PREEK · KERKELIJK JAAR

Thuiskomen in de hemel - Handelingen 1

Hemelvaart - 29 mei 2025

Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

INLEIDING

Christus verliet Zijn hemelse thuis om, verworpen en gehaat, ver van huis te leven onder mensen die Hem uiteindelijk kruisigden. Wij zijn zelf, door eigen schuld, ver van God geraakt. Maar nu keert Hij terug: langzaam, zichtbaar, opgenomen in een wolk, als triomferende Koning die de poorten van de hemel binnengaat, mét al de Zijnen. Wie eens zo thuiskomt, hangt af van of Christus nu al binnengelaten wordt in het hart.

THEMA

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

KERNPUNTEN

  1. Van huis zijn
  2. Thuiskomen

HANDELINGEN 1:6-11

6 Zij dan die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?
7 En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
8 Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaría, en tot aan het uiterste der aarde.
9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleding,
11 Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.

VOLLEDIGE TEKST

Thuiskomen in de hemel - Handelingen 1

ds. J. IJsselstein - Handelingen 1:9

THEMA

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

LITURGIE

Psalm 110:1,2

Geloofsbelijdenis van Nicea

Psalm 110:3

Lezen Psalm 24 Handelingen 1:1-11

Psalm 24:2,3,4,5

Psalm 17:8

Psalm 68:9

Misschien heb je dat ook weleens gehad. Je was een poos van huis geweest. Nee, een type om zomaar heimwee te krijgen ben je niet (al is daar ook niks mis mee), maar toen het lang begon te duren, begon je toch wel naar huis te verlangen. Want het is, als het goed is, nergens beter dan thuis. De plek waar je je thuis voelt. De plek waar je thuis bent. En wat ben je blij, als je dan weer thuiskomt! Zelf ben je blij, je huisgenoten zijn blij! Want, je bent weer thuis.

Hemelvaart gaat over thuis, over naar huis gaan, over thuiskomen. We gaan het met Gods hulp zien in onze tekst, die staat in Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

Het thema voor de preek op deze Hemelvaartsdag is: De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

We letten op twee aandachtspunten: 1. Van huis zijn Het van huis zijn van Hem, van de Heere Jezus. En het van huis zijn van jou en u. 2. Thuiskomen Het thuiskomen van Hem, van de Heere Jezus. En het thuiskomen… van u, van jou ook? Als eerste dus:

1. Van huis zijn

Dat voel je vooral als je (twee dingen): Als je (a) ver weg bent. Hoe verder je weg bent, hoe meer je dat voelt. En als je (b) lang weg bent. Een dag, een week, een paar weken gaat nog wel. Maar het wordt lastiger als het maandenlang, of een jaar, of zelfs jaren duurt. En natuurlijk, dan ligt het er ook nog aan (c) waar je bent. Of je bij vrienden of familie bent, of…?

Ja, want hoe was dat eigenlijk bij de Heere Jezus? Waar kwam Hij vandaan? Uit de hemel. Dat was Zijn thuis. Zonder begin was Hij daar bij Zijn hemelse Vader en de Heilige Geest. Zoals staat in Spreuken 8:30: Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te allen tijde voor Zijn aangezicht spelende. Er was (en is) in God een eeuwigdurende band van liefde en blijdschap. En vanaf de schepping werd Hij daar in de hemel aanbeden en bezongen door miljoenen engelen. De hemel was Zijn thuis.

Maar Hij verliet Zijn thuis. Hij was rijk, maar wilde arm worden, om armen rijk te maken. Hij heeft Zich vernederd. Hij nam de gestalte van een slaaf aan. Hij werd mens. Hij ging ver weg van huis. En kwam terecht in…? In een wereld die Hem haatte: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Zijn wieg stond in een beestenstal, omdat er voor Hem geen plaats was. Hij moest terecht klagen: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matth. 8:20). Ik heb geen thuis!

