23 november 2025
Numeri 12:1: Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
INLEIDING
Mirjam en Aäron komen in opstand tegen Mozes, jaloers op zijn plaats. Mozes zwijgt echter zachtmoedig en laat het oordeel aan de HEERE over, die Zelf ingrijpt: Mirjam wordt melaats. Op Aärons bede wordt Mirjam genezen, waarna zeven dagen reiniging volgen. Zo schittert in de zwijgende, vernederde Mozes iets van Christus, Die Zich vrijwillig vernederde en daarom door God verhoogd is. Wie zich, als Mirjam, verhoogt, wordt vernederd; wie zich vernedert voor Hem, mag zoals de melaatse gereinigd worden.
Die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. En die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
NUMERI 12:1-6
1 Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
2 En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het.
3 Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op den aardbodem waren.
4 Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes en tot Aäron en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der samenkomst. En zij drie kwamen uit.
5 Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam, en zij beiden kwamen uit.
6 En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden. Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekendmaken, door een droom zal Ik met hem spreken.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Numeri 12:1
THEMA
Die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. En die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, we overdenken vanmorgen de geschiedenis die we samen gelezen hebben uit Numeri 12. Een hoofdstuk dat gaat over trots en nederigheid, over verhoging en vernedering.
Dus is het thema van de preek (het is een citaat uit Lukas 14): Die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. En die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
We letten met Gods hulp samen op twee dingen. Als eerste op: dat wat tóen gebeurde. Als tweede op: wat dat voor nú betekent. Dus: 1. Dat wat tóen gebeurde 2. Wat dat voor nú betekent
Ik stel voor dat we de tekst op de voet volgen. Leest u maar mee in uw Bijbel.
Vers 1: Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen. Dus Mirjam begint. Zij neemt het voortouw. Zij is de aanstichter. En Aaron volgt. In hun verwijtend aanspreken van Mozes. Vanwege zijn vrouw Zippóra. ‘Die vrouw van jou, die (misschien wel gebruikt als scheldwoord!), die Cuschitische, uit Midian. Die donkergekleurde vrouw, die bij jou in je tent woont…’
Mirjams opmerkingen zijn voelbaar vol minachting. Zoals je ook in deze tijd vol minachting kan spreken over: die Turken, of over: die Marokkanen. Jongens en meisjes, dat vindt de Heere niet goed! Alle mensen zijn door de Heere geschapen. Sommigen met een lichte huid, anderen met een mooie donkere huid. Maar niemand is meer of minder dan een ander. Maar Mirjam denkt daar anders over.
Over ‘die Cuschitische vrouw’, van jou, Mozes! Het is een aanduiding vol afkeuring. Vol van trots ook, vol van jaloezie, en vol van nationalisme. Van de kant van Mirjam. Die begint ermee. En Aäron laat zich erin meeslepen.
Vers 2: En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het. Ook zij hebben beiden van de Heere een hoge plaats gekregen. Aäron als hogepriester, als iemand die rechtstreekse antwoorden van de Heere krijgt via de Urim en Thummim. En Mirjam is profetes.
Maar, denkt Mirjam: ‘Waarom is ons jongste broertje eigenlijk de belangrijkste? In de ogen van de mensen, in Gods ogen? Heb ik, Mirjam, niet nog op dat knulletje gepast, toen die nog in zijn biezen mandje in het water van de Nijl lag?’ Het verzet is voelbaar. De opstand is tastbaar. Hun verachting van Mozes. En de trots op hun eigen positie en gaven. Waarbij ze totaal uit het oog verliezen, dat alles wat ze hebben gekregen genade is. Die zichzelf verhoogt, die…
Vers 3: Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren. Eigenlijk betekent het woord: zeer gebogen (heel nederig). Of, dat kan ook: zeer neergedrukt (aller ellendigst). Zoals Luther het vertaalt: Mozes was een zeer geplaagd man. God heeft hem een hoge plaats gegeven. Maar men maakt hem continue verwijten. En daar doen nu zelfs Mirjam en Aäron aan mee. Dat moet Mozes neergedrukt hebben. Maar hij verweert zich niet. Want hij is zeer zachtmoedig. Hij is nederig van hart. Hij is geen vechter voor zijn eigen eer. Hij geeft het (zoals Petrus later schrijft): over aan Dien Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petr. 2:23Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;).
Maar dan, plotseling, grijpt de Heere Zelf in Want: Die zichzelf vernedert, die zal verhoogd worden…
Vers 4: Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes en tot Aäron en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der samenkomst. En zij drie kwamen uit (uit hun tenten). Zonder waarschuwing vooraf, plotseling(!), spreekt God: ‘Kom, jullie drieën, alle drie naar de tent der samenkomst; naar de tabernakel.’
Vers 5: Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam, en zij beiden kwamen uit. Wat moet dat indrukwekkend geweest zijn, voor die zachtmoedige Mozes. De Heere gaat het voor hem opnemen. Wat moet dat dreigend geweest, voor die opstandige Mirjam (en Aäron).
Vers 6: En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden. Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekendmaken, door een droom zal Ik met hem spreken. Vers 7: Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is. Vers 8: Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes te spreken?
Mozes, dat is Mijn knecht. Ik(!) heb hem deze positie als leider gegeven. Als bijzondere profeet, tot wie Ik persoonlijk spreek. Niet door dromen of gezichten, maar van mond tot mond spreek Ik met hem. En in zijn ontmoeting met Mij, heb Ik hem iets laten zien van Mijn heerlijkheid.
Waarom hebt u, Mirjam en Aäron, dan niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes te spreken? Want, door zo tegen hem spreken, door zo tegen hem op te staan (tegen Mijn knecht), bent u ook opgestaan tegen Mij! Die zichzelf verhoogt, die zal…
Vers 9: Zo ontstak des HEEREN toorn (die werd heet) tegen hen, en Hij ging weg. Vers 10a: En de wolk week van boven de tent. ’t Is, zoals bij een rechtbank. De rechter oordeelt. Hij sluit de zitting. Staat op en gaat. En de wolk (het teken van Gods aanwezigheid, van Zijn gunst en dichtbijzijn), de wolk week van boven de tent. De wolk gaat weg, de wolk vertrekt, als teken van Gods toorn…
Vers 10b: En zie… (je voelt de schok!) Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan (hij draaide zich om, keek haar aan), en zie…, zij was melaats. Die zichzelf verhoogt…, die zal vernederd worden!
Waarom zij alleen, en Aäron niet? Omdat Mirjam de aanstichter is. En ook omdat Aäron als hogepriester het beeld is van de grote Hogepriester, Die nog komen zal. Melaatsheid van hem zou een schande leggen op zijn hogepriester zijn. Op zijn ambt, dat heen wijst naar de komende volmaakte hogepriester Jezus Christus.
Aäron neemt het woord. Vers 11: Daarom zeide Aäron tot Mozes: Och, mijn heer, leg toch niet op ons de zonde waarmede wij zottelijk gedaan en waarmede wij gezondigd hebben. Vers 12: Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijner moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is.
Een paar dingen vallen op. a. Aäron erkent direct weer het gezag van Mozes, als hij zegt: Mijn heer! b. En hij erkent direct ook zijn eigen zonde, als hij zegt: Leg tot niet op ons de zonde waarmee wij zo dwaas gezondigd hebben.
c. En wat ook opvalt, is dat hij als eerste bidt om wegneming van de zonde zelf. En dan pas om de wegneming van de gevolgen van de zonde, namelijk de melaatsheid van Mirjam. Die hij tekent in gruwelijke beeldspraak; als een doodgeboren kindje, dat half vergaan is. Waarmee hij de ernst van de situatie aan Mozes voorlegt, om zijn medelijden op wekken. Om hem aan te sporen opnieuw als Middelaar op te treden.
En dat doet Mozes. Vers 13: Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God, heel (genees) haar toch. Mozes roept naar de HEERE om hulp! En de Heere antwoordt. Mirjam wordt door de Heere genezen. Maar daarmee is de zaak nog niet klaar.
Vers 14: En de HEERE zeide tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Als haar vader haar (heel vernederend!) publiek in gezicht gespuugd zou hebben (om iets wat ze gezegd of gedaan heeft), zou zij dan niet zeven dagen beschaamd zijn? Is er dan voor haar, voor Mirjam, ook nu geen reden om openlijk de schande te dragen van wat zij gedaan heeft?
Vers 15a: Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten. Zeven dagen wordt Mirjam buiten het leger gesloten. Die zeven dagen zijn nodig voor de reinigingsprocedure na de genezing van haar melaatsheid. Zeven dagen is ze buiten het tentenkamp van de Israëlieten. En daar neemt de priester uiteindelijk twee reine vogels. De één wordt gedood. Het weinige bloed van die ene vogel wordt vervolgens vermengd met levend water. En daarin worden twee dingen gedoopt: de nog levende vogel en (onder andere) blaadjes van de hysop plant.
En dan wordt het bloed van de dode vogel (vermengd met levend water) met hysop op Mirjam gesprengd. En de levende vogel wordt vervolgens los gelaten.
Verzoenend, reinigend bloed was nodig. Daarom stierf de Heere Jezus aan het kruis. Zo werd de weg gebaand naar het leven. Daarom mocht die andere vogel weer losgelaten worden. En zo werd voor Mirjam weg geopend, om weer te mogen leven en om weer aangenomen te kunnen worden in de gemeenschap met God en met Zijn volk.
Vers 15b: En het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd. Het laat zien, dat ze nog steeds een belangrijke plaats heeft onder het volk. Men wacht op haar.
Vers 16: Maar daarna verreisde het volk van Hazerôth; en zij legerden zich in de woestijn Paran.
Dat is wat de Heere ons vertelt over: wat tóen gebeurde. Over wat dat voor ons voor nu betekent, daarover gaan we nadenken in ons tweede punt. Maar we zingen nu eerst uit Psalm 51:4: Ontzondig ook mij met hysop, en mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen. Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen. Was mij geheel, zo zal ik witter wezen Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel. Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd; Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen; Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd, En in mijn geest de ware rust herboren. - - - - -
Ons tweede aandachtspunt:
Want wat betekent deze geschiedenis eigenlijk voor nú, voor ons? Want dat, jongelui, moet je proberen te doen (ik snap dat dat niet altijd makkelijk is), maar probeer dat te doen, als je dit soort geschiedenissen in de Bijbel leest. Want ze staan er niet voor niets. Ik bedoel: Probeer je, terwijl je leest, biddend af te vragen: Wat wil God mij, wat wil de Heere ons hier nu mee zeggen? Ik denk dit. De volgende dingen:
a. Deze geschiedenis laat (als eerste) zien: hoe dichtbij de zonde is. Die ligt altijd op de loer. Welke zonde het ook is. Vul je eigen zonden maar in. Hier is het vooral de zonde van jaloezie, de zonde van hoogmoed. En ook de zonde van verkeerde dingen zeggen tegen een ander. Maar het kan ook zomaar ineens een andere zonde zijn. Kijken naar dingen, waarvan je eerder dacht: daar moet ik nooit meer naar kijken! Of dingen doen, waarvan je eerder dacht: dit moet ik nooit meer doen!
Maar de zonde blijft op de loer liggen. En dus…? En dus, jongelui, moeten we vooral bidden. Want vechten tegen de zonde kan je niet in eigen kracht. Hoe meer de zonde aan ons trekt, hoe meer jij en ik moeten bidden.
Bij Mirjam (ze was een kind God) is het de zonde van hoogmoed, van trots. Eigenlijk gaat het nog een stap verder. Haar trots is vooral geestelijke trots. ‘Ik (Mirjam), wij (Mirjam en Aäron) hebben toch net zo goed en net zo veel genade van God gekregen? Nou dan, dan ben jij, broertje, heus niet meer dan wij!’
Hoe anders was het in het leven van de jonge Maria. Die zegt in Lukas 1:48Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.: God heeft de nederheid van Zijn dienstmaagd aangezien.
Hoe anders was het in het leven van Paulus. Die zegt in Efeze 3:8Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus,: Ik ben de allerminste van al de heiligen.
Gemeente, kinderen van God in het bijzonder, hoogmoed, geestelijke hoogmoed is gevaarlijk. Hoogmoed is ten diepste opstand tegen God. Laten we de woorden van de Heere Jezus niet vergeten: Die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden.
b. Het tweede wat ons opvalt in deze geschiedenis (dat staat in vers 2) is, dat hier wéér staat: En de HEERE hoorde het. Dat stond in het vorige hoofdstuk ook al (in Numeri 11:1En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers.): En de HEERE hoorde het. Het is alsof de Bijbelschrijver ons er nog een keer aan herinneren wil: Dat schreef ik pas ook al. Niet vergeten! De Heere hoort het, de Heere ziet het. Zoals staat in Maleachi 3:16Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven.
c. Het derde wat opvalt in deze geschiedenis is (tegenover de hoogmoed van Mirjam en Aäron): de zachtmoedigheid van Mozes. Die een voorbeeld wil zijn voor al Gods kinderen. De Heere heeft hem een hoge plaats gegeven. Continue loopt hij het risico dat hem verwijten worden gemaakt. Nu zelfs ook door zijn zus en broer. Maar hij zegt niets. Hij spreekt Mirjam ook niet tegen. Hij zwijgt.
En daarin is hij zondermeer een type, iemand die vooruit wijst naar Christus. Naar Hem, Die zei: Leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen (Matt. 11:29Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.). Dus, meer dan Mozes, wil vooral de Heere Jezus een voorbeeld zijn voor al Gods kinderen, waar het gaat om nederigheid en ootmoed. Leer dat, Mijn kinderen, van Mij! Dat gevoelen zij in u, zegt Paulus, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2:5)
Mozes zwijgt... En zo schittert midden in deze plotselinge opstand in de woestijn, ineens een beeld van de toen nog komende Heere Jezus Christus. Die ook niets terug zei. Jesaja zegt: Hij werd verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes. 53.7). Die (schrijft Petrus), toen Hij gescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt (1 Petr. 2:23).
De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Hij heeft het tegenspreken zondaars tegen Zich verdragen (Hebr. 12:3Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.). En zelfs midden in Zijn lijden schrijft Mattheus: Maar Jezus zweeg stil (Matt. 26:63Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?). Hier, in deze zachtmoedige en zwijgende Mozes, schittert iets van de komende Christus!
Mozes zwijgt. Maar Heere Zelf neemt het voor hem op.
d. En dat is het vierde wat opvalt. De Heere neemt het op voor Zijn knecht. En zegt eigenlijk in vers: Er is niemand als Mijn knecht Mozes. Hij is Mijn knecht. Zegt de Heere dat later ook niet van de komende Heere Jezus? ‘Zie, Mijn Knecht’? (Jes. 42:1Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen., 52:13) Hij is trouw, hij is betrouwbaar in heel Mijn huis. En Ik spreek tot Hem persoonlijker dan tot wie dan ook, van mond tot mond. Die zichzelf verhoogt (zoals Mirjam), die zal vernederd worden. Maar die zichzelf vernedert (zoals Mozes hier), die zal verhoogd worden
Immers, wat een eer, geeft de Heere hier aan Mozes. Maar, zo lazen we in Hebreeën 3: Christus is zoveel meer heerlijkheid waardig geacht dan Mozes (Hebr. 3:3). Hij was zoveel groter, zoveel heerlijker Want Mozes was lid van Gods gemeente, van Gods huis. Maar Christus heeft dat huis Zelf gebouwd. En Mozes was wel trouw als dienaar van Gods huis. Maar Christus was als de Zoon getrouw over Zijn Eigen huis (Hebr. 3:6).
Nooit was iemand zo vernederd, zo nederig, zo zachtmoedig als Hij. In gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Maar, daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is, opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Fil. 2:8-11). Alles wijst hier op Hem, op de nederige, de vernederde en verhoogde Christus!
e. En daarmee (dat is de vijfde les) is deze opstand van Mirjam en Aaron een beeld van opstand tegen Christus. Wat ook meestal gebeurt, net als bij Mirjam, met beroep onze eigen afkomst of op onze eigen vroomheid. Waarom (dachten zij) zijn wij minder dan Mozes? Waarom (denken wij) zet de Heere ons op die lage plaats, als zondaars, als Zijn vijanden, als misdadigers? Wij hebben toch Abraham tot een vader (Matt. 3:9En meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.)? Wij zijn toch discipelen van Mozes (Joh. 8:29En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is.)? Wij zijn toch nette kerkmensen, vrienden van de Wet?
En moesten zij respect hebben voor Mozes, die een Cuschitische vrouw had? En moeten wij buigen voor de Man, Die een zwarte bruid heeft? Die in Zijn familielijn namen heeft staan als die van Thamar en van Rachab? Die genoemd werd een vriend van tollenaars en zondaars?
Zeg eens eerlijk, onbekeerde vrienden, is dát niet wat u tot nu toe van Jezus vandaan gehouden heeft? De gedachte: Ik ben zo slecht toch niet? Ik kan het zelf wel.
De hoogmoed: Ik wil niet buigen tot dat lage niveau van zondaar zijn. Ik wil niet op één hoop geveegd worden met hoeren en tollenaars…!
Maar zeg ook eens eerlijk, zondaars, misdadigers, vijanden van God… Is dit geen bevrijdend Evangelie? Is dit niet uw enige hoop, dat Christus in de wereld gekomen is om het verlorene te zoeken? Om zondaars zalig te maken?
f. Wat ons verder opvalt (dat is het zesde), is dat God de zonde van Mirjam straft. En zichtbaar in beeld brengt als: melaatsheid. Wat letterlijk betekent: Door God geslagen. Een ernstige ziekte, die mensen buiten sloot. Wie melaats was, was onrein. Dat is de reden, dat de huiver voelbaar is in vers 10: En ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En ook in de herhaling erachteraan: En Aäron zag Mirjam aan (hij kijkt achterom), en ziet, zij was melaats.
Dat is het gevolg van de zonde van Mirjam. En dat is ook het gevolg van onze zonde, van onze opstand tegen God en Christus. Onze zonden hebben ook ons geestelijk melaats gemaakt, en onrein voor God. Daar wil deze geschiedenis ons ook aan ontdekken. Aan wat wij gedaan hebben, aan wie wij zijn tegenover God. En als Jesaja daaraan denkt, dan zegt hij: Wij allen zijn als een onreine (Jes. 64:6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.). Als mensen, die met David moeten uitroepen (zoals hij doet in Psalm 51): Ontzondig (ook) mij met hysop, en ik zal rein zijn; Was (ook) mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
Want ook ik heb de reiniging nodig, waar in vers 14 naar gewezen wordt. Wat ik u eerder uitlegde. Mirjam wordt zeven dagen afgezonderd in de woestijn. Van twee kleine, reine vogels wordt er één gedood. Dat wees vooruit naar het sterven van de Heere Jezus. En met het bloed van die vogel (vermengd met water) werd Mirjam besprengd. En de andere nog levende vogel werd vrijgelaten. Dat wees vooruit naar de opstanding van de Heere Jezus. En zo werd Mirjam haar leven weer terug gegeven bij de Heere en bij Zijn volk.
En dat hebben wij, melaatse zondaars, ook nodig. Een andere oplossing, een andere weg is er niet. Alleen de weg van het bloed. Alleen het bloed van de Zaligmaker. Dat reinigt van alle zonde. En dat bloed is beschikbaar voor… melaatsen! Bent u melaats door de zonde? Bent u onrein? Dan is er bloed beschikbaar voor u, om u te reinigen, om u terug te brengen bij God.
In Mattheüs 11 vragen de discipelen van Johannes de Doper aan de Heere Jezus: Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?
En wat zegt de Heere dan? Hij zegt: Zeg maar tegen Johannes de Doper wat je hoort en ziet: De blinden worden ziende en de kreupelen wandelen, de melaatsen(!) worden gereinigd en de doven horen, de doden worden opgewekt en den armen wordt het Evangelie verkondigd (Matth. 11:3-5).
Mensen, je moet met je onreine hart en ten dode opgeschreven, melaatse leven bij Jezus zijn. Doe maar wat die melaatse deed in Mattheüs 8 deed. Ga naar Hem toe. Nu… Er staat: En zie, een melaatse kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, indien U wilt, U kunt mij reinigen. En Jezus de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd (Matt. 8:2-3).
Hoor je, jij die daar zo mee tobt, dat er hoop is voor je verloren leven? Hoor je, dat er weg is om zalig te worden? En die weg is, dat je met je verloren hart en melaatse bestaan naar de Heere Jezus toegaat. Kom maar zoals je bent. Hij zal je niet afwijzen. Hij zal genadig Zijn hand naar je uitstrekken, je aanraken en genezen. Kom maar, biddend, zoals Aäron hier bidt.
g. Want dat is het zevende wat opvalt: Aäron richt zich tot Mozes. Hij erkent hem weer direct als leider. Maar hij richt zich vooral tot hem als middelaar. Als hij zegt in vers 11: Leg toch niet op ons de zonde, waarmee wij dwaas gedaan, en waarmee wij gezondigd hebben. Wat een eerlijke belijdenis van zonde. En wat een roep uit de nood in vers 13: O God! heel (genees) haar toch!
Laten ook wij zo maar komen, en onze schuld voor de Heere belijden. En roepen om genezing van onze dodelijke zondekwaal. Met een beroep op de grote Middelaar van het Nieuwe Testament, met een beroep op de grote Voorbidder, de Heere Jezus Christus.
De Heere verhoort. Mirjam wordt genezen. Dat staat er zo niet, maar dat blijkt uit het feit dat er nu zeven dagen voor haar reiniging aanbreken (zoals ik eerder beschreven heb).
Wel leerzaam voor ons nu. Het is niet zo, dat God zonde vergeeft, en direct gaat alles weer verder alsof er niets gebeurd is. Mirjam moet zeven dagen wachten. Zoals ook Gomer (de ontrouwe vrouw van Hosea) later moet wachten; heel veel dagen zelfs (Hos. 3:3En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.).
God laat zondaars vaak wachten. Niet zonder voelbare bewijzen overigens van Zijn barmhartigheid, liefde en genade. De Heere laat zondaars vaak wachten. Met de bedoeling, dat we ons meer zouden gaan schamen. Met de bedoeling, dat we zouden gaan leren om de zonde te haten. Dat we zouden gaan leren om de Heere meer lief te hebben.
Dat we meer naar Hem zouden gaan verlangen. Dat we meer verwonderd zouden gaan inzien: genade is zo onverdiend! En dat we meer dan voorheen zicht zouden krijgen op de weg om zalig worden, op Christus. Op het wonder daarvan!
En zo maakt de Heere ons klein. En zo maakt Hij Zijn Christus (als Zaligmaker van zondaars) groot. Want dat is het grote doel van de Heere en van Zijn werk: Dat Christus groot zal worden. Zijn heerlijkheid en glorie!
h. En dat zien we hier als laatste ook gebeuren. Na alles wat gebeurd is, staat het leiderschap Mozes meer ooit vast. De nederige is door God Zelf verhoogd. Als beeld van de vernedering en verhoging van Christus. Want nu Christus zo nederig en zachtmoedig was, nu Hij zo diep boog… Nu Hij Zich vrijwillig zo diep liet vernederen, als een zeer geplaagd Man (zoals Luther vertaalt), als de ellendigste van alle mensen... Nu is Christus door Zijn Vader meer dan ooit verhoogd. In Hem is ten volle vervuld, wat Hij Zelf ooit zei: Die Zichzelf vernedert (en dat deed Hij!), Die zal verhoogd worden (en dat werd Hij!)
Hij heeft Zichzelven vernietigd (zo schrijft Paulus in Filippenzen 2), de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; en in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is, opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Fil 2:7-11)
Opdat alle knie zich voor Hem zou buigen… Hoe is het met jouw knieën, met uw knieën? Buigen die al voor Hem?
Melaatse medezondaars, er is een weg, een geopende weg om zalig te worden. De Heere Jezus Christus is de Weg, de enige Weg. Door Zijn striemen kunt u genezen worden van uw dodelijke kwaal (Jes. 53:3). Val Hem toch te voet en zeg: Heere, indien U wilt, U kunt mij reinigen. Met barmhartigheid innerlijk bewogen zal Hij u zeggen: Ik wil, word gereinigd (Mark. 1:40-41En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!).
Amen.
Slotzang Psalm 103:2,5: Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven, Hoeveel het zij, genadig wil vergeven; Uw krankheên kent en liefderijk geneest; Die van 't verderf uw leven wil verschonen, Met goedheid en barmhartigheên u kronen; Die in den nood uw redder is geweest.
Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden, Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden. Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden; Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden, Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Andere preken over Numeri
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken