PREEK · KERKELIJK JAAR

Geboorte van Noach, hij zal ons troosten – Genesis 5

Advent - 12 december 2021

Genesis 5:29: En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft.

INLEIDING

In een wereld waar de vloek zich in elk zweetdruppel nestelt, waar de dood overal luistert en de grote afval voortgaat, geeft een godvrezende vader aan zijn pasgeboren zoon één naam: Noach — troost. Deze leespreek over Genesis 5:28-29 onderzoekt hoe Lamech, zuchten onder Gods vervloeking, in zijn kind een teken van verwachting ziet — vooruitwijzend naar Christus, de enige Troost in leven en sterven.

THEMA

De geboorte van de kleine Noach

KERNPUNTEN

  1. In een wereld vol ellende
  2. In uitgesproken verwachting

GENESIS 5:25-32

25 En Methúsalah leefde honderd zeven en tachtig jaar, en hij gewon Lamech.
26 En Methúsalah leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaar; en hij gewon zonen en dochters.
27 Zo waren al de dagen van Methúsalah negenhonderd negen en zestig jaar; en hij stierf.
28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaar, en hij gewon een zoon.
29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft.
30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaar; en hij gewon zonen en dochters.
31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaar; en hij stierf.
32 En Noach was vijfhonderd jaar oud, en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.

VOLLEDIGE TEKST

Geboorte van Noach, hij zal ons troosten – Genesis 5

ds. J. IJsselstein - Genesis 5:29

THEMA

De geboorte van de kleine Noach

LITURGIE

Psalm 25:6 Voorzang

Psalm 18 (middagdienst)

Lezen Genesis 4:19-24; 5:21-32

Psalm 38:1,3,9,15

Psalm 142:2

Psalm 130:4

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen/vanmiddag kunt u vinden in Genesis 5:28-29. In Genesis 5:28-29 lezen we het Woord van God en onze tekst als volgt: En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon. En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!

Het gaat in de preek van vanmorgen/vanmiddag om de geboorte van de kleine Noach. Dat is het thema van de preek. En die geboorte was in de eerste plaats: in een wereld vol ellende, en in de tweede plaats: in uitgesproken verwachting.

Het thema van de preek is dus: De geboorte van de kleine Noach. Er zijn twee aandachtspunten: 1. In een wereld vol ellende 2. In uitgesproken verwachting Als eerste dus:

1. In een wereld vol ellende.

Het is nog voor de zondvloed, als in het huis van Lamech en zijn vrouw een zoon geboren wordt. En ze zijn blij. Dat was toen ongetwijfeld niet anders dan dat het nu is. Als alles goed gegaan is en je kindje geboren is, dan ben je als vader en moeder heel erg blij. Want… een kind geeft hoop, voor de toekomst. Dat is ook het verdriet van echtparen die geen kinderen hebben, van ouders van wie een kind of kinderen door de dood ontvallen zijn. Ze voelen het gemis van hoop voor de toekomst. We bidden samen dat de Heere u zal helpen in uw gemis en verdriet.

Er is blijdschap in het huis van Lamech en zijn vrouw. Maar verder is er ook heel veel zorg, over (zo staat in vers 29) ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft! Lamech is overdag pijnlijk bezig met zijn handen. Hij noemt het: de smart van onzer handen.

Vroeger was dat anders. Toen konden Adam en Eva in het paradijs zo maar de vruchten van de bomen plukken. Maar nu moet Lamech de aarde bewerken. Hij moet ploegen, graven, zaaien, onkruid wieden (doorns en distels), hij moet zijn gewassen beschermen tegen dieren die ervan willen eten, tegen de invloeden van slecht weer (droogte en hagel), en als hij ‘s avonds thuiskomt van zijn werk, dan is hij moe. Dan doen zijn handen zeer. En soms is er teleurstelling. Wie van ons herkent dat niet?

