19 oktober 2025
Numeri 10:35: Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
INLEIDING
Terwijl de ark des verbonds voor Israël uit reisde door de woestijn, begon het volk al spoedig te murmureren, totdat, naar Numeri 11:1, het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers. Deze leespreek over Numeri 10 en 11 neemt u mee naar Tabera, en wijst de weg tussen dagelijkse afhankelijkheid van de HEERE en zondig gemopper tegen Zijn trouwe leiding.
Hoe de reis verder gaat
NUMERI 10:29-3
29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats van dewelke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven. Ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan, maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.
31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.
32 En het zal geschieden als gij met ons zult gaan, en hetzelve goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
34 En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.
35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.
1 En het geschiedde als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers.
2 Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE, en het vuur werd gedempt.
3 Daarom noemde hij den naam dier plaats Tabéra, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Numeri 10:35
THEMA
Hoe de reis verder gaat
LITURGIE
Bedezang voor de Predicatie
Lezen Numeri 10:33-11:3;
Geliefde gemeente, waarschijnlijk is Hobab, de zwager van Mozes, verder meegegaan met het volk Israël, vanaf de Sinaï op reis naar het beloofde land. Vriendelijk, dringend, werd hij door Mozes uitgenodigd, toen hij zei: Ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken. Verlaat ons toch niet; want dewijl u weet dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult u ons tot ogen zijn (Num. 10:29Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.,31). En nu gaat de reis van het volk Israël verder. We hebben het samen gelezen. Geleid door de Heere Zelf. In Numeri 10 vers 33 en 34 staat: Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren. En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden. Geleid dus, door de Heere Zelf.
Maar, zo blijkt, er zijn twee verschillende manieren van verder gaan. Óf in dagelijkse afhankelijkheid van de Heere. Zoals staat in vers 35 en 36: Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE, tot de tienduizenden der duizenden Israëls. Dat is de eerste manier van verder gaan: in dagelijkse afhankelijkheid van de Heere.
Óf, dat lezen we verder in Numeri 11 vers 1 tot en met 3: klagend en mopperend. Want, zo staat er: En het geschiedde als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers. Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE, en het vuur werd gedempt. Daarom noemde hij den naam dier plaats Tabéra, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had. Dat is de tweede manier van verder gaan: klagend en mopperend.
Gemeente, het thema voor de preek van vanmorgen is: Hoe de reis verder gaat
Er zijn drie aandachtspunten: In de eerste plaats: geleid door de Heere Zelf.
In de tweede plaats: in dagelijkse afhankelijkheid van Hem, of: In de derde plaats: klagend en mopperend.
Dus: Hoe de reis verder gaat: 1. Geleid door de Heere Zelf 2. In dagelijkse afhankelijkheid van Hem 3. Klagend en mopperend Als eerste dus:
Kijk maar in vers 33 en 34: Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren. En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden. Drie dagen lang trekken ze verder, zonder hun tenten op te slaan. 's Nachts slapen ze onder een heldere, open hemel, verlicht door de vuurkolom. En overdag is er de wolk die als een schaduw over hen heen staat.
Hun vertrekpunt? De berg des Heeren. De plaats waar ze iets hebben gezien van de heerlijkheid van de Heere. De plaats waar de Heere Zijn verbond met hen heeft vernieuwd. De plaats waar de Heere hen de tabernakel heeft gegeven. De plaats waar Hij hen de dienst van de offers geleerd heeft. De plaats waar Hij tot hen sprak. Maar dat ligt nu achter hen. Ze moeten weer verder.
Zoals Gods kinderen ook zo vaak weer verder moeten trekken van plaatsen waar de Heere dicht bij hen kwam, en persoonlijk tot hen sprak. Zoals u aan de andere kant, onbekeerde vrienden, zich ongetwijfeld ook de plaatsen herinnert waar de Heere dicht bij u kwam. U voelde vanbinnen de kracht van het Woord. U voelde de dringende klop op de deur van uw hart. Tijden waren het, die helaas voorbijgingen. Of, beter gezegd: tijden waren het, die u voorbij líét gaan.
Voor Gods kinderen is het anders. En dat komt absoluut niet omdat zij beter zouden zijn dan wie dan ook. Dat is alleen vanwege de eenzijdige liefde en trouw van de HEERE (geschreven zoals hier, met vijf hoofdletters), de grote God van Zijn genadeverbond. Vol van liefde en trouw, voor een in zichzelf ook ontrouw en dwalend volk.
Want nu zij de berg van de Heere achter zich moeten laten, moeten zij nu ook de Heere Zelf achterlaten? Nee, gelukkig niet. Want, zegt vers 33: De ark des verbonds des Heeren reisde voor hun aangezicht. Het is zoals de dichter zingt: De Heere zal in dit moeilijke leven Zijn volk en erfdeel nooit begeven.
Een moeilijke weg ligt voor hen. Een weg vol van beproeving. Maar de Heere gaat met ze mee. De HEERE, de trouwe God van Zijn verbond, Hij gaat zelfs voor hen uit. Immers de ark gaat voor hen uit. En boven het verzoendeksel van die ark, tussen de beide cherubs, daar woonde de HEERE in een wolk.
En waarom kon de Heere daar wonen, temidden van dat in zichzelf ontrouwe en altijd weer dwalende volk? Dat was vanwege het bloed dat op de grote Verzoendag gesprenkeld werd op het gouden verzoendeksel dat op die ark lag. Op de grote Verzoendag ging de hogepriester het Heilige der Heiligen binnen. Eerst met een vat vol wierook. En daarna nam hij het bloed van de geslachte jonge stier. En hij sprengde dat met zijn vinger, zoals staat in Leviticus 16, op het verzoendeksel.
Dat alles wees vooruit naar het verzoenende bloed van Christus, Die Zichzelf op Gods tijd heeft opgeofferd aan het kruis. Door Hem kon en kan de Heere weer bij Zijn volk wonen. En nu zegt vers 33: reisde de ark des verbonds des Heeren voor hun aangezicht. De ark des verbonds, die wees naar het verbond dat God met Zijn volk had gemaakt. De ark, die wees naar Christus. Omdat de ark voor hen uit ging, daarom was hun weg door de woestijn veilig.
Onze weg door de woestijn van dit leven is ook alleen maar veilig als de ark voor ons uit gaat. Als je als arme zondaar mag leven van het bloed van de verzoening. Als je leven Christus is. Onze weg door de woestijn van dit leven is alleen veilig, als de Heere, de heilige God, door de verdiensten van Zijn Zoon weer bij ons woont. En we door Zijn genade wandelen in het spoor van Zijn geboden.
Wat is de plaats van de ark in ons leven? Wat is de plaats van Christus op onze levensreis? Zeggen we ook met Paulus, dat Christus ons Leven is (Kol. 3:4Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.)? En dat Hij alleen onze Hoop is (1 Tim. 1:1Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, Die onze Hope is,)? Lieve mensen, zonder Christus is er geen leven mogelijk met God. Zonder Christus kan je niet leven. Zonder Hem kan je niet sterven.
Vers 33 zegt: En de ark des verbonds des Heeren reisde voor hun aangezicht drie dagreizen om voor hen een rustplaats uit te speuren. Iedere dag, dag in dag uit, leidt de Heere het volk op Zijn weg. Dat hebben Gods kinderen toen erkend. En dat erkennen wij ook nu. Nietwaar, kinderen van God? De Heere leidt onze weg. En wat geeft dat rust, in dit vaak moeilijke leven. Soms vol zorg en verdriet. De wetenschap dat de Heere erbij is. Ook in wegen van ziekte en zorg. Met de schaduw van Zijn wolk en met het licht van Zijn vuurkolom boven ons. Om het bloed op het verzoendeksel van de ark.
Wat geeft dat rust in dit vaak moeilijke leven. De wetenschap: de Heere leidt onze weg. De weg, zoals Jesaja zegt, van blinden, die van zichzelf de weg niet geweten hebben (Jes. 42:16En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.).
Die wetenschap leert ons zingen met de dichter: Heilig zijn, o God, Uw wegen. Wie is een God als U? U bent een God Die wonderen doet. Wat ons altijd ook weer dringt tot het gebed: Heere, ga ons toch blijvend voor met Uw licht. Laat ons blijvend gaan in het spoor van Uw geboden. En laat ons toch blijvend leven van dat bloed. Wat gesprenkeld is op het verzoendeksel. Wat gedrupt heeft aan de voet van het kruis. En laat, Heere, Uw Heilige Geest toch niet van ons scheiden. Want zonder U en zonder dat verzoenende bloed kunnen we niet verder gaan.
Hoef je dan, zo kan je je afvragen, als de Heere je voorgaat, zelf helemaal niks meer te doen? Mag je dan verder gewoon stil afwachten? Nee, want de zorg van de Heere sluit onze eigen inspanningen niet uit. En dus heeft Mozes ook aan Hobab gevraagd om mee te gaan. De wolk wijst de weg. Maar Mozes heeft óók tegen Hobab gezegd: Wees ons tot ogen. Zonder Gods zorg en leiding, werken (zegt Psalm 127) de bouwlieden en waken de wachters tevergeefs. Maar ze werken wél, en ze waken óók.
Ons werk, ook in de dienst van de Heere, is geen teken van gebrek aan geloof. Maar als het goed is, een verstandig gebruik van de giften en de mogelijkheden die de Heere ons geeft om Hem te dienen. Reist u, reis jij, reizen jullie, jongelui, ook zo achter de Heere aan door dit leven? Achter het bloed der verzoening? Achter het bloed van Christus? Met zicht op het kruis? Achter de Heere aan? Altijd richting gewezen, in alle aspecten van het leven, door Hem?
Dat vraagt zonder twijfel om een biddend leven. Zoals ook Mozes hier, met en namens het volk, bidt. Iedere dag weer. Voordat ze vertrekken. En op het moment dat ze weer gaan rusten. Doen jullie dat ook, jongens en meisjes? Iedere dag beginnen met gebed? Stil biddend op je kamer, op je knieën aan de Heere vragend om genade en om vergeving? Vragend of het bloed van de Heere Jezus gestreken mag worden aan de posten van je hart? Vragend om gezondheid, en om bewaring op weg naar school? Vragend om hulp bij alles wat je doet? Voordat de dag begint, voordat je naar school gaat. En aan het einde van de dag, als je weer gaat slapen. Altijd biddend of de Heere bij je zal zijn, en bij je zal blijven. Blijf bidden, hoor!
We gaan verder met ons tweede punt. Geleid door de Heere:
We lezen in vers 35 en 36: Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden van Israël. Iedere morgen als ze opstaan, gaat de banier, de vlag van de stam van Juda omhoog en klinkt het geluid van de zilveren trompet. De ark komt in beweging, gedragen door de
priesters. En dan zegt Mozes: Sta op, Heere. Laat Uw vijanden verstrooid worden, en laat Uw haters van Uw aangezicht vluchten. Als een publiek gebed, met en voor het volk. Zich bewust van de dreigende gevaren. Van de vijanden van God en Zijn volk. Die ongetwijfeld ergens in de woestijn op de loer liggen. Sta op! Het is een roep van strijd. Het is een aanvalsroep: Sta op, Heere! Want de vijand komt ons tegemoet!
Zoals al Gods kinderen, de eeuwen door, zo vaak geroepen hebben. Zoals in Psalm 3: Sta op, Heere, verlos mij (Ps. 3:8). Zoals in Psalm 9: Sta op, Heere, laat de mens zich niet versterken, en laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden (Ps. 9:20). Zoals in Psalm 10: Sta op, Heere God, hef Uw hand op en vergeet de ellendigen niet (Ps. 10:12). Zoals in Psalm 44: Sta op ons ter hulp, en verlos ons om Uw goedertierenheid wil (Ps. 44:27).
Sta op, Heere. Want de weg naar Kanaän is een weg van strijd. De weg naar de hemel is voor Gods kinderen een weg van geestelijke strijd. Want, zo zegt Paulus in Efeze 6: We hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Ef. 6:12). We vechten tegen doodsvijanden, die het op ons leven gemunt hebben. De Catechismus noemt ze op in Zondag 52: De duivel, de wereld, de zonde. En de gevaarlijkste vijand is altijd het dichtstbij: ons eigen vlees, ons eigen oude hart.
En zij, die vijanden, houden niet op ons aan te vechten. Zij zijn sterk. Maar in onszelf zijn wij zwak. Daarom roept Mozes, voor de oren van heel het volk, iedere morgen weer, publiek: Heere, sta op tot onze hulp. Laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vluchten. Want van onszelf zijn we zo zwak dat we niet één ogenblik zouden kunnen bestaan. En dus: Heere, wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van Uw Heilige Geest. Opdat wij in die geestelijke strijd niet onderliggen. Opdat we niet het onderspit zullen delven. Maar altijd sterke weerstand zullen bieden. Totdat wij eindelijk ten ene male de overhand zullen behouden. Daarom: Sta op, Heere!
En dan goed lezen: Laat Uw vijanden verstrooid worden, en laat Uw haters van Uw aangezicht vluchten. Het is een gebed wat het volk Israël moed wil geven in de strijd die voor hen ligt. Het is een gebed dat Gods kinderen ook nú moed wil geven in hun geestelijke strijd. Onze geestelijke vijanden zijn Gods vijanden. En dus, hoe moeilijk de strijd ook is, de Heere zal voor ons strijden. En dus ligt de overwinning vast. Want de eer van de Heere is in het geding. En daar zal Hij Zelf voor strijden.
En tegelijkertijd worden wij geroepen om onder Zijn banier daar ook voor te strijden. Voor de Heere en voor de eer van Zijn Naam. Zodat de Heere groot gemaakt, en het rijk van de satan verwoest zal worden. Sta op, rijs op, Heere. Het zijn, zo blijkt uit het vervolg van de Bijbel, ook profetische woorden. In Psalm 68, de psalm die gemaakt is bij het overbrengen van de ark naar Jeruzalem, grijpt David namelijk terug naar deze geschiedenis. Als hij zegt in vers 2: God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden. Wat een profetie is van de opstanding en van de hemelvaart van de Heere Jezus.
Van de Heere Jezus, Die als de eniggeboren Zoon van de Vader gezonden werd. Vrijwillig kwam Hij om drieëndertig jaar lang bij ons te wonen in de woestijn, in de wildernis van onze verloren wereld. Direct na Zijn doop in de Jordaan werd Hij overgegeven aan de verzoeking in de woestijn. In de jaren daarna, werd Hij niet erkend, niet aangenomen. Maar gehaat, bespot. Uiteindelijk werd Hij gevangengenomen, gegeseld en gekruisigd. Hij is gestorven en begraven. Totdat, op de derde dag, uit de hoge hemel klonk: ‘Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vluchten. Want U hebt de overwinning behaald.’
Zo zingt Psalm 68 ook over de hemelvaart van de Heere Jezus: Gij voert ten hemel op vol eer. De kerker, de gevangenis, werd Uw buit, o Heer’. U zag Uw strijd bekronen met gaven tot der mensen troost. Opdat zelfs het wederhorig kroost altijd bij U zou wonen. God is opgestaan, Hij heeft Zijn vijanden verstrooid en Zijn haters zijn van Hem weggevlucht.
Dus het is, zoals we zagen, in de eerste plaats dóór het bloed van het kruis, dat de Heere weer woont bij Zijn volk. En het is in de tweede plaats in Zíjn kracht, in de kracht van Zijn overwinning, dat Zijn volk iedere dag verder mag reizen door de woestijn. Verzekerd, hoe moeilijk de weg ook is, van Zijn overwinning op Zijn vijanden.
Hoe anders, kinderen van God, zou ons leven eruitzien, als we daar dagelijks meer uit zouden leven. Dagelijks met een oog van geloof gericht op de ark, op het verzoenende bloed van Christus. En zo, en daardoor, dicht bij de Heere. Die om Christus' wil, om Zijn verdiensten aan het kruis, om Zijn dood en leven, mét ons wil zijn als de grote Immanuël, God met ons. Dagelijks met een oog van geloof gericht op de ark. En tegelijkertijd dagelijks strijdend. Met de gelukkige wetenschap dat de overwinning nooit bij ons vandaan komt, maar alleen bij de Heere vandaan.
Als we dat meer in onze gedachten zouden houden, zouden we dan niet méér bidden in het verborgen? Zouden we dan ook niet iedere ochtend in onze binnenkamer roepen: Sta op, Heere, laat Uw vijanden ook deze dag weer verstrooid worden, en laat Uw haters ook deze dag weer van Uw aangezicht vluchten? En zouden we dan niet minder trots zijn als ons leven goed zou gaan? En minder in paniek raken als de strijd van ons leven intenser zou worden? Zouden we dan niet minder op onze eigen krachten gaan vertrouwen? En meer biddend omhoogkijken? En zouden we dan niet aan het einde van iedere dag de Heere meer vragen, om bij ons te blijven? En Hem danken voor Zijn aanwezigheid en kracht gedurende de dag die achter ons ligt? Zoals Mozes hier ook bidt aan het einde van iedere dag, zo staat in vers 36: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.
Gemeente, waarin bestaat nu het geluk en het welzijn van dit volk in de woestijn? Daaruit, dat ze iedere morgen hun handen en ogen omhoog mogen richten. Biddend tot de Heere. Met hun blik gericht op de ark, op het bloed van de verzoening. En iedere avond weer opnieuw. Wetend dat God bij hen is. Een verzoend God vanwege het bloed op het verzoendeksel. Een verzoend God in Christus Jezus.
Als de ark rustte, zei Mozes: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden van Israël. Is dat, geliefde gemeente ook ons gebed aan het einde van iedere dag? Geen afgeraffeld, verplicht gebedje, maar een gebed (hardop of in de stilte van ons hart) uitgesproken vol verlangen: ‘Kom bij ons, Heere. Blijf bij ons, Heere, want de avond is gedaald. Want U alléén bent onze vrede, onze vreugde, onze bewaring en onze rust. Door het bloed van Uw lieve Zoon. Want wat zou ons hart, wat zou ons oog op aarde nevens U toch lusten? Niets is er waarin we kunnen rusten, dan alleen in U alleen.’
En dus: ‘Heere, kom toch bij ons, blijf toch bij ons, en woon toch bij ons’. Zoals U beloofde ooit in Jesaja 57: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jes. 57:15). Zoals U, Heere Jezus, ooit beloofde in Johannes 14: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken (Joh. 14:23). Wonderlijke woorden: Wij, de Drie-enige God, zullen tot hem komen en woning bij hem maken... Om Christus' wil, Die nu rust aan de rechterhand van Zijn Vader. En Die niet zal rusten, totdat Hij al Zijn vijanden tot een voetbank van Zijn voeten zal hebben gezet. En dus bidden we om Hem, om Zijn volbrachte werk: ‘Heere, is er toch plaats bij U, om te rusten en om bij U te schuilen?’
Geliefde gemeente, kent u daar iets van? Misschien wel midden in het verdriet en de moeite van dit leven. En midden in alle geestelijke aanvechting en strijd die er kan zijn. Kent u iets van dat: Jezus, Rustpunt van mijn hart, ’k vlucht tot U in nood en smart; Laat het stormen, zo het wil, aan Uw boezem is het stil. Met U ga ’k door ’t leven heen, veilig is ’t bij U alléén: Jezus, houd op ’t enge pad, toch liefdevol mijn hand gevat?
Ons derde aandachtspunt: Geleid door de Heere… Maar dan komt er een grote tegenstelling:
Want Numeri 11 vers 1 zegt: En het geschiedde als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers. ’t Gebeurt eigenlijk zonder aanleiding. Ineens begint het volk zich te beklagen. Ze beginnen voor de zoveelste keer te mopperen en te klagen en daarmee God verwijten te maken. Misschien is het frustratie door vermoeidheid, door hitte en droogte, of door de duur van de reis. We weten het niet. Maar, dat ligt voor de hand, het uit zich ook in onwil om verder te gaan.
Hoewel de Heere dagelijks zó goed voor hen zorgt. Met het manna dat uit de hemel regent. Met het water uit de rots bij Rafidim, dat hen volgt op hun weg naar Kanaän. En met dagelijkse rust.
Maar het volk beklaagt zichzelf. Roepen tot de Heere is er niet bij. Ze draaien alleen maar rond in zichzelf (misschien herkent u dat wel) in mopperen en zichzelf beklagen.
En dat was kwaad in de oren des Heeren, want de Heere hoorde het. Dat moet je even goed tot je door laten dringen: Dat was kwaad in de oren des Heeren. Ja, want de Heere hoort álles. Ook als wij klagen over de weg van de Heere met ons. Maar vooral ook als we klagen over Zijn Woord. Omdat we het niet met Hem eens zijn. Als we Hem de schuld geven van ons nog steeds onbekeerde hart. Dat was kwaad in de oren des Heeren. En zo speelden zij letterlijk met vuur. En zo kun je ook nu in deze tijd nog steeds spelen met vuur…
De Heere hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak en het vuur des Heeren onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste van het leger. Vuur daalt neer uit de hemel, waarschijnlijk door een bliksem, en het brandt en verteert aan de buitenste rand van dat grote tentenkamp. Het is zonder meer duidelijk: dit is Gods spreken. Zoals later in de tijd van Elia vuur uit
de hemel neerdaalde op de hoofdman over vijftig en hen verteerde (in 2 Koningen 1). Zo daalt ook hier vuur uit de hemel, dat brandt en verteert.
En zo kan de Heere nog steeds spreken in Zijn toorn over mensen die, in plaats van dat ze zíchzelf beschuldigen, Gód de schuld geven van alle ellende. En vooral ook van hun eigen ongeloof en onbekeerlijkheid. Vuur uit de hemel dat brandt en verteert. Als een duidelijk teken van Gods ongenoegen en van Zijn toorn.
Waarom? Om hen schrik aan te jagen, zodat ze zullen gaan zien waar ze mee bezig zijn. Om hen zo te dringen, alsnog, tot bekering. Dat is de reden, onbekeerde vrienden in het bijzonder, dat God soms ook vuur op je weg brengt. De schrik slaat je om het hart. Dat geloof ik. Maar het is niet de bedoeling van de Heere dat je vervolgens van Hem weg gaat vluchten. Zijn bedoeling is dat je naar Hem toe zult gaan, met berouw en bekering, met smeken en geween.
En zo komt het, dat er staat in vers 2: Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot de Heere, en het vuur werd gedoofd. Ook hier weer goed lezen. Het volk riep tot Mózes. Weten ze zelf de weg naar de hemel niet te vinden? Zijn ze zo bang, dat ze niet meer durven te roepen? Maar als de Heere hun gemopper hoort, zal Hij toch hun gebeden zeker ook horen?
Hoe dan ook, ze doen een beroep op Mozes, die hun voorbidder is. En dat moet u ook doen. Als, na al uw onvrede en gemopper op de Heere, plotseling de schrik u om het hart slaat. Ga dan alsjeblieft niet door. Twist niet met de Heere. Want er komt, zegt de Bijbel, een eind aan Zijn geduld. Negeer, zo zeg ik tegen sommigen van u in het bijzonder, Zijn laatste waarschuwingen niet. Maar roep tot de grote Mozes, de grote Middelaar van het Nieuwe Testament, Jezus Christus. Om vergeving en verzoening van zoveel kwaad. Wijzend in uw bidden (ja, dat mag u zeker doen!) naar de ark. Naar het bloed van de Heere Jezus Christus, wat Hij gegeven heeft om vijanden (en dat bent u) met God te verzoenen.
Mozes bad tot de Heere en het vuur werd gedempt. De Heere verhoort het gebed van Mozes en dooft Zelf het vuur. Het volk blust het niet, de Heere dooft het. En zo wordt de tijdelijke straf opgeheven.
Maar, leidt de schrik van dit vuur uit de hemel – bedoeld om de mensen die mopperden op God tot bekering en berouw te brengen – leidt het wel écht tot bekering? Tot oprecht berouw? En tot vernieuwing van hart en leven? Nee, helaas niet. Uit alles blijkt dat het volk weer gewoon verdergaat, met onvrede, met gemopper en met opstand tegen God.
Zulke periodes, zoals hier in een paar verzen beschreven worden, kennen wij misschien ook wel uit ons eigen leven. Plotseling, als een bliksem uit de hemel, gebeurde er iets in je leven. Je kwam misschien wel tot dicht bij de dood? Was het echt de bedoeling dat je na een kleine schrik, even van je stuk gebracht, weer gewoon verder zou gaan? Was het echt de bedoeling dat je het zou vergeten? Was het niet de bedoeling van de Heere, dat je je bekeren zou?
Zulke periodes in je leven zou je nóóit moeten vergeten. En dat is ook de reden dat Mozes die plek een naam geeft. Kijk maar naar vers 3: Daarom noemde hij de naam van die plaats Tabera, omdat het vuur des Heeren onder hen gebrand had. Dat doet Mozes. Maar zij, het goddeloze volk, gaan gewoon door. Ze vergeten ogenblikkelijk wat er gebeurd is en gaan weer verder met mopperen.
Twee manieren van leven, zomaar in een paar verzen getekend. a. Dagelijks oog en hart naar de hemel gericht, om op die moeilijke weg naar Kanaän alles van de Heere te verwachten. Biddend: Sta op, Heere, laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vluchten, en: Kom weder, Heere. Achter de ark aan. Achter het bloed van de ark. Geleid door de wolk- en vuurkolom. Iedere dag levend met de Heere, in Zijn gunst en goedkeuring. Niet vanwege ons gedrag, maar om het bloed van de ark, om het bloed van Christus.
Wat een gelukkig leven, kinderen van God. Levend van verzoenend bloed. Dat destijds symbolisch op het verzoendeksel werd gedrupt. Dat destijds drupte aan de voet van het kruis. Dagelijks de nabijheid van de Heere zoekend.
b. Of die tweede manier van leven. Hart en ogen gericht op deze wereld. Zonder rekening te houden met God. En bij iedere tegenslag mopperend, ontevreden, moedeloos. Meelopend… Ja, daarom zit je gelukkig ook vanmorgen hier in de kerk. En ondertussen zeul je met je ziel onder je arm, en heb je in je hart eigenlijk helemaal geen zin om verder mee te reizen. Soms word je opgeschrikt door vuur uit de hemel. Maar je vergeet het weer snel.
Lieve vrienden, hoe vaak ben je niet door de Heere wakker geschud? Door de dingen die in je leven gebeurd zijn? Maar wat heeft dat nu echt met je gedaan? Wat een ellendig leven, mensen, om zó te leven! Je hebt een ziel, hoor, voor de grote eeuwigheid. En straks moet je sterven. Je hebt verzoening nodig van je schuld. Je hebt de Zaligmaker nodig. Je hebt het bloed van de Middelaar, de Heere Jezus Christus nodig, gestreken aan de posten van je hart door het werk van de Heilige Geest. Je moet met God verzoend worden, mensen. En dat moet en dat kan vandaag nog.
En dus, ga zoeken. Naar dat enige middel om die welverdiende straf te ontgaan en tot genade te komen. Zoek de Heere nu, onbekeerde vrienden, en leef.
En verzoek Christus niet, zo schrijft Paulus later in 1 Korinthe 10. Verzoek Hem niet, daag Hem niet uit. En murmureer, mopper niet. Zoals sommigen van hen destijds gemurmureerd hebben. En werden vernield door de Verderver. Door God Zelf dus… En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo dan, schrijft Paulus, die meent te staan, die zie toe dat hij niet valle (1 Kor. 10:11-12).
Amen.
Slotzang Psalm 94:8
Andere preken over Numeri
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken