Naäman van melaatsheid genezen (Elisa VI) – 2 Koningen 5

Naäman van zijn melaatsheid genezen

Preek 2 Koningen 5:1: Naäman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.

Naäman van melaatsheid genezen
ds. J. IJsselstein – 2 Koningen 5:1-19
 
Liturgie:
Psalm 48:1,4
Lezen 2 Koningen 5:1-19
Psalm 51:1,4,7
Psalm 72:5
Psalm 72:9, 10
 
Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over de geschiedenis van de Syrische generaal Naäman en over een ontvoerd meisje.

Hij was groot, maar ten dode opgeschreven.
Zij was klein, zij was jong, maar ze werd boodschapster van Gods genade.
En een wegwijzer voor deze heidense man naar Elisa, naar de man Gods.
Naar het water van de Jordaan, dat hem redden zou van de dood.
 
Het thema voor de preek van vanmorgen is:
De boodschap van redding door het water van de Jordaan
 
We letten samen op vier aandachtspunten:

1. De man die de boodschap krijgt
2. Het meisje dat de boodschap brengt
3. De boodschap die aanvankelijk niet begrepen wordt
4. De boodschap die uiteindelijk toch gehoord wordt
 
Als eerste dus:
 
1. De man die de boodschap krijgt
We lezen in vers 1: Naäman nu, de krijgsoverste van de koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.
 
Zes dingen lezen we van deze Naäman.
a. Hij was (dat is het eerste) krijgsoverste, generaal van het Syrische leger.
b. Hij was (als tweede) een groot man voor het aangezicht van zijn heer, groot in de ogen van zijn meester.
c. Hij was (dat is het derde) hoog van aanzien.

d. Hij was ook (als vierde) militair succesvol: want door hem had de HEERE de Syriërs verlossing gegeven.
e. Van karakter was hij (als vijfde): een strijdbaar held.
Maar (dat is het zesde wat we van hem weten), één grote, donkere wolk aan de horizon: Hij was melaats.
 
Melaatsheid was, kort gezegd, een verzamelnaam voor verschillende huidziekten.
Het Hebreeuwse woord voor melaatsheid betekent letterlijk: door God geslagen.
Het was een ernstige, besmettelijke ziekte, die door mensenhanden niet te genezen was.

Het was een ziekte die mensen onrein maakte. En dus een ziekte die buitensloot: buiten het contact met andere mensen, buiten de dienst ook van de tabernakel en de tempel.
 
Je hoefde er niet mee naar de dokter. Want er was toch niets aan te doen.
Met deze kwaal moest je destijds in Israël naar de priester. Die stelde vast hoe erg het was, maar er was geen genezen aan. Alleen door een wonder.
 
De ziekte van Naäman, gemeente, is een beeld van onze dodelijke zondekwaal.
We zijn melaats, ja erger dan melaats. Zoals Jesaja zegt in Jesaja 64: wij allen zijn als een onreine (Jes. 64: 6). Niemand uitgezonderd. Wij allen!
 
Gods Woord, de Bijbel is goudeerlijk.
Het plaatst ons niet op een voetstuk, zoals wij dat graag doen.
Het noemt ons niet goedwillend en vroom, zoals wij dat graag denken.
Maar zegt goudeerlijk: wij zijn zondig, corrupt en verloren, geestelijk melaats.

Zoals Paulus zegt in Efeze 2: dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1,5).
Zoals hij zegt in Romeinen 3: er is niemand rechtvaardig, niet één (Rom. 3:10,11).
Zoals hij schrijft aan Titus: hatelijk zijnde en elkander hatende (Titus 3: 3).
Zoals hij ook schrijft in Kolossenzen 1:21: wij zijn van nature vijanden door het verstand in de boze werken.

En, zo zegt de Heere Jezus, in Johannes 3: de toorn Gods rust op ons (Joh. 3:36).
Zoals het doopformulier het samenvat: in zonden ontvangen en geboren, kinderen des toorns. Vijanden van God en van onze naaste.

En dus in geestelijke zin melaats, ja, erger dan melaats. Door menselijke handen niet te genezen.
Sterker nog: ik wil van mezelf ook helemaal niet genezen worden!
 
Lieve vrienden, ontken dit niet. Praat dit niet na.
Dit is de werkelijkheid van ons natuurlijke bestaan voor God: dood en ten dode opgeschreven.
Naäman, dat zijn wij, met onze kinderen.
 
Maar, in dat huis van Naäman is door Gods bijzondere leiding een jong meisje.
We gaan erop letten in ons tweede aandachtspunt:
 
2. Het meisje dat de boodschap brengt
De wreedheden zoals de terreurgroep Hamas die op 7 oktober 2023 beging door het meedogenloos afslachten van honderden en het ontvoeren van tientallen heel gewone mensen (baby’s, kinderen, volwassenen en ouderen)…, hier blijkt (helaas), dat was niet voor het eerst in de geschiedenis.
 
Eeuwen geleden gebeurde er iets vergelijkbaars. Het waren geen Hamas-leden, maar Syrische rebellen en benden. Die plotseling binnenvielen. Ze gingen van huis tot huis.
Hoeveel onschuldig bloed zal er toen gevloeid hebben?
Hoeveel mensen zullen er ook toen ruw meegesleurd en ontvoerd zijn?

Aantallen slachtoffers weten we niet. Of de ouders van dit meisje nog in leven zijn, of dat ze ruw vermoord zijn, weten we ook niet.
Maar zij, dit meisje, wordt meegenomen. Weggerukt uit het vredige thuis bij vader en moeder vandaan, naar het gebied van de vijand, naar het heidense Syrië.
 
Ze wordt meegenomen als buit, ongetwijfeld gebracht naar de grote markt van Damascus, en daar verkocht aan het gezin van generaal Naäman.
Een dochtertje van Abraham wordt dienstmeisje, slavin in een heidens gezin.
 
Vergeet ondertussen, ouders, de les niet. Ik bedoel deze les.
Je kind, je meisje, je jongetje, is geleend. Je krijgt het, net als haar ouders, voor een tijdje. Voor een paar maanden, voor een paar jaren, of iets langer. En dan is het voorbij.

Dan moet je hem of haar teruggeven aan de Heere. En verantwoording afleggen van wat je met dat kostbare, geleende kind deed.
Leef, ouders, in het perspectief van dat komende Godsgericht. Voordat je het weet, kan je je kind kwijt zijn.
 
Maar, wonderlijk zijn Gods wegen.
Misschien zijn haar ouders in paniek en vertwijfeling achtergebleven, niets wetend van Gods voornemen en plan. Misschien zijn ze wel koelbloedig vermoord.

Maar, onverwachts gaat door dit ontvoerde meisje het Evangelie internationaal.
Ik heb (zegt de Heere) nog andere schapen, die van het huis van Israël, die van deze stal niet zijn. Deze moet Ik ook toebrengen (Joh. 10:16).’
 
Zo gaat ze, in de ogen van mensen, als een geboeid slavenmeisje op pad.
Zo gaat ze, in Gods oog, als kleine zendelinge op pad.
Zonder haar zou Naäman nooit genezen zijn. God brengt Zijn schapen toe, soms door moeilijke wegen en grote offers van anderen. Maar het zal, wereldwijd, worden één kudde onder één Herder.
 
Kennelijk heeft het meisje, door haar trouw en bescheidenheid, in het gezin van Naäman na verloop van tijd het nodige vertrouwen gewonnen.

Kennelijk heeft de vrouw van Naäman het meisje ook in vertrouwen genomen. Maar verder weten we eigenlijk niet veel van het meisje, behalve wat staat in vers 3: Ze zei tot haar vrouw: ‘Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van den profeet die te Samaría is; dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen.’
 
Was dit meisje nog zoals ze geboren was, dan had ze dit niet gezegd. Want, zo schrijft Paulus in Titus 3: wij zijn van nature hatelijk en elkander hatende (Titus 3:3).
Het zou ‘natuurlijk’ geweest zijn, als dit meisje haar heer Naäman, diep gehaat had. Zoals de haat rond de terreurdaden van Hamas ook tastbaar was, van Joden naar Palestijnen, en omgekeerd.

Maar het valt op: ze heeft diep medelijden met hem en gunt hem: leven! Leven, door het machtige ingrijpen van Israëls God. Lange tijd is haar hart, haar binnenste, haar verhouding tot de levende God waarschijnlijk achter een sluier van voorzichtig zwijgen verborgen gebleven. Maar nu zoekt het vuur van verlangen, het vuur van medelijden, de ijver van haar kinderlijke geloof een uitweg.
 
Dit meisje maakt ons misschien wel beschaamd. Ze durft vrijmoedig getuigen (in vijandelijk gebied!) over de God van de geminachte profeet.

Wat een voorbeeld, jongelui. Zie je hoe dit meisje, in zulke kwetsbare omstandigheden, toch haar gelegenheid gebruikt om iets goeds over de Heere te zeggen? Iets goeds van de Heere, en vol van medelijden met haar baas? Probeer dat, biddend, ook te doen!
Uit liefde tot God en uit liefde tot de mensen om je heen.
 
Wat is zij ook een voorbeeld voor ons allemaal, in het buigen onder de weg van Gods voorzienigheid. Hoeveel kost het ons om te buigen onder de weg van de Heere?
Als Gods weg met ons anders gaat dan gehoopt en verwacht?

Pas dan op voor opstand, voor verzet, voor gemopper. En geef ondanks alles, voor het oog en oor van anderen, een goed getuigenis van de Heere. En zeg, hoe het ook gaat:
Gods weg is volmaakt (Ps. 18:31).
 
Wat een les ligt er in het doen en laten van dit meisje.
En wat een les ligt er ook in dat wat Naäman en zijn vrouw doen.
Ze luisteren. Ze geven acht op de dingen die het meisje zegt. Zoals Lydia later acht gaf op de woorden die Paulus sprak.

Deze kleine, onbeduidende dienares van God, wordt door deze heidense man en vrouw niet veracht. Ze verachten haar woorden en boodschap niet.
 
Haar woorden geven hun juist hoop!
Het is een beeld van hoe een melaatse zondaar (ik hoop zo, dat dat vanmorgen bij u ook zo zal zijn), het is een beeld van hoe een melaatse zondaar plotseling woorden kan horen die hoop geven.

Woorden als deze woorden: ‘Kom, melaatsen, herwaarts tot Mij, u die onrein, vermoeid en belast bent, Ik zal u rust geven. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Er is genezing onder de schaduw van Mijn vleugels (Mal. 4:2).’
 
Naäman hoort het Woord uit de mond van dit jonge meisje. Hij luistert, hij neemt het ter harte.
Waarom nemen zovelen van u de boodschap van God dan niet ter harte? Waarom moeten we dan met de profeet Jesaja zuchten: ‘Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard (Jes. 53:1)?’

Naäman hoort de boodschap van redding en genezing. Hij luistert, hij neemt het ter harte.
Hoeveel Syriërs zouden in die tijd het Woord met meer vreugde ontvangen hebben (als ze het gehoord hadden) dan zo velen onder ons?

O, het zal Tyrus en Sidon, het zal Damascus verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan u. Dan u, die de weg geweten hebt, maar die u niet wilde bewandelen. Dan u, die het teken van het bloed van Christus aan uw voorhoofd draagt, maar u hebt het veracht
(Matth. 11:22).
 
Naäman was een heiden. Hij was melaats. Maar hij steekt in luisteren naar de boodschap van genade ver uit boven velen van ons.
Ik wilde bijna zeggen: Naäman, dat bent u! Maar velen van u zijn erger…
 
Maar desondanks welkom, bij de Zaligmaker van zondaars!
Verhard u toch niet, kerkmensen, maar laat u leiden. En kom. Want Christus ontvangt zondaars en eet met hen.
 
Naäman luistert. Hoewel, toch niet helemaal goed. Want hij hoort de boodschap wel, maar legt hem uit op zijn eigen manier.

Ons derde aandachtspunt:
 
3. De boodschap die aanvankelijk niet begrepen wordt
Naäman gaat naar de koning van Syrië. En die stemt ermee in, dat er een brief naar de koning van Israël gestuurd zal worden. Kijk maar naar vers 5: Toen zeide de koning van Syrië: ‘Ga heen, kom, en ik zal een brief aan den koning van Israël zenden.’
 
Maar, jongens en meisjes, dat had dat meisje toch niet gezegd?
Ze had toch niet gezegd: ‘Och, meneer Naäman, u moet bij de koning van Israël zijn?’
Nee, bij de profeet van de God van Israël. En dus bij Israëls God Zelf!
 
Hoeveel mensen vergissen zich niet, net als Naäman? Ze luisteren maar met een half oor, met een half hart. En gaan daardoor naar het verkeerde adres.
Ze zoeken hun heil bij mensen. Ze verwachten het van hen.

Niet doen, mensen! Luister! Dwaal niet, verdwaal niet!
Uw dodelijke kwaal, uw zondekwaal, uw hartekwaal, is niet door een mensenhand te helen.
Naäman gaat op weg, als eerste, naar het verkeerde adres.

En het tweede wat opvalt staat in vers 5b: En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilver en zesduizend sikkelen goud en tien wisselklederen.
Had dat meisje iets gezegd over geld? Dit is meer dan een miljoen euro waard!
 
Deze Naäman is, gemeente, vooral een beeld van hoe ontwaakte zondaars denken te kunnen komen tot God.
Hij komt in zijn beste kleren, in zijn beste wagen, en met heel veel geld om te betalen voor de genezing van zijn kwaal.

Zo komen ook veel ontwaakte zondaars, mensen die wakker geschud zijn uit hun dodelijke rust, tot God. Wel wetend, maar niet gelovend: ik kan de prijs van mijn ziel, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen (Ps. 49:1, ber.).
Maar luister, het is echt waar: de prijs van uw ziel is te hoog.

U kunt niet betalen met netheid, met rechtzinnigheid en vroomheid, met liefde en tranen, met ijver en gebeden. De prijs van uw ziel is te hoog.
Niet de offers die u brengt, niet de tranen die u plengt…
Niets, helemaal niets, ook niet uw ervaren rechteloosheid en schuldverslagenheid.

Niets, helemaal niets maakt u aangenaam voor God en Christus. Zei Jesaja niet: ‘Kom zonder geld en koop zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55:1)?’
 
Naäman heeft de boodschap van het meisje niet begrepen. En dus gaat hij dodelijk ziek en onrein, op weg naar het verkeerde adres, naar de koning van Israël, met zijn eigen rijkdom. En straks wil hij zelf een oplossing zoeken voor zijn kwaal: ‘ik was mezelf’.

Wat blijkt hier wat Paulus zegt in 1 Korinthe 2: de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, want ze zijn hem dwaasheid (1 Kor. 2:14).
 
En dus, wat is het krachtige, overtuigende werk van de Heilige Geest nodig. Om ons te brengen waar we moeten zijn: op het goede adres en met lege handen.
Want we worden niet, we worden nooit gerechtvaardigd door onze werken, door iets wat we zelf inbrengen. Maar alleen door het geloof.

Door met lege handen te buigen aan Gods voeten, met niets van onszelf.
Maar wil het zover komen, dan moeten we, trotse en hoogmoedige mensen die we zijn, eerst diep vernederd worden.
 
Naäman gaat met heel veel geld, met zijn wagen en met paarden naar Samaria.
Hij heeft niet goed geluisterd. Hij gaat niet naar de profeet, maar naar de koning. Dat is tenminste op zijn niveau.

Maar van dat niveau wil de Heere hem afbrengen. Anders is er geen plaats voor genezing, anders is er geen plaats voor genade. En dus, wat doet de Heere?
Hij vernedert zijn hoogmoed.
 
Goed, hij wordt dan weliswaar doorgestuurd naar de profeet. Dat is dan de juiste man, maar hij zegt in vers 11: die zal dan zeker uitkomen.
Die zal zeker zijn huis uitkomen en naar mij toe komen.
 
Maar nee. Elisa komt niet naar buiten. Hij stuurt zijn knecht met een boodschap.
Want er is geen aanzien des persoons bij God.
‘Naäman, u bent voor mij (én voor God) geen hoog bezoek. Luister eenvoudig, wie je ook bent, naar mijn Woord.’
 
De Heere vernedert zijn hoogmoed. En de Heere keert de verwachtingen van Naäman volledig om. Hij zegt in vers 11: ‘ik dacht dat een profeet naar buiten zou komen, en staan en den Naam des HEEREN zijns Gods aanroepen en zijn hand over de plaats strijken en de melaatse ontledigen.’
Maar nee, dat gebeurt allemaal niet. Het gaat niet zoals Naäman wil.

Lees maar in vers 10: Toen zond Elísa tot hem een bode, zeggende: ‘Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen en gij zult rein zijn.’
Wat een duidelijke boodschap. Wat een eenvoudige opdracht…
 
Maar, dit gaat echt helemaal dwars tegen zijn hoogmoedige bestaan in. Zijn hart barst van verzet. Er staat: hij werd zeer toornig, en hij toog weg met grimmigheid (vers 11,12).
Zoals er ook nu, hier in [plaatsnaam], onzichtbaar, zoveel harten barsten van irritatie en verzet tegen het Evangelie van vrije genade.
 
‘Naäman, kom van je wagen af! Kom uit je rijtuig af! Kom van je troon! En was je in de Jordaan.’
Nee, zeggen de meeste mensen: ‘dat kan ik niet.’
Maar Naäman is eerlijker, hij zegt: ‘dat wil ik niet.’
Hij zegt in vers 12: ‘onze rivieren, onze manieren zijn vele malen beter. Ik ga naar huis!’
 
Zoals zoveel mensen zich boos en geïrriteerd verzetten en afwenden van het Evangelie van vrije genade.
Omdat het uw hoogmoed, omdat het uw trots aanwijst. Maar u wilt niet buigen.

Omdat u gehoopt had op een ander geneesmiddel, op andere woorden. U wilde zachte woorden horen, betoverende klanken, woorden vol troost. Om zo weer, rijk in uzelf en trots op wie u bent, na de dienst naar huis te gaan. U wilde woorden horen, die u zouden aansporen om zelf iets te doen, om zelf iets te presteren.

Maar geen vernederende woorden, die uw knieën wilden buigen. Geen armmakende genade. Daarvoor was u niet gekomen…
 
Maar hij kreeg, en u krijgt vanmorgen maar één boodschap mee naar huis: uw kwaal is dodelijk, uw vijandschap is groot. En u kunt slechts gewassen worden in het water van de Jordaan, in het bloed van de Heere Jezus Christus.

En alles wat u zelf meegenomen hebt, en alles wat u zelf wilt doen of gedaan hebt, kan de prullenbak in.
Uw vrijmoedig getuigen, uw liefde voor de kerk, voor zending en evangelisatie. Uw vroomheid, uw rechtzinnigheid, uw tranen, uw liefde, uw geld, uw…, het kan allemaal de kliko in.

U moet gewassen worden in de Fontein die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinheid. U moet gewassen worden in het bloed van Christus!
En dus: Kom van uw wagen af! En was u, en laat u wassen in de Jordaan. In een zee van bloed, in het bloed van de gewillige Zaligmaker. Die u, als u tot Hem komt, niet zal afwijzen.
 
Naäman moet leren (maar dat wil hij niet, totdat de Heere Zelf zijn verzet breekt), Naäman moet leren, dat hij voor de Heere geen hoog en voornaam man is, maar een onreine zondaar. Hij moet leren dat hij zijn eigen ideeën moet afstaan, dat hij zijn eigen vooroordelen moet loslaten. Hij moet worden als een kind, zoals dat Joodse meisje bij hem thuis.

Zei de Heere Jezus niet ooit: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien u nu niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens (besprengd met het water van de doop, als teken van besprenging met het bloed van Christus), zo zult u in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan (Matth. 18:3).’
 
Wij prediken u Christus, de Gekruisigde (1 Kor. 1:23)!
De Joden een ergernis. U stoot u aan het Woord.
De Grieken een dwaasheid. U vindt het belachelijk, net als Naäman. Jezelf wassen in de Jordaan…
Maar er is maar één weg, lieve mensen, om behouden te worden. Door niets van u.

Geen werken, geen geld, geen praatjes. Maar als zondaar buigen en gewassen worden in het bloed van Christus, de Gekruisigde.
 
Door Zijn bloed, waar het water van de Jordaan heenwees, waar het water van de Heilige doop heenwijst.
Door het water van de Jordaan ging het volk Israël het land Kanaän binnen.
Door het water van de Jordaan wordt Naäman straks genezen.

Door de rivier van levend water, door het bloed van de Heere Jezus Christus alleen, kunnen wij en onze kinderen gered worden.
En zo niet…, als u dat niet wilt…, u gaat zeker verloren.
 
Maar helaas, van zo velen van ons geldt, wat ook van Naäman geldt: hij wil niet, u wilt niet…
En ik weet hoe dat is. Ook mijn hart was ooit vol van vijandschap en verzet tegen vrije genade. Wel niet als de heidense Naäman, maar wel als een vrome farizeeër.

En dus, diep in mijn hart, gelijk aan deze man. Ik wilde ook niet. En u, onbekeerde vrienden, wilt het ook niet! Tot het levende water, tot Christus komen. Opdat u leven zou hebben en genezing van uw dodelijke zondekwaal.
 
Naäman zegt: ‘ik ga naar huis. Zo wil ik niet genezen worden!’
Misschien zegt u dat ook wel. Terwijl ik niet weet, of u hier ooit nog zal terugkomen.
 
Ons vierde aandachtspunt:
 
4. De boodschap die uiteindelijk toch gehoord wordt
Laat me daarom zijn als een van de knechten van Naäman. Denkend aan vers 13: Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem en zeiden: ‘Mijn vader, zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zou u ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij tot u gezegd heeft: Was u en u zult rein zijn!’
 
Als u iets heel moeilijks had moeten doen, als u heel veel geld had moeten betalen, u had het gedaan.
Als de zaligheid van uw ziel u honderdduizend euro zou kosten, u zou er nu voor tekenen. En als u het niet had, dan zou u een hypotheek op uw huis nemen, of een crowdfunding actie starten, maar hoe dan ook: u zou betalen!
 
En nu kost het u niets… Het kost u niets
Ga alstublieft niet weg. Maar kom! Naar die geopende fontein, die er geopend is voor de zonden van het huis van Jakob (Zach. 13:1). En kijk door het water van de Jordaan heen, naar de overvloedige fontein die geopend is door het werk van en de betaling door de Heere Jezus Christus.
 
Laat uw weerstand toch breken.
Kom van uw wagen af. Kom naar beneden van uw trots.
En laat u dopen in de Jordaan. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als wol. Al was uw ziel melaats (en dat is hij!), hij zal rein zijn en genezen.
 
Ik sta hier, als een levend bewijs van deze waarheid.
Vrome farizeeërs, u kunt zalig worden. Was u in de Jordaan!
En deze man hier, Naäman, is het levende bewijs, voor u die in de zonde leeft.
U kunt genade krijgen! Kom, laat uw zonden afwassen door het bloed van Christus.
 
Maar, veel meer… Vergeet mij, vergeet Naäman.
Hoor de liefdevolle stem van Christus.

‘Kom, zondaars. Kom tot Mij. U bent niet te onrein, u bent niet te vijandig, u bent niet te slecht. Kom tot Mij. Dan zal Ik rein water op u sprengen en u zult rein worden van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ez. 36:25). Want Mijn bloed reinigt van alle zonde (1 Joh. 1:7).’
 
Kom, voordat het te laat is. Als u het water des levens veracht, is er niets meer.
Ander water is er niet. Een ander middel is er niet. Alleen het bloed van het Lam.
Weeg geen geld uit voor iets anders, maar kom!
Laat u wassen, en drink van het water des levens om niet.
 
Verhardt u niet.
Miljoenen mensen voor u zijn verloren gegaan. Niet omdat er geen geneesmiddel was voor hun dodelijke kwaal. Maar omdat ze niet wilden.

U wilt niet van de wagen van uw hoogmoed afkomen.
U wilt u niet laten wassen in die verachte stroom van het bloed van het Lam.
Het is u een ergernis. Het is u een dwaasheid.
O, hoe dodelijk is uw kwaal. O, hoe ellendig is uw toestand.
 
Maar God…. Het is de overwinning van Gods genade, die deze man in zijn wagen uiteindelijk toch breekt.
 
En dus, Gode zij dank, staat er uiteindelijk toch (in vers 14): Zo klom hij af en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van den man Gods; en zijn vlees kwam weder gelijk het vlees van een kleinen jongen, en hij werd rein.
 
God maakt Zijn Woord waar. Hij wordt genezen, naar, dat wil zeggen ‘overeenkomstig’, naar het woord des Heeren.
En zo zegt de Heere (of u het horen wilt of niet, maar ik bid u: luister!): ‘Het bloed van Jezus Christus, Gods zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh. 1:7).’
 
Zo u dan de stem van Elisa, zo u dan het woord van de Heere hoort, en zo u de wijzende vinger van dit meisje en van Elisa ziet, gelooft dan nu Zijn heil- en troostrijk woord. Verhardt u niet, maar laat uw zonden afwassen.
En geef God de eer (vers 15).
 
Amen.