PREEK · VRIJE STOFFEN

Grote gevaar van ondankbaarheid (deel 17) - Numeri 11

9 november 2025

Numeri 11:34: Daarom heette men den naam derzelver plaats Kibrôth-Táäva; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest.

INLEIDING

Vier aandachtspunten. Een ondankbaar volk: het gemene volkje wordt met lust bevangen en verlangt terug naar Egypte, terwijl God dagelijks manna geeft. Een ondankbare Mozes: ook hij mopt en wijst steeds naar zichzelf, en stopt met bidden. De genadige God: Hij geeft vlees in overvloed, maar slaat het volk met een plaag als hun lust hun dood wordt; Mozes echter berispt Hij mild. De meerdere Mozes: Christus bidt altijd, was zonder zonde, droeg Gods toorn alleen en moppert nooit, zelfs niet aan het kruis.

THEMA

Het grote gevaar van ondankbaarheid

KERNPUNTEN

  1. Een ondankbaar volk
  2. Een ondankbare Mozes
  3. De genadige God
  4. De meerdere Mozes

NUMERI 11:31-35

31 Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkels van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreis herwaarts en omtrent een dagreis derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.
32 Toen maakte zich het volk op, dienzelven gehelen dag en dien gansen nacht en den gansen anderen dag, en zij verzamelden de kwakkels; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.
33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.
34 Daarom heette men den naam derzelver plaats Kibrôth-Táäva; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest.
35 Van Kibrôth-Táäva verreisde het volk naar Hazerôth; en zij bleven in Hazerôth.

VOLLEDIGE TEKST

Grote gevaar van ondankbaarheid (deel 17) - Numeri 11

ds. J. IJsselstein - Numeri 11:34

THEMA

Het grote gevaar van ondankbaarheid

LITURGIE

Psalm 106:7,8

Lezen Numeri 11:1-23 en 31-35

Psalm 78:14,15,16

Psalm 73:10

Psalm 68:10

Het gemopper verstomde. Want een vuur van de Heere ontbrandde aan de rand van het tentenkamp in Thab-éra, en verteerde… en het vuur werd gedoofd (Num. 11:1-3). Maar…, het gemopper laait toch weer op.

Het thema voor de preek (op deze zondag na dankdag) is: Het grote gevaar van ondankbaarheid, of: Geduld met en genade voor mopperaars in de woestijn.

Er zijn vier aandachtspunten. We letten samen op: 1. Een ondankbaar volk 2. Een ondankbare Mozes 3. De genadige God 4. De meerdere Mozes

Als eerste dus:

1. Een ondankbaar volk

Want (zo lezen we in Numeri 11:4-6): Het gemene volkje dat in het midden van hen was, werd met lust (met gulzigheid) bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israëls wederom en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Wij gedenken aan de vissen die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers en aan de pompoenen en aan het look en aan de ajuinen en aan het knoflook. Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen.

Toen Israël uit Egypte vertrok, waren er niet alleen Israëlieten die op weg gingen naar Kanaän, maar ook (wat hier heet): het gemene volkje. Er staat in Exodus 12:38: En veel vermengd volk (Israëlieten dus, vermengd met een ander soort mensen), en veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.

Hier heten ze: het gemene volkje. Anders gezegd: het gepeupel, een samenraapsel van vreemdelingen, allerlei slag van mensen. Mensen die meegegaan waren met Israël, maar die er eigenlijk niet bij hoorden. Gelukzoekers, hopend op het beloofde land. Maar op deze weg, hadden ze niet gerekend.

Ze dachten dat ze op weg waren, naar een land vloeiend van melk en honing. Maar hun verwachting was niet geworteld in geloof. En dus zijn ze er nu ineens helemaal klaar mee! Dit was niet hun bedoeling! Vers 4 zegt: Ze worden met lust bevangen. Ze willen nu eens een keer wat anders, in plaats van al dit saaie gedoe!

En dan, hoe makkelijk blijkt dan, dat ook het volk van God meegetrokken wordt door dit gedrag. Dat mag ons wel aan het denken zetten. Hier zien we, hoe snel het kan gaan! Hoe snel je, ook als christen nu, geïnfecteerd kan raken door het besmettelijke kwaad van ondankbaarheid, onvrede en gemopper.

