PREEK · VRIJE STOFFEN

Armen van geest (deel 1) – Mattheüs 5

12 januari 2025

Mattheus 5:3-5: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

INLEIDING

Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Matth. 5:3). In deze leespreek over de eerste zaligsprekingen uit Mattheüs 5 wordt stilgestaan bij drie genadegaven waarmee de Heere Zijn kinderen tekent: geestelijke armoede, een treurend hart en zachtmoedigheid. Deze leespreek nodigt u uit tot zelfonderzoek en biedt rijke voorbereiding op de bediening van het Heilig Avondmaal.

THEMA

De burgers van het Koninkrijk der hemelen

KERNPUNTEN

  1. De armen van geest
  2. De treurenden
  3. De zachtmoedigen

MATTHEUS 5:1-12

1 En Jezus de scharen ziende, is geklommen op een berg; en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.
6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
11 Zalig zijt gij als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.
12 Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten die vóór u geweest zijn.

VOLLEDIGE TEKST

Armen van geest (deel 1) – Mattheüs 5

ds. J. IJsselstein - Mattheus 5:3-5

THEMA

De burgers van het Koninkrijk der hemelen

Geliefde gemeente, voor ons ligt (vanmorgen en ook in de komende diensten) het begin van de Bergrede: de zaligsprekingen van de Heere Jezus Christus. Ik hoop dat ons nadenken hierover (hier in de kerk en in de stilte van ons alleen zijn), dat ook onze onderlinge gesprekken hierover, ons zullen helpen om ons voor te bereiden op de komende bediening van het Heilig Avondmaal. En dat dat ons persoonlijk tot onderwijs zal zijn. Richting wijzend, vertroostend, corrigerend, bestraffend. De Heere weet precies wat iedereen van ons hierin nodig heeft.

De Bergrede is eigenlijk één lange preek. Die de Heere Jezus heeft gehouden op een berg. Op (zo staat in Luk. 6:17) een vlakke plaats op een berg. Dus op een soort plateau. Een preek zoals geen mens die ooit heeft kunnen houden. Immers de Heere Jezus is (zegt Zondag 12 van de catechismus) de Hoogste Profeet en Leraar, gezalfd met de Heilige Geest. Hij leerde als Machthebbende (Matth. 7:29). En Hij kon en kan ook tegelijkertijd innerlijk mensen overtuigen van de waarheid van Zijn woorden. En we bidden of de Heere Zelf ook vanmorgen zo wil spreken door Zijn Woord.

Het gaat in het eerste deel van de Bergrede over de burgers van het Koninkrijk der hemelen. Dat ook het thema voor de preek van vanmorgen: De burgers van het Koninkrijk der hemelen

Wie zijn dat? Wat zijn dat voor soort mensen? Dat zijn (in drie punten): 1. De armen van geest (vers 3) 2. De treurenden (vers 4) 3. De zachtmoedigen (vers 5)

En van die mensen wordt gezegd: Zalig zijn zij! Denkend aan hun zaligheid in de toekomst, straks, in de hemel. Want (zegt de schrijver van de Hebreeënbrief in Hebreeën 13:14): Wij hebben hier geen blijvende stad (die zoeken we ook niet), maar wij zoeken de toekomende. De eeuwige zaligheid van bij God te mogen zijn. Onze wandel (zegt Paulus in Filippenzen 3:20) is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.

Die verwachting alleen al maakt ons zalig. Vol van geluk. Nu al. En straks krijgen we dat geluk volmaakt, die zaligheid volledig. Maar die begint dus hier al, in ons gelukkige leven met God.

De wetenschap dat we door genade kinderen van God geworden zijn (zeker, die wordt aangevochten en bestreden), maar die wetenschap geeft ons hier al een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8). De Heere geve ons, kinderen van God, in deze avondmaalstijd, dat we door genade iets en meer van die onuitsprekelijke vreugde zullen ervaren. Dat we zullen smaken en zien, dat de Heere goed is (Ps. 34:9). Dat we ons zullen verblijden in de Heere (Fil 4:4). En dat ons gelovig zien op de tekenen van brood en wijn, ook door de Heere gebruikt zal worden om ons brengen tot meer vastheid in het geloof. Zodat we met meer vrijmoedigheid (midden in al onze armoede), mogen zingen (wat de dichter van Psalm 68 zingt): Die God is onze zaligheid.

God Zelf is de zaligheid van… de armen van geest, van de treurenden, van de zachtmoedigen. Want die zijn zalig. Omdat de Heere in hen werkt. Omdat de Heere hun God is en Jezus hun Zaligmaker.

Laten we daar, kinderen van God, geliefde medechristenen, in deze tijd veel in stilte over mediteren. Over Wie de Heere is. En over Wie Christus is. Voor ons… Dat zal verlangen in ons opwekken naar de Heere, naar een ontmoeting met Hem aan Zijn tafel. Dat zal onze liefde tot de zonde en tot de dingen van de wereld breken. En dat zal ons ook dringen tot een heiliger leven voor God en voor onze medemensen.

De zaligsprekingen… Dat zijn geen losse opmerkingen. Geen losse zinnen, waarvan je zou kunnen zeggen: ‘de één herken ik wel, de andere totaal niet…’ Ja, dat kán wel, maar dan ben je geen burger van het Koninkrijk der hemelen. Al de dingen die nu gezegd gaan worden, zijn als schakels van één en dezelfde ketting. Wie arm van geest is, die treurt ook over zijn of haar zonden. En wie dat doet, die is ook in beginsel zachtmoedig.

En dat zijn trouwens geen deugden, dat zijn geen natuurlijke karaktereigenschappen van goede en goed hun best doende mensen, maar… dat zijn genades, die de Heere gegeven heeft en geeft aan mensen die van zichzelf die dingen helemaal niet hebben.

Dit is allemaal gegeven genade. Die, zolang we op de aarde zijn, nog niet volmaakt is. Alles is hier nog maar ten dele, gebrekkig en besmet met onze blijvende zonden. Maar er is in al Gods kinderen wel een begin, een wortel, een eerste groene uitloper van deze sieraden van Gods genade. Waarvan we er nu vanmorgen drie zullen behandelen.

Gods kinderen, de burgers van het Koninkrijk der hemelen worden als eerste genoemd:

1. De armen van geest.

Vers 3 zegt: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Voor het oog lijken de rijken, en ook de geestelijk rijken gelukkig te zijn. Maar het is anders: de armen, de armen van geest zijn zalig.

Want hunner (van en voor hen) is het Koninkrijk der hemelen. Zij zijn de burgers van dat Koninkrijk. Ze worden straks, maar zijn ook nu al zalig. Gelukkige mensen zijn het dus: die armen van geest.

Wat zijn dat voor mensen? En ik zeg dat als een spiegel voor mezelf en voor u… Dat zijn mensen die alles van zichzelf kwijt geraakt zijn. Daarom heten ze arm. Voorheen dachten ze (ten onrechte), dat ze rijk en verrijkt waren, en geen ding gebrek hadden (Openb. 3:17). Totdat de Heere Zelf hun ogen opende voor hun armoede, voor hun zonde en schuld voor God. Toen leerden ze voor het eerst hun armoede kennen voor God. En dat vernederde hen, dat maakte hen beschaamd. En dat leerde hun in het verborgen zoeken, bidden, vragen en verlangen naar God. Zo leerde de Heere hun hun lege handen uit te steken naar Hem. Biddend om genade, om vergeving en om verzoening met God.

De Heere Zelf maakte hen arm, om oog te krijgen voor de rijkdom van Zijn genade. Voor de rijkdom van Christus, van Wie Paulus schrijft: Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor. 8:9).

Voor zulke armen wordt Christus de Parel van grote waarde. Voor zulke mensen gaat Hij schitteren. Want: Hij heeft alles. En ik heb niets. Ik moet belijden (met het avondmaalsformulier) dat ik midden in de dood lig. Maar het leven, alles is in Hem. En daar verlang ik naar. Dat zoek ik.

Want deze armen zijn geen mensen die op hun armoede gaan rusten, die daarmee tevreden zijn. Deze armen van geest zijn bedelende armen. Bedelend aan Gods voeten. Bent u, ben jij zo’n arme Godzoeker? Die alles van zichzelf kwijtgeraakt is? Voor wie Christus alles geworden is?

Deze geestelijke armoede is ook een blijvende armoede. Want, dit is de grote paradox van het Koninkrijk der hemelen: Deze armen worden door God met goederen vervuld, maar worden toch niet rijk in zichzelf. Deze armen worden eigenlijk steeds armer. Maar krijgen tegelijkertijd steeds meer oog voor de rijkdom van Gods genade en voor de heerlijkheid van Christus. En zó zijn de armen van geest, midden in hun armoede: zalig.

Want bij alles wat we uit genade van de Heere krijgen, kinderen van God, is het goed dat we in onszelf arm blijven. Dat onze armoede niet over gaat. Want dan hebben we de Heere niet meer nodig. We mogen na gekregen genade niet rijk worden met ons bezit. En ook niet tevreden en gerust. We blijven als het goed is bedelaars. Bedelend aan de voeten van de Zaligmaker. Met legen handen en met een gebroken hart. En zó, en zo alleen wassen we op in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. Niet door rijk te worden, maar door arm te blijven. En als armen te leven van de rijkdom van Gods genade en barmhartigheid in Christus Jezus.

Als je deze geestelijke armoede niet kent, dan ben je geen burger van het Koninkrijk der hemelen. Dat staat hier. Want zoals een kameel niet past door het oog van een naald, zo kan een rijke het Koninkrijk der hemelen ook niet binnengaan (Matt. 19:24). En dus kan je zonder deze geestelijke armoede ook niet aan het Heilig Avondmaal. Met armoede mag u volgende week komen. Niet met verborgen trots op uw armoede, alsof u dat bij Heere komt brengen. Maar echt met niets van uzelf. Met geestelijke armoede, waarmee u zich op Christus werpt, roepend: Heere, help mij! Ik heb niets, maar U hebt alles.

En dan hoef je je deze week dus ook niet in te in spannen, om van alles en nog wat bij elkaar te zoeken, dingen die je hebt. Want je hoeft niets mee te nemen van jezelf. Alleen je gebrek, alleen je armoede, alleen je nood en dood. Dáármee mag je komen, leunend op Christus, Die de Zaligmaker is van de armen van geest.

Geestelijke armoede is het enige passende bruiloftskleed waarmee we mogen komen aan de tafel van de Koning. Waar Hij ons wil kleden met het kleed van Zijn heil en met de mantel van Zijn gerechtigheid. Armen zal Hij verzadigen met het goede van Zijn huis en met het heilige van Zijn paleis.

En dus…, geestelijke armen, blijf volgende week zondag niet zitten, om uw armoede, om uw gebrek, om uw niets. Want dat is juist de reden dat u komen mag! Meer kunnen en mogen we niet meenemen, dan ons niets. Zo mogen we ervaren, wat de dichter zingt in Psalm 72:7: Nooddruftigen zal Hij verschonen, aan armen uit genâ Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen gâ.

Laten we dat nu eerst samen gaan zingen: Psalm 72:7 Nooddruftigen zal Hij verschonen; Aan armen, uit genâ, Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen gâ.

Ons tweede aandachtspunt: Gods kinderen, de burgers van het Koninkrijk der hemelen worden ook genoemd:

2. De treurenden.

Vers 4 zegt: Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. Zij die treuren naar God toe, met een droefheid naar God. Want dit gaat niet over (hoe verdrietig ze ook zijn), dit gaat niet over de tranen om het verdriet van dit leven, of over tranen van somberheid en mismoedigheid. Dit gaat over tranen die gericht zijn op God. Over tranen over zonden die gedaan zijn tegen een goeddoend en liefhebbend God.

Dit gaat trouwens ook niet perse over zichtbare tranen. Want ’t uiterlijke kan bedriegen. Van koning Saul staat in 1 Samuël 15:24, dat hij tegen Samuël zei: Ik heb gezondigd, omdat ik des HEEREN bevel en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord. En van Achab staat in 1 Koningen 21:27: Dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in de zak, en ging langzaam. Om dit soort schijn zegt de profeet Joel: Scheurt uw hart en niet uw klederen (2:13). Want wat hen beiden ontbrak was: een gebroken, naar God treurend hart.

Het treuren, waar het hier over gaat, is een diep verdriet dat opkomt uit een gebroken hart. Omdat ik zo tegen God gezondigd heb. Wat me laat uitroepen met de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig. Wat me laat zeggen met de verloren zoon: Ik heb gezondigd tegen hemel en voor u. Omdat ik God verlaten heb, omdat ik tegen Hem opgestaan ben. Omdat ik Zijn liefde beantwoord heb met mijn haat. Omdat ik Zijn geboden veracht heb en Zijn genade vertrapt. Omdat ik heel mijn leven verzondigd heb. Wat doet uitroepen: O wee nu mijner, dat ik zo gezondigd heb (zie Klaagl. 5:16).

Dat diepe besef in ons hart, dat verdriet in ons hart, laat ons onszelf mishagen. Dat laat ons niet wegvluchten, maar dat laat ons onszelf verootmoedigen voor God, aan Zijn voeten. Dan herken je iets van wat David zegt in Psalm 42: Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht (Ps. 42:4). Dat zijn geen tranen die je in jezelf huilt, vastlopend in jezelf. Het zijn tranen gericht op God. Zeggende met de dichter van Psalm 141: 'k Roep, HEER, in angst tot U gevloden, ai, haast U tot mijn hulp en red (Ps. 141:1) Dan herken je iets van wat David zegt in Psalm 32: Ik verborg geen kwaad dat in mij werd bevonden, maar ik beleed na ernstig overleg mijn boze daden, mijn zonden. En U nam die gunstig weg.

Dit is een verdriet, dit zijn hartetranen, die niet zonder geloof zijn. Al durft u dat misschien zo niet te noemen. Want dit verdriet laat vluchten naar God. Dit verdriet bindt aan de Heere.

Het drijft de vader van de maanzieke jongen naar de Heere Jezus toe: roepend met tranen… Het drijft de verloren zoon terug naar zijn vader: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan… Deze tranen brengen ons aan Gods voeten. Aan de voeten van de genadige en barmhartige God. En de Heere Zelf troost het hart, dat zo schreiend tot Hem vlucht.

Dit treuren over de zonde, deze droefheid naar God, zegt Paulus, die werkt ook een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2 Kor. 7:10). Daaruit komt voort, wat het avondmaalsformulier noemt: een hartelijke gezindheid. Om voortaan met mijn ganse leven waarachtige dankbaarheid jegens God de Heere te bewijzen, en voor het aangezicht Gods oprecht te wandelen. En om met een ernstig voornemen vanaf nu in waarachtige liefde en enigheid met mijn naasten te leven. Want in al mijn verdriet wil ik de Heere nooit meer verdriet doen met mijn zonden.

Is dat een droefheid die voorbijgaat? Nee, dit is verdriet wat blijft. U ziet het in Lukas 7, in de ontmoeting van de zondares met de Heere Jezus. Als ze Hém ziet, Die haar zonden vergeven heeft (want dat zegt de Heere Zelf), dan kan ze opnieuw haar tranen niet bedwingen. Tranen van verdriet en berouw om zoveel kwaad, gemengd met tranen van verwondering en blijdschap, druppen dan op de voeten van Jezus.

Dat verdriet en dat berouw, en die verwondering en blijdschap, voelen wij ook in onze ontmoetingen met de Zaligmaker aan de bediening van het Heilig Avondmaal. De herinnering onze zonden, aan onze blijvende zonden is bitter. En laat ons hart treuren. Terwijl het zicht op de rijkdom van Gods genade en barmhartigheid voor mij, me ook laat opspringen van vreugde in God en Christus. Naar waarde nooit te danken! Dan kan het zijn zoals de dichter van Psalm 30 schrijft: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich (Ps. 30:6).

Want die treuren zullen vertroost worden, zegt de Heere. Die tranen zijn door de Heere namelijk bedoeld om te brengen tot blijdschap. Denk maar aan Psalm 126:5: Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Denk maar aan Jesaja 61:3: Christus is verordineerd en gezalfd om den treurigen(!) Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.

Want door de weg van die tranen zal op Gods tijd de Trooster, de Heilige Geest, ons troosten door onze blik te richten op Jezus. Op wat Hij gedaan heeft in onze plaats, in Zijn leven vol gehoorzaamheid en lijden, in Zijn sterven aan het kruis en door Zijn opstanding. De Heilige Geest, de Trooster, Hij troost treurenden van hart, door ze te laten zien en geloven dat Christus door de Vader in deze wereld gezonden is. Dat Hij de toorn van God op aarde voor ons gedragen heeft. Dat Hij alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der Goddelijke wet voor ons vervuld heeft.

Dat Hij onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden. Dat Hij Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen in onze plaats. Om zo de treurenden van Sion te brengen tot heerlijke vreugde.

En als we daar iets van zien en geloven mogen (de Heere geve ons dat aanstaande zondag!), dan mogen en kunnen we onze weg weer verder reizen met blijdschap (Hand 8:39). Getroost met zaligheid in dit leven. In de verwachting dat hiernamaals alle tranen van onze ogen afgewist zullen worden. Ons derde aandachtspunt: Gods kinderen, de burgers van het Koninkrijk der hemelen worden ook genoemd

3. De zachtmoedigen.

Vers 5 zegt: Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven. Zij zullen ook op aarde nu, delen in Gods rijke gunst en zegen.

En ook hier gaat het niet om natuurlijke of aangeboren deugden of karaktereigen- schappen. Maar om gegeven genade van God. Die ons verandert, die ons vernieuwt tegenover God en mensen.

a. Bij zachtmoedigheid tegenover de Heere kan je denken aan wat Jakobus zegt in Jakobus 1:21: Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zalig maken. Ontvang het Woord met zachtmoedigheid, dat wil zeggen: Buig voor het Woord van de Heere. Verzet je niet tegen Zijn woorden. En ook niet tegen Zijn wil en weg. Met andere woorden: word niet boos als de weg van de Heere anders gaat dan je zelf wilt. Maar leer zeggen: Heilig zijn, o God, Uw wegen, niemand spreek’ Uw hoogheid tegen. En leer bidden of je mag volgen, zonder te vragen. Dat is zachtmoedig zijn tegenover God.

b. En de zachtmoedigheid (waar het hier over gaat) is ook een gift van Gods genade tegenover onze medemensen. Want van nature heeft niemand dat in zich. Van onszelf zijn allemaal we geneigd tot zondige boosheid en tot haat tegen onze naasten, als een ander je benadeelt of kwaad doet. Jazeker, er is ook een terechte boosheid om het zondige wat de ander misschien doet. En dit is ook niet bedoeld om de pijn te verergeren van mensen die heel veel verdriet is aangedaan door anderen.

Dit gaat over ons zondige, heftige boos worden. Om ons haten van anderen, om ons zinnen op wraak. Terwijl de Heere tegen ons gezegd heeft: Wreekt uzelf niet, beminden (Rom 12:19). Dit gaat over ons boos blijven om wat anderen deden. Terwijl de Heere ons geleerd heeft te bidden: leer ons onze schuldenaren te vergeven.

Dit gaat over onze neiging om daarna slecht over die ander te gaan praten. En dan blijkt, zelfs na gekregen genade, dat onze tong een onbedwingelijk kwaad is, vol van dodelijk venijn (Jak. 3:8). Een lichaamsdeel dat zonder genade niet getemd kan worden. Dit gaat over onze neiging tot verbittering in ons hart. Terwijl de Heere ons gezegd heeft: Alle bitterheid en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid (Ef. 4:31).

Deze genadegave van zachtmoedigheid is een gift van God, die het vuur van onze boosheid, van onze haat, van onze bitterheid en van onze kwade tong uitblust. Waardoor we verdraagzamer worden. Zoals Paulus schrijft in Efeze 4:2: Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde. Zoals hij schrijft in Kolossenzen 3:13: Verdragende elkander en vergevende de een den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo. Waardoor we in beginsel leren om de ander te vergeven. Denkend vooral aan die laatste woorden uit Kolossenzen 3: Gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.

En ik vraag u en mezelf, kinderen van God, als we iets mogen geloven van wat de Heere zegt door de mond van Jesaja (43:25): Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet… Als we iets mogen kennen van de dankbaarheid waarmee we na de bediening van het Heilig Avondmaal lezen uit Psalm 103: Die al uw ongerechtigheid vergeeft… Dan kan toch niet anders, dan komt er in ons leven toch iets van mildheid en zachtmoedigheid waarmee we de ander ook willen vergeven? Dan leren we door Gods genade toch iets van wat Heere Zelf ons voorgedaan heeft.

Waarbij Hij ons roept tot navolging en tot het drukken van Zijn voetstappen. In Mattheüs 5:44: Hebt uwe vijanden lief, zegent hen die u vervloeken, doet wel degenen die u haten, en bidt voor degenen die u geweld doen. In 1 Petrus 3:9: Vergeldt geen kwaad met kwaad, maar zegent daarentegen. In Mattheüs 11:29: Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en u zult rust vinden voor uw zielen. Want toen Ik gescholden werd, schold Ik niet terug. Ik leed, maar dreigde niet. Maar Ik gaf het over in de handen van Hem Die rechtvaardig oordeelt (1 Petr. 2:23).

Door dat te werken in ons hart, door dat aan ons te geven, wil de Heere Zijn genade in ons leven laten schitteren. Als een zegen van Hem. Maar ook als opdracht. Ook als we kijken naar de komende bediening van het Heilig Avondmaal. Als ons hart bezet is met boosheid, met wrevel, met zurigheid en bitterheid… Als er conflicten zijn… Bid de Heere dan om vernieuwende genade, en los ze op.

Zoals Paulus de Kolossenzen daartoe oproept in Kolossenzen 3:12-13: Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; Verdragende elkander en vergevende de een den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.

En laten we elkaar daarin helpen en bijstaan. Door degenen die overvallen is door enige misdaad, terecht te brengen met de geest der zachtmoedigheid (Gal. 6:1). De zon ga niet onder over onze toornigheid. En laten we de duivel geen plaats geven (Ef. 4:26).

Zulke vergevingsgezindheid, zulk buigen voor de ander en voor elkaar, zulk liefhebben van onze vijanden, is een kostelijk sieraad voor God. Als we zó iets mogen vertonen, van de gestalte die ook in Christus Jezus was. Die Zichzelf vernietigd heeft, Die nameloos diep gebogen heeft. In het liefhebben van Zijn vijanden, om ze met God te verzoenen. Gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.

Drie genadegaven van God. Geestelijke armoede, een bedroefd en treurig hart, en buigende zachtmoedigheid voor God en onze medemens. Die ons in onszelf niet geschikt maken voor God. Maar die vruchten zijn van genade die God aan Zijn kinderen geeft.

En die ons vanmorgen als een spiegel voorgehouden worden om onszelf onderzoeken. Bent u geestelijk arm? Treurt u? Kent u de droefheid naar God? Kent u iets van deze zachtmoedigheid? Buigend voor God? Vergevingsgezind naar uw medemens?

Drie genadegaven van God. Die ons, kinderen van God (als we hier in beginsel iets van kennen), deze week ook vrijmoedigheid mogen geven in het zoeken van de Heere, in het gaan tot Zijn genadetroon. En aanstaande zondag ook in het komen tot Zijn tafel.

Om daar als armen verzadigd te worden met het goed van Zijn huis. Om daar als treurenden vertroost te worden. Om daar als beginnende zachtmoedigen Hem al de eer te geven voor Zijn werk. Voor ons... En in ons…

Hem zij daarvoor alle eer! Amen.

Slotzang Psalm 32:2,3