PREEK · KERKELIJK JAAR

De daden des HEEREN gedenken – Psalm 77

Dankdag - 12 juli 2020

Psalm 77:11-13: Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEEREN gedenken, ja, ik zal gedenken Uw wonderen van oudsher, En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.

INLEIDING

Wanneer Asaf in Psalm 77 wakker ligt van benauwdheid en zijn ziel weigert getroost te worden, roept hij tot God temidden van duisternis en twijfel. Toch keert zijn hart zich: hij zal de daden des HEEREN gedenken en Zijn wonderen van ouds her overdenken, want de rechterhand des Allerhoogsten verandert niet, ook al blijft de weg voor ons verborgen.

THEMA

Een lied in de nacht

KERNPUNTEN

  1. Klagen in somberheid
  2. Herdenken in verwondering

PSALM 77:1-16

1 Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedúthun.
2 Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.
3 Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
4 Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
5 Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen en sprak niet.
6 Ik overdacht de dagen vanouds, de jaren der eeuwen.
7 Ik dacht aan mijn snarenspel, in den nacht overlegde ik in mijn hart; en mijn geest onderzocht:
8 Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?
9 Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?
10 Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.
11 Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.
12 Ik zal de daden des HEEREN gedenken, ja, ik zal gedenken Uw wonderen van oudsher,
13 En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
14 O God, Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?
15 Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekendgemaakt onder de volken.
16 Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost, de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.

VOLLEDIGE TEKST

De daden des HEEREN gedenken – Psalm 77

ds. J. IJsselstein - Psalm 77:11-13

THEMA

Een lied in de nacht

Gemeente, we overdenken vanmorgen met elkaar, met de hulp van de Heere, de woorden van Psalm 77. De psalm is u zojuist voorgelezen, ik lees u samenvattend nu alleen nog de verzen 11 tot en met 13 voor. Psalm 77:11-13, waar we Gods Woord en onze tekst als volgt lezen: Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her; en zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Een lied in de nacht We overdenken: een lied in de nacht, met daarbij twee aandachtspunten: 1. Klagen in somberheid (ik denk dan vooral aan vers 1 tot en met 10) 2. Herdenken in verwondering (daarbij denk ik aan vers 11 tot en met 21) Als eerste dus:

1. Klagen in somberheid

Namelijk in geestelijke somberheid, in somberheid vol van geestelijke vragen. Want dat is wat Asaf hier doet. Wat de reden ook geweest moge zijn. Het kan ziekte geweest zijn, het kunnen omstandigheden in zijn familie zijn geweest, maar we moeten ook zeker denken aan donkere tijden in het leven van volk en kerk.

Dit, gemeente, is de werkelijkheid van het leven met God. De Prediker zegt: de dagen der duisternis zullen vele zijn (11:8). Zeker, het kan licht zijn in het leven van Gods kinderen. Het kan zo zijn, dat we de Heere dienen met blijdschap, en voor Zijn aangezicht komen met vrolijk gezang (Psalm 100). Maar het kan ook zo anders zijn. Zoals hier.

Het kan zo zijn (en misschien is dat wel vaak zo), het kan zo zijn vanwege onze zonden. Maar daar is in deze psalm toch eigenlijk helemaal niets van te merken. Hier zijn beproeving en moeite, donkere en onbegrijpelijke wegen van de Heere, en ze zijn ten diepste bedoeld als zegen. Ze hebben een goed doel. Komend uit het hart en uit de handen van een goede Meester. Dit is Gods doel (zo zal blijken): dat Asaf en wij voor Zijn wijsheid en grootheid zouden gaan bukken en die zouden gaan bewonderen.

Als het donker wordt in uw leven, als alles anders gaat dan gedacht (en ik zeg dat in het bijzonder tegen u, jonge christenen), als u Gods weg niet ziet of begrijpt, in uw persoonlijke leven, in het kerkelijke leven, in het maatschappelijke leven… Als uw eerdere gevoel van vreugde en blijdschap en rust in de Heere u ontvalt… Als die zogenaamde vrienden van Job komen, en in blindheid denken dat het goed is om u te bestraffen… Als de duivel u van alles en nog wat influistert… En het donker wordt en u geen licht meer ziet… En u voelt niets meer, en u ziet niets meer, en u weet het niet meer… Doe dan wat Asaf doet. Hij zegt in vers 2: Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.

En wat zegt deze bidder dan verder nog meer, midden in zijn verdriet en midden in zijn vertwijfeling? Als je dat leest, dan kijk je Asaf diep in zijn hart. En misschien kijken we ook u wel diep in uw hart, als we lezen in vers 3: Ten dage mijner benauwdheid zocht ik de HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

Wat een verdriet… Maar hieraan herken je een kind van God. Een ander gaat in zulke omstandigheden afleiding of vertier zoeken. Een ander probeert zijn stemming een beetje op te peppen. Maar een kind van God zegt: ik zocht de HEERE. Die trouwe God, Die nooit loslaat het werk van Zijn handen. En in al mijn duisternis en verdriet, ook al zag ik Hem niet, ik kon Hem toch ook niet loslaten: ik liet niet af!

Mijn ziel weigerde getroost worden. Je proeft de worsteling. De Heere is zo getrouw als sterk. God zal Zijn waarheid nimmer krenken. Maar…, is het wel voor mij? Bedrieg ik mij niet? Bedrieg ik mij niet in troost, in beloften, in genade of roeping? Ik dacht dat het vastlag in God, en ik weet dat het alleen maar vast kan liggen in God. Maar, waar is God? Waar is God op Wie ik bouwde en die van mijn zaak afwist?

Dacht ik aan God (vers 4), zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela. Anders was de gedachte aan God, aan wat Hij aan mij gedaan had, zo vertroostend. Maar nu, als ik aan God denk, nu wordt mijn ziel overstroomd met misbaar, met zuchten, klagen en kreunen. Dan maar even alles vergeten? Even slapen en nergens meer aan denken? Maar (vers 5) U hield mijn ogen wakende. Letterlijk staat er: U hield mijn oogleden open.

Ik was verslagen en sprak niet. Want, zouden anderen mij wel begrijpen? Zouden ze wel begrijpen hoe verward ik me voel? Zouden anderen van Gods kinderen zich ooit zo gevoeld hebben? Ik zweeg, in verwarring, in mijn diepe gevoel van ellende, in duisternis…

Wie denkt al lezend bij dit alles niet aan dat andere, enige Kind van God, de Heere Jezus Christus? Die in de dagen Zijns vleses, toen Hij op de aarde was, bad met sterke roeping en tranen (Hebreeën 5:7)? En in zware strijd zijnde, bad Hij des te ernstiger (Lukas 22:44). Wat schetst dat, dat bidden, Zijn bidden, de diepte van onze nood en duisternis, de diepte van onze schuld en verlorenheid voor God. Maar wat schetst dat ook de onmetelijke diepte van de onbegrijpelijke liefde van God voor zulk soort van mensen als wij zijn: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Johannes 3:16). Van eeuwigheid af was Hij in volkomen harmonie en vrede met de Vader in de hemel. Maar nu, als Borg, verlaten, verstoten en verslagen… Hij sprak niet. Jezus zweeg stil (Markus 14:61).

En toen, zegt Asaf, dacht ik stil bij mezelf aan vroeger… De echte omslag van deze psalm, het echte kantelpunt komt bij vers 11, dat komt straks pas. Maar toch begint het hier eigenlijk al.

Als het donker is in uw hart… Misschien denkt u ook wel: ik ben verslagen, en ik praat er niet over. Immers, wie begrijpt mij? En wie kan me helpen? Maar, mijn stem is tot God. Gelukkig, houd aan, grijp moed. Want God hoort uw zuchten en uw stem is voor Hem niet verborgen. Maar luister ook verder naar het woord van de Heere, om te leren van de ervaring van Asaf, dit kind van God.

Want de vraag is: hoe komt het licht in mijn hart toch weer terug? Mijn vroegere blijdschap in de Heere? Zo. Hier begint het mee. Ik ga u vier middelen noemen die Asaf tot zegen zijn geweest.

a. Het eerste middel staat in vers 2: mijn stem is tot God en ik roep; mijn stem is tot God (voor de tweede keer) en Hij zal het oor tot mij neigen. Het begint met: roepen tot God. Uit onszelf roepen we niet. En dus brengt God ons in de nood. Tot de roep voor het eerst of opnieuw klinkt: ik roep, HEERE, in angst tot u gevloden, ai haast U tot mijn hulp en red. Asaf kan twijfelen aan alles van zichzelf. Maar één ding weet hij (het is onverdiend, het is genade; zeker!): Als ik roep, dan zal God horen. Dan zal Hij het oor tot mij neigen. Het doet denken aan het innige gebed van de Heere Jezus: Vader, Ik wist dat U Mij altijd hoort (Johannes 11:42). Maar dit is anders. Hoewel, je proeft hier onwaardigheid en verwondering, maar toch ook iets van diezelfde zekerheid: Zo is de Heere, hoewel ik Hem niet zie… Hij hoort altijd! Dat is het eerste middel, bidden: HEERE, roepen: Ik roep u aan, haast u tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.

b. Dit is het tweede middel, wat we lezen in vers 7: Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. Ik dacht aan mijn snarenspel. Ga in al uw donkerheid en twijfel in stilte eens terugdenken en overdenken wat de Heere in het verleden heeft gedaan. Ja, u mag verder teruggaan, naar de jaren der eeuwen. Met welk een macht heeft God Israël uit Egypte verlost? Geleid door de Rode Zee? Gered uit de hand van farao? De weg gewezen door de hitte van de woestijn met de wolk- en vuurkolom? Gebracht bij de Sinaï? Geleerd wat het zeggen wil: vergeving te ontvangen door de weg van het bloed van het offer, gesprengd op het verzoendeksel voor Gods aangezicht? Vreugde gegeven in het hart, om met blij snarenspel op te gaan naar Gods huis?

Je mag teruggaan in je eigen leven. Naar die wonderlijke tijd, dat de Heere je opzocht. Misschien was je nog heel klein. Hij stortte Zijn liefde uit in je hart. Hij leerde je om Hem te zoeken, te dienen en te vrezen. Misschien was u ouder. Hij nam uw hart. Hij brak uw liefde tot de zonde. Hij leerde u wat genade is. Hij droeg u door tijden van moeite en zorg en redde u uit gevaren. En nu…, nu lijkt alles niet meer te kloppen. Maar God kan toch niet veranderd zijn? De Heere, Hij is toch gisteren en heden Dezelfde tot in eeuwigheid (Hebreeën 13:8)? Dat is het tweede middel: Als u in het donker zit, overdenk dan de dagen van ouds. Dus, het eerste middel is roepen. En het tweede is terugdenken, het verleden overdenken.

c. Dit is het derde middel. Asaf vertelt verder uit zijn eigen ervaring: in de nacht overlegde ik in mijn hart en mijn geest onderzocht. Ik onderzocht mezelf; onderzoeken. Zijn mijn zonden misschien oorzaak van deze duisternis? Een afgod, een verwaarloosde plicht? Want, waarom, Heere, hebt U mij verlaten?

Wat is het nut van deze vraag? Van dit zelfonderzoek? In de eerste plaats is het een ontdekkende vraag, die laat zien dat de Heere geen onrecht zou doen, als Hij je echt vergeten en verlaten zou. