Advent - 27 november 2022
Jesaja 11:6: En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen, en een klein jonksken zal ze drijven.
INLEIDING
Uit de afgehouwen tronk van Isaï zal een Rijsje voortkomen, en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen — zo belooft de Heere door de profeet Jesaja. Op Hem zal de Geest des HEEREN rusten met wijsheid, verstand, raad, sterkte, kennis en vreze des HEEREN. En door Zijn werk zal wat nu wild en vijandschappelijk is — wolf en lam, luipaard en geitenbok — in volkomen vrede tezamen verkeren.
De Messias en Zijn Vrederijk
JESAJA 11:1-10
1 Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen.
2 En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten: de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.
3 En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten, Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.
4 Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.
5 Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.
6 En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen, en een klein jonksken zal ze drijven.
7 De koe en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen tezamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.
8 En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder, en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in den kuil van den basilisk.
9 Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
10 Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een Banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 11:6
THEMA
De Messias en Zijn Vrederijk
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, ik preek u vanmorgen met Gods hulp, biddend om de leiding van God de Heilige Geest over Jesaja 11, vers 1 tot en met 9. Het gaat op deze eerste adventzondag over Jesaja 11:1-9, en als inleiding lees ik u nu alleen het eerste vers voor, de overige verzen komen zometeen vanzelf. Jesaja 11:1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen.
Deze en volgende verzen gaan over: De Messias en Zijn Vrederijk Er zijn twee aandachtspunten. We letten als eerste op Zijn grootheid. Die wordt onder woorden gebracht in vers 1-5. En als tweede letten we op Zijn werk. Daarover gaat het in vers 6-9. Dus, de Messias en Zijn Vrederijk: 1. Zijn grootheid 2. Zijn Vrederijk Als eerste dus:
We lezen in vers 1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen. Er is in de tijd van Jozef en Maria maar weinig meer over van het koningshuis van David. Die ooit zo grote boom is omgehakt. Wat ervan over is? Nou, zo’n stomp van een omgehakte boom, zo’n stronk met wortels onder de grond.
Maar daar, belooft de Heere, zal op Gods tijd een rijsje uit gaan groeien, een nieuw takje, een nieuw twijgje. En een scheutje, iets wat nieuw uitspruit, nieuw groen, nieuw leven. Als teken van hoop en verwachting! En zo is Hij in de volheid van de tijd als een klein Jongetje geboren. In diepe vernedering. De Zaligmaker, de grote Davidszoon, Jezus Christus.
Het is advent.
En op Hem (zegt vers 2) zal de Geest des HEEREN rusten: de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN. De Heere Jezus Christus zal door de Heere gezalfd zijn met gaven en genade, zonder maat en zonder grens. Om alles te doen wat Hij moet doen, tot eer van Zijn Vader en tot zaligheid van verloren mensen.
Hij zal begiftigd zijn met wijsheid en verstand, om harten te kennen en te doorzien. En om te leren alles wat nodig is. Hij zal met verstand regeren en in al de waarheid leiden. Hij zal begiftigd zijn met raad en sterkte, om Zijn grote opdracht te vervullen. Hij zal door grote moeilijkheden heen moeten gaan, maar door Zijn grote kracht zal Hij niet bezwijken. Hij zal begiftigd zijn met kennis en met de vreze des Heeren. Hij zal leven voor Gods aangezicht, heilig en oprecht, en gehoorzaam aan al Gods geboden. Kortom, zo geschikt voor Zijn taak, als Gods Knecht, als Borg, als Middelaar en Zaligmaker van Zijn volk. Als Een, Die in alles oog zal hebben voor de heerlijkheid en eer van God en voor het welzijn van Zijn kinderen.
Veert uw hart ook op van blijdschap, van verwondering, van hoop en verwachting? Als u zo met een paar zinnen de heerlijkheid geschetst ziet van de komende en gekomen Zaligmaker? Christus, zo volmaakt in Zijn geschiktheid om de straf voor de Zijnen te dragen? Om in alles gehoorzaam te zijn aan Zijn Vader?
Of… ziet u niets in Hem? Maar luister eens. U bent van uzelf een zondig en verloren mens, een mens met een hemelhoge schuld. Die u zelf niet kunt betalen. Zelf kunt u het nooit meer goedmaken met God. Hij wel! Ook al ziet u niets in Hem… U hebt Hem echt nodig, hor!
Vers 3: En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten, Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen. ‘Rieken’ betekent: geur verspreiden, ruiken naar. Naar de vreze des HEEREN. Dat is aan Christus te ruiken… Wij mensen verspreiden van onszelf de walm, de stank van de zonde. Maar Hij de reuk van Zijn hemelse Vader. Als je kijkt naar Zijn vreugde in Zijn volkomen toewijding aan Zijn Vader... Als je let op wat Hij doet: hoe volmaakt en van harte Hij altijd de wil van Zijn Vader zal doen… Als je luistert naar Zijn woorden…, dan ruik je: de vreze des HEEREN!
En Zijn regering zal gekenmerkt worden door recht, door eerlijkheid. Hij zal naar het gericht van Zijn ogen niet richten. Hij zal niet letten op uiterlijke schijn. Hij zal naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. Hij zal niet letten op kwade geruchten, of op mooie woorden. Want Hij zal het hart aanzien. Hij zal kijken naar waarheid in het binnenste (Ps. 51:8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.).
Wat een troost is dat voor degenen die Hem zoeken. Uw zuchten is voor Hem niet verborgen. Hij ziet en weet alles. Hij weet uw vragen, Hij kent uw zorgen en verdriet. Hij proeft het verlangen van uw hart. Hij ziet u van ver, u, geestelijk arme en ellendige, die roept om redding en behoud. Hij hoort uw stem, Hij neigt Zijn oor tot uw geroep (Ps. 116:2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.). Al het andere wil Hij niet horen, maar uw stem wel.
Veert uw hart ook op van blijdschap, van verwondering, van hoop en verwachting? Als u hoort van deze Zaligmaker? Die niet kijkt naar wat voor ogen is, Die niet luistert naar mooie woorden. Maar Die kijkt in uw hart. Die daar uw stille tranen ziet. Die daar uw stille zuchten hoort. Hij ziet uw twijfel, uw aarzeling, uw tobben: ‘Heere, ik heb zoveel zonde en zoveel schuld.’ Maar ook uw uitzien en verlangen. En Hij hoort ook uw zachte fluistering soms: Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik U liefheb…’
Of… ziet u niets in Hem? Hoort u bij degenen van wie Jesaja later zegt: Ze keken naar Hem, maar zagen geen heerlijkheid in Hem, geen gestalte dat ze Hem zouden begeerd hebben. Ze hebben Hem veracht, ze hebben Hem niet geacht (Jes. 53:2-3Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.)?
Vers 4: Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen. Hij zal opkomen voor de armen, voor de hulpelozen. Voor de geestelijke armen, voor mensen met een schuldeiser, wiens ziel bitterlijk bedroefd is (1 Sam. 22:2En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.). En Hij zal het opnemen voor de zachtmoedigen. Hij zal hun vijanden bestraffen en hen verlossen. De zachtmoedigen, dat zijn (zegt de kanttekening; even met eigen woorden gezegd): de nederigen en verslagenen van hart, die hun zonden voelen en als schuld belijden.
De Heere Jezus Christus zal Zich opwerpen tot hun Hulp. Tot een Hulp, voor wie geen helper heeft. Tot een Borg in hun plaats, om hun hemelhoge schuld te betalen. Want Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept; mitsgaders de ellendige, en die geen helper heeft (Ps. 72:12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.).
Heb toch moed, armen en verslagenen van hart. In de volheid van de tijd heeft God de Zaligmaker gezonden, Zijn eniggeliefde Zoon, om de zaak van de armen en verslagenen van geest op te lossen. U bent vermoeid en belast. U durft niet te hopen, dat de Heere een hart voor u heeft. U denkt: ‘Zou dat wel voor mij kunnen zijn?’ Maar luister! De Heere zegt het Zelf, dat Hij gekomen is voor mensen zoals u. Zei de Heere ook niet Zelf: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Mat. 5:3)? Doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddeloze doden (vers 4b).
De komende en gekomen Messias zal het voor Zijn kinderen opnemen. En degenen die hen dwarszitten en vervolgen, zal Hij (en dat klinkt dreigend) slaan met de stok van Zijn mond, dat wil zeggen: met scherpe woorden. En wie daar niet naar luisteren wil, die zal Hij met de adem van Zijn lippen doden.
Dus, mensen, handen af van de armen van geest. Pas op, want de Heere zorgt voor hen (Zach. 2:8Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.). En, als de Heere spreekt, wees dan verstandig. Als de Heere dreigende dingen tegen u zegt, verzet u dan niet, word dan niet boos, klim dan niet in de gordijnen. Want wie bent u tegenover de Almachtige? Met Zijn adem alleen kan Hij u doden...
Vers 5: Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn. Gerechtigheid, dat wat eerlijk en oprecht is, dat wat overeenkomt met Gods wil en Woord. En waarheid, dat wil zeggen: betrouwbaarheid. Zij zullen de gordel van Zijn lendenen zijn. De riem die Hij draagt. Als een konings- gordel, als een sieraad, als een teken van Zijn heerlijkheid, macht en glorie. Daar ziet u de komende Koning, de komende Vredevorst getekend in Zijn heerlijkheid, vol van genade en waarheid.
Veert uw hart ook op van blijdschap, van verwondering, van hoop en verwachting? Als u leest en hoort hoe Jesaja Hem tekent zoals Hij zijn zal, en zoals Hij is? In Zijn ongeëvenaarde wijsheid en kracht, kennis en volmaakte gehoorzaamheid? In Zijn eerlijkheid, in Zijn oprechtheid, in Zijn ontferming over de armen? In Zijn voldoen aan alle eisen van het Goddelijke recht? Als een Koning door Israëls God gegeven? Als een groene Spruit uit de afgehouwen stam van het koningshuis van David?
Of ziet u niets in Hem? Maar… wie is dan uw koning?
We gaan, voordat we verdergaan, samen eerst zingen uit Psalm 2:3: Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht? Zal nietig stof Mij 't hoog gezag ontwringen, Of weerstand biên aan Mijn geduchte macht? Ontziet Mijn toorn, verdoolde stervelingen. Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven! Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid; Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven, Heerst op de berg van Mijne heiligheid.
Gemeente, het gaat vanmorgen op deze (eerste) adventszondag over de Messias en Zijn komende Vrederijk. We hebben vanuit vers 1-5 gelet op: Zijn grootheid. We gaan nu verder met ons tweede punt, vanuit de verzen 6-9:
Laten we samen vers 6-8 lezen: En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen, en een klein jonksken zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen tezamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder, en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in den kuil van den basilisk.
Idyllisch plaatje… Toch? Maar wat verbeeldt dat liefelijke beeld?
Het is in de eerste plaats een herinnering aan onze -door de zonde- verloren, verdorven en corrupte natuur. Eerst is de komende Messias, de Heere Jezus Christus, getekend in Zijn macht en glorie. En nu gaat Heere ook duidelijk maken waarvoor Hij komen zal en wat Hij zal gaan doen. Hij zal door Zijn werk en genade, en door Zijn Evangelie wonderlijke verandering gaan brengen in het leven van Zijn kinderen. En dwars door de schets van die nieuwe situatie (die Hij brengen en maken zal), zien we ineens ook de oude situatie van voorheen. Wij mensen zijn door de zonde allemaal geworden als wolven, als luipaarden of panters, als leeuwen en beren, als agressieve en roofzuchtige dieren. En als giftige slangen.
Het is een diep trieste tekening van onze door de zonden verdorven natuur: gewelddadig, agressief, onberekenbaar, giftig. Kinderen van de duivel, die een mensenmoordenaar is van de beginne (Joh. 8:44Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.)
Het schetst de oneindige afstand die er van nature is, tussen God en ons. Dit is de reden, dat Jesaja later zegt: We keken naar Hem, maar zagen geen heerlijkheid in Hem, geen gestalte dat we Hem zouden begeerd hebben. We hebben Hem veracht, we hebben Hem niet geacht (Jes. 53:2-3). Want een wolf, een luipaard, een leeuw, een beer, een slang, een zondaar die zich in zijn element voelt in de zonde, en die dodelijk gerust doorleeft, die heeft niets met God, en die ziet niets in Christus! Tenzij, zei Heere Jezus later Zelf, tenzij iemand wedergeboren wordt. We hebben een nieuw hart, we hebben een nieuwe natuur nodig (Joh 3:3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.). We hebben een bovennatuurlijk werk van de Heilige Geest nodig, waardoor we van dood levend gemaakt worden (DL III/IV, 12).
Gemeente, hebt u uzelf door Gods ontdekkende genade al leren kennen? Niet als een liefhebbend christen… Maar als een (zo worden we hier getekend), als (zoals Asaf het noemt) een beest, als een groot beest voor God? (Ps. 73:22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.) Als een agressieve, vechtende, bijtende wolf, luipaard, leeuw of beer? Als een giftige, bijtende slang? Zoals Paulus aan Titus schrijft: eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende (Titus 3:3Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.)?
Maar, en dat is het Evangelie in deze adventsteksten, nu zal Heere Jezus komen, juist voor dat soort van mensen! Als je beter bent, als je je beter voelt, val je buiten de doelgroep Zaligmaker. Hij kwam voor wolven en luipaarden, voor leeuwen en beren, voor slangen van mensen. Geeft u dat geen hoop, u gebondenen, die daar hoopt (Zach. 9:12Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;)? Christus is gekomen voor de allerslechtsten! Om vijanden met God te verzoenen. Stel uw hoop en vertrouwen toch op Hem!
Want door Zijn werk, door Zijn gerechtigheid en gehoorzaamheid, door Zijn wijsheid en kracht, door Zijn lijden en sterven zullen dat soort van mensen, die als beesten voor God geworden zijn, door de kracht van het Evangelie opnieuw geboren gaan worden. Voorheen: dood door de misdaden en de zonden. Levend in brute vijandschap tegen God, en in giftige haat tegen de naaste. Maar dan: levend gemaakt, opnieuw geboren. Als nieuwe mensen, die vernieuwd worden. Zo anders. Totaal anders dan voorheen. Als je dat verschil moet beschrijven, dan is het letterlijk een verschil van dood en leven.
Door de Geest van de Heere, Die op Hem rust, zal Christus straks een wonderlijk werk gaan doen… Hij zal die wilde dieren gaan temmen. Hij zal ze gaan onderwerpen. Hij zal hun felheid en wreedheid breken. Hij zal hun giftige onbetrouwbaarheid wegnemen. Ja, Hij zal ze totaal vernieuwen. En maken tot mensen van liefde en vrede, van geduld en zachtmoedigheid, van geloof en goedheid.
En dan zal Zijn werk in hun hart, hun wedergeboorte, hun bekering en de vernieuwing van hun hart ook zichtbaar worden, het zal gaan blijken: de totale verandering van hun natuur! En dus, als de Heere werkt, in ons hart, in de gemeente, dan zullen we dat gaan merken, dan zullen we dat gaan zien! De wolf wordt vriend van het lam. De luipaard van de geitenbok. De jonge leeuw van het kalf. De koe en de berin zullen samen grazen. Hun jongen zullen samen op het groene gras liggen. De leeuw zal geen mensen of dieren meer eten, maar stro. En de slang zal niet meer bijten, zelfs niet als een kinderhand hem wil beetpakken.
Zo zal de komende Messias Zijn kinderen, wedergeboren mensen echt gaan vernieuwen. En zo kan je ook het werk van de Heere in je eigen hart dus herkennen. Dit gaat met andere woorden over kenmerken van genade en van nieuw geestelijk leven.
a. De nieuwe mens wordt in de eerste plaats, om met de slang te beginnen, onschadelijk, ongevaarlijk. Niet meer geneigd om kwaad te doen, maar geneigd om goed te doen.
Niet om door anderen gezien te worden, maar vanwege liefde tot God. Niet vanwege een aangeboren vriendelijkheid, maar vanwege een nieuw hart. Immers, er zijn genoeg mensen die hun tong in bedwang houden, die terughoudend zijn in hun gedrag, maar alleen en vooral om zelf niet in de problemen te komen. Het is met andere woorden alleen maar iets van hun uiterlijke gedrag. Maar deze verandering is anders, die gaat veel dieper. Dit zit in het hart. Het wedergeboren hart wil niet zondigen. Voordeel of geen voordeel, nadeel of geen nadeel. Ik wil het niet meer. Ik zeg met Jozef: Ook al ziet niemand het, maar zou ik zo groot kwaad doen en zondigen tegen God? (Gen. 39:9Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!) Zelfs niet als we uitgedaagd worden. Dat kleine kind steekt zijn of haar hand in het hol van die slang. Die zou anders direct geprikkeld en agressief worden en: bijten! Maar nu niet meer…
Het wedergeboren hart lijkt in beginsel op Christus: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petr. 2:23Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;). Hij werd verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als geen lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes. 53:7). Kinderen van God, dat gevoelen zij in ons, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2:5). Alleen ons zien op Hem, zal ons naar Zijn beeld veranderen. Het zal ons wilde hart veranderen, in een hart vol vriendelijkheid en geduld.
De Geest van de Heere, Die op de Messias rusten zal, Die zal alles gaan veranderen in het leven van Zijn kinderen, in het Koninkrijk van Gods genade. Boosheid en agressie worden onschadelijk gemaakt.
b. En vijandschap wordt (in de tweede plaats) veranderd in onderlinge liefde en vriendschap. Wilde beesten besluipen elkaar en vliegen elkaar en anderen in de haren. Maar hier, in het Rijk van de komende Messias, heerst vrede en aangename rust. Tussen de wolf en het lam, tussen de luipaard en de geitenbok. Tussen de jonge leeuw en het kalf, tussen de berin en de koe, en tussen de leeuw en alle andere dieren.
Het is een kenmerk van Gods genade: de verandering van onze natuur. Dat wij, die voorheen haters waren van God en van onze naaste, nu de broeders en de
zusters gaan liefhebben. Zoals de apostel Johannes schrijft: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood (1 Joh. 3:14Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.).
Met andere woorden: Wil je weten of je corrupte natuur, of je geestelijke dood veranderd is in nieuw, geestelijk leven? Dat kan je weten uit het liefhebben van (niet van je vrienden en soortgenoten!), maar uit het liefhebben van je broeders. Niet: van één broeder, die bij je past, die een beetje van dezelfde soort is. Maar: van de broeders. Ook van die andere dus, die heel anders is, die heel anders denkt, die dingen heel anders ziet. De dichter van Psalm 119 zingt: Ik ben een (met)gezel van allen(!) die U vrezen, en van hen die Uw bevelen onderhouden (Ps. 119:63). Daar ziet u ook, dat echte onderlinge liefde in de gemeente (zonder groepsvorming, zonder uitsluiting, zonder minachting van bepaalde broeders en zusters) alleen maar kan groeien op de basis van echt geestelijk leven.
Natuurlijk, er kan en mag verschil in liefde zijn. De Heere Jezus had ook een bijzondere liefde voor de discipel Johannes (Joh. 19:26Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.). Maar als wij aanzien wat voor ogen is, dan is dat niet goed. Als we meer oog hebben voor rijke, dan voor arme mensen, voor geziene dan voor minder geziene mensen. Als we meer oog en meer liefde hebben voor degenen die in alles hetzelfde denken en doen als wij. Als we meer oog hebben voor wat uiterlijk in het oog springt, dan voor het hart van onze broeder of zuster. Of als we vooral anderen liefhebben uit eigen belang. Dan is dat persoonlijk een veeg teken. En het dient ook de gemeente niet.
Ik wil u oproepen, gemeente, tot liefde en onderlinge verdraagzaamheid. Tot onderlinge liefde in het samen dienen van de Heere. En die liefde verloochent zichzelf en acht de ander uitnemender dan zichzelf. Dat bindt ook in de gemeente samen (Fil. 2:3). Wilde dieren negeren anderen, kijken boos naar anderen, grommen tegen anderen, bijten anderen, en verscheuren anderen. Maar de Heere geve ons, dat Zijn genade dat uit ons midden zal uitbannen.
c. Het derde wat opvalt in het Vrederijk van de Messias is: innerlijke rust. Samen grazen, samen in het gras liggen, zijn hier tekenen van rust. En die rust is blijvend. Veel mensen kennen tijden in hun leven dat ze veranderen of lijken te veranderen. Zoals slangen vervellen: hun oude, schilferende vel doen ze uit, en dat maakt plaats voor een prachtig nieuwe, glanzende huid. Maar de aard van het beestje is hetzelfde gebleven. Maar mensen, het gaat om ons hart! Het gaat niet om verandering van gedrag in tijden van ziekte, zorg en tegenspoed. Dan bidden, roepen en ernstig zijn…, maar daarna niet meer? Nee, het gaat om een wezenlijke en blijvende verandering van ons hart en leven.
d. Dat brengt bij het vierde wat hier opvalt: de vrijwilligheid in die rust en in dat liefhebben. Deze uiterlijk zo verschillende dieren zitten niet gedwongen in kooien, ze zitten niet vast aan kettingen, maar het zit van binnen! Ze zijn gewoon totaal anders geworden! Ze doen ook niet anders, omdat ze ergens voordeel mee kunnen halen. Nee, het is hun aard, hun nieuwe natuur geworden.
Al deze dieren zijn overigens nog steeds wel verschillend. En dat zal ook onder Gods kinderen zo blijven. Gods volk is niet een kudde van één enkele mensensoort. Maar er heerst met alle verschillen wel: blijvende vriendschap, rust en vrede.
e. Het vijfde dat opvalt is hoe handelbaar al deze dieren geworden zijn. Een klein jongsken, staat er, zal ze drijven, zal ze leiden. Vroeger moesten deze wilde dieren gevangen en getemd worden door sterke kerels. Maar nu lopen ze achter een kleine jongen aan. Het is beeld van hoe iemand na zijn of haar bekering gewillig is om te luisteren naar Gods Woord. Om zich te laten leiden door het Woord van Christus, door het Evangelie, door deze Bijbel.
Calvijn spreekt in dit verband over: gewillige onderworpenheid aan de dienstknechten van Christus, die hen met zachtmoedigheid onderwijzen. Zo zeggen ook de kanttekeningen van de Statenvertaling het: de minste discipel of dienaar van de Heere Christus, al is hij slecht in de ogen der mensen, zal hen sturen, leiden en regeren door de leer van het Heilig Evangelie. Want zij zijn gehoorzaam gemaakt, door de Heilige Geest innerlijk bewogen, om het woord des Heeren aan te nemen. De Heilige Geest maakt ons handelbaar, om te luisteren en te volgen: die kleine jongen, die hen de leer van het Heilig Evangelie voorhoudt. Die klein heet, omdat hij minder moet worden. Omdat de Messias, omdat Christus groot moet worden! (Joh. 3:30)
f. En dan is er tot slot nog één ding, met een wat ander accent: de leeuw zal stro eten als een os. Vroeger wilde die leeuw iedere dag een stevig menu van warme biefstuk en karbonade. Vroeger wilden zij, ook in de kerk, het lekkerste eten, de mooiste preek. Waar ze van konden genieten. Maar… die wel met rust liet, en hen verder weinig hinderde. Maar de Heilige Geest leert leeuwen om ander eten te waarderen, om eenvoudig stro te eten. Taai, scherp, maar voedzaam. Geen vlees, maar stro. Geen gebak, maar roggebrood. Niet perse lekker, maar wel gezond. Eenvoudig luisterend. Niet naar wat ik graag wil horen, naar mijn smaak. Maar naar wat dit Woord, naar wat God ons te zeggen heeft.
Een leven in godzaligheid, gemeente, kent heilige tevredenheid en goede smaak in Gods woorden. Of het zoet of bitter smaakt. Of het vertroost of bestraft. Of het opbeurt of neerwerpt…
Als het maar Gods woorden zijn. Want dat zijn gezondmakende woorden voor iedereen die luisteren wil (1 Tim. 6:3Indien iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is,).
En zo, en dan… (vers 9) zal (men) nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken Zo zal de veelheid van vrede bloeien, in de levens van hen die de Heere ootmoedig vrezen. Zij zijn de ‘echte’ bewoners van deze aarde. Ze worden hier letterlijk de aarde genoemd. Zij zullen vervuld worden, zij zullen vol worden met de kennis van God. Daarmee vervuld door Christus, Die vol is van genade en waarheid (Joh. 1:14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.).
Tot slot, gemeente, nog twee dingen. a. Als eerste dit: Er is in al Gods kinderen in dit leven door God iets van een vernieuwd hart, van een nieuwe mens geplant. Maar er is tot ons grote verdriet ook nog veel overgebleven van onze oude mens, van die wolf, van die leeuw, van die panter, van die berin, van die slang. Op aarde is niemand ooit tot de volmaaktheid gekomen.
Kinderen van God, geliefde medechristenen, de vernieuwing van ons hart zal alleen doorgaan door te leven door het geloof, door ons zien op Jezus. Die hier in het vooruitzicht wordt gesteld. Die gekomen is. Die dood geweest is. En Die leeft in alle eeuwigheid. En Die van Zijn leven (van Zijn liefde, van Zijn geduld en van Zijn vriendelijkheid) wil geven aan ons. Dat maken wij niet! Dat geeft Hij ons. Door het werk van Zijn Geest in ons hart. Laten we dan veel dicht bij Hem leven. En dat alles aan Hem vragen.
b. En als tweede dit: Als die vernieuwing van hart u vreemd is, wat moet u dan doen? Uw gedrag proberen te veranderen? Nee, want dan ziet u eruit als een vervelde slang. Geef uw hart aan Christus (Spr. 23:26). Dat verloren, zondige en corrupte hart. geef het aan Hem. En vraag Hem om een nieuw hart. Alleen Hij kan en wil u zo maken, zoals hier beschreven staat: vernieuwd van hart en uiteindelijk vol van de kennis van Hem.
Geliefde gemeente, tot slot: (wees) allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende dat u daartoe geroepen zijt, opdat u zegening beërven zou (1 Petr. 3:8-9En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.).
Amen.
Slotzang Psalm 72:4:
't Rechtvaardig volk zal welig groeien; Daar twist en wrok verdwijnt, Zal alles door den vrede bloeien, Totdat geen maan meer schijnt. Van zee tot zee zal Hij regeren, Zover men volkeren kent; Men zal Hem van d' Eufraat vereren, Tot aan des aardrijks end.
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Advent
Andere gerelateerde preken