij zegt

Als eerste dus:

1. Wanneer het is

Als de ure gekomen was.
Het is ondertussen meer dan twee jaar geleden, dat de Heere Jezus op de bruiloft in Kana tegen Zijn moeder Maria zei: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen (Joh 2:4).
Toen nog niet. Maar nu wel.
Nu is het meest wonderlijke moment in de wereldgeschiedenis aangebroken.
Dit is het moment, waarover in de eeuwigheid gesproken is.
Dit is het moment, wat is vastgelegd in Gods eeuwige raad.
Dit is het moment, waar de profeten eeuwenlang van geprofeteerd hebben.
Het moment, dat de Christus lijden zou (Hand. 3:18).

Het lijkt een gewoon paasfeest, zoals altijd. Duizenden mensen zijn naar de stad Jeruzalem gekomen om het jaarlijkse paasfeest te vieren.
Ze zullen bittere kruiden eten, als herinnering aan de bittere slavernij van Egypte.
De vaders zullen hun kinderen vertellen, wat er destijds, eeuwen geleden gebeurd is.
Ze zullen het Hallel zingen, de psalmen 113 tot en met 118.
Ze zullen eten van het gebraden lam, als herinnering aan de nacht van de uittocht van het volk Israël uit Egypte.
Als de Heere het aan de deur gestreken bloed zag, ging de verderfengel voorbij.
Maar het geslachte lam moest ook gegeten worden. Met ongezuurd brood, beeld van de haast om uit Egypte (dat in de Bijbel een beeld is van de zonde) te vertrekken.

Zou er iemand zijn, jongens en meisjes, die weet dat het vanavond, op deze donderdagavond, zal gaan om een ander lam? Om het echte Lam van God?
Dat overgeleverd zal worden in de handen van Zijn moordenaars?
Dat Zijn ure nu gekomen is?
Vers 14 zegt: En als de ure gekomen was, zat Hij aan en de twaalf apostelen met Hem.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Met wie Hij aanzit

Vers 14 zegt: Hij, en de twaalf apostelen met Hem.
Hij! Hij eerst! Hij, Die treffend wordt getypeerd door Johannes in Johannes 13:1, waar we lezen: Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
Hij! Met hen, de twaalf apostelen, de twaalf discipelen. Kort geleden maakten ze nog ruzie over wie van hen de meeste was. Ze waren niet bereid om te buigen en elkaar de voeten te wassen.
Hen heeft Hij liefgehad tot het einde.
Tot het einde. Dat nu begint.

Jezus zat aan… Een paar woorden maar, maar niet om zomaar overheen te lezen.
Wat nu gaat gebeuren, begint met rust, met concentratie.
Met de rust, zoals die ook in deze week van voorbereiding nodig is.
Breng biddend uw hart tot rust.
Zet biddend een wacht voor uw ogen, voor uw oren en voor uw mond.
En richt al uw aandacht op wat u doen moet in deze week van voorbereiding voor de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal.

Hij zat aan en de twaalf apostelen met Hem.
Dus, jongens en meisjes, Judas is er nu ook nog bij.
Ook hij drinkt zo meteen uit de eerste beker van het pascha, ook hij eet zo meteen van het paaslam.
Jarenlang was hij nauw betrokken bij de dienst van de Heere.
Hij luisterde, hij bad mee, hij preekte zelfs. Hij leek zo goed bezig, hij leek zo oprecht.
Maar, in zijn hart was hij een bedrieger.

Het roept ons ernstig op, mede-dienstknechten van de Meester, geliefde gemeente, om ons hart en leven te onderzoeken.
Wat je doet, wat je zegt, wie je lijkt, dat alles bepaalt niet of je een kind van God bent.
Maar wel: wie je bent in je hart. En dat blijkt uit je leven.
Een apostel, een discipel, een dominee, een ouderling of diaken, wij kunnen allemaal een Judas zijn. Is dat geen reden om diep voor de Heere te buigen en om net als de elf discipelen zeer bedroefd te zeggen: Ben ik het, Heere? Ik toch niet, Heere? (Matth. 26:22)
Doorgrond en ken mijn hart, o Heere (Ps. 139:1). Want U kijkt niet naar de buitenkant.
U ziet naar waarheid in het binnenste (Ps. 51:8).

Judas is een verrader.
En dan zijn er nog de elf andere apostelen. Die hopen op een zichtbaar Koninkrijk van God. Straks zullen ze het ook zeggen, na de opstanding: Heere, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? (Hand. 1:6).
De elf discipelen, tegen wie de Heere Jezus kort geleden gezegd heeft, via Filippus, maar Hij zei het tegen hen allemaal: Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? (Joh. 14:9).
Filippus, discipelen, kent u Mij niet?
Een ontdekkende vraag, in de voorbereiding op de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal. Hebt u Mij niet gekend?

Het schetst de blindheid, de armoede en de dwaasheid van al Gods kinderen.
Maar daartegenover staat de trouw van onze Meester.
Die het woord neemt. We gaan daarnaar luisteren in ons derde aandachtspunt:

3. Wat Hij zegt

En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde, dat wil zeggen: voordat Ik lijden zal.
Dat voelt misschien als een verdrietige, als een treurige opmerking. In de trant van: Jongens, dit is de laatste keer.
Maar dát is het niet! Met deze woorden wijst de Heere Jezus op de geweldige samenhang die er is tussen dit gebraden paaslam en het feit dat Hij Zelf als het Lam van God geslacht zal gaan worden.
In de stille eeuwigheid schitterde het Lam in de vrijwillige overgave aan Zijn vader, toen Hij zei: Zie Ik kom, o God, om Uw welbehagen te doen (Ps. 40:8, 9).
Hij schitterde in Zijn komst naar deze wereld.
Hij schitterde toen Johannes Hem aanwees en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29).
Maar Hij schittert vooral nu, vooral hier, en volgende week aan de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal.

Zie je in gedachten de tafel van het pascha voor je, jongens en meisjes?
Zie je in gedachten de tafel van het Heilig Avondmaal voor je?
Het is alsof de Heere Jezus zegt: ‘Dit alles, vooral dit geslachte lam, wijst naar Mij.
Dit lam is geslacht en dit pascha wordt gegeten, voordat Ik Zelf geslacht zal worden.
En daarom mag u straks de tekenen van Mijn vlees en bloed eten en drinken, en u in stilte verwonderen over wat Ik voor u zal gaan doen en gedaan heb.’

Ik heb grotelijks begeerd. Dat wil zeggen: Ik heb intens verlangd.
Het zegt ons meerdere dingen, die ik hierna zal verbinden aan meerdere vragen.

Ik heb grotelijks begeerd.
a. Dit schetst ons in de eerste plaats het diepe verlangen van Christus om de wil van Zijn Vader te doen. Om verloren zondaars terug te brengen tot het Vaderhart van God, tot de verheerlijking van de Drie-enige God. Zijn liefde en ijver brandt.
Hoe is dat in ons leven? Hoe is onze liefde in de dienst van de Heere, kinderen van God?
Geen gewone, uiterlijke ijver, maar ijver vol van liefde, vol van zelfopofferende liefde, vol van zelfverloochening, buigend voor de Heere en voor elkaar?
Is dat de vrucht van Gods genade in ons leven? Is er iets van Zijn beeld zichtbaar in ons leven?

Ik heb grotelijks begeerd.
b. Dit wat de Heere Jezus zegt, verklaart in de tweede plaats ook Zijn eerdere ergernis aan het feit dat Petrus Hem de weg van Zijn lijden wilde versperren.
Toen hij zei: ‘Heere, dit zal U geenszins geschieden!’ (Matth. 16:22)
Want?
‘Geen lijden voor mij. Want dat betekent, dat ik echt niets kan, niets heb en niets wil.’
Voelt u de botsing tussen wat Jezus intens begeert en dat wat wij zo vaak het liefste willen: zelf doen, zelf verdienen en zelf betalen?

Dus dringt zich de vraag hier op, juist ook voor deze week van voorbereiding: Wat dunkt u van, hoe waardeert u deze Christus? Deze lijdende, stervende en gekruisigde Zaligmaker?
Is Zijn bloed u alles waard geworden? Omdat u door Gods genade zag, dat u zelf niets had om te betalen voor uw hemelhoge schuld?
Is Zijn dood uw leven geworden? Omdat u door Gods genade zag, dat u de dood verdiend had? En omdat u door diezelfde genade het leven in Hem vond?
Praat niet over Jezus, zing niet over Jezus, en kom niet naar het Heilig Sacrament, als u nooit gezien en geloofd hebt, dat dit (het ergste wat er is: de dood van Christus!) nodig was voor uw vijandschap, voor uw goede werken, voor uw zonden, ja, voor uw geestelijke dood.
Dit diepe verlangen van Jezus kraakt het geloof in onszelf en in onze goede werken.
Het breekt onze hoogmoed en ons zelfvertrouwen.
Christus verlangt met heel Zijn hart te doen, wat wij niet meer konden en wilden doen.
Zie. Ik kom. Ik draag Uw heilige wet, die U de sterveling zet, in Mijn binnenste ingewand.
Nu is Mijn uur gekomen, om vrijwillig de dood in te gaan. Voor vijanden, voor goddelozen, voor zondaars, voor mensen die van God weggegaan zijn en nooit meer naar Hem gevraagd hebben.
Laten we samen gaan zingen, uit de psalm die ik zojuist aanhaalde, Psalm 40, daarvan het vierde vers:
Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid’ Ik: Zie, Ik kom, o HEERE
De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefde en ijver brandt:
Ik draag Uw heilige wet,
Die Gij den sterveling zet,

Ik heb grotelijks begeerd.
c. Er is nog een derde ding waar ik u in dit verband graag op wil wijzen.
Soms moet je ook lezen wat er niet staat.
Er staat niet dat de Heere Jezus zegt: ’Wat hebben wij hier toch samen naar uitgekeken’.
Het kan zijn, dat we door Gods genade uitzien naar genade, naar verlossing, naar vrede met de Heere. Het kan zijn dat we uitzien naar de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal.
Maar laten we eerlijk zijn, kinderen van God. Was het in de afgelopen tijd niet meer: mijn ziel kleeft aan het stof, dan: mijn ziel kleeft U achteraan? (Ps. 119:25; 63:9)

Het is wel een belangrijke vraag voor het zelfonderzoek in deze week: Hoe staat het met mijn verlangen om de Bruidegom te ontmoeten? Is mijn huwelijk met de Hemelse Bruidegom wel in orde, als ik weinig of niet verlang om Hem te mogen ontmoeten?
Acht u het bloed van de Heere Jezus Christus niet onrein, als u zo aangaat, zonder verlangen in uw hart?
Deze week is ook bedoeld als een week om ons verlangen op te wekken, door heilige overdenking, Schriftlezing en verborgen gebed.

Het is een zegen, het is genade, als er in ons hart wel verlangen is, om de dood van de Heere te verkondigen.
Maar het is ook goed om te bedenken, o, ontrouwe bruid: het verlangen van Christus is veel sterker! Hij is het Die uitroept: Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk (Hoogl. 2:14)
U mag begeren, maar Zijn begeren is veel sterker.
U mag verlangen, maar Zijn verlangen is veel sterker.
Alles wat van ons is, is tekort.
Maar nu dit Zijn verlangen is, om ons Zijn dood voor ogen te stellen als het enige, geschonken middel, als de enige weg tot het leven, nu roept dat iedereen op die iets kent van Zijn reddende genade om te komen en niet achter te blijven.
Om opnieuw in te stemmen met die weg: Ik, ik ben een verloren zondaar. En U alleen, bent mijn Zaligmaker.
Om gehoorzaam te komen en onze harten te laten versterken en vertroosten, door de tekenen en zegelen van Zijn lijden en sterven in onze plaats.

Ik heb grotelijks begeerd.
d. Er is nog een vierde ding waar ik u op wil wijzen.
Alles aan deze paasmaaltijd, alles aan de tafel van het Heilig Avondmaal staat in het
teken van het verlangen van Christus, om aan Zijn discipelen, om aan Zijn kinderen de tekenen en bewijzen te geven van Zijn dood. Het verlangen en de liefde van Christus staan centraal.
En dus is er daar en hier geen plaats voor harten die vol zijn van ander verlangen.
Van verlangen naar de zonde, naar de dingen van de wereld of naar de afgoden van deze tijd. Of als ons hart vol is van haat tegen een broeder of zuster, omdat er dingen zijn, die niet vereffend zijn. Dan zijn we niet welkom aan de tafel van Christus.
De zonde kan in Zijn ogen niet bestaan.
Word in de kring van de broeders en zusters geen Judas.

Ik heb grotelijks begeerd.
e. Er is nog een vijfde en laatste zaak waar ik u graag op wil wijzen.
Uit alles blijkt, dat het eten van het paaslam voor de Heere Jezus Zelf ook een bron van veel vertroosting is geweest. Terwijl Zijn ziel ondertussen ongetwijfeld diep geraakt is door het komende lijden.
Hij is bekommerd, met de bekommerden. Zijn hart is vol strijd, met degenen in wier hart het ook zo stormen kan. Hij heeft honger en dorst naar de tekenen van Gods gunst, met hen die hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid.

Misschien is het ook wel zo in uw hart: vol strijd, bekommerd, ontroerd. Hoe moet het toch verder?
Probeer in deze week niet bij elkaar te schrapen wat u mogelijk in uzelf kunt vinden.
Dan is uw voorbereiding bedorven. Alles wat u doet is tevergeefs.
Doe wat de lijdende Christus u hier voordoet.
Hij ziet in het lam dat gebraden voor Hem ligt, Hij voelt de zwaarte van Zijn aanstaande lijden.
Maar Zijn eten van het lam is tegelijkertijd voor Hem ook een teken en bewijs, dat Hij daar doorheen zal komen. Hij zal overwinnen!
Hij gaat u voor als Mozes, door de Rode Zee. Hij is ons voorgegaan en gaat ons voor, overwinnende en opdat Hij overwon (Openb. 6:2).
Zie dan, juist in alle strijd en gemis, in deze week van voorbereiding op Hem.
De tekenen die u in gedachten voor u ziet, zijn de tekenen van de liefde van Hem, Die de Leeuw uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, Die overwonnen heeft (Openb. 5:5).
Uw strijd, uw geestelijke strijd, hoe moeilijk en zwaar misschien, is geen verloren strijd.
Omdat Christus overwonnen heeft, zult u niet omkomen!
Bid dan deze week maar met de dichter: Op U, o HEERE, betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid (Ps. 31:2).

Tot slot, gemeente, deze hele praktische vraag:

Zelfonderzoek voor het Heilig Avondmaal

Zelfonderzoek, hoe moet dat? Wat gaat u doen? Wat gaat u aan uzelf vragen?
Legt u, zo zou ik zeggen, deze week de Bijbel maar open, en het Formulier voor de bediening van het Heilig Avondmaal.

En stel uzelf biddend en eenvoudig deze volgende drie vragen:
a. Walg ik van mijn zonde?
Is de grote belofte van het genadeverbond in mijn leven vervuld? Ik bedoel deze belofte: En zij zullen een walging aan zichzelven hebben over de boosheden die zij in al hun gruwelen gedaan hebben (Ezech. 6:9).
Doorzoek uw hart. En zeg: ‘Heere, kijkt U maar diep in mijn binnenste.’
Als u dat biddend doet, moet u wel met David zeggen: Heere, ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij (Ps. 51:5).
Laten we ons hart leggen naast Gods heilige Wet, naast de Wet van de Tien Geboden.
Als u denkt, dat u er één van gehouden hebt, dan bent u geestelijk blind. Ja sterker nog, geestelijk dood…
Als u ziet, dat u ze alle tien veel en zwaar hebt overtreden, dan is er alle reden om uzelf voor God te verootmoedigen en diep voor de Heere te buigen.
Slaat u dat alstublieft niet over.
Het is een bekende puriteinse uitspraak: Hoe bitterder de zonde voor het sacrament is, hoe zoeter de Zaligmaker voor u zal zijn bij het sacrament.

Tweede vraag:
b. Gaat mijn hart uit naar Christus?
Is Hij mijn Hoop, en mijn Leven geworden (1 Tim. 1:1, Kol. 3:4)?
Omdat ik in mezelf niets anders vind dan zonde, nood en dood?
Heeft de Heere mijn hart levend gemaakt? Mijn wil gebogen om in te stemmen met: Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth. 21:19)? Dat is vernederend.
Maar: Ik voor u. Of anders… is het verloren? Dat is nog dieper vernederend.

Is Christus, het geslachte Godslam, alles voor u geworden?
Heeft Hij uw rechterhand gevat? (Ps. 73:23)
Gelooft u dat het waar is wat de Heere zegt? De gewisse belofte van God? Dat om het bloed van Zijn lieve Zoon, al uw zonden vergeven zijn? En dat de Heere daarom (omdat Hij dat beloofd heeft) nooit meer op u toornen of op u schelden zal? (Jes. 54:9).
Zeker, dat is geen geloof zonder strijd.
En dat is zeker geen vanzelfsprekend geloof.
We worden geslingerd, maar op hoop tegen hoop vinden we houvast in het beloftewoord van de Heere Zelf. Dat Hij juist wil bevestigen met de tekenen van Zijn betrouwbaarheid.
Verlangt u ernaar om Zijn dood de verkondigen? Verlangt u ernaar om uw hart te laten vertroosten door Zijn wonden? Om uw tranen te laten drogen door Zijn tranen?
Kom dan volgende week met tranen in uw hart, met tranen van verootmoediging en verwondering, om zoveel liefde, om zo veel lijden, voor een zó grote zondaar!

De derde vraag:
c. Is het mijn hartelijke verlangen en voornemen om met de zonde te breken, en héb ik daarmee gebroken?
Want als de Heere je van je zondeschuld verlost heeft, dan houd je het niet meer uit in de zonde. De liefde van Christus en de liefde tot Christus, zijn de nekslag voor de liefde tot de zonde.
Kom met een gebroken hart tot Christus. Maar niet met verborgen zonden!
Doe de zuurdesem van de zonde weg uit uw leven. Haat die en verlaat die met haast, voordat u brood en wijn in uw mond neemt.
Als de zonde uit uw hart geworpen is, dan kan Christus binnenkomen.

En pas er uiteindelijk voor op, dat u na dat u dit alles gedaan hebt, niet tot de conclusie komt, dat u een geschikte avondmaalganger bent: met voldoende berouw, met voldoende geloof, met voldoende liefde en met voldoende goede werken.
Want dan is al uw voorbereiding voor niets geweest.

Kom, na alles wat u van de Heere gekregen hebt, met tranen van berouw in uw hart en werp u (voor het eerst of opnieuw) als een ellendig mens op Christus, met het gebed op de lippen, met de Kananese vrouw: Heere, help mij (Matth. 15:25).
Ga zitten op die plek, waarop staat: blijvend ellendig mens.
En luister met stille verwondering naar de stem van uw Meester: Ik heb grotelijks begeerd, dit avondmaal met u te eten.
En overdenk, belijd en verkondig de dood des Heeren. Terwijl u kijkt naar de tekenen. Samen met anderen, die ook Zijn verschijning hebben liefgehad (2 Tim. 4:8).
En eet en drink met stille verwondering en vreugde van de tekenen en zegels van de stervende liefde van onze lieve Heere en Zaligmaker.
Terwijl u de waarheid belijdt: daar ik anders de eeuwige dood moest sterven.
En terwijl u met verwondering en tot meer zekerheid van het geloof, etend en drinkend Zijn beloftewoord gelooft: Ik voor u.

Zelfonderzoek, gemeente, is hard nodig. Want zo zegt de profeet Jeremia: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; wie zal het kennen? (Jer. 17:9)
Er waren immers naast de vijf wijze maagden, ook vijf dwaze maagden (Matth. 25:2).
Ze hadden wel een buitenkant, maar de binnenkant ontbrak.
Daarom worden we allemaal opgeroepen om deze week het binnenste van ons hart te onderzoeken.
Want we kunnen wel zeggen dat we zondaar zijn, maar wat als we dat niet echt geloven?
Want we kunnen wel zeggen dat we verlost zijn, maar wat als we niet weten waarvan?
Want we kunnen wel danken en loven als een farizeeër, maar wat als dat alleen maar de buitenkant is?
Heb geen afkeer van zelfonderzoek en van een goede voorbereiding op de bediening van het sacrament.
Het zijn de hypocrieten, het zijn de huichelaars, die een afkeer hebben van het doorzoeken van hun hart. Want ze willen niets slechts, bij zichzelf tegenkomen.
Beoordeel daarom niet alleen de buitenkant van uw leven, maar leg in deze week van voorbereiding uw hart voor de Heere open. Biddend: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg (Ps. 139:23-24).
Kinderen van God, zie uw Koning komt (Matth. 21:5).
De Bruidegom komt, gaat uit, Hem tegemoet (Matth. 25:6).
Hij begeert grotelijks Zijn Avondmaal met u te eten!

Amen.

Slotzang Psalm 139:14:

Doorgrond me, en ken mijn hart, o HEERE;
Is ’t geen ik denk niet tot Uw eer?
Beproef me, en zie, of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed’;
En doe mij toch met vaste schreden
Den weg ter zaligheid betreden.