Maar er is meer. Sinds Adam en Eva gezondigd hebben en uit het paradijs verdreven zijn, is er ook zoveel ander verdriet in de wereld gekomen. Want je leest, jongens en meisjes, deze mooie verzen over de kleine Noach in een hele lange rij van namen, waar (als je goed telt) wel acht keer bij geschreven staat: en hij stierf. De dood is in de wereld gekomen. Als (Romeinen 5:12) het loon op de zonde. Toen Adam at van de boom van kennis van goed en kwaad, toen deed de Heere wat Hij had gezegd: ten dagen als u daarvan eet, zult u de dood sterven (Genesis 2:16-17). En hij, Adam, stierf. Geestelijk. De band met zijn Schepper werd toen hij zonde deed ogenblikkelijk verbroken. En ook zijn lichaam moest sterven: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren (Genesis 3:19). En sindsdien geldt voor alle mensen: wij moeten allemaal sterven (Romeinen 5:12). Ja, wij zeggen: wij willen leven! Maar God zegt: u moet sterven.

Zo was het toen, en zo is het nu nog steeds. Hoe vaak gebeurt dat niet om ons heen? Hoe vaak horen we niet de klokken van de dood luiden? Soms ver weg, soms dichtbij… Soms staan we ineens aan een open graf, aan het graf van opa of oma, aan het graf van vader of moeder. En het komt steeds dichterbij… Het is alsof je staat op het strand, met je voeten aan de rand van het water. Het wordt vloed. Het water komt al hoger en hoger. De eerste golven hebben overgrootmoeder en overgrootvader meegenomen, daarna opa en oma, daarna vader en moeder. En het water komt al hoger… Het staat ondertussen aan je eigen voeten, zo dichtbij… De dood wenkt ieder uur (Psalm 89:19, ber.). Wie van ons hoort de klokken van de dood niet luiden? Dat is de werkelijkheid waarin wij met onze kinderen leven…

Maar er is nog meer, wat het leven voor vader Lamech en zijn vrouw moeilijk maakt. Als ze om zich heen kijken naar de wereld van hun tijd: Het geslacht, het goddeloze geslacht van Kaïn is op het toppunt van de rebellie tegen God. De aarde is (zo zegt de Bijbel) vol met wrevel (Genesis 6:11), dat wil zeggen: vol van geweld en onrecht. En ondertussen is de grote afval gaande. De kinderen uit het geslacht van Seth (uit de heilige lijn) vermengen zich met de anderen, met degenen die God niet dienen (Genesis 6:1-2). Wie van ons herkent dat niet? Is dat ook niet iets van deze tijd? Dat kinderen (tot groot verdriet van hun ouders) het spoor van de dienst van de Heere verlaten, de wereld ingaan en zich daarmee vermengen?

Er worden wat tranen gehuild om het verlies van ‘nog levende’ kinderen. En dat was toen ook al zo.

En als je vooruit kijkt, ouders, dan kan je je terecht zorgen maken om deze tijd en de zuigkracht van de wereld, die aan onze kinderen trekt. De afval in de tijd van de Godvrezende Lamech is groot. De zonen en dochters van Seth, de kinderen des Koninkrijks, laten zich verblinden door de glans en de glitter van de wereld die vooruitgang belooft!

Want daar gebeurt tenminste nog iets! Daar worden uitvindingen gedaan. Door de zonen van Lamech (van een andere Lamech, dan degene waar de preek nu over gaat). Die goddeloze Lamech (over wie het gaat in Genesis 4), die houdt met niemand rekening, alleen met zichzelf. Maar zijn zonen dat zijn knappe koppen, uitvinders van het eerste uur. Jabal heeft de eerste tent uitgevonden, Jubal het eerste muziekinstrument en Tubal- Kaïn werkt als eerste met koper en ijzer. Wil je vooruitgang? Zoek je vertier, muziek of plezier? Dan moet je bij hen zijn! Al heb je hard gewerkt op het land, maar als je dan thuiskomt, dan heb je nog wat leuks, iets wat afleidt, iets wat ontspanning biedt.

Maar niet bij deze Godvrezende Lamech en zijn vrouw. Daar is niets van die ontspanning en van dat plezier. Dat is niet hun wereld. Maar, kan je dat dan niet combineren? Het nuttige (de dienst van God) en het aangename (van die andere Lamech)? Iets van de ene, en iets van die andere wereld, samen combineren? Ja, maar daarom ging het in de oude wereld nu juist verkeerd: vanwege dat vermengen, vanwege dat samen combineren (Genesis 6:1-2)! God wilde en wil nog steeds dat Zijn volk apart woont. Gedoopt, dat wil zeggen: heilig, afgezonderd, alleen, op veilige afstand en zich niet vermengend met de wereld die zonder God leeft.

Bij Lamech dus niet die ontspanning en niet dat plezier. Dat is niet hun wereld. Maar aan de andere kant is daar wel iets anders, wat die goddeloze mensen weer niet hebben. Lamech voelt (en dat is bij de goddelozen niet zo) de last van zijn dagelijkse werk ook nog op een andere manier. En dat maakt het voor hem nog veel zwaarder. Lamech voelt: de last van het leven, de ellende van deze tegenwoordige wereld is er vanwege de vloek van God die op de aarde rust. Het is de toorn van God, die hij voelt branden op de aarde. En dat doet hem niet alleen pijn aan zijn handen, maar vooral ook pijn aan zijn hart. Het ervaren dat de schepping zucht (Romeinen 8:22) om zijn zonden en om zijn kwaad. Iedere zweetdruppel, die pijnlijke spieren en die zere handen, die doorns en distels op het veld, die preken allemaal: u hebt gedaan dat kwaad is in Gods oog! (Psalm 51:4) Lamech zucht: over het werk, over de smart, de pijn van zijn handen, vanwege de aarde die de Heere vervloekt heeft.

En dan is er nog iets. Er is ook nog de dreiging van het komende oordeel. Jaren geleden is er plotseling verandering gekomen in het leven van de opa van Lamech. Henoch heette hij. Het was in de tijd dat hij zijn zoontje kreeg, een jongetje dat hij de naam Methusalach gaf. Een naam die zoiets betekent als: zijn dood brengt…(puntje, puntje, puntje), of: als hij gestorven is, dan zal het gezonden worden… Een dreigende en onheilspellende naam! In die tijd ging opa Henoch wandelen met God. Wat er toen gebeurde, dat richtte zijn ogen op God, op de wereld hierboven, want straks…, want hierna… komt het oordeel. Lamech leefde in de verwachting van de komende zondvloed…

Kortom, een tijd van zuchten, van verdriet en van dreiging van het komende oordeel. Een wereld vol ellende, althans voor Lamech. En een wereld vol plezier, voor die andere Lamech. Over wie we lezen in Genesis 4: die man, die andere Lamech, die goddeloze Lamech, die geniet van het leven en van de vooruitgang, terwijl hij ondertussen denkt dat hij zijn leven zelf wel kan bepalen, ten koste van alles en iedereen.

Twee Lamech’s, twee levens. De één zucht onder de vloek. Onder de vloek van de Heere: vanwege zijn zonden. En de ander leeft door, steeds verder weg, steeds verder bij God vandaan. Wie van ons herkent dat niet? Wie van ons herkent zich niet in één van deze twee mannen? Op wie lijk ik? Op wie lijkt u?

Van nature, zoals we geboren zijn (Paulus zegt: dood door de misdaden en de zonden, Efeze 2:5), van nature zien we onze ellende niet. Ja, we voelen alle verdriet en narigheid van deze wereld wel, maar gelukkig is er nog de nodige afleiding, waardoor we uiteindelijk wel weer verder kunnen. Alleen als de Geest van God ons wakker schudt uit onze dodelijke rust, alleen ontwaakte zondaars zien en voelen: dit is allemaal mijn eigen schuld. Want ik heb tegen God gezondigd. Zij, die door de Geest van de Heere aan hun schuld worden ontdekt, zij voelen meer dan wie dan ook ‘het lijden van deze tijd’. Want alles klaagt hen aan en zegt: ‘het is uw eigen schuld’. Die zweetdruppels, die pijnlijke spieren, die zere handen, die doorns en distels op het veld, die ziekte, dat verdriet en die eenzaamheid, dat heengaan van onze geliefden, alles roept hen toe: ‘u hebt gedaan dat kwaad is in Gods oog, en daarom is de aarde vervloekt!’ Om u! Want: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10b).

De troost, de ontspanning, de verpozing van de wereld helpen je niet meer. Want het plezier van de wereld lijkt wel mooi, maar je weet dat er een moment komt, dat alles als een zeepbel uit elkaar gaat spatten. En dan is het voorbij. Je hebt wat anders nodig. Een enige troost in leven en sterven.

Eén ding heb je nodig, één ding ga je zoeken: je moet verlost worden van de vloek, je moet met God verzoend worden! Lamech (we weten niet zoveel details van zijn geestelijke leven, maar wel de hoofdlijn), kersverse vader, kende daar iets van in zijn hart. U, vaders? U ook? Wat een wonder is het, als in zo’n donkere tijd, waarin je gebukt gaat onder de last van je schuld, als in zo’n donkere tijd waarin de wereld haar glans verloren heeft en de vloek van de Schepper op je leven brandt, als in zo’n donkere tijd waarin je een uitweg zoekt, maar niet ziet, als in zo’n donkere tijd waarin je eigen pogingen om je leven te veranderen en jezelf aan de vloek te ontworstelen alsmaar mislukken… Wat een wonder is het, als er in zo’n donkere tijd een straal van hoop doorbreekt in de duisternis van je hart. Als er voor het eerst of opnieuw hoop geboren wordt.

Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt, maar we gaan samen eerst zingen, Psalm 142, daarvan het 2de vers:

Als mij geen hulp of uitkomst bleek, Wanneer mijn geest in mij bezweek, En overstelpt was door ellend', Hebt Gij, o HEER', mijn pad gekend.

Ons tweede aandachtspunt:

2. In uitgesproken verwachting

Er wordt een jongetje geboren in het gezin van Lamech. Vader Methusalach leeft nog. Die is heel oud geworden. Zal vader, zal opa vernoemd worden? Met iets van zijn naam, die uitspreekt dat het oordeel misschien nog wel dichterbij is, dan dat het voorheen was? Nee, Matthew Henry zegt: ‘zeer waarschijnlijk bestonden er profetieën omtrent hem (Noach), welke hem aanduidden als iemand, die op zeer bijzondere wijze zijn geslacht van dienst zou zijn, wat zij zó opvatten, dat hij het beloofde Zaad was, de Messias die komen zou’. Er gaat een golf van blijdschap, van vreugde en troost door het gezin. Noach is zijn naam! Want (vers 29) deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!

Ze hebben in het verleden de belofte ontvangen van de komende Messias, het Licht der wereld, die verlossen zal van de vloek die op de aarde rust. En je voelt aan alles: Lamech is een man die leeft in hoop en verwachting. Hopend op de dag waarop God Zijn belofte zal vervullen. Hij had wel de dichter kunnen zijn van Psalm 130: Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op de morgen. (Psalm 130:5-6) Hij verwachtte (net als later Simeon, Anna en vele anderen in Jeruzalem) de verlossing die komen zou (Lukas 2:38).

Wie zo (in een wereld vol duisternis, zuchtend onder de vloek van de Heere God), wie zo de Heere verwacht, die wacht nooit tevergeefs. Want heeft de Heere niet gezegd bij monde van Jesaja: En u zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten (Jesaja 49:23)? En zong de dichter van Psalm 25 niet: Ja, allen, die u verwachten, zullen niet beschaamd worden (Psalm 25:3)? En schrijft Jeremia niet in Klaagliederen 3:25: De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt? Op Gods tijd maakt de Heere Zijn belofte waar: Er zal verlossing komen (Psalm 130:4, ber.). Vaak gaat het dwars door een weg van onmogelijkheid, van donkerheid en duisternis, zoals ook bij Lamech. Aan zijn blijde uitroep, gaat een tijd van zuchten vooraf. Hoewel ook de belofte hem ondertussen (terwijl de vervulling ervan nog niet gezien wordt) wel hoop en moed geeft. Het doet denken aan wat de dichter van Psalm 119 zingt: Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging (de vervulling van de belofte is er nog niet, maar wel de belofte: Uw toezegging) heeft mij levend gemaakt (Psalm 119:50).

Maar een mens kan zich ondertussen wel behoorlijk vergissen. Tenminste, als het waar is wat Matthew Henry zegt. Als Lamech echt gedacht heeft: ‘Dit kleine jongetje, deze kleine Noach, dat is Hem! Dat is de Messias!’ En dat zou best wel eens zo geweest kunnen zijn, als je ziet hoe hij als het ware het kind in zijn armen neemt en uitroept: ‘O, dierbaar Kind, o Stof van vreugd, Geschenk van de Allerhoogste. Deze zal ons troosten!’

Ook een kind van God kan zich in liefde, blijdschap en overgave wel eens grondig vergissen. Als het gaat om onze toekomst, en ook als het gaat om de toekomst van onze kinderen. En dus is het altijd weer goed om te letten op hoe de Heere onze en hun weg verder leidt. Want dit is niet de Messias Zelf, maar een voorloper ervan. Een type, een voorbeeld, dat meer dan ooit vooruitwijst. Jazeker, dat wel! Hij komt! Er zal verlossing komen! Hij zal komen en niet achterblijven (Habakuk 2:3). Want Gods belofte wordt immer vervuld.

De kleine, pasgeboren Noach, heeft vooruit gewezen naar de toen nog komende, meerdere Noach, Jezus Christus. Zie op Hem, mensen in al uw zielsverdriet. In donker, in duister, gebukt onder het gevoel van de toorn van God over hun leven, verdiend, eigen schuld… Maar ondertussen toch ook: hopend op, uitziend en verlangend naar een weg ter ontkoming. Kom en zie! Want (nu eeuwen later zeggen wij): Een Kind is ons geboren! Een Zoon is ons gegeven (Jesaja 9:6). Noach is Zijn Naam. Rust. Hij die rust aanbrengt. Troost. Hij die troost. De grote, de meerdere Noach, Jezus Christus.

Zeker, Hij troost ook in tijdelijke zorg en nood. Dat was destijds zo, en dat is nog steeds zo. Hij troost in ziekte en pijn. Hij heeft, zegt Jesaja, onze krankheden op Zich genomen (Jesaja 53:4). Hij troost en zorgt in tijdelijke nood. Hij geeft Zijn kinderen hun dagelijkse brood. Uw brood is u zeker, uw water gewis (Jesaja 33:16). Maar de troost en de rust die Hij aanbrengt, is vooral geestelijke troost en geestelijke rust. Hij verlost al de Zijnen van de vloek, die op hen rust. En dus, als de vloek van de wet op uw leven rust, als u daaronder gebukt gaat, zie dan op Hem. Denkend aan de woorden van Paulus: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt (Galaten 3:13).

Hij verlost van de vloek van de wet. Hij verlost arme en roepende zondaars ook van de banden van de wet (Galaten 3:23). Hij verlost hen van hun zonden. Hij, in Wie is (zoals Paulus schrijft): verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade (Efeze 1:7). En daarmee verlost Hij ook Zijn kinderen van de prikkel van de dood (1 Korinthe 15:56). Midden in een register vol doden, komt plotseling de Naam omhoog van Eén die wijst, van de eerste Adam naar de Tweede Adam. Door de eerste Adam moeten wij sterven. Maar door de dood van de Tweede Adam (naar Wie deze Noach wijst) is er leven!

Hier, gemeente, in Hem, in de meerdere Noach, in Jezus Christus alleen, is de ware rust te vinden. In een tijd, in een wereld vol van ellende en nood, die zucht onder de vloek… In een persoonlijk leven, waarin u zucht onder de vloek van God, onder de vloek van de wet die op u rust. In een leven waarin u zucht om verlossing en verzoening. In Hem, in Christus is redding en behoud. Omdat Hij onder zal gaan onder de vloed van Gods toorn, daarom blijft straks de ark van Noach drijven. Hijzelf is de Ark der behoudenis. Iedereen die daarin is, zal niet ondergaan onder de komende vloed van Gods toorn.

Zoek, gemeente, zoek, ouders, voor uzelf en voor uw kinderen, deze enige Rust en Troost. Zoek geborgen te zijn in de Ark der behoudenis, waarin u samen gered kunt worden. U moet bij Noach zijn, u moet bij Christus zijn. U moet in Christus zijn! (2 Kor. 5:17) Vlucht weg van die andere manier van leven, van die andere Lamech: gericht op de wereld, gericht op vooruitgang, plezier en ontspanning. En zoek vrede en verzoening met God, voor uzelf en voor uw kinderen. De enige troost in leven en sterven, namelijk dat u en uw kinderen het eigendom worden van Hem.

Zoekt u redding en behoud, terwijl u zucht en gebukt gaat onder uw zonden en schuld? Deze alleen zal u kunnen troosten. Deze alleen zal u kunnen verlossen van de vloek van de wet, van de banden van de wet waarmee u gebonden bent, en van uw eigen zwoegen om rechtvaardig voor God te worden, wat altijd maar weer mislukt.

Deze kan en wil u troosten: de meerdere Noach, Jezus Christus. Hij weet wat het betekent: de aarde is om uwentwil vervloekt. Hij kende namelijk ook de ‘smart van Zijn handen’: pijnlijke handen bij het werk in de timmermanswerkplaats van vader Jozef. Maar Hij kende vooral de ‘smart van Zijn handen’ toen Hij hing aan het kruis. Maar juist in die weg heeft Hij de oorzaak van de vloek over de Zijnen weggedragen. Hier ziet u opnieuw, kinderen van God, zoals we het zo vaak zien in de Schrift: gelovig uitzien en verwachten, zien op het Woord van de belofte, verwachtingsvol wachten op de vervulling van Gods Eigen Woord, en dan… het Kind in de armen gelegd. Dat geeft de enige troost. Dat schenkt hulp in lijden, moeite en verdriet. Dat richt ons oog (net als bij grootvader Henoch) meer op de hemel dan op de aarde. Om van daar de Zaligmaker te verwachten. Dat verlost ons blijvend van de vloek, die wij door onze eigen schuld op ons geladen hadden. En dat geeft ons ook de troostvolle verzekering dat het werkelijk zo is: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet (Galaten 3:13). En dat alles is ons (vergeleken met al het goede wat de wereld ons biedt) meer waard, dan het fijnste goud op de aarde.

Ouders, onze kinderen zullen ons niet troosten. Het kan zelfs zo zijn (zoals de verdrietige ervaring is van heel veel ouders) dat je kinderen je veel verdriet doen. Verdriet dat je in stilte met je draagt. Vooral verdriet vanwege het zich vermengen met de kinderen van de wereld.

Laten we onze kinderen toch veel wijzen (dat is Lamech later ongetwijfeld ook gaan doen) op het Kind. Op het Kind dat ons geboren is. Op de Zoon die ons gegeven is. Breng uw kinderen vroeg en veel bij Hem.

De wetenschap (als dat zo leeft in ons hart), als we kind van God mogen zijn, dat wij Hem als onze eigen Zaligmaker mochten omhelzen, is werkelijk een enige troost. Als we weten mogen: We zijn Zijn eigendom. ‘O, dierbaar Kind, o Stof van vreugd!’ Kent u die enige troost?

Maar de wetenschap, de gelovige verwachting, het verwachtingsvolle uitzien (ziende op de rijkdom van het teken van het Sacrament van de Heilige Doop), dat diezelfde God ook onze kinderen zal ontvangen als wij ze biddend tot Hem brengen (Markus 10:14), dat zal ons op aarde dubbel troosten. En dat zal ons in de hemel dubbel verblijden.

Dat geve ons de Heere tot roem van Zijn genade en tot uitbreiding van Zijn heerlijk Koninkrijk.

Amen.

Slotzang Psalm 130:4:

Hoopt op den HEER, gij vromen. Is Israël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun gebeden, Gans Israël eens vrij Van ongerechtigheden; Zo doe Hij ook aan mij.