Toen Hij begon te preken (Hij was toen inmiddels dertig jaar van huis!), hebben ze Hem verworpen. En uiteindelijk werd Hij helemaal verworpen, uitgeworpen, uitgespuugd. Toen wij, mensen, Hem hingen aan een kruis. ‘Verhoogd van de aarde’. Zo van: ‘Hij hoort niet bij ons! Weg met Hem!’ Hij was meer dan dertig jaar, ver weg van huis, in een vijandige wereld.

En jij? Jij? Jij kreeg een zeldzaam thuis van God bij God op deze aarde. Een volmaakt huis, in het paradijs. Waar je eerste ouders door God waren geplaatst. Niet ver van huis. Nee, sterker nog: thuis, bij God. Maar Adam en Eva, wij waren niet tevreden met dat thuis. En vervielen in opstand tegen God.

En dus werden we uit huis gezet. Verdreven uit het paradijs. En sindsdien zijn we ver van huis. Als verloren zoons en dochters, dwalend en dolend op deze aarde. Ons niet bewust van het feit, dat er nog steeds een Vader op ons wacht...

Ver van huis. Dat ben je, door je eigen breuk met God. Je hebt God verlaten. En sindsdien is de poort van het paradijs gesloten. En daarmee ook de poort van het huis van God, de poort van de hemel. Ver van huis. Hoe lang al? Tien, twintig, dertig jaar? Veertig, zestig, tachtig jaar? Heb je nooit die roep gehoord uit de verte: ‘Kom terug!’? Of verlang je niet meer naar thuis?

De Heere Jezus wel. Hoe langer Hij woont in deze wereld (vol van haat tegen Hem), hoe meer Hij merkbaar gaat verlangen naar huis. Denk maar aan Johannes 14:2, waar Hij zegt: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen (Ik ben op weg naar huis!) om u plaats te bereiden. En in Johannes 17:1 kijkt Hij Zelf verlangend omhoog: Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen (Ik wil, Ik ga naar huis!), verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.

En weet je, hoe de mensen, hoe wij daarop reageerden? Als Jezus zegt in Markus 16:62: Ik ben het (de Christus); en u zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods (want Ik ga naar huis!) en komen met de wolken des hemels, dan zegt Kajafas: U hebt de godslastering gehoord: wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn. Dat was onze reactie op Zijn verlangen!

En weet je hoe God reageert op ons niet(!) verlangen naar Hem? Op ons altijd maar weer doorlopen, steeds verder bij Hem vandaan? Zonder ooit terug naar huis te willen? (Dat is trouwens echt godslastering! Dat maakt je echt des doods schuldig!) Dit is Gods antwoord, op deze godslastering van ons. Deze oproep, dit bevel: Keert weder, u afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zou je dan niet antwoorden en zeggen: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U want U bent de HEERE onze God. Met andere woorden: ‘Mag ik, Heere, weer naar huis?’ (Jer. 3:22)

Heeft de Heere je al verlangend gemaakt, om terug te gaan naar huis? Naar God toe? Zoals de verloren zoon in dat ver gelegen land, als hij tot zichzelf komt en zegt: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen (Luk. 15:17-18)? Met andere woorden: ‘Maar mag ik wel weer dicht bij U zijn? Mag ik weer thuiskomen?’

Dát verlangen, als je dat hebt, heb je niet van jezelf. Van onszelf kunnen en willen we niet terugkeren. Dat is het werk van de Heere, Die (vandaag) je hart kan en wil veranderen. Waardoor ook jij, die tot nu toe nooit iets met God had, ineens diep in je hart heimwee krijgt naar God.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Thuiskomen

Het thuiskomen van Hem, van de Heere Jezus. En… van u, van jou ook? De Heere Jezus gaat terug naar de hemel, naar het huis van Zijn Vader, naar Zijn Vader Zelf. Maar het is heel opvallend, hoe Hij dat doet. Hij doet het namelijk met heel veel zorg voor Zijn discipelen die achterblijven. Zó zelfs, dat ze straks niet met tranen in hun ogen naar huis gaan, maar met grote blijdschap (Luk. 24:52)! Hij zorgt voor ze.

Door niet direct na Zijn opstanding naar de hemel te gaan. Bij Zijn opstanding, daar was niemand bij. Dus, als Hij toen direct daarna naar de hemel gegaan zou zijn, dan zouden Zijn discipelen vertwijfeld gedacht hebben: ‘Waar is Hij?’

Maar nu, zegt vers 3: Heeft Hij Zichzelf aan hen, nadat Hij geleden had, levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. Twee dingen dus: (a) Hij liet zich aan hen zien, en (b) Hij sprak tot hen.

Hij gaf ze de belofte van de Heilige Geest. Kijk maar naar vers 4 en 5: Discipelen, verwacht de belofte des Vaders, die u (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. En Hij gaf ze ook een opdracht, in vers 8: En u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaría, en tot aan het uiterste der aarde.

En dan, schrijft Lukas, geeft Hij ze ook nog een laatste zegen. Als de grote Hogepriester van het Nieuwe Testament heft Hij Zijn doorboorde handen zegenend over hen op. Al dan niet met de woorden: De HEERE zegene u en behoede u. De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede (Num. 6:24-26).

En als Hij dit gezegd had (zegt vers 9), werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. Ze zien het voor hun ogen gebeuren. Ze staan er als getuigen bij. En ze zien het goed! Het gebeurt niet in een flits. Zo van: ‘Wat gebeurde er?’ Nee, langzaam! Langzaam wordt Hij opgenomen… Zijn voeten raken langzaam los van de grond. En langzaam, heel langzaam gaat Hij omhoog. Hij werd opgenomen daar zij het zagen. Passief! De Vader neemt Hem op. De Vader haalt Hem thuis. Want alles wat Hij wilde en moest doen, is gedaan. De Vader is daar volkomen tevreden mee.

Langzaam stijgt Hij op, voor de ogen van Zijn jongeren. Dit ziet eruit als, dit is de Koninklijke troonbestijging van Hem, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Hij gaat van de aarde (waar Hij voor de zonde betaald heeft, waar Hij dood en graf heeft overwonnen), door de lucht (die het domein lijkt van de overste van de macht der lucht)… Maar nee, ook daar is Hij Koning! De satan is overwonnen! Hij gaat van de aarde, door de lucht, naar de hemel.

Dit is de triomftocht van de grote Koning! Gij voer ten hemel op vol eer, de kerker werd Uw buit, o Heere! Psalm 68 zegt: Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd (Ps. 68:19). Hij heeft de satan gebonden meegevoerd, achter Zijn wagen, als buit.

En Hij neemt ook die andere buit mee: al Zijn kinderen. Gekocht met de prijs van Zijn bloed.

Niet alleen voor Hem gaat de hemel zo meteen open, maar ook voor hen. Hij nam ze mee in Zijn dood. Hij stierf hun dood. Hij nam ze mee in Zijn opstanding. Ze werden opgewekt met Hem. En nu worden ze, Gods kinderen (zegt Paulus), met Christus ook in de hemel gezet (Efez. 2:6). Hij neemt ze mee. Nu Hij thuiskomt bij God, nu komen ook zij weer thuis bij God.

Want kijk maar: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen. Langzaam gaat Hij omhoog, totdat: een wolk Hem wegneemt van hun ogen.

Opgenomen, weggenomen, en… ontvangen. Het was ongetwijfeld geen gewone wolk, maar zoals de wolk zo vaak was in de Bijbel, is ook deze wolk de verhulling van Gods heiligheid, majesteit en glorie. In heel het Oude Testament was de wolk een teken van Gods aanwezigheid.

Gods wolkkolom was boven Israël in de woestijn. Een zware wolk rustte op de berg Sinaï, toen God daar verscheen (Ex. 19:16). En soms kwam de Heere ook nederwaarts in een wolk (Ex. 34:5). Als de wolk de tent der samenkomst bedekte, en de heerlijkheid des HEEREN de tabernakel vervulde. Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN de tabernakel vervulde (Ex. 40:34-35). En ook bij de inwijding van de tempel van Salomo vervult een wolk het huis van de HEERE (1 Kon. 8:10).

En denk ook maar aan de tijd van het Nieuwe Testament, bij de verheerlijking van de Heere Jezus op de berg, waar Mattheüs over schrijft in Mattheüs 17:5: Terwijl hij (Petrus) nog sprak, zie, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.

En nu, terwijl de Vader Hem opneemt, is daar weer: die wolk. Teken van de heiligheid, van de gunst en van de glorie van God. Daar is God Zelf, Die Zijn Zoon opneemt in de hemel. Er is voor de discipelen die Hem nakijken geen twijfel mogelijk: De Vader haalt Hem thuis. Drieëndertig jaar lang was Hij ver van huis, in de walm van onze zonden. En nu is Zijn leven op aarde voorbij. Zijn thuis is weer bij God.

Hoe lang ben jij al van huis? En als jouw leven op aarde voorbij is, waar blijkt dan straks jouw thuis te zijn? Kom jij dan ook thuis bij God? Gaat de poort van de hemel (zoals we zo meteen zullen zien) dan ook open voor jou? Zal dan blijken dat deze Christus ook voor jou een plaats klaargemaakt heeft in de hemel?

Medereizigers op weg naar de eeuwigheid (zo kunnen we elkaar wel noemen), waar kom je vandaan, en waar ga je naartoe? Reis je veilig? Of…? Of ben je in dodelijk gevaar? Omdat je nooit acht geslagen hebt op de roep: Keer terug, afkerige kinderen? Omdat je nog steeds doorgaat, steeds verder bij God vandaan? Als je dat doet en als je daarmee doorgaat, denk dan niet dat je ooit bij God zult komen. Dan eindigt je levensreis straks in de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing van tanden.

Sta je straks voor een gesloten hemeldeur? Of gaan de poorten van de hemel voor je open, omdat Christus die ook voor jou is binnengegaan? Kijk in gedachten mee, naar wat hier gebeurt… Maar vraag je vooral ook af of jij straks (zij het in andere vorm, in miniatuur) ook zo’n thuiskomst hebben zult…

Een wolk neemt Hem weg van hun ogen. Die wolk neemt Hem mee naar de hemel. Hij maakt, zegt Psalm 104:3, van de wolken Zijn wagen. En dan…? Ja, wat daarachter gebeurt zien de discipelen niet met hun ogen. Maar de Bijbel laat er geen misverstand over bestaan voor ons geloof.

De hemel gaat open. Psalm 24 zingt ervan: Wie zal klimmen op de berg des HEEREN? En wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? Die rein van handen en zuiver van hart is (Ps. 24:3,4). En dus (vers 7-9): Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga. Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig; de HEERE, geweldig in den strijd. Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!

Of zoals Psalm 118 zingt: Doet mij de poorten der gerechtigheid open; ik zal daardoor ingaan, ik zal de HEERE loven. Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan (Ps. 118:19-20). En ondertussen klinkt er gejuich en trompetgeschal, geklank der bazuin (Ps. 47:6).

Onder gejuich, in triomf wordt de Heere Jezus de hemel binnengehaald. Daar waar ooit de mens was uitgeworpen, weggedaan uit de gemeenschap, uit de nabijheid van God, daar komt Hij binnen. Daar wordt Hij verwelkomd. Met…? Met al de Zijnen, met al Zijn kinderen. Want door alles wat Hij gedaan heeft, door alles wat Hij volbracht heeft, is er nu weer een plaats, een thuis bij God voor zondaars. Zoals Psalm 68 zegt: voor wederhorigen, voor opstandelingen.

Door Hem, Die door ons mensen van de aarde weggehoond is. Wat ons betreft was er voor Hem geen plaats op de aarde. Wij hebben Hem verworpen: Weg met Hem! Wij hebben Hem gekruisigd. Maar de hemel ontvangt Hem. Met al Zijn kinderen, voor wie Hij de straf gedragen heeft.

En dan? Dan vult de hemel zich met gejuich en blijdschap. Want, als er in de hemel al blijdschap is over één zondaar die zich bekeert… (Luk. 15:7) Als de Heere al vrolijk is (zoals Zefanja schrijft) over Zijn volk met blijdschap en Zich over hen verheugt met gejuich. Als de Almachtige al juicht over Zijn volk… (Zef. 3:17) Wat zal het dan geweest zijn, toen de Koning van dat volk Zelf binnenkwam.

We horen iets van de aanbidding van de engelen rondom de troon in Openbaring 5: Hun getal was tienduizendmaal tienduizenden en duizendmaal duizenden, zeggende met een grote stem: Het Lam Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openb. 5:11-12).

We horen iets van de verwondering en de aanbidding van de zielen van de gezaligden… Van Adam…, die heel zijn nageslacht wegrukte uit de nabijheid van God. Van Abraham, Mozes, Simson, David… En van zoveel andere heiligen uit de Bijbel, die door genade leefden met God, maar zondaars bleven. Als zij zingen (zoals staat in Openbaring 5:9; wat een vreugde in God!): U bent geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie.

En wie zal zeggen wat er geklonken heeft van de troon Zelf? De woorden misschien, die ooit klonken vanuit de lichtende wolk op de berg der verheerlijking? Deze is Mijn geliefde Zoon? (Matth. 17:5) Déze woorden: Mijn Zoon, zit tot Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten (Ps. 110:1).

Die weer thuis is, in het Vaderhuis met de vele woningen. Totdat (zegt de engel in vers 11 tegen de discipelen): Hij alzo komen zal, gelijkerwijs u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. Om ook al Zijn kinderen definitief thuis te halen. Geestelijk heeft Hij ze meegenomen naar de hemel. We zijn, kinderen van God, geliefde medechristenen, in de hemel gezet (zegt Paulus) in Christus Jezus. Terwijl we in werkelijkheid nog op de aarde leven.

En ondertussen rust vanuit de hemel Zijn oog op ons, in tere liefde en zorg. Het oog van onze medelijdende Hogepriester, Die ook voor ons bidt. En Hij heeft in de hemel Zijn menselijke lichaam bij Zich als een zeker pand, als waarborg, als garantie dat de hemel niet alleen voor Hem opengedaan is, maar dat Hij straks ook ons tot Zich nemen zal.

Dat wordt de gelukkigste dag van ons leven: onze sterfdag, de dag van ook ónze hemelvaart. De dag waarop we, terugkijkend mogen zeggen: Het leven was mij Christus, mijn sterven is gewin. Want met Christus te zijn is verreweg het beste. Verlangen wij daarnaar, kinderen van God? Christus verlangt er wel naar. Ooit zei Hij (in Johannes 14:3): En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen (Ik neem u tot Mij, Ik breng u thuis), opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.

Daar waar God is, daar waar Christus is, daar waar de drie-enige God de hemel der hemelen vervult, daar is ons thuis, daar verlangen we naar. En daar komen we straks thuis. Laten we daaraan denkend zingen uit Psalm 17:8: Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!), Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld.

-----

Het gaat vanmorgen over de hemelvaart van de Heere Jezus. Het ging als eerste over: ‘Van huis zijn’. Van Hem, de Heere Jezus. Van jou, van ons… En het gaat als tweede over: ‘Thuiskomen’.

Hij, de Heere Jezus, kwam thuis. Hij werd thuisgehaald. En jij? Is dit (in zekere zin; anders, maar toch) ook jouw toekomst? Opgenomen in heerlijkheid om voor altijd de heerlijkheid van deze verhoogde Heere Jezus Christus te zien, te bewonderen en te aanbidden?

Zal straks, als jij sterft, ook gezegd worden naar analogie van Psalm 24: ‘Heft u op, gij eeuwige deuren, opent u, poorten van de hemel, voor dit Koningskind?’ Hier op aarde wel in navolging van Christus veracht, geminacht, treurend, zoekend, zuchtend, lijdend, kruis dragend… Maar dan als volgeling van Christus door de weg van het kruis naar de kroon?

Of zal op uw laatste dag, na uw laatste woorden de hemelpoort voor u gesloten blijven? Omdat uzelf de deur naar God toe dichtgegooid hebt? Omdat God Zelf u uit Zijn nabijheid verdreven heeft, om uw eigen zonde en schuld?

Laat me u op deze Hemelvaartsdag die woorden van Psalm 24 vers 6 en 9, ‘heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga’, voorhouden. Niet alleen als troost voor al Gods kinderen straks. Maar ook als de dringende oproep van het Evangelie nu, voor u die nog vijanden van Christus bent. Terwijl ik bid of dit woord door de kracht van de Heilige Geest tegelijkertijd ook een scheppend, een herscheppend woord zal worden in uw hart, om te doen wat u niet kunt doen en wat u niet wilt doen!

Zo zegt de Heere, tot de deuren van uw en jouw hart, onbekeerde vrienden: Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga. U hebt met God gebroken. U hebt de deur van uw hart voor Hem gesloten. En dat doet u (terwijl u ver van Hem over deze wereld dwaalt), dat doet u nu al jarenlang. U hebt de deur van uw hart gesloten. En daarom is de hemel voor u ook nog steeds gesloten. Maar Christus eist de toegang tot uw hart!

Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga. Zie Ik sta aan de deur en Ik klop (Openb. 3:20)! Alles en iedereen sluit u binnen in uw hart. Maar waarom Christus niet? Als de deur van de hemel opengedaan is voor Hem, waar haalt u dan de moed vandaan om de deuren van uw hart gesloten te houden?

Deze Koning, deze verhoogde Christus, zou u met recht (zoals Psalm 2 zegt) kunnen verpletteren. Maar terwijl Hij in de hemel zit aan de rechterhand van Zijn Vader, daalt Hij in het Evangelie diep tot u af, midden in al uw verzet en vijandschap, om u Zijn vrede te bieden. Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen (Luk. 19:42).

En Hij is oprecht. Het is niet zo, dat Hij toegang eist tot uw hart, maar eigenlijk niet binnen wil komen. Nee, u bent het, die Hem niet binnen wilt laten. Maar wie u ook bent en wat u ook gedaan hebt: Christus staat aan uw deur en klopt! Doe Mij open!

Maar een inbreker zal Hij niet worden. Hij wil dat u opendoet. In diezelfde Psalm 110 waar staat: De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit tot Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten, staat ook: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer (heir)kracht (Psalm 110:3). Met andere woorden: Mijn soldaten, Mijn onderdanen zijn geen slaven.

En dus: Open de deuren van uw hart! Opdat de Koning der ere inga! Open uw ogen, om eerlijk de slechtheid van uw zonde onder ogen te zien. Open uw ogen, om eerlijk het gevaar van uw leven te zien. Open uw ogen, om eerlijk uw armoede en gebrek onder ogen te zien, waar u tot nu toe weigert over na te denken.

Open uw ogen voor uw verlorenheid en schuld. En open uw ogen voor de Zaligmaker! Kijk naar de verhoogde koperen slang. Dan zult u zien en leven! Wendt u naar God toe en wordt behouden (Jes. 45:22).

U en ik, wij zeiden: Weg met Hem! Maar Hij zegt: Kom! O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55:1). Komt dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18). Want Mijn bloed reinigt van alle zonde (1 Joh. 1:7)!

Het is Gods wil dat dit Evangelie aan u verkondigd wordt, met bevel! Open de deur van uw hart! Lever de wapens van verzet in.

Zet uw oude bewoners het huis uit. Uw trots, uw zelfvertrouwen, uw afgoden. En maak plaats voor de Koning der ere. En laat de Koning niet alleen Zijn troon bestijgen in de hemel, maar ook in uw hart.

Verwelkom Hem, zoals Hij Zich aan u aanbiedt. Stem in met Gods voorwaarden om u zalig te laten maken. Hijs de witte vlag van de overgave. En laat Hem Zijn troon oprichten in uw hart. Door uw doop staat Zijn Naam al op de gevel van uw hart geschreven. Laat Hem binnen!

Ja, ik weet het: Er is veel wat u belemmert en tegenhoudt. U kent deze Koning niet. Waarom (denkt u) zou ik opendoen voor een Onbekende? En verder staat uw huis en hart zo vol met rotzooi, dat u niet bij de deur kan komen om die open te doen. En u durft Degene Die klopt ook niet te vertrouwen. U kijkt door de spion, door het kijkgat in de deur. En laat hem dicht. En de duivel verhindert u. Die wil u niet loslaten. Of u slaapt en droomt, dat de deur van uw hart al open staat, terwijl hij nog steeds dichtzit. Bedenk wat tot uw vrede dient!

De dag komt - Deze Die u naar de hemel hebt zien heengaan, zal alzo wederkomen -, de dag komt dat deze roep van het Evangelie (zo hartelijk, zo liefdevol, zo dringend!) zal verstommen. Dan roept de Heere u niet meer. Dan begint u te roepen aan de poort van de hemel. Die dan nooit meer zal opengaan. Denk niet dat je de hemel binnen mag, als je Christus hier in je hart geweigerd hebt.

Uw hart is gesloten. Maar Christus in de hemel opent in dit Evangelie Zijn hart voor u! En vraagt, en eist toegang tot uw hart! Nu! Voor nu. Niet voor later. Dit geldt vandaag. Nu klopt Hij aan de deur van uw hart: Doe Mij open! Straks kan het voorbij zijn… Roep daarom vanaf nu, met alles wat in u is, met een hart dat tot de grond toe gebogen is: ‘Heere, neem Mijn hart! Breek mijn weerstand met Uw liefde en macht!’

Maar laat, geliefde gemeente, uw gelegenheid niet voorbijgaan. Want als u nu de toegang tot uw hart weigert en de deur gesloten houdt, zal vroeg of laat de toegang tot de hemel voor u gesloten blijven.

Terwijl het hart en de handen van Christus vol zijn van genade en gaven. Voor mensen zoals u en ik: voor opstandelingen, voor wederhorigen, voor weigeraars. Om voor altijd bij Hem te mogen wonen. Lieve mensen, er is een thuis bij God voor weglopers!

Heft uw hoofden dan op, poorten van uw hart! Ja, heft op, eeuwige deuren van uw onsterfelijke ziel, opdat de Koning der ere inga!

Want zo zegt de ten hemel gevaren Christus: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij (Openb. 3:20).

Amen.

Slotzang Psalm 68:9:

Gods wagens, boven 't luchtig zwerk, Zijn tien- en tienmaal duizend sterk, Verdubbeld in getalen. Bij hen is Zijne Majesteit, Een Sinaï in heiligheid, Omringd van bliksemstralen. Gij voert ten hemel op, vol eer; De kerker werd Uw buit, o HEER! Gij zaagt Uw strijd bekronen Met gaven, tot der mensen troost, Opdat zelfs 't wederhorig kroost Altijd bij U zou wonen.