Advent - 18 september 2022
Psalm 130:4-6: Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht den HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
INLEIDING
In deze preek over Psalm 130:4-6 buigt de ontdekte zondaar dieper dan ooit, wanneer hij ziet dat er bij de HEERE vergeving is, alleen om Christus' wil, Die uit de diepten riep en niet verhoord werd, opdat wij verhoord zouden worden. Die vergeving baart geen vanzelfsprekendheid, maar heilige vrees: opdat U gevreesd wordt. En wachtend, roepend en hopend op het onfeilbare Woord, leert de ziel: wachters op de morgen wachten niet tevergeefs, want de Zon der gerechtigheid gaat op.
De video is een korte avondmaalspreek over vers 5.
De door God aan schuld ontdekte zondaar leert…
PSALM 130:1-8
1 Een lied Hammaäloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE.
2 Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
3 Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?
4 Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
5 Ik verwacht den HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord.
6 Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
7 Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
8 En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 130:4-6
THEMA
De door God aan schuld ontdekte zondaar leert…
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, we gaan vanmorgen verder waar we afgelopen zondag gebleven zijn, in de voorbereidingspreek over Psalm 130. Wat is er eigenlijk nodig om aan de bediening van het Heilig Avondmaal te gaan? Het eerste wat nodig is, dat is: er moet in ons hart berouw zijn over onze zonden, zodat ons hart daardoor verslagen en daaronder verbrijzeld is. We hebben dat gezien bij de dichter van Psalm 130. Hij buigt, hij roept, hij bidt, en uiteindelijk belijdt hij: zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! Wie zal bestaan? (vers 3) Dat is het eerste wat nodig is: hartelijk berouw. Het tweede wat nodig is, is dat er in ons hart geloof is, geloof dat wij alleen door de Middelaar de Heere Jezus Christus verlost en geholpen kunnen en zullen worden. Dat zien we vanmorgen in onze tekst, in Psalm 130:4-6.
Onze tekst voor vanmorgen vindt u een Psalm 130, daarvan vers 4, 5 en 6. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: De door God aan schuld ontdekte zondaar leert…
En laat dat vanmorgen opnieuw een spiegel zijn voor ons hart. De door God aan schuld ontdekte zondaar leert drie dingen. Deze drie dingen: 1. Kennen 2. Vrezen 3. Wachten.
‘Maar…’ Na alles wat gezegd is, komt er nu een tegenstelling: maar… ‘Vanzelfsprekend, natuurlijk, bij U is toch vergeving!?’ Nee, zo niet. Want hoe kan een mens, die zichzelf in de diepten heeft leren kennen als een rechteloze zondaar voor God, ooit vanzelfsprekend hopen op, rekenen op vergeving? Dat is onmogelijk.
Vergeving bij God wordt alleen werkelijkheid, vergeving bij God gaan we alleen nodig krijgen, daarnaar verlangen, dat als ons hoogste verlangen schatten, dat omarmen, als we overtuigd zijn van onze zonden en ellende. Genade is alleen tot nut, ja levensreddend voor schuldigen, voor terdoodveroordeelden. Wat zou je denken van een media bericht: ‘Persoon X is gratie verleend.’ ‘Maar, wat had hij dan gedaan?’ ‘Ja, niet zoveel, hij had alleen wat gestolen bij de HEMA…’ Je zegt: ‘Dat klopt niet!’ Aan wie wordt gratie verleend? Aan een misdadiger die in een dodencel wacht op de uitvoering van het doodvonnis.
Het is een kenmerk van genade, het is een kenmerk van Gods werk in mijn hart, dat ik zucht onder mijn zonde, dat het een last voor me is. Wanneer word ik daar toch van verlost? Het lijkt eerder erger dan beter te worden. En ik zie steeds meer hoe geweldig groot het kwaad van de zonde is, niet alleen tegen een heilig God, maar ook tegen een onbegrijpelijk goede en genadige God. Nee, het zijn geen ongelukjes, het zijn geen vergissingen. Het is mijn kwaadaardige natuur, het is mijn slechte hart, het is mijn schuld. En dus is vergeving ook niet vanzelfsprekend!
Sterker nog, er is zoveel dat tegen mij pleit: ik bid zo weinig, ik vraag zo weinig om vergeving en mijn belijdenis van zonde is zo onvolkomen. En zou God dit (zoveel goeds en zoveel genade) aan mij, die zo’n slecht mens ben, beloven? En toch kan ik het maar niet nalaten iedere dag die vergeving weer te zoeken. Ik zoek die alleen bij U, o HEERE. Want bij U is vergeving. Zo onbegrijpelijk groot en goed bent U, HEERE.
En, als uw verbroken en verslagen hart op Gods tijd vergeving in Hem vond, dan zegt u zonder twijfel twee dingen. Als eerste dit: dat bracht me rust en heel veel innerlijke vrede, toen ik ervaren mocht: Hij heelt gebrokenen van hart (Psalm 147:2De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen., ber.). Maar als tweede ook dit: tegelijkertijd bracht juist die vergevende genade me meer dan ooit tot het besef van de walgelijkheid en de afzichtelijkheid van mijn kwaad, en de grootheid van mijn zonden: ‘ik heb gezondigd en ik zondig tegen een goeddoend en genadig God’. En dus ben ik dieper dan ooit gaan buigen.
Ik zei in de preek van vorige week zondag: Als God in je leven werkt, dan komt er een tijd dat je leert buigen. Zelfvernedering, verootmoediging, klein worden voor God, dat zijn zekere bewijzen van een oprecht hart. En ik voeg er vanmorgen aan toe: En er komt een tijd dat je nog dieper, steeds dieper leert buigen. En dat genade (daar herken je genade aan) een steeds groter wonder wordt. Geen vanzelfsprekendheid, maar een wonder! De keerzijde is ook waar: wie genade, wie de tekenen van genade, wie de tekenen van het lijden en sterven van Christus gewoontjes vindt of gaat vinden, die kent geen genade.
Buigen, roepen, belijden en vragen om en hopen op genade, het hoort allemaal bij elkaar. Wie zichzelf heeft leren kennen als een doodschuldige zondaar, die gaat vragen naar het onbegrijpelijke wonder van Gods genade. Genade wordt een wonder bij God vandaan!
Maar bij U is vergeving. Dit is een uitroep van een mens voor wie het onmogelijk geworden is, voor een mens die geen ruimte meer ziet in zichzelf: HEERE, ik kan voor U niet bestaan. Maar, voor wie God ruimte gaat maken buiten zichzelf. Niet bij mij, maar bij U, HEERE, is toch vergeving? Ik kan het niet begrijpen, maar is dit niet de Naam, die U aan Uzelf gegeven hebt: HEERE, HEERE, God, barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Exodus 34:6Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.)? Is dit niet Uw Naam, waarmee U Uzelf bekend gemaakt hebt? Waarmee U iets aan mij hebt laten zien van…, van dat U ook een vergevend God bent? Terwijl ik opga, als een pelgrim op weg naar het heiligdom, waar U woont in heiligheid en heerlijkheid, zie ik daar dan niet de tekenen van verzoening? Daar zie ik toch het bloed dat stroomt van het altaar? Het bloed dat heen wijst naar Hem, die in de weg van het bloed, verzoening zal aanbrengen bij U, volkomen overeenkomstig Uw Goddelijk en heilige recht? Wat wordt het bloed van het altaar, wat wordt het bloed van Christus kostbaar en onmisbaar in de ogen van schuldverslagen zondaars!
Hier zien we, hoe de Heere Zelf Zijn volk in de diepten, vastzittend in de modder van hun bestaan gaat leren: Hoe diep zij gezonken zijn, vanwege hun eigen schuld, nog nooit is er Eén zo diep gezonken als Christus. Hij vernederde Zich vrijwillig tot in de diepte van de dood. Hij, heilig en zondeloos, verliet vrijwillig Zijn hemelse troon, voor opstandelingen. Hij vernederde Zich tot in de diepste diepten, en liet de schuld van de Zijnen op Zich stapelen: ‘Leg die last maar op Mij’. Hij riep uit de diepten, maar Zijn Vader antwoordde Hem niet. Dat hadden de Zijnen verdiend. Hij niet. Daarom, om Hem, om Christus’ wil, om de diepten van Zijn lijden, is er vergeving bij God.
Wat wordt het bloed van het altaar, wat wordt het bloed van het Lam kostbaar en onmisbaar in de ogen van schuldverslagen zondaars. Wat wordt het bloed van Christus onmisbaar voor een schuldig mens, die zichzelf moet veroordelen. Zie Hem kruipen in de hof van Gethsémané. In zware strijd zijnde, bad Hij des te ernstiger. En Zijn zweet werd als grote druppels, grote stolsels bloed, die op de aarde vielen (Lukas 22:41-44En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad, Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede. En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte. En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.). Hij bad: Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan (Mattheus 26:39). Een man in de kracht van zijn leven, maar nu: Een worm en geen man (Psalm 22:7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.). Zie Hem staan voor Kajafas: bespot, gesmaad en veracht. Zie Hem gaan op weg naar Golgotha: Hij draagt Zijn kruis, Hij draagt de last van de toorn van God tegen de zonde van de Zijnen. Zie Hem hangen aan het kruis. Zie Hem worstelen in dikke duisternis en verlating. Hoor Hem roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Markus 15:34En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?) Daar stroomt het bloed van het altaar, daar stroomt het bloed van het Godslam van het kruis.
En Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden zijn dierbaar in Gods oog. Zijn bloed is kostbaar in de ogen van de Vader, die volkomen tevreden is met Zijn offer. Hij heeft het recht van God volkomen genoeg gedaan. En daarom is dat bloed van Christus ook zo kostbaar in de ogen van ontdekte zondaars, die roepen uit de diepten van hun verloren bestaan tot God.
Hoe zit het nu eigenlijk? Is de vergeving van zonden voor Gods kinderen nu hun vaste en zekere bezit? Als u goed luistert, wat zegt de dichter dan? Zegt de dichter: ‘U hebt me toch vergeven?’ Zegt hij: ‘Kijk, ik heb het toch, hier in mijn hand, hier in mijn zak?’ Nee, hij wijst alleen maar! Want dat alleen is zeker en gewis! Dit: bij U is vergeving. Want dat hebt U toch gezegd, want dat hebt U toch beloofd? Wat dat betreft is Gods belofte zekerder dan eigen bezit, ik bedoel: zekerder dan de dingen die ik heb, dan de dingen die ik bezit. Want de belofte is zo zeker, dat het door God beloofde echte werkelijkheid is.
God is voor de dichter van deze psalm ook geen onbekende meer. Hij kent iets van God. Hij heeft iets gezien en iets leren kennen van God, die heilig is: Ik kan voor U niet bestaan (vers 3). Maar hij heeft ook iets leren kennen van God, die genadig is en die getrouw Zijn Woord houdt: Bij U is vergeving! (vers 4) En hij gelooft dat de Heere is, Wie Hij zegt dat Hij is. Hij gelooft Hem op Zijn Woord.
Is er dan niet zoiets als: meer zekerheid van geloof? Jazeker! En dat is, dat ik door Gods genade (terwijl ik dieper buig dan ooit tevoren) meer en vaster leer vertrouwen op die zekerheid, die buiten mij ligt. Meer dan ooit leer ik het woord van Gods belofte geloven, de waarheid van Zijn Woord. Meer dan ooit leer ik geloven, ook al voel ik het niet meer en zie ik het niet meer: Uw belofte is waar. Namelijk deze belofte: Ik vergeef menigvuldig (Jesaja 55:7De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.). Dat is het tweede wat nodig is om aan de bediening van het Heilig Avondmaal te gaan.
Het eerste wat nodig is, dat is: Er moet in ons hart berouw zijn over onze zonden, zodat ons hart daardoor verslagen en daaronder verbrijzeld is. Het tweede wat nodig is, is dit: Geloven wat hier staat: ‘Maar bij U is vergeving’. Omdat ik iets heb leren kennen van God en weet dat het woord van Zijn gewisse belofte waar is. En het derde wat nodig is (zo zegt ons Avondmaalsformulier) is een vast voornemen om in nieuwe gehoorzaamheid de Heere te dienen, om in heiligheid en oprechtheid te leven. Dat laatste gaan we zien in de tweede aandachtspunt van de preek:
Want, zo staat er: Opdat U gevreesd wordt. Vrezen is kennelijk het gevolg van het zien dat er bij Gods vergeving is. Vrezen is kennelijk het gevolg van dat dubbele kennen van God.
Als ik iets zie van de heiligheid van God en van het afschuwelijke slechte van mijn zonde, dan komt er vrees in mijn hart. Maar nu ik ook iets zie van Zijn liefde en genade voor mij, zo’n slecht mens, geeft dat ook vrees!
Want? Waarom? Hierom, nu zie ik meer dan ooit: wat hebben mijn zonden Christus toch gekost! En dus komt er een geheiligde huiver in mijn hart: ik kan en wil God niet weer en niet meer beledigen!
Vrees is het gevolg van het zien van vergeving, van het weten van vergeving. Als je iets mag kennen van de heilige God, die vergeeft, als je iets mag zien van wat het Christus gekost heeft, dan vrees je voor Gods heiligheid, dan vrees je ook voor Gods goedheid en genade, en dan word je bang voor de zonde. Dan zeg je: ‘Ik wil God niet meer onteren. Ik wil Christus niet meer op het hart trappen. Maar ik wil Hem dienen als een liefhebbend kind’. Het doel van Gods vergeving is ‘Opdat we vrezen zouden’. Zo schrijft Hosea dat ook in Hosea 3:5Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.: Zij zullen vrezende komen tot de HEERE en tot Zijn goedheid. Zij zullen vrezende komen, ook tot Gods goedheid!
Als je door een weg van onmogelijkheid, als een rechteloze zondaar gebracht bent tot de goedheid van God en als je ziet wat dat Christus gekost heeft, hoe het heilige zwaard van Gods recht Hem getroffen heeft, dan weet je wat dat betekent: vrezen voor Gods goedheid. Opdat U gevreesd wordt. ‘Heere, ik heb het niet verdiend. Want wie ben ik toch voor U? Ik kan het niet begrijpen, ik schaam me weg voor U. En mijn schuldige hart beeft onder de blijken van Uw goedheid en vergevende genade.’
Vergeving, opdat U gevreesd wordt. Dat is geen angstige schuwheid. Maar dat is diepe eerbied en blijvend ontzag voor de hoogste Majesteit en tegelijkertijd kinderlijke liefde. Een liefde die diep onder de indruk blijft van Gods majesteit en die zich ook bewust blijft van de blijvende afstand tussen God en ons, maar die tegelijkertijd kinderlijke leert vragen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? (Handelingen 9:6En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.). Laat om mij Uw grote Naam toch niet gelasterd worden.
Voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt, zingen we nu eerst, vooruitblikkend naar ons derde punt uit Psalm 138, het vierde vers:
Als ik, omringd door tegenspoed, Bezwijken moet, Schenkt Gij mij leven; Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt, Uw rechterhand Zal redding geven. De HEER is zo getrouw, als sterk; Hij zal Zijn werk Voor mij volen - den, Verlaat niet wat Uw hand begon, O Levensbron, Wil bijstand zenden.
Ons derde aandachtspunt:
Als we samen nog even lezen in vers 5 en 6: Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. Ik verwacht, ik hoop, en ik wacht….
Als ik, in deze week van voorbereiding, naar mijn hart en leven kijk, dan blijft er maar één ding over. Wat Micha zegt: Maar ik zal uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils, mijn God zal mij horen (Micha 7:7Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen.) Dan blijft alleen over wat de dichter zingt in Psalm 39: En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U (Psalm 39: 8). U, Heere, bent mijn enige hoop en verwachting. Ik wacht op U. Nee, dit wachten is geen werkeloos afwachten. De dichter roept, bidt en zoekt: Ik zoek U in de dageraad, mijn ziel verlangt naar U (Psalm 63:2O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.). Het is ook niet het verwachten van een onbekende. Roepende zielen weten Wie ze zoeken en verwachten. Ze hebben dingen van de Heere gezien, die ze nooit zullen vergeten, die ze weten, die ze kennen. U bent heilig, wonende onder de lofzangen Israëls (Psalm 22:4). Maar ook: Bij U is vergeving (vers 4). Het is een wachten, het is een verwachten ook vol van liefde en genegenheid. En het is een verwachten dat een grond heeft, namelijk in het woord van Gods belofte, in het woord van de belovende Verbondsgod, HEERE, met vijf hoofdletters geschreven.
Zeker, de bijbel is een boek vol van beloften. Maar in het leven van die roepende en zoekende zondaars kunnen er van die woorden en beloften zijn, die hen in het bijzonder bemoedigd en in het bijzonder hoop gegeven hebben. En dus zegt de dichter: Ik verwacht de HEERE!, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Hebt U het niet gezegd, Heere, dat U de verbrokenen van hart zult verbinden? Nu dan, hier ben ik, met mij gebroken hart. Hebt u niet gezegd Heere, dat u de treurenden Sions zal vertroosten? Nu dan, hier ben ik, Heere, droog toch mijn tranen (zie Jesaja 61:1De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;)? Doe HEERE, wat u gesproken hebt (2 Samuel 7:25).
U zegt: is dit geen armoe lijden? Jazeker. En tegelijkertijd leeft het echte geloof van de rijkdom van een Ander. Dit is de meest gezegende houding van de oprecht gelovige: ik heb niets, en ik wacht op God, Zijn hulp zal blijken. Dit is geloofswerk: wachten op God.
Dit roepen, bidden en belijden, dit vrezen, hopen en wachten is geloof! Het heeft alles in zich van God verheerlijken, van Hem de eer geven, de eer van Zijn tijd, van Zijn wil en van Zijn besluit. En van een geduldig en volhardend leunen op het woord van Gods belofte.
Is dit een tekening van uw leven? Leeft dit ook zo in uw hart? Roepen, bidden en belijden, kennen, vrezen, hopen en wachten?
Dit is de raad van de dichter van Psalm 37: Zwijg den HEERE (dat wil zeggen: wees stil), en verbeid Hem (verwacht Hem) (Psalm 37:7). Verlang innig naar Hem, en de reken op en wees voorbereid op Zijn komst. En houdt u ondertussen ver van de zonde. Blijft biddend op uw post, biddend: Gedenk aan het woord, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk U mij hebt doen hopen (Psalm 119:49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.).
Zo was het ook in de tijd van de geboorte van de Heere Jezus. De oude Simeon en heel veel anderen verwachtten de komende verlossing (Lukas 2:38En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.). Wat duurde het lang. Maar de belofte was er: Er zal verlossing komen, want Zijn goedheid is zeer groot! En toen brak toch de tijd aan, Gods tijd. Toen brak op Gods tijd het moment aan dat Simeon het Kind in de armen mocht sluiten en zeggen mocht: Nu laat U, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien (Lukas 2:29-30). U die wacht, u die roept, wanhoop niet. Ook al hoort u geen antwoord, uw roep klinkt wel door tot in het hemelhof. Die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jesaja 40:31Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.). Wacht op de Heere, Godvruchte schaar, houd moed.
Mijn ziel (vers 6) wacht op U, meer dan de wachters op de morgen, de wachters op de morgen. Het is adventtijd. Eeuwenlang heeft een wachtend volk gewacht en gehoopt op de vervulling van Gods belofte. Op de vervulling van de belofte van de komende Ster in Jakob, van het toegezegde licht van de blinkende Morgenster, van de komende Zon der gerechtigheid. En het woord is vervuld! In één van de donkerste nachten van de wereldgeschiedenis is het woord van de belofte vervuld.
Dat geve de Heere ook nu in het leven van degenen die Hem verwachten. Dat de Zon der gerechtigheid voor u zal opgaan en verder zal opgaan in het donker van uw roepende hart. Dat Christus in uw diepten tot u zal gaan spreken. Want het is de Heere Zelf die op Zijn tijd blinden ogen zal geven om te zien en een hart om te geloven. Als Hij hen iets openbaart en meer openbaart van Zijn Christus, van de vergeving die bij Hem is om Christus’ wil. Dat verbindt gebrokenen van hart en stelt gevangenen in vrijheid.
Dat is Gods werk. Niemand kan zichzelf verlossen uit de diepte van het ravijn, uit de modder van eigen verlorenheid. Het is God, die vergeving openbaart. Als Hij Zelf, door het Woord laat zien: Ik ben barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. En ‘Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doe Ik uw overtredingen van u (Psalm 103:8Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid., 12). Als ik ook voor eigen hart en leven mag ervaren wat Micha zegt: Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid (Micha 7:18). Als de Heere Zelf licht werpt op Zijn weg, op de enige Weg Jezus Christus, dan raken mijn voeten los uit de modder, dan worden mijn banden losgemaakt.
Als ik voor eigen hart en leven mag zien en geloven, dat God Zijn Eigen Zoon niet gespaard heeft, maar die voor mij, doodschuldige zondaar, heeft overgegeven. En Zijn Zoon gegeven heeft tot een verzoening voor al mijn zonden. Dan zing ik met de dichter van Psalm 40: Ik heb lang de Heere in mijn druk verwacht, en Hij heeft Zich tot mij geneigd. Mij in de kuil gezonken, mij heeft Hij hulp geschonken, gevoerd uit het modderige slijk (Psalm 40:1, ber.).
O, gezegende tijd, wanneer Hij als het Licht der wereld binnenkomt in de donkerheid van mijn verloren bestaan. Als Hij Zichzelf gaat verklaren als de enige Weg, voor mij, verloren mens. Wat zinkt mijn hart dan weg in stille verwondering en verbazing, en tegelijkertijd in kinderlijke vrees. Als Hij Zich aan mij openbaart. Niet alleen een anderen, maar ook aan mij. En als de Heilige Geest voor mij licht laat vallen op het bloed van het altaar, op het grote Offerlam. Daarom, om Hem, is er bij U, HEERE, vergeving. Omdat Hij om mijn overtredingen verwond is, om mijn ongerechtigheden verbrijzeld is, omdat de straf die mij de vrede aanbrengt, op Hem gelegd is, daarom is door Zijn striemen mij genezing geworden (zie Jesaja 53: 5). Omdat Hij, de Zaligmaker, die dood inging voor mij. Die dood, die ik had verdiend. Wat blijdschap smaakt dan mijn ziel, als ik de woorden horen mag uit het Avondmaalsformulier: Ik voor u, omdat u anders de eeuwige dood had moeten sterven.
Aan de dageraad gaat een tijd van donkerheid, zuchten, roepen, hopen en wachten vooraf. En dat wachten op de Heere is genade van geloof. Laat daarom de moed niet zakken. Iedere morgenwachter zal op Gods tijd het morgenlicht aanschouwen. Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich (Psalm 30:6Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.).
Wie mag er nu aangaan aan de bediening van het Heilig Avondmaal? U wordt genodigd, u die iets kent van dit roepen, bidden en belijden, van dit kennen (‘bij U is vergeving’), van dit vrezen (‘opdat U gevreesd wordt’), van dit wachten (‘mijn ziel wacht op de HEERE, en ik hoop in al mijn klachten, op Zijn onfeilbaar Woord’). U wordt genodigd, u die iets kent van deze drie dingen. In de eerste plaats van dat mishagen van uzelf, van dat uzelf voor God verootmoedigen. In de tweede plaats van dat ‘ik zoek het, in al mijn zonden en ellenden, buiten mezelf’. Want ‘bij U is vergeving. Ik hoop in al mijn klachten op Uw onfeilbare Woord’. Dat onfeilbare Woord, die gewisse belofte van U, dat is mijn enige houvast. En, in de derde plaats, van dat hartelijke voornemen en verlangen, om voor het aangezicht van de Heere te wandelen in het spoor van Zijn geboden en om uw naasten van harte lief te hebben. Ligt het zo in uw hart? Zeg dan maar: Heere, trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl. 1:4Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.).
Wacht op den HEER, Godvruchte schaar, houd moed: Hij is getrouw, de bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEERE Amen.
Slotzang Psalm 27:5, 7:
Mijn hart zegt mij, o HEER ,van Uwentwegen: "Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht", Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen Alleen bij U, o bron, van troost en licht! Verberg toch niet Uw oog van mij, o HEER! Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer. Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet. O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed: Hij is getrouw, de bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER.
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Advent
Andere gerelateerde preken