Want ineens gaan ook de èchte Israëlieten (om ze zo maar even te noemen) opnieuw klagend mopperen, zoals ze eerder deden tussen Elim en Sin (Ex. 16:3). Ook zij zeggen nu, in totaal ongeloof (het staat in vers 4): Wie zal ons vlees te eten geven? Wij gedenken (vers 5) aan de vissen die wij in Egypte om niet aten. Gratis vis! En aan de komkommers en aan de pompoenen en aan het look en aan de ajuinen en aan het knoflook. Wat een feest was het toch in Egypte. Daar hebben we echt als prinsen geleefd… Maar hier, maar nu? Dit manna is saai, onaantrekkelijk en smakeloos! Tóen hadden we het goed! Maar nu? Nu (vers 6 is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen. Om naar te kijken…

Herkenbaar? Hun ondankbaarheid, onze ondankbaarheid vertekent zo vaak de werkelijkheid zoals die was en is. Want, was het niet zo, dat ze in Egypte schreeuwden vanwege hun lasten? Dat daar hun leven verbitterd werd door slavernij? Zijn ze de tichelovens, de striemen van de zweep van hun drijvers, zijn ze dood van hun jongetjes die in de Nijl verdronken zijn, nu ineens vergeten?

Ja, dát is wat ongeloof en ondankbaarheid doen. Gods daden uit het verleden vergeten. En tegelijkertijd ook het zicht kwijtraken op de zegen van het heden. Want, zeggen ze, in vers 6: Onze kracht is verdroogd, want er is niets dan dit manna om naar te kijken.

Herkenbaar? Ook in afgelopen week van dankdag misschien? Je kan stil voor de Heere te buigen en je verwonderen over Zijn goede zorg. Dat is gegeven genade… Maar je oog kan ook vertroebeld zijn door ongeloof en ondankbaarheid. Waardoor je helemaal niets meer ziet van de goedheid van de Heere.

Want (zegt vers 7): Het Man (het manna) nu was (in werkelijkheid!) als korianderzaad. Zo groot als peperkorrels (Ex. 16:31). En zijn verve (zijn aanblik, zijn kleur) was als de verve van den bedólah. Als de kleur van kostbare, witte, crèmekleurige hars. Met andere woorden: iedere korrel leek op een klein pareltje!

En (vers 8) Het volk liep hier en daar en verzamelde het en maalde het met molens of stiet (stampte) het in mortieren en zood (kookte) het in potten. Kortom, je kon er vanalles mee doen. Er was de nodige afwisseling. En zij maakten daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie. Dus, die koeken die je ervan kon bakken, smaakten als het beste gebak, in olie gebakken! Psalm 78:25 zegt later: Een iegelijk at het brood der machtigen (engelenbrood!); Hij (de Heere Zelf) zond hun teerkost tot verzadiging.

En (vers 9) wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder. Dus, in plaats van in het zweet hun aanschijns brood te eten, viel er voor hen in de woestijn ‘s nachts gratis eten uit hemel.

Ooit was hun hart er diep verwonderd over geweest, toen ze zeiden: ‘Wat is dit?’ (Ex. 16:15). Maar nu zijn ze er kláár mee! Een ontevreden en ondankbaar hart heeft geen oog voor Gods dagelijkse goedheid en zorg. En dus roepen ze om vlees!

Hoewel ze dat gewoon hebben. Want ze hebben (staat in Exodus 12:38): schapen, en runderen, en heel veel vee meegenomen uit Egypte. En kortgeleden hebben ze, zoals staat in Numeri 9, nog vlees gegeten! Hun opstand en ongeloof vieren hoogtij, als ze zeggen: Wie zal ons vlees te eten geven? Met andere woorden: Dat kan niemand! Hoewel de Heere eerder kwakkels gestuurd heeft, toch? (Ex. 16:13)

Vers 10 zegt: Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, eenieder aan de deur zijner hut (iedereen staat kinderachtig te huilen); en… de toorn des HEEREN ontstak zeer!

