18 oktober 2026
Numeri 13:30-31: . En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
INLEIDING
Aan de grens van Kanaän vraagt Israël om eerst te mogen zien wat de Heere beloofd heeft. Twaalf verspieders keren terug met een heerlijke druiventros, maar tien van hen laten de belofte verdrinken in reuzen en onneembare steden. Kaleb en Jozua kijken omhoog en vertrouwen op het woord van de Heere. Zo roept de geschiedenis onbekeerden om het aangeboden Christus-Woord niet uit te stellen, ambtsdragers om de belofte vast te houden, en Gods kinderen om in beproeving op te zien.
De geschiedenis van de verspieders
NUMERI 13:29
27. En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
28. Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.
29 De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaänieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.
30. Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!
31. Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.
32. Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israëls, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
33. Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Numeri 13:30-31
THEMA
De geschiedenis van de verspieders
AANDACHTSPUNTEN
Eindelijk staat het volk Israël, na een reis van ruim twee jaar, aan de grens van het beloofde land. Vanuit de oase van Kades-Barnea kijken ze uit over het land Kanaän, dat God ooit aan Abraham beloofde, toen de Heere zei: Uw zaad zal Ik dit land geven (Gen. 12:7Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was.). Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van uw erfdeel (Ps. 105:11Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van ulieder erfdeel.). En later heeft de Heere die belofte ook herhaald aan Mozes (Ex. 33:1Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;). En nu is het eindelijk zover. Nu staan ze op het punt om het land Kanaän binnen te trekken. Dit land zullen ze krijgen. Want de Heere heeft beloofd, toch?
We overdenken vanmorgen wat we gelezen hebben uit Numeri 13: De geschiedenis van de verspieders. Dat is ook het thema van de preek: De geschiedenis van de verspieders
We letten eerst op drie dingen. De eerste twee punten zijn kort, het derde punt is wat langer. We letten samen op: 1. De aanleiding tot hun tocht 2. De tocht zelf 3. Het verslag dat ze van hun tocht uitbrengen Na die drie punten gaan we zingen. En dan gaan we samen op zoek naar de betekenis van deze geschiedenis voor ons. Dat is ons vierde punt: 4. De betekenis van deze geschiedenis voor ons Als eerste dus:
Numeri 13 begint anders dan je zou verwachten. We lezen vers 1 en 2: En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: Zend u mannen uit, die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik de kinderen Israëls geven zal; van elke stam zijner vaderen zult u één man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. Is dat echt nodig? Heeft de Heere ooit eerder spionnen vooruit gestuurd? De Heere weet toch alles? Hij ziet toch alles? Moeten deze mannen voor Hém het land gaan bekijken? Maar in Deuteronomium 1 vertelt Mozes achteraf, dat er vlak hiervoor nog iets anders gebeurd is. Daar zegt Mozes: Ik zei tegen u: Zie, de HEERE uw God heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet en ontzet u niet.
Maar u zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heen zenden, die ons het land verspieden (Deut. 1:21-22). Waarom? Omdat u de Heere niet op Zijn woord, op Zijn beloftewoord, geloofde. U wilde eerst zélf gaan kijken. Of het wel waar was wat God u beloofd had: dat land, vloeiend van melk en honing.
Herkenbaar? De Heere heeft gezegd en beloofd, toen je gedoopt werd: Ik zal u tot een God zijn. Heb je nooit bij jezelf gedacht: Dat moet ik eerst nog maar eens zien? Gemeente, het is hun ongeloof en het is ons ongeloof dat zegt: ik wil het eerst zien. Het is hun en ons ongeloof dat gaat redeneren en dat naar de omstandigheden gaat kijken. Maar het geloof zegt: Heeft de Heere het gezegd? Dan is het waar. Want Hij houdt Zijn woord – ook al zie ik er nu nog niets van.
Het tekent de goedheid en het geduld van de Heere, dat Hij instemt met hun, in wezen ongelovige, vraag. Twaalf mannen worden er gekozen – oversten van de stammen. Belangrijke mannen dus, aanzienlijke mannen. Die allemaal bij naam worden genoemd (vers 4-15). Opvallend genoeg krijgt één van hen van Mozes een andere naam: Hosea, de zoon van Nun. Die krijgt van Mozes de naam: Jozua. De naam die we allemaal kennen: Jozua, de zoon van Nun. Die eerst dus Hosea heette, wat ‘redding’ betekent, of: ‘hij redt’. Maar zijn nieuwe naam Jozua betekent: De HEERE redt. Ongetwijfeld bedoeld als bijzondere boodschap, niet alleen voor hem, maar ook voor alle andere mensen: vertrouw niet op mensen, vertrouw niet op jezelf. Want de HEERE redt, en niemand anders. En dan gaan die twaalf verspieders op pad. Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt:
Deze twaalf mannen krijgen van Mozes een opdracht mee (dat staat in vers 17-20). Vers 17 zegt: Trekt dit henen (trek hiervandaan) op tegen het zuiden en klimt op het gebergte. Dus vanuit de Negev-woestijn moeten ze het land gaan verkennen. Hoe dat land eruitziet, hoeveel mensen er wonen, en of die sterk zijn of zwak. En hoe de steden zijn waar ze in wonen. En of ze ook legers hebben. Ze moeten ook kijken of het land vruchtbaar is. En, zegt Mozes: Neem ook wat van de vruchten van het land mee naar huis. Want het was het begin van de druivenoogst. Met die opdracht gaan die twaalf mannen op pad. Iedereen kijkt ze na, benieuwd hoe ze straks terug zullen komen.
Zij, die twaalf mensen, reizen het hele land door. Van de woestijn Zin in het zuiden tot helemaal aan de bronnen van de Jordaan, bij de Hermon in het noorden (vers 21).
Aan één stad, een heel oude stad, brengen ze nog apart een bezoek: aan de stad Hebron. Waar ze oog in oog komen te staan met ten minste drie reuzen, kinderen van Enak, Enakieten. Hele grote mensen van misschien wel drie meter lang…
Daarna komen ze ook nog in het dal Eskol. Vers 23 zegt: En ze sneden vandaar een rank af met één tros wijndruiven, die zij droegen met hun tweeën op een draagstok; ook van de granaatappels en van de vijgen. Dus zo groot is die tros (die nog aan de druiventak vastzit), dat ze die met z’n tweeën moeten dragen. Met een stok op hun schouders, en de tros daartussen. En zo komen ze na veertig dagen verspieden weer thuis in het legerkamp van het volk Israël. Zoals we gaan zien in ons derde aandachtspunt:
We lezen in vers 26: En zij gingen heen en kwamen tot Mozes en tot Aäron en tot de gehele vergadering der kinderen Israëls in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder (ze deden verslag) aan hen en aan de gehele vergadering en lieten hun de vrucht des lands zien. Dus iedereen is erbij: Mozes, Aäron en heel het volk. En die twaalf mannen zeggen: ‘Kijk eens, wat een geweldige druiventros! Proef maar eens, hoe honigzoet ze zijn. En wat een heerlijke granaatappels en vijgen we meegenomen hebben.’ Kijk maar, vers 27: En zij vertelden hem en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land waarheen u ons gezonden hebt; en voorwaar (echt waar!) het is van melk en honing vloeiende, en (kijk!) dit is zijn vrucht.
Iedereen staat er — zeker na die lange reis door de woestijn — verwonderd en misschien wel watertandend naar te kijken: Zo, dat is bijzonder! ‘Nou, proef maar eens’. Een voorproefje van het beloofde land…
Maar dan ineens slaat de stemming om. Ja, geen van die twaalf mannen kan of durft te ontkennen dat het land dat ze verkend hebben een land van overvloed is. Het vloeit van melk en honing. Maar tien van de twaalf verspieders willen nog iets zeggen! Voor hen volgt op dat mooie bericht een ‘maar’. Kijk maar naar vers 28 en 29: Behalve dat het een sterk volk is hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast en zeer groot (dat zijn onneembare vestigingen), en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien. De Amalekieten wonen in het land van het zuiden, maar de Hethieten en de Jebusieten en de Amorieten wonen op het gebergte, en de Kanaänieten wonen aan de zee en aan den oever van de Jordaan. O, dat is niet mis, zeg! Ineens is er gerommel, geroezemoes… Ja, die druiven zien er mooi uit. Maar dit klinkt echt niet goed!
Maar dan neemt Kaleb (één van de twaalf) het woord. Hij stilt het volk en zegt in vers 30: Laat ons vrijmoedig optrekken en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen. Hé, dat is een heel ander geluid. Hij zegt niet: die reuzen, die Amalekieten, Hethieten en al die andere volken, dat zijn echt watjes, dat zijn slappelingen, dat zijn angsthazen, die kunnen wij met z’n allen wel aan! Nee, hij ontkent niet dat ze sterk zijn. Maar toch zegt hij in geloof: Laat ons vrijmoedig optrekken – want dat heeft de Heere tegen ons gezegd. Wij zullen ze voorzeker overmeesteren – want dat heeft de Heere ons beloofd.
Nou, de gemoederen raken behoorlijk verhit. Want de andere partij reageert daar weer op en zegt in vers 31: Wij zullen tot dat volk niet kúnnen optrekken, want het is sterker dan wij. Dit gaat ons niet en nooit lukken. En dan schieten ze zelfs in de overdrijving, als ze zeggen in vers 32 en 33: Dat land door hetwelk wij doorgegaan zijn om dat te verspieden, is een land dat zijn inwoners verteert. Het is een verraderlijk land, een gevaarlijk land. Sommigen denken dat er in die tijd misschien een epidemie rondging; we weten het niet. En (zeggen ze in vers 33) ál het volk dat wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte. Ineens zijn ze allemaal groot. Ja, zo gaan ze verder: Wij hebben zelfs reuzen gezien, de kinderen van Enak, (…) en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
Gemeente, hier staan geloof en ongeloof lijnrecht tegenover elkaar. In het midden van het verbondsvolk, dat genoemd is naar de Naam van de trouwe en almachtige God. De meesten kijken opzij en denken en zeggen: dit is onmogelijk. Maar twee van de twaalf verspieders kijken omhoog en geloven: De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God (Luk. 18:27En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.).
Zo meteen gaan we kijken naar de betekenis van deze geschiedenis voor ons, maar laten we eerst samen gaan zingen uit Psalm 93 vers 1 en 4: De HEER’ regeert; de hoogste Majesteit, Bekleed met sterkt', omgord met heerlijkheid, Bevestigt d' aard', en houdt door Zijne hand Dat schoon gebouw onwankelbaar in stand.
Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan; Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan; De heiligheid is voor Uw huis, o HEER’, Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.
We gaan verder met ons vierde aandachtspunt:
Ja, want dit is niet zomaar één van de vele geschiedenisverhalen uit het Oude Testament. Maar hier zien we hoe God in het verleden handelde met Zijn volk. En hoe Zijn volk daarop reageerde. En wat ze deden met Gods beloftewoorden. En nu, eeuwen later, zien we in deze geschiedenis ook een beeld van hoe de Heere met ons omgaat. En hoe wij daarop reageren. En wat wij doen met Zijn beloftewoord.
I. In deze geschiedenis ligt als eerste een les voor iedereen die nog onbekeerd is. U staat vanmorgen in gedachten ook aan de grens van het beloofde land. Achter u ligt de woestijn (van uw leven). En voor u ligt vanmorgen een land vloeiend van melk en honing. En de stem van het Evangelie zegt: Kom, trek binnen. Alle dingen zijn gereed. U hoeft niets te doen, u hoeft niet te vechten, u hoeft niet te onderhandelen. U hoeft zelf geen overwinning te behalen. Want Ik, de Heere, ben bereid u dit land (dat u ooit verloor door uw opstand in het paradijs) terug te geven tot een eeuwige erfenis.
Vaak hebt u, onbekeerde vrienden, getwijfeld aan Gods woorden. Net als het volk Israël deed: ze moesten het eerst zien. Maar nu ligt het uiteindelijk toch voor hen: de vrucht van het beloofde land, die geweldige tros druiven, die vijgen en granaatappels. Zoals ze ook nu voor u uitgestald worden, al de kostbaarheden van het Koninkrijk der hemelen. Jezus Christus, de ware Wijnstok. U zo vaak voorgesteld in Zijn schoonheid: blank in Zijn heiligheid, rood in Zijn bloed, en Koning boven alles. U zo vaak voorgesteld in Zijn onmisbaarheid, als Degene Die u zo nodig hebt. U zo vaak voorgesteld in Zijn heerlijkheid, vol van genade en waarheid. De Zoon van God, de Zoon des mensen, Die vrijwillig naar deze wereld kwam. Die heilig leefde. Die zondaars zocht en vond. En Die aan het einde van Zijn leven gehangen werd aan het vloekhout van het kruis. Geperst onder de last van de toorn van God, opdat Zijn bloed zou reinigen van alle zonde.
Tot op de dag van vandaag wordt Hij u aangeboden in dit Woord. Afgebeeld (kort geleden nog) in de tekenen van het gebroken brood en van de vergoten wijn. En u hebt het gezien, u hebt het gehoord: hoe het proeven daarvan Gods kinderen vrede gaf. Als voorproefje van de eeuwige vreugde van Immanuëlsland hierboven.
De vruchten van het land, de druiven liggen voor hen. Zoals Christus u voor ogen geschilderd wordt. Zichzelf aanbiedend als de Zaligmaker van zondaars. U biddend: laat u door Mij met God verzoenen (2 Kor. 5:20Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.). Kom maar, wie u ook bent. Al zoekt u de dingen van de wereld, al dorst uw ziel naar heel andere dingen. Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.). Zo zegt de Heere: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en u die geen geld hebt, komt,
koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt u geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven (Jes. 55:1-3O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.). Lieve mensen, neem het Woord en de genade van de Heere dan toch aan. Dat alleen kan uw ziel redden van de dood.
De vruchten van het land lagen voor hen. Grote druiventrossen. En ook: granaatappels. Als tekenen en bewijzen van de overvloed van het beloofde land. Maar ook als tekenen van een vruchtbaar, heilig leven. Granaatappels zaten immers ook aan de mantel van de hogepriester. En voor hen liggen ook vijgen. Een teken van welvaart, vrede en rust.
Als teken en bewijs voor alle Israëlieten: Mensen, kijk nou, een beter land is er niet! Zo wordt dit Woord en Christus in dit Woord, ook vandaag voor u neergelegd: Mensen, kijk nu toch. Dit is alles wat u nodig hebt voor dit leven en voor de komende eeuwigheid. U hebt Christus nodig, genade, vergeving en verzoening met God. En u kunt Hem en dat alles krijgen, voor niets! Neemt Zijn genâ dan ootmoedig aan (Ps. 95:5Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd., ber.).
Is uw reactie tot nu toe niet heel vaak geweest: Nee, dit is voor mij vast onbereikbaar? Hier staan vast nog kleine lettertjes bij. En is het wel echt zo mooi als het lijkt? En legt u dan in uw gedachten en overwegingen – net als die tien verspieders – ook niet heel veel nadruk op alle mogelijke moeilijkheden die u verwacht? Vergroot u dan ook niet, net als zij, alle mogelijke obstakels? En legt u dan ook niet – net als zij – Gods belofte aan u opzij? En de opdracht: strijd om in te gaan? En denkt u dan bij uzelf ook bewust niet na over: dat wat u wel weet met uw verstand? Namelijk: dat iedere vorm van uitstel (ook vanmorgen) fataal voor u kan worden? Gaan de woorden van Hebreeën 4 dan geen herkenning bij u oproepen? Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun (en ook ons) geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben. Want wij die geloofd hebben, gaan in de rust. Maar van de anderen geldt, wat God gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Zij zullen in Mijn rust nooit ingaan (Hebr. 4:2-3).
Mensen, geloof toch wat de Heere zegt. Schuif Zijn woorden niet iedere zondag weer opzij. Nu nog staat u op de grens van het beloofde land. Miljoenen mensen in deze wereld hebben dat beloofde land nooit gezien. U wel… Gaat u zo meteen met Israël weer terug de woestijn in? Gaat u met Orpa weer terug naar Moab? Gaat dat goed aflopen, denkt u? Hoe zult u ontvlieden, indien u op zo grote zaligheid geen acht neemt (Hebr. 2:3Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;)? Wordt het niet de hoogste tijd dat u Gods Woord ter harte gaat nemen?
Zijn bedreigingen, die u het gevaar van uw leven laten zien? Zijn richtinggevende stem: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE? Zijn belofte: zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk? (Jes. 55:7) Heft de poorten van uw hart dan omhoog. En doet de deur van uw hart open, opdat de Koning der ere inga (Ps. 24:7Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!).
