Heb je Jezus lief?
Preek Johannes 21:17: Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb.

Thema preek jongeren: Heb je Jezus lief? (Johannes 21)
1. Wie het vraagt
2. Waar de vraag over gaat
3. Hoe je het antwoord kunt weten op deze vraag
4. Hoe bijzonder de liefde is (waarnaar gevraagd wordt)

LEESPREEK
PREEK MET BEELD
AUDIO

Gemeente,
De preek van vanmorgen neemt ons mee naar het strand van de zee van Tiberius. Het is voor Petrus bekend terrein.
Dat kan in je leven ontspanning geven, maar soms kan je dat ook aanvliegen. Bijvoorbeeld als een bekende omgeving ineens allerlei herinneringen oproept aan vroeger.

En dat is hier ook zo. Er zijn hier, op deze bekende plek, zoveel stille, zoveel woordeloze getuigen. Die als het ware met hun vinger wijzen. Naar Petrus.

a. Dit is het strand van de zee van Tiberius. Hier is Petrus drie jaar geleden, samen met Andreas, geroepen, toen hij het net uitwierp. Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken (Mat. 4:19).
Maar nu heeft hij zijn Meester verloochend. Nu is hij weer terug bij af.
Misschien herken je dat wel. Je bent jong, je wilt de Heere dienen, je staat op het punt om belijdenis te gaan doen of hebt dat in de afgelopen jaren gedaan.
Maar, je hebt de Heere zo vaak verloochend. Klopt dat wel?

b. Dit is het strand van de zee van Tiberius. Waar Petrus zit in de kring van zijn medediscipelen, samen met Thomas, Nathanaël, Jakobus, Johannes en twee andere discipelen.
Zoals je ook in deze tijd bij elkaar kunt zitten, als vrienden of vriendinnen, in een bijbelstudiegroep of op een vereniging.
Ze hebben het je horen zeggen, met trots en zelfverzekerdheid: ‘Ik? Nee, ik zal Hem nooit verloochenen.’ En de rest weten ze ook.
Je schaamt je naar. Kan dat wel?

c. Maar er zijn (in de derde plaats) vooral ook zo veel dingen die hem persoonlijk herinneren aan wat er pas gebeurd is.
De meesten waren er niet bij. Ja, Johannes wel.
Hij warmde zich in de zaal van Kajafas, aan…? Aan een kolenvuur. En nu zit hij weer bij een kolenvuur. De herinnering dringt zich ongetwijfeld aan hem op.
Zoals je denkend aan het moment van belijdenis doen, zittend in de kerk, bij het Bijbellezen, bij het bidden of bij de bediening van de sacramenten, ineens weer moet denken, aan…? Aan wat je destijds deed. Niemand of bijna niemand was erbij. Maar van binnen schrijnt het, knaagt het wel.
Kan dit wel samen gaan?
Weten zij wel wie ik ben? Nee.
Weet de Heere wel wie ik ben? Ja, Petrus…

d. Kijk (in de vierde plaats) maar naar de blik in de ogen van de Heere Jezus.
Staat die niet in je geheugen gegrift? Staat die niet op je netvlies gebrand? De Heere Zich omkerende zag Petrus aan? Hij zei niets. Hij keek je aan, met een blik vol liefde. Hij keek je in je hart. En toen brak je.
Zoals je hart misschien ook wel eens gebroken is, toen je zag wie je was, onder de blik van Jezus.

Al die stille en woordeloze getuigen zijn voor Petrus als wijzende vingers.
Waardoor jij je misschien ook wel aangewezen voelt.
Door de mensen: ‘Jij?’
Maar vooral door God: ‘Jij?’
Waar sta je eigenlijk? Wie ben je eigenlijk? Ga jij straks belijdenis doen?

Ik ben het niet, het is Jezus Zelf, de opgestane Christus, die je, jongelui (en ook ons, ouderen) daarom deze vraag gaat stellen. Heel simpel, heel eenvoudig, maar recht op het hart af. Het is een vraag uit de mond van Hem, Die harten en nieren proeft, en Die alle dingen weet.
De vraag van onze tekst uit Johannes 21:17, alleen deze woorden:
Hebt gij Mij lief?

Jongelui, belijdeniscatechisanten, ik wil me in deze preek vooral op jullie richten. Het antwoord op deze vraag mag je zelf geven.

Het thema voor de preek is:
Heb je Mij lief?

Er zijn vijf aandachtspunten:
1. Wie het vraagt
2. Waar de vraag over gaat
3. Hoe je het antwoord kunt weten op deze vraag
4. Hoe bijzonder de liefde is (waarnaar gevraagd wordt)

Als eerste dus:
1. Wie het vraagt
Wie vraagt het niet allemaal: ‘Heb je mij lief? Hou je van me?’
Wie dat vraagt? Eigenlijk zijn er heel veel dingen, heel veel mensen die vragen: ‘Heb je mij lief?’
Een vriend, een vriendin: ‘Hou je van mij?’ En de twinkeling in de ogen van de ander maakt dat de vraag je raakt. Wat een mooie vraag! Wat een aardige, wat een lieve vraag!
Hoewel het antwoord de liefde kan laten kantelen in verdriet. Of in blijdschap!
Een vriend, een vriendin kan het aan je vragen.

Maar je hoort de vraag van veel meer kanten: ‘Heb je mij lief?’
De dingen van deze tijd, de mooie dingen waar je zo van kan genieten. Zo mooi om te doen, zo geweldig om te beleven, zo aantrekkelijk om te hebben. En dus zegt iedere reclame tegen je: ‘Hou je hier ook niet van?’

De toekomstdroom van een leuk gezin, van een mooie carrière, van een leuk huis, van geweldige vakanties. Er zijn zoveel dingen in dit leven, die aan je vragen: ‘Heb je mij lief?’
Dat maakt het leven ook zo ingewikkeld. De een trekt je hart hierheen, de ander trekt je hart daarheen.

Terwijl, als je er even rustig over nadenkt, dan voel je: mijn liefde is er maar voor één. Ik kan mezelf niet opdelen. Ik kan mijn hart niet breken.
Zeker niet, en daar gaat het hier om, als het gaat om mijn liefde voor iemand.

Wie het hier is, die het vraagt: ‘Heb je Mij lief?’
Het is de Heere Jezus. Die Petrus verloochend heeft. Wat heeft dat het lijden van de Heere Jezus verzwaard. Dat één van Zijn lieve discipelen zei: Ik ken Hem niet!
Moet je je voorstellen, jongelui, dat je lieve vriend of vriendin in het openbaar zegt: ‘Jij? Ik heb jou volgens mij nog nooit eerder gezien!’
Wat trap je die ander dan toch hard op zijn of haar hart.

Die op het hart getrapte Jezus, die gestorven is aan het kruis (wat Petrus ook al wilde verhinderen!), die opgestane Heere, Hij vraagt aan Petrus, maar nu ook aan jou, aan mij, aan ons: ‘Heb je Mij lief?’

Het brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Waar de vraag over gaat
Het is eigenlijk een bijzondere vraag. De Heere had ook kunnen vragen (dingen waar wij, mensen, zo vaak op letten):
‘Simon, geloof je? Ben je bekeerd?’
‘Wanneer ga je weer openlijk voor Mij uitkomen?’
‘Ga je, als het weer kan, deelnemen aan het Heilig Avondmaal?’
Vragen die zonder twijfel, stuk voor stuk antwoorden hadden opgeleverd als:
‘Ik weet het niet, Heere.’
‘Ik durf het niet, Heere.’
‘Want als ik kijk naar wie ik ben, als ik denk aan wat ik gedaan heb…’

Dus stel de Heere jou en mij een andere vraag.
En dus stellen wij ook aan onze belijdeniscatechisanten straks een andere vraag.
Een vraag waaruit blijkt dat het hart van christen-zijn zit in het hart: ‘Heb je mij lief?’
Christen-zijn, belijdend christen zijn, is kennelijk meer dan…
Dan zondags naar de kerk gaan en doordeweeks misschien gewoon je eigen leven leiden zonder God.
Dan je aan uiterlijke vormen houden, dan mee kunnen praten, dan het allemaal zo goed weten. Zonder… liefhebbend hart.

Echt christen-zijn zit in je hart. De enige plek die je zelf kent. En die God kent.
Andere mensen zien het aan je leven. Zelf merkt je het aan je hart.
Waar je, net als Petrus, je zonden en schuld voor de Heere ziet en kent. Het doet je diep verdriet, je hebt er hartelijk berouw over, je schaamt je er diep voor. Voor: zoals je bent voor God.
Die geen dode letter maar levende Werkelijkheid voor je is, vooral in je Bijbellezen en in je stille gebed.
Je merkt het aan je hart, dat uitgaat naar de Heere Jezus. Je zoekt de Zaligmaker. Je hebt Hem nodig. Hij is je enige Hoop en Redding geworden.
En sindsdien heeft je hart een diepe afkeer van de zonde. Want je wilt de Zaligmaker niet opnieuw doorsteken.

Echt christen zijn zit in het hart. Dat de zonde haat, en dat Christus liefheeft.
Zeker, je kan allerlei grotere dingen aandragen als kenmerk van het hart van een echt christen: je moet dit kennen, je moet dat kennen, je moet dit kwijt, je moet dat kwijt…
Maar de minste genade, de grootste genade van een oprecht hart is liefde tot Christus.
Als die er niet is, dan is alles wat je verder nog hebt, van geen waarde.
Paulus zegt: In het licht van de liefde van Christus is al het andere van mijn leven, waar ik ooit zo trots op was, schade (verlies) en drek (vuil) geworden (Fil. 3:8).
En in 1 Korinthe 16 zegt hij: Wie de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking (1 Kor. 16:22).

Er kunnen heel veel dingen zijn, waarvan je denkt dat je ze ook zou moeten hebben.
Die je kunnen ontmoedigen, als je ziet of merkt dat je ze mist.
Sommige mensen kunnen zo goed praten, zo mooi bidden, dingen zo mooi zeggen.
Andere mensen weten zoveel. Weer andere mensen durven zoveel.
Het is allemaal mooi, maar het gaat om dit ene: ‘Heb je Mij lief?’
Heb je, jongelui, Christus lief?

Het is een hele simpele vraag. Iedereen snapt hem.
Maar het is ook een heel ontdekkende vraag.
Wie zomaar simpel ja zegt, die lijkt niet op Petrus.
Wie zomaar simpel nee zegt, ook niet.
Het is een vraag die bij Petrus (dat hoor je, dat voel je), en hopelijk ook bij jullie leidt tot een innerlijke worsteling. ‘Maar, Heere, mijn verloochening dan? Mijn leven dan? Is mijn liefde dan wel echt? Is mijn hart dan wel oprecht?

3. Hoe je het antwoord kunt weten op deze vraag
Hoe weet je of je een kind van God bent, of je nieuw hart hebt, of je bekeerd bent?
Is dat als je volmondig ja kunt zeggen op deze vraag: ‘Heb je Mij lief?’

Het is wel een heel belangrijke vraag. Want als je persoonlijk de liefde tot de Heere Jezus Christus niet kent, dan sta je overal buiten. Dan ben je letterlijk op weg naar je ondergang.
Dan heet je wel christen, maar eigenlijk ben je het niet.

Hoe weet je of je van iemand houdt?
Dat hoef ik aan jullie, jongelui, niet te vragen. En ook de kinderen weten het. Iedereen kan het snappen.

a. Als je van iemand houdt, dan denk je vaak aan hem.
Natuurlijk, niet ieder moment van de dag. Soms korter, soms langer. Maar wel iedere dag. Die ander is altijd in je gedachten: wie die andere is, wat hij deed of doet, wat hij graag wil…
Wie Christus liefheeft, kan Hem niet vergeten. Die denkt aan Hem.
Aan Wie Hij is. Aan hoe Hij in deze verloren wereld kwam om vijanden te redden van hun ondergang.
Aan hoe Hij is. In Zijn trouw. Waarmee Hij mij, ondanks alles van mij, nooit heeft weggestuurd. In Zijn hoogheid, majesteit en heiligheid. Wat mijn hart vervult met eerbied voor Hem. En in Zijn onbegrijpelijke liefde. Waarmee Hij, die geen mens nodig had, uit enkele liefde in deze wereld kwam, om te lijden en te sterven. Ook voor mij…

Het kan niet anders, Wie Christus liefheeft, denkt aan Hem en kan Hem niet vergeten.
We zeggen met de dichter van Psalm 33: In de grootste smarten, blijven onze harten in de HEERE gerust. Ik zal Hem nooit vergeten!
En als we Hem wel vergeten (David zegt dat hij het soms deed, dagen zonder getal!), als we Hem wel vergeten, doet het ons diep verdriet. We leggen het met schaamte aan Zijn voeten.
b. Wie Christus liefheeft denkt vaak aan Hem. En (dat is het tweede) hoort ook graag over Hem.
Als je van iemand houdt, dan vind je het fijn om te luisteren naar zijn stem, naar wat hij vertelt over hoe hij is, over wat hij doet, over waar hij van houdt.
Het kan niet anders, Wie Christus liefheeft, wil horen over Hem.
We zeggen met de dichter van Psalm 33: In Hem verblijdt zich ons gemoed. Omdat wij op Zijn Naam vertrouwen, die Naam, zo heilig, groot en goed.

c. Wie Christus liefheeft (dat is het derde) die leest ook graag over Hem, in Zijn woorden, in de Bijbel.
Het is de liefdesbrief die Hij uit de hemel voor ons geschreven heeft. Als je zo’n brief achteloos en slordig terzijde legt, dan zit het niet goed met de liefde van je hart.
Het kan niet anders, wie Christus liefheeft, leest graag in Zijn brieven.
We zeggen met de dichter van Psalm 119: Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest. Geen honing kon het gehemelte beter smaken.

d. Wie (dat is het vierde) Christus liefheeft, doet graag wat Hij wil.
Die wil Hem geen pijn doen. Wat Hij haat, dat wil ik ook haten. Wat Hij graag wil, dat wil ik ook. Hoewel ik zo vaak struikel in het doen van Gods geboden.
Is dat moeilijk? Ja, want mijn zondige hart wil vaak andere dingen doen.
Is het zwaar, moet het met tegenzin?
Nee, want de liefde voelt dat de last van Christus licht is, dat Zijn geboden niet zwaar zijn. We zeggen met de dichter van Psalm 119: Doe mij op het pad van Uw geboden treden, schraag op dat spoor mijn wankelende gangen. Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.

e. Wie Christus liefheeft, die (dat is het vijfde) heeft ook Zijn kinderen lief.
Als je kinderen van God ontmoet, waar het ook is, dan is er altijd iets gemeenschappelijks, iets dat aantrekt. Je hebt ze lief, omdat zij Christus ook liefhebben.
Johannes zegt: Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood (1 Joh 3:14).
We zeggen met de dichter van Psalm 119: Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw naam ootmoedig vrezen, en leven naar uw Goddelijk bevel.

f. Wie Christus liefheeft, die is (dat is het zesde) een biddend mens.
Iemand van wie je houdt, die wil je ontmoeten, daar wil je mee praten. Soms is het ook goed om zonder praten bij elkaar te zijn. Zo is het ook met de liefde tot Christus.
Ons hart heeft zoveel aan Hem voor te leggen en aan Hem te vragen. Soms met woorden, soms met zuchten zonder woorden. Maar we prijzen ons gelukkig, dat we naar Hem toe mogen gaan. We zeggen met Asaf in Psalm 73: Het is mij goed nabij God te zijn.

Zo kan je weten, jongelui, of je hart aan Christus verbonden is. Met een band van liefde en geloof.
Het is in de eerste plaats een zaak van je hart.
En het is in de tweede plaats te zien, te horen, te merken aan je leven.
Niet aan bijzondere dingen. Maar mensen merken toch als je van iemand houdt? Daar hoef je geen ingewikkelde taal voor te gebruiken. Dat is tastbaar. Of het is er niet…

Kijk eens naar je hart? Want (zo kwamen we hierop) de vraag van Jezus aan Petrus, aan jou en mij is: ‘Heb jij Mij lief?’

Het is wel een heel bijzondere liefde. De liefde waar het hier over gaat, die is uniek, die is enig in zijn soort. Dat zien we in ons vierde aandachtspunt

4. Het bijzondere van deze liefde
Laten we die eerst van onze kant bekijken.

a. Het bijzondere van deze liefde is (als eerste) dat die er ooit niet was. Ooit was er in ons hart geen liefde. Er was niets. En niets voelen voor zo’n goede God is in wezen gelijk aan haat.
Als je Christus liefhebt, weet je dat het ooit anders was.
Misschien heb je van jongs af aan de Heere liefgehad, en weet je dat niet zo te herinneren van vroeger. Maar later bleek het wel. Want we wedergeboren hart is wel een liefhebbend hart geworden, maar er is ook nog een oud deel. Dat niet doet wat ik wil, dat andere dingen wil liefhebben in plaats van Jezus.
Het bijzondere is dat die liefde er ooit niet was, maar dat er nu anders geworden is.

b. Maar dat kwam (als tweede) niet van ons. Dat kwam van Hem. Wij hebben Hem lief, schrijft Johannes, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh. 4:19).
Hij heeft ons hart genomen (Hoogl. 4:9).
Hij heeft Zijn liefde in ons hart uitgestort (Rom. 5:5).
En Hij heeft onze liefde tot de dingen van nu en tot de zonde gebroken.
Als je Christus liefhebt, weet je dat dat van Hem komt. Ondanks ons. En dan verwonder je je om Hem! Dan zeg je met Johannes: Ziet hoe groot de liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen van God genaamd zouden worden (1 Joh. 3:1).

c. En dat maakt (als derde) dat er ook een eindeloos groot verschil is tussen mijn liefde en Zijn liefde.
Dat maakt je in zekere zin (ondanks de blijdschap in de dienst van de Heere) blijvend ongelukkig. Mijn liefde zou meer moeten zijn.
Mijn genade is zo weinig, mijn geloof zo wankel, mijn vertrouwen zo dubbel.
Als je Christus liefhebt, is er dus blijvend gebrek. Dan zeg je met de vader van de bezeten jongen: Kom mij te hulp, Heere (Mark. 9:24).
Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp.
Ik heb lief, kom mijn liefde te hulp.
De liefde tot Christus kent geen tevredenheid, geen voldaanheid, maar ziet levenslang gebreken.
Totdat de liefde straks in de hemel eindelijk volmaakt zal zijn.
Want de hoop wordt vervuld, het geloof verandert in zien, maar de liefde zal blijven.
Het is een eindeloos groot verschil tussen onze liefde en de liefde van Christus zelf.
Laten we deze liefde als tweede van Zijn kant bezien

a. Denk eens aan de duur van Zijn liefde.
Denkend aan Jeremia 31:3: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

b. Denk eens aan de bereidheid van Zijn liefde.
Denkend aan Psalm 40: Toen zei Ik: zie, Ik kom (Psalm 40:8). Voor wie? Voor vijanden die Hem haatten.

c. Denk eens aan de daden van Zijn liefde.
Aan Zijn komen in deze wereld.
Hij hoefde de hemel niet te verlaten en Zich te vernederen.
Hij hoefde Zich niet laten verloochenen door Petrus.
Hij hoefde Zich niet laten verlaten door Zijn vrienden.
Hij hoefde niet te sterven aan het kruis.
Maar Hij deed het allemaal wel. Uit liefde. Uit eenzijdige liefde, uit liefde van Zijn kant alleen.

d. En denk eens aan de trouw van Zijn liefde.
En ze die eens tegenover onze ontrouw.
Petrus zegt: Ik ken de mens niet
Jezus zegt: Vader, vergeef het hem. En bewaar hem, dat zijn geloof niet zal ophouden.

Heb je ooit, jongelui, iets gezien van de heerlijkheid van de liefde van Christus?
Heb je ooit uitgeroepen in je hart: Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk! Dat is mijn Liefste! (Hoogl. 5:16)
O gelukkig hart, dat met liefde aan Jezus verbonden is!

Of staat je leven in het teken van een andere liefde? Voor de dingen van nu, voor de dingen van deze tijd, voor een mooie toekomst hier?
Je zoekt het hier (op de aarde), maar Jezus is daar (in de hemel)!
Zoek toch de dingen die boven zijn (Kol. 3:1).

Vergeet ondertussen niet, jongelui, dat liefde een keerzijde heeft.
Vertrapte liefde, gekrenkte liefde, geminachte liefde, daar moet je bang voor zijn.
Maar zeg nu in alle redelijkheid:
Nu Christus uit de hemel gekomen is, mens geworden is, geleden heeft, dieper en zwaarder dan ooit iemand leed…
Nu Hij gestorven is, om mensen die Hem eerder haatten in liefde te kunnen omarmen…
Als jij dan zegt: ‘Nee, ik wil mijn hart aan andere dingen geven…!’, dan ben je toch niet verbaasd, dat Johannes in zijn openbaring ook schrijft over de toorn van het Lam?

De scheiding is scherp. Er is geen tussencategorie.
Of je herkent, met al je gebrek (wat ik ook benoemd heb) die liefde in je hart tot Christus. Om Wie Hij is, om alles wat Hij deed.
Of je weet, je voelt: daar ken ik niets van.
In dat laatste geval ga je een dramatische toekomst tegemoet. Op de dag van de wederkomst van de Heere Jezus Christus bliksemt er vuur uit de toornende ogen van het Lam.
Maar nu is het nog anders. O, kom dan! Christus klopt aan de deur van je hart. Doe Mij open! Geef Mij je verloren hart.
Stel Hem niet teleur, wijs Hem niet af.
Hij is het waard om omhelsd te worden. Hij is het waard, dat je al de liefde van je hart aan Hem geeft.

Misschien kan je de vraag ‘Heb je Mij lief’ niet met nee beantwoorden. Je kan het gewoon niet. Want het is anders. De Heere kwam in je leven en nam je hart.
Maar…, en dan volgen er net als bij mij allerlei dingen: ‘Maar, Heere, mijn zonden, mijn ontrouw, mijn gebrek aan liefde, mijn ongeloof, mijn vergeten van U, mijn biddeloze leven, mijn hangen aan de dingen van nu, mijn verloochening van U…’
Een volmondig ja is moeilijk uit de mond van een ellendig mens.
En dus blijft er maar een ding over. Zo kan je straks, belijdeniscatechisanten, ook belijdenis doen. Met Petrus: ‘Heere, nee zeggen, kan ik niet. Ik kan niet zeggen dat ik U niet liefhebt. Ja zeggen, wijzend op mijn liefde, dat kan ik ook niet. Kijkt U maar naar al die stille getuigen. Ik heb U verloochend. Mijn liefde is ontrouw.’

Maar (en daar ligt je hoop, jongelui, als je daarmee tobt): Maar, Heere (zegt Petrus uiteindelijk) U weet alle dingen.
Kijkt U maar tot in het diepste van mijn hart. Doorgrond en ken mijn hart, Heere.
Zoveel zonden, zoveel ontrouw, zoveel gebrek aan liefde.
Maar U mag in mijn hart graven. Dieper, nog dieper…
Totdat U op de bodem van mijn hart iets zult vinden, wat eigenlijk niet van mij is.
Het is van U. U hebt het daar gelegd. Daar ligt iets van Uw liefde voor mij.
Die mij waarschuwde. Die voor mij bad. Die mij aankeek. Die mij meenam in Uw dood, omdat ik anders de eeuwige dood had moeten sterven.
U nam me ook mee in uw opstanding. Om Uw leven, Uw genade en Uw liefde te geven aan deze ellendige zondaar.
Heere, U weet alle dingen. U weet dat ik U liefheb.
Omdat U mij liefgehad hebt. Omdat U nooit loslaat het werk van Uw handen.
Het is door U, door U alleen, om Uw eeuwige liefde, om Uw eeuwige welbehagen.

Jongelui, ben je vriend, ben je kind? Of ben je vijand?
Heb je de Heere Jezus Christus hartelijk lief? Het is een zeker bewijs van genade.
Heb je Hem niet lief? Dan ben je in levensgevaar!
Doorgrond en ken ons hart, o Heere!

Links bij preek jongeren: Heb je Jezus lief? (Johannes 21)
Andere preken voor Pasen
Preek: Thomas, ongelovig (Johannes 20)
– Preek Lukas 24: Zij meenden dat zij een geest zagen
Preek: Deuren gesloten om vreze Joden (Johannes 20)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Johannes 21

TERUG PASEN | JOHANNES