De toorn van de Heere werd heet, heel erg heet! Waarom? a. Omdat zij (zoals staat in vers 4) met lust (met gulzigheid) bevangen werden. Om eens een keer wat anders te eten? Ja, dat ook, maar zegt Paulus later (in 1 Korinthe 10): Zij hebben (vooral) lust gehad tot het kwaad (1 Kor. 10:6). Hier tiert de zonde welig. Hier bloeit opstand tegen God.

De toorn van de Heere werd heet, heel erg heet! Waarom? b. Omdat u (zegt Heere vers 20 als tweede): de HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?

Het staat er (ook tot onze waarschuwing!): de toorn des HEEREN ontstak zeer! Zoveel ongeloof, zoveel ondankbaarheid…, zoveel verachting van Gods goede en dagelijkse zorg (over hen en over ons)…, laat de toorn van de Heere heet worden.

Daar waren zij en daar zijn wij eerder voor gewaarschuwd. Zij zo kort geleden nog, in Thab-éra. Gemeente, laten we toch breken met ons hardnekkige verzet tegen de Heere. Overlaadt Hij ons niet dag aan dag met Zijn gunstbewijzen? De toorn des HEEREN ontstak zeer. Die werd heet. Maar (vers 10): Het was ook kwaad in de ogen van Mozes.

Dat gaan we verder zien in ons tweede aandachtspunt:

2. Een ondankbare Mozes

Want (zegt vers 11): Mozes zeide tot de HEERE: Waarom hebt U aan Uw knecht kwalijk gedaan en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat U de last van dit ganse volk op mij legt? Mozes gaat ook mopperen! Niet over zijn eten, maar over het volk. Wat heb ik gedaan? Heb ik dit verdiend?

Vers 12: Heb ik dan al dit volk ontvangen? Heb ik het gebaard, dat Gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land hetwelk U hun vaderen gezworen hebt? Ben ik soms hun moeder of kinderverzorgster? Vers 13: Vanwaar zou ik(!) het vlees hebben om al dit volk te geven? Want zij wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten. Waar kan ik vlees vandaan halen, voor al deze mensen?

Vers 14 en 15: Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar. En indien U alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien. Ik kan het niet meer aan. Hij zegt in drift en moedeloosheid: U kan me hier beter maar direct laten sterven!

Eén ding valt op, als je dit leest. En dat is typerend voor ondankbaarheid. Mozes wijst in deze paar verzen wel twintig keer naar zichzelf. Dat is wat ondankbaarheid, dat is wat ongeloof bij Gods kinderen doet. Het geloof ziet midden alle onmogelijkheden op Gods belofte. Maar het ongeloof kijkt naar zichzelf! Pas zei Mozes nog tegen Hobab, toen hij omhoog keek: De Heere heeft het goede over ons gesproken! Maar nu, nu hij naar beneden kijkt, ziet hij het niet meer zitten.

Dat geldt híer voor Mozes, maar dat is ook de verleiding voor alle mensen die werken in Gods Koninkrijk. Als mensen zich niet willen laten leiden, als ze zich niet willen laten gezeggen, als de schapen tegenwerken, dan kunnen we gefrustreerd gaan grommen en mopperen. Reden? Ons ongeloof, onze hoogmoed. Een bewijs dat we niet geloven dat alleen God Zèlf mensen verandert op Zijn tijd.

Als we daaruit zouden leven (ook in ons ambtelijke werk), dan zouden we minder mopperen, dan zouden we dankbaarder zijn en meer bidden. En zo ontstaat hier een uiterst gevaarlijk situatie. Waar we altijd, broeders, biddend voor moeten waken. Ik bedoel dit: In vers 2, toen er vuur onder hen brandde, toen bad Mozes nog tot de Heere. Maar hier, in vers 11, is er geen voorbidder meer. Alleen een gefrustreerde, ondankbare ambtsdrager. Terwijl het volk toen die voorbidder zo nodig had. En terwijl gemeente, de classis, ons kerkverband nu, die voorbidders juist zo nodig hebben.

Maar (en dat tekent enkel Gods goedheid) terwijl er bij het volk stond (in vers 10): de toorn des HEEREN ontstak zeer over hen, staat dat hier bij Mozes niet. De Heere rekent het hem genadig niet toe en straft hem niet.

Ons derde aandachtspunt:

3. De genadige God

Het is nog niet lang geleden, dat Heere (vanuit een wolk op de berg Sinaï) Zijn Naam noemde voor Mozes: HEERE HEERE, God, barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid; Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kinds- kinderen, in het derde en in het vierde lid (Ex. 34:6,7).

Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig. En dat blijkt hier. Kijk maar naar vers 18, 19 en 20: Daarom zal de HEERE u vlees geven en u zult eten. U zult niet één dag noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen; tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga en u tot een walging zij; overmits u den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen? Zij willen vlees? Ik zal ze vlees geven. Meer dan ooit hebben kunnen geloven.

Mozes had geen idee, waar hij vlees vandaan zou kunnen halen. Maar Gods macht is groter dan het ongeloof van Mozes. De Heere stuurt (zo staat vers 31) een krachtige wind en het regent kwakkels, die op hopen bij elkaar liggen van wel 50 cm hoog! Vers 31 zegt: Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkels van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreis herwaarts en omtrent een dagreis derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde. Psalm 78 zegt het zo: En (de Heere) regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën (Ps. 78:27).

Een dag, een nacht, en nog een dag rapen ze… En ze leggen ze buiten het kamp om ze te drogen in de zon. Ineens is er overvloed van vlees. Maar zelfs deze overvloed brengt niet tot dankbaarheid. Voor hoeveel mensen geldt dat ook nu niet, in deze tijd?

Je hebt alles, maar het is nooit genoeg. Nooit genoeg om stil te worden voor God…

Want, wat blijkt? Calvijn zegt: ‘Midden in hun vraatzucht, die door geen enkele overvloed tot bedaren te brengen was…’, terwijl (zegt vers 33) het vlees nog tussen hun tanden is, ongekauwd… (Er is genoeg, er is méér dan genoeg, maar hun gulzigheid kent geen grens!) Dan is Gods geduld op. Dan worden ze op heterdaad gestraft!

Vers 33 zegt: Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag. Opnieuw ontbrandt de toorn van de Heere over het volk. En de Heere slaat ze met een zeer grote plaag. Heel veel mensen sterven. Daarom (vers 34) heette (daarom noemde) men de naam derzelver plaats Kibrôth-Táäva; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest. Hun lust werd hun dood. Hun grenzeloze begeerte en ondankbaarheid kostten hun het leven.

Zo loopt het af, gemeente, met de goddelozen… Met mensen die meelopen op de weg Kanaän. Maar zonder God en zonder oprecht geloof en zonder te leven van Gods belofte.

Aan Zijn kinderen geeft de Heere vaak dingen niet. Dingen, die Hij ons in wijsheid onthoudt. Aan anderen geeft Hij vaak veel, misschien wel alles wat ze vragen: aanzien, rijkdom, overvloed, aards geluk, gezondheid… In Psalm 78 staat dat: God hun hun lust toebracht (Ps. 78:29). Met andere woorden: Ze kregen wat ze wilden. Maar terwijl het eten nog in hun mond was, brandde de toorn van de Heere over hen los. En velde Hij hen neer en doodde hen.

Hier gebeurt wat Asaf ziet in Psalm 73, als hij kijkt naar de mensen die zonder God leven. Hij zegt: Ze hebben rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen (Ps. 73:12). Ze hebben alles, ze krijgen altijd hun zin. Totdat… de Heere hen op gladde plaatsen zet, en doet vallen in verwoestingen. Hoe worden zij dan als in een ogenblik tot verwoesting; nemen een einde, worden teniet van verschrikkingen! Als een droom na het ontwaken, als U opwaakt, o Heere, dan zult U hun beeld verachten (Ps. 73:18-20).

Mensen, als je leeft zonder God, alleen maar dagelijks genietend van de dingen waar je plezier aan beleeft, dan ben je in groot gevaar. Je droomt! Want alles wat je van de Heere krijgt, is niet perse een zegen. Dat kan (net als hier) ook een vloek zijn. Die je, al dromend, meeneemt op weg naar je einde. Op weg naar het moment, dat je wakker zult worden uit je droom. Naar het moment dat God opwaakt, in hete toorn. Word wakker uit je droom! En zie het gevaar van je leven!

Je bent op weg eeuwigheid. Misschien wel met veel ogenschijnlijke voorspoed en aards geluk, maar… zonder God. En zonder God ga je straks voor eeuwig omkomen! Zoals staat in Psalm 73, waaruit we nu eerst gaan zingen. Psalm 73:10: Hoe worden zij, tot ieders schrik, Vernield, als in een ogenblik, Hoe moeten zij het leven enden! Van angst verteerd in hun ellenden! Hun weeld' is als een droom vergaan. O HEER’, wanneer Gij op zult staan, Zult Gij hun tonen, onverwacht, Hoe Gij hun ijdel beeld veracht.

Gemeente, we zijn bezig met ons derde punt: De genadige God. De genadige God, Die de grote Inhoud is van dit Evangelie. Maar vergeet, lieve mensen, de keerzijde ervan niet. Wie die genadige God verlaat, wie tegen Hem opstaat, wie Hem bitter vertoornt, die moet vrezen voor zijn of haar leven! Heel veel mensen zijn op deze plaats in de woestijn (in Kibrôth-Tháäva) gestorven, omgekomen. En heel veel mensen zijn daarna op eenzelfde manier voor eeuwig omgekomen.

Maar, hoe gaat het eigenlijk verder met Mozes? Want zijn gemopper liegt er ook niet om. Eerst heeft hij gezegd in vers 11: Waarom hebt U aan Uw knecht kwalijk gedaan en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat U de last van dit hele volk op mij legt? En in vers 21-23 uit hij grote twijfel, als hij zegt: Zou God dat kunnen? Dit volk vlees geven in de woestijn?

Maar de Heere berispt hem mild. De Heere is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. De Heere zegt (in vers 23): Zou dan des HEEREN hand verkort zijn? u zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal of niet. Ik, Die met Mijn hand de hemel en de aarde omvat (Jes. 40:12), zie, Mijn hand, de hand des HEEREN is niet verkort (Jes. 59:1). Weet u niet van Mijn kracht, in het scheppen van de hemel en van de aarde? In de wonderen die Ik onlangs nog deed? En…. daar blijft het bij: Geen toorn, geen straf…

Heere berispt hem mild, onderwijst hem, en antwoordt hem in genade. Verdient hij dat? Nee, dat verdient hij niet. En dat verdienen al Gods kinderen ook niet. Dat is vrije genade, dat is vrije gunst, dat is onverdiende goedheid en eenzijdige liefde. Dat Heere geen einde maakt aan het leven van Mozes, en aan ons leven. Maar dat Hij trouw blijft. Dat Hij Zijn goede werk in ons begonnen, zal voleinden.

Mozes krijgt zelfs meer, dan hij van de Heere gevraagd heeft. Hij krijgt zeventig helpers, ook wel genoemd de zeventig (waar ik nu niet verder op zal ingaan). De Heere laat Mozes midden in moeilijkheden niet los. Hij blijft getrouw, óók voor Zijn mopperende kind en knecht Mozes.

Wat we hier vanmorgen van leren? Vooral dit: Wij hebben Iemand nodig, Die beter is dan Mozes was. Om voor ons te bidden, om voor ons te pleiten. Een betere Profeet. En dus onze vierde gedachte:

4. De meerdere Mozes

De Heere Jezus Christus. De Zoon God, Die onze menselijke natuur aannam. Die Ons in alles gelijk werd, uitgenomen (behalve wat betreft) de zonde. Laten we samen de Mozes van Numeri 11 proberen te vergelijken met de grote, meerdere Mozes, de Heere Jezus Christus. Op zoek vooral naar de grote verschillen. Om die stil voor onszelf te overdenken. Kinderen van God, tot ons onderwijs, tot onze troost en tot onze verwondering. En u die nog onbekeerd bent, om u tot inzicht te brengen (door Gods genade) dat u deze Zaligmaker óók echt nodig hebt.

a. Het eerste wat opvalt, is dat Mozes eerst nog wel bad (in vers 2), maar in vers 10 doet hij dat niet meer. Mozes stopt met bidden. Maar Christus bidt altijd. Christus bidt altijd voor Zijn volk, zoals Paulus zegt in Romeinen 8: Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom 8:34). Zoals de apostel ook schrijft in de Hebreeënbrief: Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Heb. 7:25). Als wij, kinderen van, niet meer kunnen bidden. Als wij ondankbaar, boos en mopperend niet meer willen(!) bidden. Dan bidt Hij voor ons, om vergeving, om verzoening en om vernieuwing ons hart. Zo’n Voorbidder, deze Voorbidder hebben we nodig.

b. Het tweede wat opvalt, is dat Mozes opnieuw een zondig mens blijkt te zijn, maar Christus was zonder zonde. Die zo zachtmoedige man Mozes, die leefde van Gods belofte, die kort geleden nog tegen Hobab zei: Wij reizen naar die plaats van dewelke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven. Ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken (Num. 10:29), die vervalt hier toch in ondankbaarheid, onvrede en gemopper. Maar de grote en meerdere Mozes, Christus Jezus, Hij is wel in alle dingen verzocht geweest, maar altijd zonder zonde (Hebr. 4:15).

Nooit, zelfs niet in Zijn diepste lijden, twijfelde Hij aan Gods beloftewoord of aan de trouw van Zijn Vader. Zelfs in de allerdiepste verlating, hield Zijn geloof Zich vast Zijn Vader, toen Hij riep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

Juist daarom, zegt de apostel, kan Hij medelijden hebben met al onze zwakheden. Zo’n Voorbidder, deze Voorbidder hebben we nodig.

c. Het derde wat opvalt, is dat Mozes hier niets kan doen, om de toorn van de Heere over dit mopperende volk weg nemen. Laat staan dat hij er zelf iets van dragen kan. Maar Christus droeg de brandende toorn van God wel. Door de weg van Zijn gehoorzaamheid en lijden in Zijn leven, maar uiteindelijk vooral in Gethsémané en op Golgotha. Waar Hij de hitte van de wraak tegen de zonden van Zijn volk voor hen droeg. Wat de dichter van Psalm 85 verwonderd doet zingen: De hitte van Uw gramschap is geblust. Ja, omdat die met volle kracht neerkwam op Christus.

Zoals Petrus zegt in 1 Petrus 2: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petr. 2:24). Hij is met al de liefde van Zijn hart gaan staan in de breuk die wij met God gemaakt hadden. Zo’n Zaligmaker, deze Zaligmaker hebt u (onbekeerde vrienden) ook nodig!

d. Het vierde wat opvalt, is dat Mozes uiteindelijk zeventig oudsten nodig heeft, om het vol te kunnen houden. Maar Christus droeg last van de schuld van Zijn volk alléén! Hij had twaalf discipelen, maar elf ervan zijn er gevlucht en één ervan heeft Hem verraden. Markus schrijft: En zij Hem verlatende, zijn allen gevloden (Mark. 14:50).

e. En dat Hij (als vijfde) alles en iedereen overtrof, dat bleek wel in het bijzonder in de laatste nacht voor Zijn lijden en sterven. De discipelen ruziën met elkaar, wie toch van hen de meeste is. Maar Hij wast hun voeten en moppert niet op ze. Daarna zit Hij met hen aan tafel. Met de mannen die in plaats van dat ze Hem zullen steunen, straks in slaap zullen vallen, Hem verloochenen en verlaten zullen. Maar Hij moppert niet op hen. Hij verdraagt de grootspraak van Petrus. Hij reageert niet geïrriteerd, maar zegt: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:32)

En even later zegt Hij tegen Zijn vijanden: Indien u dan Mij zoekt, zo laat deze henengaan (Joh. 18:8). En niet veel later treft Zijn liefdevolle blik, de ogen van de discipel die zei, dat hij Hem niet kende. En terwijl Hij hangt aan het kruis, bidt Hij zelfs voor Zijn vijanden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34).

En zelfs als Hij aan dàt kruis hangt dan moppert Hij, deze meerdere Mozes, niet. Hij verdraagt met geduld de smaad en de hoon van degenen die Hem lasteren. Hij heeft, schrijft de apostel: het tegenspreken van de zondaren tegen Zich verdragen. Voor de vreugde die Hem voorgesteld was, (heeft Hij) het kruis heeft verdragen en (die) schande veracht (Hebr. 12:2-3).

En zo heeft Hij Gods toorn gedragen, Zijn rechtvaardige straf voor een opstandig en mopperend volk.

In dat alles ligt, geliefde gemeente, tot slot deze boodschap. a. Als eerste voor u, die nog onbekeerd bent. Onbekeerde vrienden, die meerdere Mozes, Jezus Christus, is uw enige hoop. Hij Die nooit ondankbaar was, nooit mopperde, nooit opstond tegen Zijn Vader. Hij Die vrijwillig Zijn leven gaf voor Zijn vijanden, om vrede voor hen te maken met God. U weet niet wat u doet, als u Christus verwerpt!

Laat de gedachte aan Hem u vanmorgen aansporen, om met uw zonden te breken, om u te bekeren tot de Heere. Of u nu geniet (terwijl u leeft zonder God) van de overvloed van de dingen die de Heere aan u geeft, maar niet in Zijn gunst… Of dat u uw leven alleen maar vult met gemopper op de Heere, op Zijn leiding en voorzienigheid, of op dat u nog steeds onbekeerd bent… Breek daarmee. En wend u naar God toe en word behouden. Bekeer u en geloof het Evangelie.

Ga naar de Heere toe, en vertel Hem eerlijk wie u bent, en wat u gedaan hebt. Ga zoals u bent, beter zal het nooit worden. En zeg: ‘Heere, ik ben net zo’n mopperaar als al die mensen in de woestijn. Iemand die geen oog heeft voor Uw goedheid. Iemand vol van haat en opstand tegen U. Maar Uw toorn is op mij nog niet losgebrand. Sterker nog, ik lees in de Bijbel, dat U Uw Zoon naar de aarde gestuurd hebt, om vijanden met U te verzoenen. Hier ben ik, Heere. Ik ben zo’n vijand. Wees mij, Heere, genadig?’

En aanvaard door die weg Zijn aanbod van vrede en verzoening door het bloed van Christus. Door de zalige ruil van Zijn geduld in plaats van uw gemopper. Van Zijn lijden in plaats van uw schuld. Van Zijn kruis in plaats van uw dood.

b. Als laatste is er in deze geschiedenis nog deze boodschap voor al Gods kinderen. De gedachte aan de manier waarop de Zaligmaker leefde, leed en stierf, wil ons, kinderen van God als eerste aansporen om veel op Hem te zien. Biddend: Heere, maak me toch Uw beeld gelijk? Om zo door Zijn kracht en vernieuwende genade meer geduldig te worden in tegenspoed en lijden, en meer tevreden en vergenoegd te zijn met het tegenwoordige.

De gedachte aan de manier waarop de Zaligmaker leefde, leed en stierf, wil ons als tweede ook troosten. In onze levens zijn er nog (tegen onze wil) zo veel zonden en gebreken overgebleven. Maar wat opvalt in deze geschiedenis, is dat de Heere veel geduld heeft met Zijn kinderen.

Dat is geen reden om door te gaan, met ondankbaarheid, met mopperen… Maar het is wel tot onze troost, als dat gemopper van onze oude mens ons van harte leed is.

De gedachte aan de manier waarop de Zaligmaker leefde, leed en stierf, wil als laatste ook bemoedigen in al onze on-mogelijkheden. Luisterend naar wat Heere zegt in vers 23: Zou dan des HEEREN hand verkort zijn? Denk niet klein van Hem. Maar zie op Hem, op de gekruisigde Christus, vooral u die geen uitweg ziet voor uw ziel.

U zegt (met de discipelen): Wie kan dan zalig worden? Heere, kan ik nog zalig worden? Maar Jezus hen aanziende, zei…, maar Jezus u aankijkend, zegt… Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God (Mark. 10:27) Zie, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen! (Jes. 59:1).

Amen.

Slotzang Psalm 68:10:

Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, Met Zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid; Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil, Ons 't eeuwig, zalig leven; Hij kan, èn wil, èn zal in nood, Zelfs bij het naad'ren van den dood, Volkomen uitkomst geven.