II. Er liggen in deze geschiedenis als tweede ook lessen voor al Gods kinderen. a. Deze geschiedenis wil ons als eerste ontdekken aan ons ongeloof. Want laten we eerlijk zijn: dat ‘eerst zien en dan geloven’ leeft ook in ons hart. De Heere kan ook aan ons dingen beloofd hebben: voor ons geestelijke leven, voor ons tijdelijke leven (voor ons gezin, onze kinderen, onze kleinkinderen), voor ons werk in Gods Koninkrijk. Dingen die in onze ogen, als kleine sprinkhanen tegenover die grote reuzen, zo onmogelijk lijken. Terwijl de Heere er bij ons in de Bijbel zo op aandringt, om te geloven wat Hij zegt. Belovend: Hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen (Ps. 89:35Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.). Ja, ’t lijkt voor u wel onmogelijk, maar Mijn Naam is toch wonderlijk (Richt. 13:18En de Engel des HEEREN zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.)!
Maar als alles zo onmogelijk lijkt, komt het dan ook in ons niet op om te denken: Ik moet het eerst zien, dan kan ik het pas echt geloven?
Geliefde medechristenen, kinderen van God, dat is schuldig ongeloof. Onze God is betrouwbaar. En dit is een betrouwbaar Woord. Gods beloften zullen niet falen. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? (Num. 23:19God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?) Laten we dan toch zeggen met de dichter van Psalm 42: Wat buigt u u neder, o mijn ziel, en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God (Ps. 42:12). En op Zijn onfeilbaar Woord.
b. Deze geschiedenis schetst als tweede, hoe de Heere Zelf ons leert om te leven van Zijn beloften. Door ons altijd daar weer op te wijzen. En door ons altijd weer hoop te geven op Zijn Woord, ook al zien we de vervulling van de belofte en het land van de rust nog niet.
De Heere Zelf maakt Zijn beloftewoorden, net als bij Kaleb en Jozua, tot het enige houvast waarop ons leven drijft. Als we met Petrus lopend op de golven gaan twijfelen, dan zinken we. En dus worden we steeds meer afhankelijk van Gods genade en van gegeven geloof. Want dat hebben we niet van onszelf. Maar de Heere Zelf wil ons wel leren geloven, wat Hij ons beloofd heeft.
Ook al kan de toekomst er voor het oog (net als hier bij het volk Israël) dreigend uitzien. Juist op zulke momenten stelt de Heere ons geloof op de proef. Om ons meer en meer op Hem te werpen en op Zijn beloftewoord.
Om ons meer en meer te ontdekken aan ons ongeloof. Om zo het goud van het geloof, dat de Heere in ons hart gelegd heeft, te meer te laten schitteren. Misschien gebruikt de Heere ook in uw leven zulke moeilijke, misschien wel uitzichtloze tijden. Om uw ongeloof aan het licht te brengen. Om uw liefde tot de zonde te breken. Om u te heiligen. Om uw geloof in Zijn beloftewoorden te versterken. Om uw geloof te volmaken. En om u te troosten met Vaderlijke ontferming. Misschien ook wel om u weerbaar te maken tegen nog meer toekomstige moeilijkheden.
c. Deze geschiedenis schetst als derde hoe dat leven van Gods beloften, ook al komen we reuzen tegen, ons hart vervult met hoop en vreugde. Als Jakobus aan al die dingen denkt, dan ontlokt dat hem de wonderlijke woorden: Acht het voor grote vreugde(!), mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat (dat is Gods doel) u moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk (Jak. 1:2-4Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.).
Dank de Heere dan met mij, geliefde medechristenen, hiervoor: dat onze weg naar het beloofde land een weg vol verdrukkingen is. De Heere heeft er zulke goede bedoelingen mee. En dank de Heere dan tegelijk ook hiervoor: dat Hij ons midden in dat leven vol beproevingen en verzoekingen, soms – net als de Israëlieten hier – een voorsmaak geeft van het beloofde land, van de vrede met God en de vreugde in Hem. Zoals we die straks zullen ontvangen, als we voor altijd met de Heere zullen zijn in Immanuëlsland. In de plaats waar alle tranen van de ogen afgewist zullen zijn, en niemand meer zal zeggen: ik ben ziek.
Hoe en wanneer krijgen we dat zicht op het beloofde land? Hier in de kerk, onder de prediking van het Woord en bij de bediening van de sacramenten. In onze gebeden, in onze stille overdenking of in goede gesprekken met elkaar over de wegen van de Heere. Als de Heere ons een blik vooruit gunt op het hemelse Kanaän en ons verzekert dat Hij het goede werk in ons zal voleinden tot op de dag van Jezus Christus.
Laten we daarom, kinderen van God (dat is een andere les), tussen anderen die klagen en mopperen, een voorbeeld zijn: in geloof, in vertrouwen en in geduld, hopend op God. Van een andere geest dan zij, net als Kaleb. We mogen wat dat betreft eerlijk tegen de stroom van de meerderheid ingaan (zeker ook als ambtsdragers), als we ons maar funderen op het Woord. Wordt dat altijd gewaardeerd? Nee, in Numeri 14:10Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israëls. worden Jozua en Kaleb zelfs bijna gestenigd! Maar de Heere is het waard dat we Hem groot maken, wijzend (ook in de moeilijkste omstandigheden), zoals we zongen in Psalm 93: op Zijn macht en trouw, die nooit zullen vergaan.
d. Er ligt voor ons, die de Heere mogen dienen, in deze geschiedenis ook nog een andere, een vierde les. Iedereen die op weg is naar het hemelse Kanaän gaat vroeg of laat reuzen tegenkomen. Niet letterlijk, maar wel in geestelijke zin. In je persoonlijke leven. En zeker ook als de Heere je geroepen heeft tot Zijn dienst.
Maar ook als je jong bent. Je gaat reuzen tegenkomen. Niet letterlijk, maar wel echt. In je klas, in je vriendengroep, in je eigen hart: spot, druk, twijfel, beproeving. Reuzen, waar je je een sprinkhaan bij voelt. Als je naar die reuzen kijkt tenminste, want ja, dan voel je je klein. Je kan gaan rennen, maar reuzen rennen veel harder. Je kan beter je knieën buigen en biddend omhoog kijken en zeggen met de dichter van Psalm 46: U, o Heere, bent mijn Toevlucht en Sterkte (Ps. 46:2).
Je gaat reuzen tegenkomen, ook als de Heere je geroepen heeft tot Zijn dienst. Schrik niet, raak niet in paniek, want de Heere heeft alles in Zijn handen. Heeft Hij niet Zelf gezegd: Trek op! Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken (Ex. 14:15Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls, dat zij voorttrekken.). Kijk dan niet naar die reuzen. En kijk niet naar de omstandigheden. Maar buig eenvoudig je knieën en kijk naar boven. En zeg met de dichter van Psalm 121: Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal (Ps. 121:1). En houd je vast aan het Woord van de Heere. En geloof dat de Heere je in dit moeilijke leven nooit zal loslaten. Gelovend wat Asaf zingt: U zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen (Ps. 73:24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.).
Laten we dus, hoe onze weg ook gaat, niet klagen. En ons ook niet laten beklagen. Maar laten we zien op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Die voor de vreugde die Hem voorgesteld was, (zelfs) het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods (Hebr. 12:2Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.). Laten we niet letten op wat we zien, want de dingen die we zien gaan voorbij. Maar laten we het Woord geloven, en letten op wat we nog niet zien, maar wel geloven. En dat nooit in eigen kracht. En altijd op onze hoede voor het monster van ons ongeloof.
Onze strijd is een geestelijke strijd, en onze kracht is van God. Daarom, zegt Paulus, neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. En neemt de helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord (Ef. 6:13, 17). Want met dat Woord (zegt de Kanttekening) geeft de Heilige Geest een zwaard in de hand, om de satan (en dus ook alle reuzen) in alle verzoekingen te weerstaan.
Laat dit, zolang we nog niet in het beloofde land zijn, onze vastheid zijn: Hij Die [ons] roept, is getrouw, Die het ook doen zal (1 Tess. 5:24). Want, zo zegt de apostel in Hebreeën 10: Die het beloofd heeft, is getrouw (Hebr. 10:23).
Hem nu Die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid (Efeze 3:20-21Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt, Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.).
Amen.
Slotzang: Psalm 28:5,6:
Geloofd zij God, wiens open oren Mijn smeekstem gunstig wilden horen. Hij is mijn sterkt' en schild in 't strijden; 'k Vertrouwd' op Hem, Hij hielp m' uit lijden; Dies springt mijn hart van juichensstof, En zingt des Allerhoogsten lof.
God geeft Zijn gunstvolk moed en krachten; Hij zal, in weerwil aller machten, Zijn Rijksgezalfde staâg behoeden. Red, HEER, Uw Isrel uit al 't woeden; Geef zegen aan Uw erv', en weid Uw volk; verhef z' in eeuwigheid.
Andere preken over Numeri
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken