PREEK · KERKELIJK JAAR

Doe verzoening om Uws Naams wil - Psalm 79

Biddag - 10 maart 2021

Psalm 79:9: Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

INLEIDING

Psalm 79 begint somber: Jeruzalem verwoest, de tempel ontheiligd, als gevolg van de zonden van priesters en volk. Asaf erkent schuld en roept: Help ons, red ons, doe verzoening — niet om enig eigen recht, maar ter wille van Gods Naam. Die pleitgrond ligt buiten de zondaar zelf, in Gods barmhartige eigenschappen, die in Christus samenkomen. Zo wordt de klacht een gebed, en het gebed eindigt in lof: niet ik, maar U alleen zal de eer ontvangen, van geslacht tot geslacht.

THEMA

Een ootmoedig smeekgebed.

KERNPUNTEN

  1. Een berouwvolle roep uit de diepte.
  2. Een vaste pleitgrond in de hemel.

PSALM 79:1-13

1 Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.
2 Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.
3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.
4 Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.
5 Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?
6 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
7 Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
8 Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
9 Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.
10 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.
11 Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.
12 En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.
13 Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.

VOLLEDIGE TEKST

Doe verzoening om Uws Naams wil - Psalm 79

ds. J. IJsselstein - Psalm 79:9

THEMA

Een ootmoedig smeekgebed.

Gemeente, de preek op de avond van deze biddag, gaat over Psalm 79. Er zijn niet veel psalmen in de Bijbel die zo somber en klagend beginnen, en uiteindelijk zo vol roem eindigen als Psalm 79. Tussen de droevige ellende in het eerste deel en de roemtaal van het laatste vers ligt een innig gebed. Een innig gebed, waarvan we vanavond een gedeelte met elkaar overdenken. Ik wil u aandacht vanavond vooral vragen voor het negende vers van Psalm 79. De tekst voor de preek van vanavond kunt u vinden in Psalm 79:9: Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams, en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

We letten met elkaar op (en dat is ook het thema van de preek): Een ootmoedig smeekgebed. Er zijn twee aandachtspunten. Dit ootmoedige smeekgebed is een berouwvolle roep uit de diepte, en het is een gebed dat een vaste pleitgrond vindt in de hemel. Dus twee aandachtspunten: 1. Een berouwvolle roep uit de diepte 2. Een vaste pleitgrond in de hemel. Als eerste dus:

1. Een berouwvolle roep uit de diepte.

Wat we lezen in Psalm 79 is dramatisch. In donkere en bloedige kleuren zien we iets van de verwoesting van de stad Jeruzalem in het jaar 587 voor Christus, toen de stad door de Babyloniërs onder leiding van Nebukadnezar is verwoest en het volk van Juda in ballingschap is gegaan (2 Koningen 25, 2 Kronieken 36:15-21). De eerdere bedreiging van de profeet Micha is vervuld: Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds (Micha 3:12).

En dus begint Asaf deze psalm met een diepe zucht: O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld (vers 1). Kijk toch, Heere, wat ze gedaan hebben! Ja, maar er zit meer achter. En dat ontkent Asaf ook niet. We zien het verderop in vers 8 en 9. De oorzaak van dit drama is: Wij hebben gezondigd, wij en onze vaders (Ps. 106:6).

Wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan, ja, wij en onze vaders. Verzuimend alle trouw en plicht, wij vergramden God, de God des levens, die in het verleden zoveel wonderen had verricht (Psalm 106:4, ber.) Hier is geen godvrezende natie, die plotseling overrompeld is door de vijand. Maar hier is een stad, hier is een volk, van wie geldt: de maat was vol. Heidenen hebben Uw tempel ontheiligd, heidenen hebben Uw tempel verontreinigd.

Ja, maar het begon anders! In 2 Kronieken 36 staat, net voor de beschrijving van dit drama, dit: Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen, en zij(!) verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem. En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Maar zij(!) spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden, zij verleidden zichzelf tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was (2 Kronieken 36:14-16). Wat hier gebeurt, wat hier gebeurd is, is het gevolg van de zonde van de priesters en van het volk, van ambtsdragers en gemeente. Wie op deze biddag klaagt over het verval van de samenleving, over de miserabele toestand van de kerk in Nederland, die mag wel beginnen met te zeggen: Wij! Wij hebben God op het hoogst misdaan! En dit is er nu van gekomen, van wat wij gedaan hebben!

Dit (vers 2 en 3): Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands. Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef. Geen groter schande was denkbaar, dan de schande van niet begraven te worden. De dreigende profetie van Jeremia is vervuld. God houdt getrouw zijn Woord: En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijs zijn, en niemand zal ze afschrikken (Jeremia 7:33).

Wat een verschrikkelijk drama! De stad is verwoest, de tempel is een puinhoop en overal op de straten liggen dode lichamen. Huiveringwekkende beelden, zoals die ook in deze tijd met regelmaat tot ons doordringen vanuit oorlogsgebieden in het Midden-Oosten. Peilloos diep is het verdriet voor de schichtig om zich heen kijkende overlevenden. Alles is stuk, alles is weg: de stad, de koning, het leger, de tempel, de offerdienst, mijn volk, mijn familie… Wie er nog over zijn? Spotters! Kijk maar in vers 4: Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

Zulk verdriet, zulke rampen, in deze mate, kennen de meesten van ons niet. Maar in mindere mate hebben we allemaal wel ons eigen levensverdriet, om dingen die stuk gegaan zijn, om dingen die we kwijtgeraakt zijn. Om het verlies van dierbaren, om het verlies van gezondheid, van werk, van harmonie in ons huis, om het verlies van onze

levensvreugde. Waar moet je jezelf in zoveel verdriet aan vasthouden? En: Is er nog wel toekomst? Heeft het allemaal nog wel zin? Een nieuw seizoen breekt aan, maar hoe moet het toch verder?

Asaf wijst ons de weg. Niet zozeer en in de eerste plaats de weg naar een oplossing, naar: hoe komt het allemaal weer goed? Want het komt niet goed, als de oorzaak, als de reden van al dat verdriet niet boven tafel komt!

Dit is de weg: Asaf gaat bidden. Hij bidt (vers 5): Hoe lang, HEERE? Zult U eeuwig toornen? Over? Over onze zonden. Over mijn zonden. U doet geen onrecht. Want wij zijn schuldig. Wij hebben gezondigd. Wij hebben gedaan dat kwaad is in Uw oog (Psalm 51:4). Jazeker, Uw toorn zal gaan over de heidenen, die Uw Naam ontheiligd hebben (vers 6-7), maar getrouwe God, trouwe God van het verbond met Uw volk, maakt toch geen einde met ons! Hoe lang, HEERE? Zult U eeuwig toornen? Het zijn woorden die Augustinus naar de hemel riep, in de dagen van zijn berouw en bekering. Hij schrijft erover in zijn levensverhaal, in zijn Belijdenissen (XII, 28). Ik zal er een stukje van voorlezen:

Toen een diepgaande beschouwing mijn gehele ellende uit de verborgen grond tevoorschijn gehaald en voor de aanblik van mijn hart gesteld had, stak er een geweldige storm op, die een geweldige tranenregen met zich bracht. (Ik ging in de eenzaamheid) Ik wierp mij onder een vijgenboom neer, ik weet niet hoe, en liet mijn tranen de vrije loop en de stromen van mij ogen braken los, als een welbehaaglijk offer voor U, en veel sprak ik tot U, zij het niet met dezelfde woorden, dan toch in deze zin: ‘En Gij, HEERE, hoe lang? Hoe lang, HEERE, zult U eeuwig toornen? Gedenk ons de vorige misdaden niet’. Want ik gevoelde, dat zij mij vasthielden. En ik riep de klagelijke woorden uit: ‘Hoe lang, hoe lang nog zal het zijn: morgen, altijd door morgen? Waarom niet nu? Waarom niet in deze ure het einde van mijn smaadheid?’ Zo sprak ik en ik weende in de bitterste verbrijzeling mijns harten. En zie, daar hoor ik een stem uit de naburige woning, alsof een knaap of een meisje, dat weet ik niet, op zingende toon zei en dikwijls herhaalde: ‘Neem, lees, neem, lees.’ (En hij nam, en las!)

(Vers 8): Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun (heel erg verzwakt) geworden. Wat een gepast gebed aan het begin van een nieuw seizoen. Heere, geef ons voorspoed, geef ons geluk, geef ons vooruitgang en bewaar ons voor crisis of onrust? Nee, dit is veel beter: Gedenk, HEERE, niet meer aan het kwaad dat wij bedreven. Hoe gepast is dit gebed op deze biddag.

Gedenk ons de vorige misdaden niet. Bedoeld zijn de misdaden van onze vaders. De maat is immers vol geworden. Maar deze huidige generatie staat niet los van vorige generaties. Ze zijn in de lijn van het verbond aan elkaar vastgeknoopt, en zo zijn ook de zonden van de vroegere generaties en van de huidige generatie aan elkaar verbonden, samengebonden en opgehoopt. En nu is de maat vol (Mattheüs 23:32-36). Er is dus ook geen reden om met een verwijtende vinger naar vroeger te wijzen. Want tegelijkertijd noemt Asaf die vorige misdaden in vers 9: onze zonden. Wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen tevens.

Gedenk ons de vorige misdaden niet. Hier is een man aan het woord die zijn zonden voor ogen ziet zweven. Als dat zo is, dan kijk je niet meer om je heen, maar dan kijk je omhoog. Dan zeg je: O God, wat heb ik toch gedaan? Dan kijk je omhoog. En dan kijk je naar beneden, van schuld en schaamte: Heere, wat heb ik toch gedaan, tegen U? En dan toch weer, een blik met betraande ogen omhoog: Laat Uw barmhartigheden ons voorkomen. Laat Uw barmhartigheden ons te hulp komen.

Het is een beroep op de rommelende ingewanden van Gods barmhartigheid. Op Zijn hart dat brandt van ontferming voor berouwvolle Israëlieten. Had God in het verleden niet gezegd: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël (Ex. 4:22)? Had de Heere niet gezegd bij monde van Jeremia: Is niet Efraïm (en dat geldt ook Juda) Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE (Jeremia 31:20). Hier herinnert een berouwvolle zondaar de HEERE aan Zijn Naam, aan Zijn Woord. Hebt U niet Zelf gezegd, HEERE, dat Uw Naam is: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Exodus 34:6b)?

Zo bad Habakuk: HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens (Habakuk 3:2). Zo bad Daniël: O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Bij de Heere, onze God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben (Daniël 9:8-9).

Zo bidt Asaf (vers 9): O, God onzes heils! Dat wil zeggen: o, God van onze redding, o, God van onze zaligheid. Hier roept een kind van God die weet heeft van eerdere redding, van eerdere verlossing. Maar nu is het allemaal weg. Jeruzalem is een puinhoop geworden. De stad is verwoest. En de vijand zegt: Waar is God, op wie u bouwde? (Psalm 42:3,10). O, God van ons heil, o, God van onze zaligheid, denk aan Uw vorige uitreddingen, denk aan Uw eerdere, machtige daden van verlossing.

En dan volgen er eigenlijk drie beden. a. De eerste bede is: Help ons! Weet u niet hoe u bidden, weet u niet hoe u zuchten moet op deze biddag? Zo: Help! Help ons, barmhartige HEERE. Help ons, o God van ons heil. Ik ken mijn schuld voor U. Ik heb gezondigd. En nu wat verwacht ik, o HEERE, mijn hoop is op U (Psalm 39:8). Mijn hoop voor het komende seizoen, wat betreft mijn gezin, mijn huwelijk, wat betreft mijn school en opleiding, wat betreft mijn werk en ambt… Mijn hoop is op U! Mijn hoop, wat betreft het heil van mijn ziel, van mijn ziel, van de ziel van mijn man of vrouw, van mijn vader of moeder, van mijn kinderen… Mijn hoop is op U! Help ons.

b. En (dat is de tweede bede): Red ons! Wilt U ons redden, wilt U ons bevrijden? Zeker, ook van al deze ellende, van onze vijanden, en van de spot van onze vijanden, maar bevrijdt ons toch vooral van de oorzaak van al deze ellende.

c. En (dat is de derde bede): Doe verzoening over onze zonden! Bedek onze zonde met het bloed van het offer, met het bloed van het verzoenende offer, zoals dat altijd gebracht werd op de Grote Verzoendag. Ja, maar…, de tempel is er toch niet meer? De tempel ligt toch in puin? De offers zijn toch opgehouden? De altaars zijn toch omgegooid?

Ja, dat is waar. Hier roept een berouwvolle zondaar, die zijn schuld eigent, erkent en belijdt en die bidt om verzoening, maar hoe moet het toch? Door welke weg? Wat kan het donker zijn (ook nu nog) in het hart van zulke roepende zondaars. Als u roept, maar de weg niet ziet. Als u roept, maar u weet niet hoe uw zaak opgelost moet worden. Als u moet zeggen met de dichter van Psalm 22: Ik roep, maar U antwoordt niet (Psalm 22:3).

Vergeving, verzoening is nodig, maar hoe, maar waar en bij wie zal ik die vinden? Alleen bij Hem, van Wie echt gold: Hij riep, maar God antwoordde Hem niet. Hij kende geen zonden of misdaden (vers 8), Hij heeft nooit God misdaan. Maar Hij nam vrijwillig de schuld van de Zijnen op zich. Toen hun misdaden geëist werden door Gods recht, toen werd Hij verdrukt (Jesaja 53:7)), totdat Hij uiteindelijk riep met grote stem: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Mattheüs 27:46)

Opdat Zijn volk op de puinhopen van hun verloren bestaan, niet en nooit verlaten zou worden. Maar juist ervaren zou: Hij hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen. Deze smeking, deze klacht: O, God onzes heils, help, red ons en doe verzoening over onze zonden.

Het is een gebed dat we ook tegenkomen in Psalm 25, waaruit wij nu eerst gaan zingen het derde en het vijfde vers.

Laten we samen zingen Psalm 25 vers 3 en 5:

Denk aan 't vaderlijk meêdogen, HEER, waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriendelijke ogen, Zijn bij U van eeuwigheid. Sla de zonden nimmer ga, Die mijn jonkheid heeft bedreven; Denk aan mij toch in genâ, Om Uw goedheid eer te geven.

Lout're goedheid, liefdekoorden, Waarheid zijn des HEEREN paân Hun, die Zijn verbond en woorden, Als hun schatten, gadeslaan. Wil mij, Uwen naam ter eer; Al mijn euveldaân vergeven! Ik heb tegen U, o HEER, Zwaar en menigmaal misdreven.

Als je iets vraagt, dan wil je altijd graag zeggen waarom iemand anders het zou willen of kunnen doen. Dat doet ook David in Psalm 25, in de psalm waar we samen uit zongen. Je komt het tegen in vers 5, waar David zegt: ‘HEERE, wilt U mij mijn misdaden vergeven, want (en dan komt het): ik heb tegen U zwaar en menigmaal gezondigd’. Wonderlijk argument... Je zou denken, dit is juist een argument om iets niet te krijgen. Maar zo is het niet. Zeg het ook maar zo in je bidden: ‘HEERE, vergeef toch mijn misdaden, want ik heb tegen U zwaar en menigmaal gezondigd’ En in vers 3 noemt David nog een ander argument (en die twee argumenten horen bij elkaar): Denk, HEERE, aan het Vaderlijke mededogen, denk aan Uw brandende hart. We gaan dat verder zien in ons tweede aandachtspunt:

2. Een vaste pleitgrond in de hemel.

Immers Asaf zegt in vers 9: Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil. Hij zegt het tot twee keer toe: ‘ter oorzake van de eer Uws Naams’, en dan nog een keer: ‘om Uws Naams wil’. Ik kan niet pleiten op het goede van mijn voorgeslacht, want zij hebben gezondigd. Ik kan niet pleiten op iets van mezelf, want ik heb ook gezondigd. Ik kan, wij kunnen voor Uw aangezicht niet bestaan. Ik ben, wij zijn Uw gramschap dubbel waardig. Maar in het leven van Gods kinderen, in de harten van zulke berouwvolle en roepende zondaars, is er toch altijd ook een zeker besef van Gods barmhartigheid. Anders zou je toch wanhopig geworden, bij het zien van je schuld voor God, als je zou kijken naar de puinhopen van Jeruzalem, naar de puinhopen van je eigen leven voor God?

En daarom zegt Asaf: HEERE, laat Uw barmhartigheden ons te hulp komen en help ons, en red ons, en doe verzoening over onze zonden, omdat… Ja, waarom eigenlijk? Om Uzelf, HEERE! Denk, HEERE, aan Uw Eigen Vaderlijke mededogen. Ter oorzake van de eer Uws Naams. Om Uws Naams wil.

Ziet u geen weg meer? Moet u klagen over onverhoorde gebeden? Hoe moet u bidden voor het komende seizoen? Voor tijdelijke dingen voor eeuwige dingen? Zo: pleitend op de Naam van de HEERE. Want verder is er helemaal NIETS!

Wat is dat, dat pleiten op de Naam van de HEERE? Wat is dat, de Naam van de HEERE? De Naam van de HEERE dat is Wie Hij Zelf is: de eeuwige, de drie-enige God, Die alles doet om Zichzelf, zoals de Bijbel zegt: om Zijns Zelfs wil. Zo staat het bijvoorbeeld in Jesaja 43, waar de HEERE zegt: Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil(!), en Ik gedenk uwer zonden niet (Jesaja 43:25). Ik doe het niet om u, maar om Mezelf, om Mijnentwil (zie ook Jesaja 66:10).

Wat is dat, de Naam van de HEERE? Dat zijn Zijn deugden, Zijn eigenschappen, Zijn volmaaktheden. Hij is almachtig. Hij noemde Zich tegenover Abraham: God, de Almachtige (Gen. 17:1). Hij is genadig. Micha schreef ooit: Wie is een God gelijk U, die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. (Micha 7:18) God is waarachtig, betrouwbaar, goedertieren en barmhartig. Midden in zijn Klaagliederen zegt Jeremia: Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben, zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen (Klaagliederen 3:22-24). God is ook heilig en rechtvaardig. Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig (Exodus 34:7)

En nu zegt de dichter: Help ons, red ons, doe verzoening, bedek onze schuld, om wille van Uw Naam. Om wille van die Naam, zo heilig, zo groot en zo goed (Psalm 33:11).

God is heilig en rechtvaardig, maar ook genadig en goed. Eigenschappen, volmaaktheden, die zo onverenigbaar lijken… Ware het niet dat God in Zijn oneindige wijsheid die allemaal samen heeft laten komen in Zijn eniggeliefde Zoon. In Christus hebben genade en waarheid elkaar ontmoet, de vrede is met een kus van het recht gegroet (Psalm 85:11). En daarom, alleen daarom(!), om God, om Christus, kan een schuldige zondaar een beroep doen op Gods Naam. Het is de enige pleitgrond in ons bidden. Verder is er NIETS!

Daarom bidt David in Psalm 25: Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot (Psalm 25:11). Om de Naam van u, o HEERE, trouwe God van het verbond, van U die nooit loslaat, die nooit laat varen het werk van Uw handen. Om de Naam van uw Christus. Want: De zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden (Handelingen 4:12).

En dat alles heeft maar één doel. Je ziet het aan het eind van Psalm 79. En dat is ook het doel van deze biddag: de eer, de glorie en de heerlijkheid van Gods Naam. En daarom is alles wat volgt in vers 10, 11 en 12 geen onheilige behoefte aan wraak, geen onheilige behoefte aan pure, menselijke vergelding, maar het gaat de dichter ook daarin om de Naam van de HEERE! En daarom natuurlijk ook om de verlossing van Zijn volk, want dat is ook verbonden aan de eer van Gods Naam. Laat Uw vijanden toch niet zeggen, HEERE (vers 11): Waar is nu hun God? Laat ze toch niet denken dat U onbetrouwbaar bent en ons in de steek hebt gelaten. Want, Heere, die Uw Naam kennen, zullen (toch) op U vertrouwen, omdat U, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken (Psalm 9:10)?

Om Uws Naams wil, opdat die groot en heerlijk zou worden. Want onze hulp, onze redding en onze verzoening is vooral en in de één plaats tot de eer en glorie van God Drie-enig, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade (Efeze 1:6, zie ook Psalm 46:10 en Jesaja 30:18).

Daarom alleen zal God te doen: om Zichzelf, om Zijn eer en Zijn glorie. En daar mag u in uw bidden op pleiten. Wij allemaal, bij alles wat we vragen, om wat we het nodig hebben in het seizoen dat voor ons ligt: In ons, Heere, is geen recht. Bij ons is beschaamdheid vanwege onze zonden, maar, HEERE, doet U het alstublieft en geeft U het ons alstublieft om Uws Naams wil. Daar mag u in uw bidden op pleiten, u die de Heere zoekt. Uw leven is een puinhoop, omdat u tegen God gezondigd hebt. En u zegt: Dat dat zo is, dat mijn hart zo koud, zo doods, zo leeg, zo hard en zondig is, dat is omdat ik gedaan heb wat kwaad is in Gods oog. In ons is geen recht, bij ons is beschaamdheid vanwege onze zonden, maar, HEERE, doet U het alstublieft om Uws Naams wil?

Kinderen van God, daar mag ook u (in het bijzonder!) op pleiten, op deze biddag, en ook op alle andere dagen. Van onszelf houden we niets over. Maar we zoeken het ook buiten onszelf. Onze eigen gerechtigheid is een wegwerpelijk kleed. Maar ons gebed is: HEERE, geef ons toch de mantel van Uw heil en het kleed van Uw gerechtigheid? (Jesaja 61:10) Doe ons opnieuw vreugde en blijdschap horen, doe ons opnieuw tot onze hartelijke vertroosting iets zien van de verzoening die er is in het bloed van Uw Zoon, o God onzes heils.

In ons is geen recht, bij ons is beschaamdheid vanwege onze zonden, maar, HEERE, doet U het alstublieft om Uws Naams wil? Om Uw naam, niet om ons. Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? (Psalm 115:1-2) En als U dan doet, wat wij niet verdienen, maar wat U uit genade belooft, dan zullen wij, zo, in die weg (vers 13): Zo zullen wij (zo eindigt de roemtaal van deze psalm), Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.

U hoort het: ik is weg. Het woordje ‘ik’ is weg. Het is alleen nog maar: U Uw volk, de schapen van Uw weide, U loven wij, Uw roem zullen wij vertellen. Want Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen. Vanwege Uw verkiezend welbehagen, o Vader. Vanwege de loskoppeling met de dure prijs van uw bloed, o Zoon. En vanwege Uw werk in ons hart, o God de Heilige Geest.

Drie-enig God, U zij al de eer!

Amen.

Slotzang Psalm 79:7

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden, In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden, En zingen van geslachten tot geslachten Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb're krachten.