Gij zijt mensen, Ik ben uw God – Ezechiël 34
Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.
Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.
Ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werd Mijne.
Maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.
Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; want dat is Mijn bloed.
Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u..
Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! de koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op de dag der vreugde Zijns harten.
Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.