Pasen - 14 april 2024
Johannes 20:27-28: Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God.
INLEIDING
Thomas is er niet bij als Jezus verschijnt en gelooft niet zonder te zien. Zijn afwezigheid is geen teken van somberheid, maar van slordigheid; zijn ongeloof deelt hij met alle discipelen. Toch komt Jezus terug, opent Zelf de gesloten deuren, en biedt Thomas geduldig Zijn wonden aan. Zonder verwijt breekt Hij het ongeloof, tot Thomas belijdt: Mijn Heere en mijn God.
Jezus’ verschijning aan Thomas
JOHANNES 20:24-29
24 En Thomas, een van de twaalve, gezegd Dídymus, was met hen niet toen Jezus daar kwam.
25 De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.
26 En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden.
27 Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.
28 En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God.
29 Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 20:27-28
THEMA
Jezus’ verschijning aan Thomas
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over de discipel Thomas. We hebben er samen over gelezen uit Johannes 20. Het thema voor de preek is: De verschijning van de Heere Jezus aan Thomas.
Er zijn twee aandachtspunten. We letten als eerste op ‘een afwezige Thomas’, kijkend naar vers 24 en 25 En Thomas, een van de twaalve, gezegd Dídymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.
En we letten als tweede op ‘een komende Jezus’, kijkend naar vers 26 tot en met 28. En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden. Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God.
Dus: De verschijning van de Heere Jezus aan Thomas. Twee aandachtspunten: 1. Een afwezige Thomas 2. Een komende Jezus
We zouden ook twee vragen kunnen stellen. 1. Wie is Thomas? En, daartegenover: 2. Wie is de opgestane Heere Jezus Christus?
Als eerste dus:
1. Een afwezige Thomas, of de vraag: Wie is Thomas? Wie is Thomas? Thomas was de helft van een tweeling. Wie de andere helft geweest is, dat weten we niet. Zijn naam is in de Aramese taal, Thomas. In de Griekse taal Didumos. Thomas, gezegd Didymus, Thomas, oftewel de tweeling
Wat was die Thomas eigenlijk voor een soort mens? Dat is een beetje lastig vast te stellen en te omschrijven. Er wordt vaak gezegd: die man, die was van aard een beetje terneergeslagen, een beetje een somber, een moedeloos mens van karakter. Maar wat mij betreft (en ik denk vooral ook wat de Bijbel betreft) zijn daar niet zoveel aanwijzingen voor.
We komen Thomas in het Evangelie van Johannes (naast de lijst van de discipelen, waarin hij regelmatig wordt genoemd) drie keer tegen.
a. Als eerste in Johannes 11, bij de opwekking van Lazarus. Als Lazarus gestorven, dan stelt de Heere Jezus aan Zijn discipelen voor om daarheen te gaan. Alleen, dat is niet zonder gevaar. Want in Johannes 11:7-8 staat: Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea gaan. De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat U wederom derwaarts? Die reis is niet zonder risico dus! En dan zegt Thomas (in vers 16): Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven. Dat is geen teken van neerslachtigheid, dat is een teken van lef, van moed en dapperheid.
Daarna is Thomas trouwens ook getuige geweest van de bijzondere macht van de Heere Jezus bij de opwekking van Lazarus, toen Hij riep: Lazarus kom uit! En hij kwam uit het graf!
b. We zien Thomas voor de tweede keer in Johannes 14, waar de Heere Jezus zegt: ‘Zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn (met Mijn hemelvaart) en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen (bij Mijn wederkomst), opdat u ook zijn moogt waar Ik ben. En waar Ik heen ga, weet gij. En de weg weet gij.’ En dan komt het: Thomas zeide: Heere, wij weten niet waar U heengaat en hoe kunnen wij (wij, de discipelen; niet hoe kan ik, maar), hoe kunnen wij(!), discipelen, de weg weten? Het is inderdaad een wat vertwijfelde vraag, maar het gold al de discipelen. Wij met elkaar weten niet waar U heengaat en hoe kunnen wij de weg dan weten? Het is meer een vraag van betrokkenheid, van liefde en toewijding, dan een vraag van somberheid.
c. En nu hier, na Pasen, ontmoeten we Thomas in Johannes 20 opnieuw. Hij was er niet toen Jezus kwam. Dat staat in vers 19, kijk maar in je Bijbel: Toen kwam Jezus en stond in het midden en zei: Vrede zij u. En dit gezegd hebbende toonde Hij hun de handen.
Kijk maar naar de littekens van de spijkers in Mijn handen. En de discipelen, staat er, werden verblijd als ze de Heere zagen. Later schrijft de kerkvader Ignatius aan de gemeente van Smyrna: Ze raakten Hem aan. Met andere woorden: ze voelden…, en ze geloofden. Maar, zegt vers 24, Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was niet met hen toen Jezus daar kwam.
Waarom was hij er eigenlijk niet? Misschien vragen andere mensen dat ook wel eens, als het om u of jou gaat... Waar was hij? Waar was zij? Ik zag hem niet. Ze waren er niet. Bij de catechismuspreek in de middagdienst… Bij de bediening van het Heilig Avondmaal... Bij die doordeweekse dienst… Volgens mij waren ze er niet… Waarom eigenlijk niet?
Geen zin, misschien? ’t Was gisteravond een beetje te laat geworden. Slecht geslapen, teveel gedronken. Ik voelde me brak. Ik dacht: ‘Ik sla maar een keer over’. Trouwens, waarom zou je twee keer naar de kerk gaan, één keer is toch ook genoeg? Geen zin?
Slordigheid, misschien? Dat kan ook. Een keertje overslaan. Leesdienst? Saai. Avondmaal? Die dienst die duurt zo lang. Catechismus, daar ben ik ondertussen wel een keer op uitgekeken… Geen zin? Slordigheid? Of…
Ik wil gewoon eens wat anders ’s Ochtends hier, ‘s middags ergens anders. Je kan niet altijd bruinbrood eten, ik wil gewoon een beetje variatie…
Hoe dan ook, Thomas was er ook niet. Om welke reden dan ook. Dus (denk je), gelukkig staat er in de Bijbel in ieder geval ook iemand, die dat ook een keer deed. Klopt…, maar daarom (dat weet je) zag hij Jezus niet….
En dat is het gevaar, dat misschien ook wel voor u of jou geldt. Als je er toen, in het verleden of kortgeleden, als je er toen geweest was, dan had je Jezus gezien. Hij was heel dichtbij. En zei: ‘Roep Mij aan, terwijl Ik nabij ben!’. Maar ja, je was er niet… Wij zouden zeggen: gemiste kans. Maar de schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten (niet thuisblijven dus!), gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert (Hebr. 10:25En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.).
U moet gewoon, jij moet gewoon, niet meer, nooit meer thuisblijven! Anders mist u Jezus!
Waarom was Thomas er niet, toen Jezus kwam? Het kan zijn (als het gaat om onszelf): omdat we geen zin hebben, uit slordigheid, uit behoefte aan wat meer variatie. Maar kan ook zijn, en dan denk ik vooral aan Thomas, vanwege verdriet, getob of ongeloof.
En toch is ook dat, gemeente, en ik zeg dat in het bijzonder tegen u die de Heere zoekt en dient, toch is ook dat geen goede reden om thuis te blijven. Want door zijn ongeloof mist Thomas de zegen. Daar door mist Thomas de tegenwoordigheid van de Heere Jezus, de kracht van de Heilige Geest en de vrede en de vreugde voor zijn hart.
Met al uw getob en met al uw ongeloof moet u hier zijn, onder de prediking van het Woord. Deze plaats heeft de Heere lief. Hier zijn de meeste van Gods kinderen ontwaakt uit hun zondeslaap, wakker geworden uit hun dodelijke rust. Hier hebben de meeste kinderen van God voor het eerst een blik mogen slaan op Christus. Hier hebben we Hem leren kennen. Hier zijn we gebracht tot de gelovige omhelzing van Hem. Hier heeft de Heere ons een beginsel van heiligmaking geleerd. Niet door ons te vertellen wat we allemaal wel en niet moeten doen (want dat weten we wel), maar door onze blik te richten op Jezus (2 Kor. 3:18En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.).
Hier moet u zijn, gemeente, ook in de toekomst: bij het Woord, in de kerk. Er zijn heel veel goede en mooie initiatieven, maar dit is Gods initiatief. Hier wil God spreken. Tot u, tot jullie, tot mij, heel persoonlijk. Hier in de kerk wil de Heere wonen. Hier wil Hij nooddruftigen met heil verzadigen, en aan hongerigen en dorstigen het Brood en het Water des Levens geven.
Maar, er gebeurt na die zondag, als Thomas er niet is, wel iets heel moois. Kijk maar in vers 25. De andere discipelen dan zeiden tot Thomas: ‘Thomas, wij hebben de Heere gezien!’ Ze zeggen niet tegen Thomas: ‘Thomas, jammer jongen, je was er niet bij. Waar zat je eigenlijk?’
Nee, het is de liefde van hun opgestane Heere die hun harten in brand zet, om dit dwalende schaap weer terug te brengen. Ze zeggen: ‘Thomas, we hebben de Heere gezien. Man, we hebben Jezus ontmoet!’ Dat is een bewijs van onderlinge liefde. Dat hoort bij een gezond gemeenteleven. Dat als je iemand niet in de kerk ziet, dat je dan niet over hem of haar gaat praten. Maar dat je tegen zo iemand zegt: ‘We hebben de Heere gezien! Kom alsjeblieft terug!’ Dat hoort bij een wandel in de vreze des Heeren.
Dat moet je ook proberen te doen, jongelui, als je je vrienden niet ziet in de kerk. En je weet vast ook wel waar ze zitten, waar ze uithangen. Vragen: ‘Joh, kom weer terug! God heeft een boodschap voor je!’
En, gemeente, als u ziet dat gemeenteleden wegblijven, niet gaan kletsen, niet gaan roddelen. Niet zeggen: ‘Joh, heb je het ook al gezien? Die zit tegenwoordig daar, of: die blijft gewoon thuis!’ Niet doen! Laat Thomassen, laat kerkverlaters niet gaan, maar houdt ze vast.
Vers 25: ‘De andere discipelen dan zeiden tot Hem: Wij hebben de Heere gezien’. ‘Doch hij zei tot hen: Indien, als, ik in Zijn handen niet zie het teken van de nagels (van de spijkers) en mijn vinger steek in het teken van de nagels en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal niet, ik zal nooit geloven!’ Scherpe reactie van een kind van God, van een ongelovige gelovige. Maar laten we niet te snel zijn met ons oordeel. Eerst maar eens goed kijken.
De tien discipelen hebben een week tevoren de Heere Jezus ontmoet. Hij toonde hun Zijn handen: ‘Kijk maar, hier! Hier zijn de littekens. De gaten van de spijkers, waarmee Ik aan het kruis geslagen ben. Kijk maar! Ik ben het echt.’ En wat staat er dan in Lukas 24? Aanvankelijk zijn ze verschrikt en zeer bevreesd. Ze zien Hem aan voor…, voor wat? Voor een geest!
En dan moet de Heere Jezus het weer zeggen: Kijk, Ik ben een Man van vlees en been, een Man van vlees en bloed’. En dan nog twijfelen ze. Dan durven ze het van blijdschap weer niet te geloven. En dan zegt de Heere Jezus: ‘Is er misschien iets om te eten?’ En dan krijgt Hij een stuk van een gebraden vis en van honingraten en (zo staat er): ‘Hij nam het en at het voor hun ogen en zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen ik nog met u was’. En toen? Toen gingen ze uit zichzelf geloven? Nee, toen, zegt Lukas, opende Hij(!) hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Wat was er toch veel voor nodig, ook voor die andere tien discipelen om te gaan geloven in de opgestane Christus. Christus Zelf was er voor nodig. Zijn almachtige kracht en het werk van Zijn Heilige Geest, die, zegt Jesaja ‘de ogen van de blinden opent’. Niemand, van de discipelen, Johannes niet, Petrus niet, Jakobus niet, de andere discipelen niet, niemand was in staat om in eigen kracht te geloven. Wie anderen ongeloof verwijt, en daar zelf nooit last van heeft, die moet zich wel eerlijk afvragen of hij of zij wel hoort bij de discipelkring! Want ze hebben er allemaal last van!
Thomas is in zekere zin niet minder gelovig dan de anderen, maar hij was wel afwezig. Het was zijn zondige slordigheid.
En daardoor kunnen ook wij, kinderen van God, in het donker terecht komen. Door die zondige slordigheid. Maar als het gaat over de ongelovige gezindheid van Thomas en over de noodzaak van het werk van Christus en van de Heilige Geest in het hart, daarin zijn al de discipelen, daarin zijn al Gods kinderen gelijk. En dat brengt die ongelovige Thomas, ineens heel dichtbij.
Soms zeggen mensen tegen elkaar (en je hoort het verwijt in de toon van hun stem): ‘Geloof het dan toch! Je moet gewoon geloven!’ Maar wie een ander ongeloof verwijt, kent ongetwijfeld zijn of haar eigen ongelovige Thomas-hart niet. Dat hart, dat zegt: ‘Ik moet het eerst zien, ik moet het eerst voelen, ik moet het eerst proeven, ik moet het eerst zeker weten, anders geloof ik het niet!’
Misschien, jongelui, lijkt die reactie van Thomas ook wel een beetje op wat jullie denken: ‘Is de Bijbel wel echt waar? Bestaat God eigenlijk wel echt?’ ‘Ja, iedereen hier in de kerk zegt het, maar ik moet het eerst zien. Ik wil eerst bewijzen. Ik wil het eerst zeker weten. Dan ga ik pas geloven.’
Ik snap het, dat je dat denkt. Maar…, dan je moet niet als Thomas doen. Want, wie kan je nu overtuigen? Wie kan je nu laten zien en laten voelen dat het echt waar is? Wie? Ik niet. Je ouders niet, je vrienden niet… Dat kan God alleen. En dus moet je zijn, op de plaats waar God is. In de kerk, op de catechisatie, daar waar je je Bijbel leest en bidt.
‘Ja’, zeg je, ‘en dan kan ik wachten tot ik een ons weeg? En maar zien en maar hopen tot er ooit iets gaat gebeuren in mijn leven?’ Nee! Als je komt op deze plaats... Als je biddend naar de kerk gaat… Als je ’s ochtends als je naar de kerk gaat je knieën buigt en vraagt: ‘Heere, zegen toch Uw Woord?’ En als je zo naar de catechisatie gaat en als je zo in je Bijbeltje leest, dan zal de Heere horen!
Want we dienen een God Die hoort en verhoort. Dan zal Hij komen, ondanks al dat ongeloof in jouw en mijn hart. Dan zal Hij je laten zien, dat het waar is. Dat Hij leeft, dat Hij echt bestaat. En dat de Heere Jezus echt gekomen is, om verloren mensen -zo slecht als jij en ik- zalig te maken en te redden van de dood.
Misschien herkent u het ook wel. Misschien zit u ook wel, net als Thomas, zo te tobben in uzelf. U leerde door Gods genade iets zien en kennen van uw zonde en schuld voor God. En u zag als in de verte iets van de Zaligmaker van zondaars. Van hoe nodig u Hem hebt!
Maar nu? Hoe moet het toch verder? U zegt: ‘Kon ik het maar geloven. Ik kan maar niet geloven, dat ik de Zijne ben. Dat Hij Zijn werk ook voor mij gedaan zou hebben. Ik kan het niet geloven’.
U zegt: ‘Ik tob er al jaren mee. Is Zijn dood nu ook een verzoening voor mijn zonde? En is Zijn bloed nu ook om mijn schuld af te wassen?’
U moet het, net als de discipelen, net als Thomas, zoeken…, waar? Waar de Heere is. Waar is Hij dan? Hier, in de kerk. Hier wil de Heere antwoord geven, op al die vragen. Hier! Dat heeft de Heere gezegd en beloofd. En beloofd is beloofd. De Heere doet wat Hij gezegd heeft. Hier is de Heere, onder de prediking van het Woord. En de Heere heeft gezegd: Hier zal Ik wonen. En hier zal Ik spreken van boven het verzoendeksel (Ex. 25:22En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israëls.).
U brengt uzelf, u houdt uzelf, kinderen van God, Godzoekende zondaars, in het donker als u slordig bent in uw kerkgang. Als u met doordeweekse diensten thuis blijft. En als u met al uw getob, bij een Avondmaaldienst toch thuisblijft. U houdt uzelf in het donker. U mist de zegen.
Genoeg over Thomas. Veel belangrijker is de vraag: Wie is Jezus? We gaan daarop letten in onze tweede gedachte, maar we gaan eerst samen zingen uit Psalm 103:5: Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden, Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden. Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden; Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden, Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Ons tweede aandachtspunt:
2. Een komende Jezus, of: Wie is de opgestane Heere Jezus Christus? Wie is Hij? Zelfs voor Thomas, die er vorige week niet bij was? Zelfs voor mensen die nog wel eens verstek laten gaan in de kerk? Zelfs voor jongeren die het met de kerk en de catechisatie niet zo nauw nemen? Zelfs voor Zijn kinderen, die steeds weer moeten zeggen: ‘O, Heere, ik weet niet hoe het moet. Ik weet niet hoe ik moet geloven. Ik kan niet geloven. Mijn hart wil niet mee!’
Wie is Jezus voor Thomas, die er deze keer wel bij is? Wat doet de Heere Jezus met Thomas? Wordt hij weggestuurd? ‘Jammer, jongen, je was er de vorige keer niet bij, nu mag je gaan, ongelovige Thomas!?
Je vroeg zo scherp, zo onredelijk om bewijzen. Je kon het toch weten? Je wist toch de Schriften, dat Ik uit de doden moest opstaan? Trouwens, Ik heb toch ook Lazarus opgewekt uit de dood? Daar was je zelf bij!’ Je wist het toch, Thomas, van de profeten. Je wist het toch ook van Mij? Ik heb het drie keer voorzegd, dat Ik moest lijden en sterven en begraven worden en dat Ik daarna van de doden zou opstaan. En trouwens, je hebt het ook gehoord van Maria, van Petrus, van Johannes, van de Emmaüsgangers, en van de anderen…!’ ‘Thomas, daar is het gat van de deur!’
Nee! Gemeente, kijk toch Wie Jezus is. De deur is dicht. De deuren zijn gesloten. Maar Hij opent ze met Goddelijke kracht en komt binnen. Het ongeloof en de scherpe woorden van Thomas weerhouden Hem niet om terug te komen.
Als u, kind van God, de vorige keer ten onrechte verstek liet gaan bij het Heilig Avondmaal, omdat uw hart zo gesloten was, zo vol van twijfel en ongeloof. U kon niet geloven, u zei: ‘Ik durf niet te geloven, ik ga niet.’ Dan zal dat Hem niet weerhouden, om toch tot u te komen. Maar u deed Hem wel veel verdriet. Het is goed dat u uw knieën buigt en vergeving vraagt voor zoveel hardheid tegen een zo goede Meester.
Maar, bedenk, Hij is Dezelfde gebleven. Hij is niet veranderd. Hij wil uitkomst geven. Hij doet ons niet naar onze zonden. En Hij vergeldt ons niet naar onze afmakingen. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: Hij wist het wel, Hij weet het, dat wij mensen zijn. Hij is het die mild geeft en vergeeft, en niet verwijt.
De Heere Jezus Christus laat Thomas ook niet extra lang wachten. Hij bestraft hem niet. Hij stuurt hem niet weg. Hij zegt niet: ‘Thomas, nu is het genoeg geweest. Die anderen geloofden wel, maar jij niet. Daar is het gat van de deur!’
Nee, niets van dat alles! Wat hebben we toch, u die de Heere dient en vreest, een goede Meester. Hij doet ons nooit naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Hij vergeeft menigvuldig.
De Heere Jezus komt terug, op de volgende zondag. Na acht dagen (in onze manier van tellen is dat na een week), Hij komt terwijl de deuren gesloten zijn, Hij doet ze open, komt binnen en zegt: ‘Vrede’. Kijk toch, gemeente, hoe Hij het ongeloof van Thomas, hoe Hij het ongeloof van Zijn kinderen draagt en verdraagt. De schuld ervan is door Hem gedragen, Hij verzoent het.
Een komende Jezus. Bij Hem is alles wat u nodig hebt. Bij Hem is verzoening voor uw slordige kerkgang. Voor uw slordige, zondige leven. Voor je gespijbel op de catechisatie. Kom terug, jongelui, op de catechisatie. Volwassenen in de kerk, als u er niet altijd bent, kom terug. We zijn blij als u er bent. We zullen u – ik beloof het u – niet verwijtend aankijken. Want wij zijn allemaal precies hetzelfde. Dat ongeloof dat leeft in uw hart, dat leeft ook in ons hart, dat leeft ook in mijn hart. Maar hier moet u zijn, onder de dienst van het Woord, anders gaat het fout en goed fout ook. Anders komt u voor eeuwig om. Hier is de plaats waar God uw hart, uw leven wil veranderen. Hier is de plaats, jongeren, waar God je een nieuw hart wil geven.
Bij deze Jezus, u die de Heere zoekt, is verzoening (net als bij Thomas) ook voor uw ongeloof. Je kunt daar zo onder gebukt gaan, nietwaar? ‘Heere, ik zou zo graag willen geloven dat het ook voor mij is, maar ik kan het niet. Ik durf het niet. Mijn hart wil niet! Wat moet ik toch doen met dat ongeloof van mijn hart?’ Godzoekende mensen, u moet bij Hem zijn. U moet met al uw ongeloof naar Jezus toe. Hij maakt zalig van zonde, ook van de zonde van ongeloof.
Wat een wonder. De Heere stuurt Zijn ongelovige discipel Thomas niet weg. Hij heeft nog nooit een van Zijn kinderen, hoe ongelovig ook, weggestuurd. Ik weet niet hoe ik geloven moet en hoe ik geloven kan. Maar Hij biedt mij Zijn vrede. Vrede door het bloed van het kruis. Vrede door de wonden van Zijn handen en Zijn hart. Vrede en leven door de kracht van Zijn opstanding.
Wanneer? Waar? Waar Hij is. Waar het woord is. In het bijzonder in de samenkomst van de gemeente.
En wat blijkt dat Woord dan een machtig middel te zijn om het ongeloof in het hart van Thomas te breken. Als de Heere hier in de kerk, tegen u (zoekende mensen, die buiten Hem niet leven kunt, maar die ook niet weet hoe u geloven moet), als de Heere hier tegen u gaat zeggen: ‘Ziet hier ben Ik. Vrede zij u! Ik heb voor al uw zonden betaald. Ik stierf voor u. Ik ben opgestaan voor u. En Ik ga u vanaf nu alles geven, wat u nodig hebt, en wat u van uzelf niet hebt.’ Dit Woord is Gods machtige middel om ons ongeloof te breken. Daarom moet u hier zijn!
En wat zijn de zichtbare tekenen van de Heilige Doop en van het Heilig Avondmaal ook machtige middelen om ons ongeloof te breken. Als u, die de Heere dient, weinig betekenis ziet in het water van de Heilige Doop. Of als u soms wegblijft bij de bediening van het Heilig Avondmaal, dan doet u de Heere heel veel verdriet. Waarom? U brengt uw nood niet bij Hem. En u kijkt niet, naar de oplossing ervan, die Hij u voor ogen houdt. Terwijl Hij de tekenen van Zijn liefde toont, bent u er niet…
Maar er is geen reden voor hardheid naar u toe. Maar wij zeggen wel, met de discipelen: ‘Wij hebben de Heere gezien. Hier onder de prediking van het Woord. Hier in de kerk, bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Bij de bediening van de Heilige Doop. We hebben de Heere gezien. En Hij zei tegen ons (die even slecht zijn als u en jij, vol van ontrouw en ongeloof), Hij zei tegen ons: Vrede zij u.’ Niet meer thuis blijven dus…
Vers 27: Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. Een milde berisping. Een vriendelijke, liefdevolle terechtwijzing. En vooral ook een aansporing voor de toekomst.
En dan vers 28: En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God! Het verzet van Thomas breekt. Hij hoeft Jezus helemaal niet meer aan te raken. Kijk maar naar vers 29: omdat u Mij gezien hebt. Dat was genoeg. Aanraken hoeft hij niet meer.
En dan breekt die ongelovige Thomas uit in de meest heldere belijdenis uit de Evangeliën: ‘U bent de Heere, de opgestane Heere. En U bent God.’ Mijn Heere, mijn God.
Wat denk je, jongens en meisjes? Eindelijk heeft Thomas het weer op een rij? Schittert hier de logica, de nieuwe optelsom van Thomas? ‘Oh, nu weet ik het weer, dit is mijn Heere?’ Nee, dit komt niet van Thomas. Hier schittert Gods werk. Hier schittert de trouw van Christus.
En, gemeente, Hij is nog steeds Dezelfde. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Hij komt niet zichtbaar, letterlijk zichtbaar met onze ogen. Maar Hij komt wel echt. Door het Woord. Hij komt als de deuren van ons hart gesloten zijn. In ons vreesachtige, ongelovige hart. Dat geen weg meer ziet. Dat zegt: ‘Heere, waar moet ik toch naar toe met mijn ongeloof? Ik zie geen weg meer. Ik weet niet hoe het moet. En ik kan, ik durf, ik wil het niet geloven. Ik moet het eerst zeker weten.’
En dan? Dan komt Hij. Dan opent Hij de deuren en zegt: ‘Hier ben Ik. Voor u. Kijk maar, in Mijn Woord. Ik voor u, daar u anders, ook vanwege uw hardheid en ongeloof, de eeuwige dood had moeten sterven.’
Die zekerheid, die geloofsjubel van Thomas, dat is geen optelsom van eerdere ervaringen en bevindingen. Zo van: ‘Eerst geloofde ik dit, en toen dat, en toen beleefde ik dit, en dat… En nu heb ik tien punten op de lijst van mijn geloof, nu weet ik het zeker.’
Nee, tien punten heb ik op de checklist van mijn ongeloof, voor de hardheid van mijn hart, voor mijn ontrouw en voor mijn weglopen. Maar toen kwam Jezus door het Woord. En toen brak ik met al mijn zonde, twijfel en ongeloof. En toen zag ik Hem in Zijn onvergelijkbare, weergaloze liefde voor zo’n slecht mens, voor zo’n wegloper, die niet kon en wilde geloven. Toen zag ik Zijn liefde voor zo’n onverbeterlijk mens. En toen brak mijn hart. En toen brak mijn ongeloof.
Is uw Thomas-hart al eens gebroken aan de voeten van de opgestane Heere Jezus? Niet toen u de optelsom maakte van de tien punten van uw geloof. Maar toen u de optelsom moest maken van de tien punten van uw zonde en ongeloof? U wist geen weg meer. U wist niet meer hoe het verder moest. U verdiende het, dat de Heere nooit meer naar u zou omzien. Maar toen kwam Hij. En zei: ‘Vrede zij u’? Zalig u, die Hem nooit letterlijk met lichamelijke ogen gezien hebt, maar wel met ogen van geloof.
Dat, gemeente, hebben we allemaal nodig. Dat we mogen weten: Ik ben van Hem. En Hij is mijn Heere en mijn Zaligmaker. Niet door optelsommen, niet door redeneren of concluderen. Maar door Zijn komen tot ons. En door Zijn spreken tot ons door Zijn Woord. Wat ons overtuigt, wat ons ongeloof breekt. Zonder dat kunt u niet met vrede leven, kunt u niet in vrede sterven.
Het is niet genoeg, het is te kort voor de eeuwigheid en om te kunnen staan voor het Goddelijke gericht, dat u alleen maar met uw verstand weet dat er een Zaligmaker is en dat de Zaligmaker is opgestaan. U moet het weten dat deze Zaligmaker van zondaren uw Zaligmaker is, Die u als een goddeloze, als een vijand gerechtvaardigd heeft door Zijn bloed.
Tot slot, wie u ook bent… Het zou rechtvaardig zijn als God zou zeggen (tegen mij, tegen u, tegen jou), kijkend naar ons leven, naar ons hart, kijkend naar mijn zonde en ongeloof…: ‘Ga maar!’
Maar Hij zegt tegen u en mij: ‘Kom! Zie Mijn handen en Mijn zij. Dit deed Ik om mensen zoals u, om vijanden met God te verzoenen. Uit dit litteken in Mijn zij stroomde bloed en water op een verloren wereld.’
En dat is beschikbaar. Voor niets. Voor ieder verloren hart. Voor u allemaal. Wijs Zijn liefde dan niet langer af. Maar kom en buig ook aan Zijn voeten.
Amen.
Slotzang Psalm 132:9
Want Sion is van God begeerd, 't Wordt met Zijn woning hoog vereerd; Hier, sprak Hij, die het al beheert, Hier zal Ik wonen naar Mijn lust; Hier is in eeuwigheid Mijn rust.
Andere preken over Johannes
Andere preken voor Pasen
Andere gerelateerde preken