2 juni 2013
Psalm 25:11: Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
INLEIDING
David bidt: "Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot." Hij pleit niet op wie hij is of wat hij doet, maar alleen op Gods Naam en trouw. Als een bedelaar erkent hij zijn schuld, ook die van vroeger. Wie zijn zonde groot en werkelijk erkent, mag juist daarom tot Christus komen: hoe groter de nood, hoe meer eer voor Zijn Naam als Zaligmaker.
Het gebed van de bedela
PSALM 25:7-13
7 Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen, gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE.
8 Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.
9 Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.
10 Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
11 Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
12 Mem. Wie is de man die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg dien hij zal hebben te verkiezen.
13 Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 25:11
THEMA
Het gebed van de bedela
AANDACHTSPUNTEN
Meisjes en jongens, ergens in de stad lopen twee bedelaars. Kort geleden hebben ze samen met elkaar gepraat. Vooral over die ene vraag: hoe halen we nu als bedelaars het meeste geld op? Om eten te kopen, om boodschappen te doen… Maar ze zijn er niet helemaal uitgekomen. De een zei: ‘We zien er niet uit! We moeten ons wat netter kleden. Dan krijgen we veel meer geld binnen. Weet je wat? Ik heb nog wat spaargeld, niemand weet dat, maar daar ga ik een mooi pak van kopen. Een mooi pak, een nette stropdas, een nieuw overhemd, en een nette tas, en ook een mooie schaal voor het geld dat ik ophaal. Als ik er netjes uitzie, dan levert dat vast veel meer geld op.’ De ander zei: ‘Nee joh, dan ben je geen echte bedelaar meer! Je moet laten zien hoe arm je bent! Dat moet je niet verstoppen. Je moet juist laten zien hoe arm je bent!’ En toen, op een zaterdag, liepen wij samen in de winkelstraat. Eerst zagen we die ene man. Een beetje raar was het. Het leek zo’n nette man. Een mooi pak, een net overhemd, een hele mooie schaal om geld in te krijgen. Maar, aan de andere kant, hij zag er helemaal niet schoon uit. Zijn haren waren vet en slordig gekamd, en zijn nagels waren vies. En toen we hem zagen deed hij een stapje naar voren en zei: ‘Ik ben een bedelaar.’ Wij keken elkaar aan en dachten bij onszelf: nou, dat lijkt er niet echt op… Een eindje verder zagen we die andere man. Hij zag er niet uit: vies, smerig, oude kleren, een versleten jas… Hij zei niets. Hij hield zijn vieze hand op en keek ons aan… En wij keken elkaar aan, en dachten: die man is echt arm. Dat kun je zien! Hem moeten we iets geven.
Goed onthouden, dit verhaal van de twee bedelaars. En thuis nog eens over praten met papa en mama, vooral over de vraag wat het betekent... Wat de betekenis is van het verschil tussen deze twee bedelaars.
Gemeente, de tekst voor deze dienst kunt u vinden in het boek van de Psalmen, Psalm 25 vers 11. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
Het thema voor de preek is: Het gebed van de bedelaar. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Waar hij zich op beroept: Om Uws Naams wil, HEERE. 2. Waar hij om bidt: Zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
Als eerste dus:
Psalm 25 is een psalm van David. Als je goed kijkt in je Bijbeltje, jongens en meisjes, dan zie je voor ieder vers een raar woordje staan: aleph, beth, gimel, daleth… Eigenlijk zijn dat de letters van het Hebreeuwse alfabet. Het Hebreeuws is de moeilijke taal waarin het Oude Testament is geschreven. Het zijn eigenlijk de letters A, B, C … Handig, als je als joods jongetje of meisje deze psalm uit je hoofd moest leren. Dat helpt bij het opzeggen. De A is van appel, de B is van boom, de C is van chocola… Je kunt de Hebreeuwse woorden natuurlijk niet gebruiken om deze psalm op te zeggen, maar het zou best wel goed zijn, als je thuis deze tekst misschien ook uit je hoofd zou leren: Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. Dan kun je tegelijkertijd samen met papa en mama misschien nog wat verder over de preek praten.
Psalm 25 is een psalm van David, waarschijnlijk uit de tijd dat hij achtervolgd werd door zijn zoon Absalom. David wordt bedreigd. Dat blijkt uit vers 2: Laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. Laat ze niet blij worden om mijn val. En in vers 15 blijkt dat zijn voeten bijna gevangen zijn in het net, in de strik. En in vers 19 lezen we dat zijn vijanden hem haten. En in die tijd bidt David. David is een kind van God. Hij dient de Heere van jongs af aan. Als klein kind diende hij de Heere. Laten we eens kijken hoe hij precies bidt, en wat hij precies bidt.
In vers 2 bidt hij om bescherming en bewaring: Laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen, laat ze niet blij worden over mijn val. Hij bidt (in vers 2 en 3) ook vol van vertrouwen: Op U vertrouw ik, en die U verwachten zullen niet beschaamd worden. Hij bidt ook om leiding. In vers 4: Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Het psalmversje, jongens en meisjes, dat jullie allemaal kennen: Heere, maak mij Uw wegen door Uw Woord en Geest bekend. Uw wegen, dat zijn de wegen van Uw geboden. Maar ook de wegen, de weg die U gaat met mijn leven. De manier waarop U mijn leven leidt, waarop U mijn leven stuurt. En terwijl hij bidt, zegt hij in vers 6: Heere, denk aan Uw barmhartigheden en aan uw goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. David gaat de Heere wijzen op Zijn deugden, op Zijn volmaaktheden. Moeilijke woorden voor wat wij zouden noemen: eigenschappen. David gaat vertellen Wie de Heere is, en hoe de Heere is.
Hoe is de Heere? Wat zijn Zijn eigenschappen? Hij is vol van barmhartigheden. In het Hebreeuws lijkt het woordje voor barmhartigheden op het woordje voor baarmoeder. Het plekje in de buik van mama, waar een kindje kan groeien. Barmhartigheid is tere liefde, zoals de liefde van een moeder voor een ongeboren of pasgeboren baby’tje. De Heere is ook vol van goedertierenheid. Dat is liefde die niet ophoudt. Wij zouden zeggen: trouw. Zoals een vader of moeder houdt van een kind. Ze zeggen: wat hij of zij ook doet, het blijft toch altijd ons kind.
En de Heere is goed, staat in vers 8. Hij is vriendelijk. Hij zorgt. En Hij is, zegt vers 9, recht. Dat wil zeggen: eerlijk. Hij zal nooit zeggen: Jij hebt gezondigd, maar ik vind jou zo aardig, ik zal het voor deze keer vergeten. Maar jij? Jij hebt al zo vaak gezondigd, jij krijgt dubbele straf. Dat is niet eerlijk. Eerlijk is eerlijk. Eerlijk is recht. En de Heere is recht. En Hij is vol van waarheid. Hij is eerlijk. Hij is betrouwbaar. Hij doet wat Hij zegt.
En dan… dan gebeurt er iets. Terwijl David zo mooi zingt van Gods goedheid, liefde en genade, en ook van Zijn rechtvaardigheid, kijkt hij ondertussen naar binnen, naar zijn eigen hart, en zegt hij als het ware: ‘God is goed, maar wat ben ik toch slecht! Ik ben onwaardig. Ik ben die goedheid van God niet waard.’ Onwaardig, dat wil zeggen: ik heb er geen recht op dat God goed is voor mij. Ik kan niet zeggen: U bent goed, maar ik ben eigenlijk ook een beetje goed…’ Nuttig is dat, en nodig, dat de Heere dat doet: wijzen naar ons hart. Door Zijn Woord en door Zijn wet. Door de wet van de Tien Geboden. Eigenlijk zijn het tien vingers die wijzen naar de zonde van ons hart. Paulus zegt in Romeinen 5:20Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest;: Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde. De Heere ging wijzen op de zonde van mijn hart. Hij scheen met Zijn licht in mijn hart, en ik zag steeds meer zonden. Veel meer zonden dan voorheen. Wij zeggen: de zondekennis verdiepte zich. Ik zag veel meer zonden, zonden van nu, maar ook zonden van vroeger…
Het is niet voor het eerst in vers 11, dat David zo naar binnen kijkt in zijn eigen hart. Hij deed dat al eerder in vers 7: Gedenk niet aan de zonden van mijn jonkheid, van mijn jeugd, van de tijd toen ik nog klein was.’ Misschien denk je: dat is een beetje raar. We weten heel veel van David, maar we weten ook dat hij heel erg zondigde toen hij groot, toen hij volwassen was. Toen doodde hij Uria. En toen keek hij naar Bathseba die zich aan het wassen was. Dat was niet goed van David, dat was overtreding van Gods gebod. En toen heeft hij Bathseba ook als vrouw genomen, terwijl hij niet met haar getrouwd was. Ook dat was een overtreding van het zevende gebod van Gods wet. Maar nu zegt David niet: ‘Vergeef mijn zonden tegen Uria, en verzoen mijn zonden met Bathseba’, maar hij zegt: ‘Vergeef de zonde van toen ik nog klein was!’ De mensen zeggen: David, dat was vroeger zo’n lief kereltje, zo’n aardig jongetje. Die diende Heere al toen hij nog heel klein was… Maar David denkt: mensen, je ziet het allemaal niet, en je weet het allemaal niet, maar mijn hart was heel anders. Misschien denkt u: ja, maar die zonde is toch allemaal vergeven? Ja, maar daarmee is de herinnering nog niet weg. Het kan zijn dat we door Gods genade de Heere hebben mogen leren kennen, dat we mogen zingen van de wegen des Heeren, van Zijn genade en goedertierenheid, maar toch blijven we ons bewust van onze zonden. We worden ons meer en meer bewust van onze zonden; van nu, van vroeger… Als we ouder worden, verdwijnen onze zondetranen niet. Ze worden inniger. En het wonder wordt groter: dat U, Heere, mij toch hebt opgezocht! Dat wordt een steeds groter wonder. We blijven ons bewust van onze zonden, en we blijven ons ervan bewust
(ook als we ouder worden) dat we iedere dag de leiding van de Heere nodig hebben, vanwege onze blindheid en onbekwaamheid. David heeft dus al eerder, in vers 7, een blik geslagen in zijn hart. Maar hij doet dat helemaal duidelijk in vers 11. Precies in het midden van Psalm 25. Dat is niet toevallig. Vers 11 is het centrum, de climax van deze psalm. Om Uws Naams wil, HEERE. Om wille van Uw verbondsnaam. Doet U het, HEERE, omdat U altijd trouw Uw Woord houdt.’
Hoe moet u bidden? ‘Heere, doe het om wie ik ben…? Ik ben mijn leven lang al lid van de Gereformeerde Gemeenten, ik ben gedoopt, ik heb belijdenis gedaan, ik ben netjes getrouwd…?’ Dat gaat niet, hè? U voelt het: niemand weet het, maar de zonden van mijn jeugd… Weet u, u bent een bedelaar in een net pak. En die krijgt niets…
‘Heere, doe het om wat ik doe, om al mijn inspanningen om bekeerd te worden…? Ik bid mijn leven lang al, ‘s ochtends en ‘s avonds, ik lees in de Bijbel, ik lees tegenwoordig ook in een dagboek, ik ga trouw naar de kerk, ik luister altijd aan de kerktelefoon en sla nooit een keer over…’ En u zucht: de Heere antwoordt niet… Wat moet ik toch doen? Weet u, u bent een bedelaar in een net pak. En die krijgt niets…
Mag ik u raad geven? U moet anders bidden! U moet niet vragen om wie u bent, maar u mag vragen om Wie God is. ‘Heere, ik heb geen recht! Als het aan mij lag, hoefde U nooit te horen, nooit te antwoorden, want ik heb het niet verdiend.’ Laat uw bedelaarspak maar zien: uw gescheurde kleding, uw vuile handen en uw vieze hart. En zeg maar: HEERE, om Uws Naams wil! ‘Heere, ik ben slecht, ik ben verloren, ik ben vol van zonde. De zonde van mijn jeugd, de zonde van nu. En mijn hart is zo dood en zo koud. Maar niet om mij, o God, maar om U! U bent rechtvaardig en recht. En ik buig voor U. Heere, ik heb geen recht. Maar U bent toch ook groot in trouw, in barmhartigheid en goedertierenheid. En daarom, Heere, doe het toch om Uws Naams wil!’ Bid zo toch op uw knieën voor God. Om U, HEERE, om Uw Naam, vergeef mijn schuld.
Misschien zegt u, ouderen: ‘Ja, maar ik heb mijn beste tijd verprutst.’ Ja, maar ik zeg u: God heeft nooit gezegd dat ouderen niet welkom zijn. Hij is even bereid om u aan te nemen, als dat Hij bereid is om kleine kinderen aan te nemen. Zij zijn niet beter dan u, en u bent niet slechter dan zij. Want wij zijn allemaal onwaardig. Wij hebben allemaal geen enkel recht. En daarom, worstel toch, ook u, ouderen, u die niet weet hoe u bidden moet, met deze bede op de lippen: HEERE, om Uws Naams wil!
En wat dan verder? ‘Want’, zegt u, ‘ik weet niet wat ik verder bidden moet…’ Bid dan maar verder met de woorden van Psalm 51 vers 1, die wij nu eerst samen gaan zingen:
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boet’ling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.
Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet. Ai, was mij wel van ongerechtigheid; Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.
Ons tweede aandachtspunt:
Zo vergeef mijn ongerechtigheid. Mijn ongerechtigheid… De vinger wijst niet meer naar anderen. Ik heb gezondigd. Mijn ongerechtigheid, mijn zonden, mijn overtredingen van Uw heilige wet. Daarin ligt opnieuw de erkenning: ik ben het niet waard, maar om Uw Naam, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid. Als u niet weet wat u bidden moet, buig dan thuis maar uw knieën, terwijl u uit uw geopende Bijbeltje leest wat staat in Psalm 51: Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten (Psalm 51:3-6). Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw (Psalm 51:9).
Gemeente, als u goed kijkt naar onze tekst, dan ziet u dat David eigenlijk twee redenen, twee argumenten gebruikt in zijn gebed. Om Uws Naams wil, doet u het daarom, HEERE! Dat is het eerste argument. Maar hij gebruikt nog een argument: Zo vergeef mijn ongerechtigheid, want (en dan komt het tweede argument) die is groot.’
Welke bedelaar krijgt wat? Niet die man in zijn nette pak. Zijn bak blijft leeg. Maar die arme, die laat zien hoe slecht het er met hem voorstaat. Daarom, als u bidt, denk dan niet aan alles wat goed lijkt aan u, maar denk aan alles wat slecht is. En kijk toch niet naar alles wat u denkt te hébben, maar zeg toch alles wat u míst. En zeg: ‘HEERE, mijn hart is vol van ongerechtigheid. En ik heb Uw gerechtigheid zo nodig. De vergeving en verzoening die er is in het bloed van de Heere Jezus Christus.’ HEERE, vergeef, want… Het valt wel mee…? Ik heb zo mijn best gedaan…? Nette bedelaar…!
Maar is dat toch niet wat we vaak bidden, of tenminste in het diepste van ons hart denken: Ik ben de slechtste niet…? Mijn zonden, die zijn relatief weinig vergeleken met die van anderen. Wie weet zal het meevallen… Mijn zonden, die zijn relatief klein vergeleken met wat anderen gedaan hebben. Misschien zal God mild zijn, misschien zal het meevallen… Maar het valt niet mee voor de nette bedelaar: zijn bak blijft leeg! En het valt niet mee voor de nette bidder, want u zegt: ‘De Heere antwoordt niet!’ Ja, dat klopt. Want, om een ander voorbeeld te gebruiken, wie dokter is, gespecialiseerd in kankerbehandeling (u weet wel, zo’n topspecialist uit een academisch ziekenhuis), die voelt zich niet vereerd als iemand voor een snotneus op zijn of haar spreekuur komt. Die voelt zich vereerd als er iemand komt op het spreekuur met de ergst denkbare kwaal. Hoewel die ander overigens niet geweigerd zal worden voor verder onderzoek.
Het gaat meevallen, en ik zeg dat tot uw troost en bemoediging, als u komt en zegt: ‘HEERE, mijn ongerechtigheid is groot! Ik kan de last niet dragen. Ik zal de straf niet kunnen dragen. Hier ben ik, arme bedelaar. Kijk toch hoe mager, hoe hongerig ik ben. Kijk hoe vies mijn handen zijn, hoe vuil mijn kleding, hoe leeg mijn bak…’ Als ooit ons hart in medelijden geroerd wordt, dan is het toch bij het zien van honger, armoede, gebrek en verlorenheid? Het hart van de allerhoogste God is geroerd, is innerlijk met ontferming bewogen, is vol van medelijden. Wij hoeven en kunnen dat niet bewerkstelligen. Maar het is zoals bij een beroemde dokter. Op het bordje voor het spreekuur zou kunnen staan: ‘In het bijzonder voor de slechtste gevallen!’ Want dan wordt zijn naam het meest beroemd. Dan krijgt hij de meeste faam, de beste reputatie.
Daar ziet u de kracht van dit gebed. Het neemt in eigen verlorenheid en onwaarde een argument om nog een keer te zeggen: ‘Om Uw Naam! Om Uw roem! Om Uw reputatie! Om Uw eer als Zaligmaker van verloren zondaren! Want Uw Naam, o drie-enige God, wordt toch heerlijk en groot, als U Uw oneindige macht aanwendt om mijn harde hart te verbreken, Uw oneindige genade om mijn schuld te verzoenen? HEERE, dan wordt U toch groot!’ En Uw Naam, o God de Vader, wordt toch heerlijk als U met Uw eeuwige liefde mijn verloren hart omhelst? Als U mij trekt uit de duisternis tot Uw wonderbaar licht? En Uw Naam, o grote Christus, wordt toch heerlijk als Uw Woord werkelijkheid wordt in mijn leven: het bloed van Jezus Christus Gods zoon reinigt van alle zonde? En Uw Naam, o God de Heilige Geest, wordt toch heerlijk als U het werk van Christus gaat toepassen in mijn hart? Als U zo de Naam van Christus gaat grootmaken in mijn leven? Als zo de grootste van de zondaren getrokken wordt door Uw genade? Doe het om Uw Naam, o HEERE, want ik heb gezondigd en mijn zonden zijn groot en veel.’
Hier ligt een blijvende en vaste grond om te bidden en te pleiten, in de eerste plaats (maar blijft u allemaal luisteren) voor hen die de Heere vrezen. Niet voor de groten, die groot zijn in zichzelf, maar voor de kleinen, die door Gods
genade klein gemaakt zijn. Die moeten zeggen: ‘Ik weet het niet meer. Ik heb niets, mijn leven is verzondigd. En ik ken nog maar zo weinig van mezelf en van God en van Christus.’
Neem dan toch de woorden op de lippen: HEERE, om Uw Naam, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. Want wat de duivel en wat uw eigen hart u in de weg leggen, als een verhindering om tot Christus te komen, dat is geen verhindering! Dat uw zonde veel is en groot is, dat hoeft u niet weg te houden van de Zaligmaker. Uw komst zal Zijn majesteit niet schenden, en Zijn heiligheid niet schaden. Dáárom, omdat uw zonden groot en veel zijn, dáárom mag u komen. Want het is tot Zijn eer, en het vergroot Zijn roem, Zijn Naam en reputatie, als Zijn bloed de grootste van de zondaren (met de meeste en slechtste zonden) wit wassen zal. Daarom, kom tot Hem! Vlucht tot Hem! En blijf niet steken in uw tevredenheid over uw bekering, uw levensverandering, uw bevindingen en uw vertroostingen. Maar vlucht met uw verloren leven tot Christus.
Hier ligt ook een blijvende en vaste grond om te bidden voor hen (maar blijft u allemaal luisteren) die meer vastheid ontvingen in het geloof, in genade en in verzoening door het bloed van Christus. Dit blijft, als het goed is, ons bedelaarsgebed: Om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. In ons is niets, alles is uit Hem. Wat schittert in de woorden van dit gebed toch Gods vrije ontferming, de eeuwige liefde van Zijn welbehagen. Hij was het, Die ons opzocht, Die ons opraapte en Die ons genade gaf. En dat was niet om iets uit ons. Het was alles om Hem. Alleen vanwege Zijn Naam, vanwege Zijn goedheid en barmhartigheid, vanwege de eeuwige liefde van Zijn welbehagen. En Hij deed het, en Hij gaf Zijn genade, door een weg van recht en waarheid. Om Christus’ wil, Die de dood inging om een weg te openen, terug naar God toe. Voor een wederhorig kroost. Een weg waardoor wij met vrijmoedigheid mogen toegang tot de troon van Gods genade, pleitend op Zijn Naam, op Zijn verbondsnaam. Op de trouw van Hem Die nooit laten varen het werk van Zijn handen.
Hier ligt ook een goede grond voor onbekeerden om te bidden, te pleiten op de Naam van de allerhoogste God. Om te komen tot Christus. U bent welkom. Als de armste, smerigste en grootste bedelaar, bij de beste Dokter: de Zaligmaker van zondaren. O, dat God de Heilige Geest u toch al uw vermeende rijkdom zou afnemen en u zou maken tot een arme bedelaar. Vermoei Hem dan ook niet meer door Hem uw vermeende rijkdom en gezondheid voor te houden. Maar kom tot Hem met uw armoede en met uw dodelijke kwaal. Als een arme bedelaar. En wees verzekerd, terwijl u bidt: u bent genodigd. U allemaal!
U zegt: ‘Ik ben slecht.’ Ja, dat is waar. Maar het evangelie zegt: Gij slechten, hoe lang zult u de slechtigheid beminnen? Keert u tot mijn bestraffing! En een ieder die dorst heeft, kome en drinke van het water des levens om niet! U mag vrij komen. U kunt uzelf niet verbeteren, u hoeft uzelf niet te verbeteren. U hoeft als bedelaar geen nieuw pak te kopen. U mag komen zoals u bent. God heeft nog nooit een komende zondaar geweigerd. Het is Zijn liefste werk, geloof me, om zondaren zalig te maken.
Hoe groter uw schuld, hoe meer u Hem nodig hebt, hoe gepaster Hij voor u is. Hoe groter uw schuld, hoe meer eer en roem er zal zijn voor Zijn Naam. Het is zo’n eer voor Hem, als u tot Hem komt. En u beledigt mijn Meester zo, als u na zoveel jaren nog steeds weigert om te komen en ook op deze dag uw hart verhardt. U trapt Hem op Zijn liefdehart.
Kom! Ook u, ouderen. Want waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. Ouderen, ik spreek in het bijzonder u aan. Als u dan ontwaakt bent uit uw dodelijke rust, als uw geweten onrustig geworden is, blijf dan (terwijl u Sodom ontvlucht) niet staan. Blijf niet buiten staan en zie niet om, zoals de vrouw van Lot. Maar buig uw oude knieën en zeg: ‘O, HEERE, om Uws Naams wil! Hier ben ik. Vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. Hij zal Zich zeker over u ontfermen.’
‘Maar’, zegt u, ‘mijn probleem is nu juist: ik voel me goed, ik voel me niet slecht. Was dat maar zo. Ik voel me zo dood.’ Dat is ongetwijfeld de gevaarlijkste ziekte, de ziekte die je niet ziet en niet opmerkt. De dokter zegt: ‘U bent doodziek’ en u zegt: ‘Ik voel me prima.’ Wat moet u dan doen? Naar huis gaan? Dan gaat u toch naar die dokter terug, en dan zegt u toch tegen die dokter: ‘Dokter, leg me toch uit wat de kwaal is, overtuig me ervan en probeer mij toch te behandelen!’ Daarom moet ook u, met uw dodelijke kwaal, bij Christus zijn. Want die ziek zijn, hebben een dokter nodig. Die verloren zijn, hebben een Zaligmaker nodig.
U zegt: ‘Ja, maar mijn probleem is: ik heb gezondigd tegen beter weten in. Zou het nog wel kunnen voor mij?’ Ja, het kan! Het is waar, zij die zondigden tegen beter weten in, zijn zonder twijfel de slechtsten en de grootsten van de zondaren. Maar de grootste vijanden van de Koning bewijzen Hem de meeste eer, door tóch voor Hem te buigen. En de meest ongeneeslijk zieken bewijzen de Dokter de meeste eer als zij tot Hem komen.
U zegt: ‘Gun me wat tijd. Ik zal mezelf proberen wat te verbeteren. Laat mij eerst mijn leven opknappen: ik zal meer lezen, meer stille tijd houden…’ U beledigt de Koning! U wilt delen in Zijn eer! U hoopt dat Zijn Naam groot worden zal, maar uw naam ook een beetje!
Stel uw komst tot Christus niet uit, want uw kwaal is dodelijk. Voordat u het weet is het te laat. Wie tot Hem komt is welkom. Die tot Christus komt, zal niet uitgeworpen worden. En u eert hem het meest als u heden komt, op deze dag. Zoals u bent. Moge de Geest van God u alles afnemen wat u kwijt moet. Opdat u werkelijk zou komen als een arme bedelaar. Opdat u door Zijn genade zou komen zoals u bent: ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt. En hij zal u, al bent u negentig jaar, niet uitwerpen. En hij zal jullie, ook al ben je nog jong, ook zeker niet uitwerpen.
Amen.
Slotzang Psalm 25:6:
Wie heeft lust den HEER te vrezen, 't Allerhoogst en eeuwig goed? God zal Zelf zijn Leidsman wezen; Leren, hoe hij wand'len moet. 't Goed, dat nimmermeer vergaat, Zal hij ongestoord verwerven, En zijn Godgeheiligd zaad Zal 't gezegend aard'rijk erven.
Andere preken over Psalmen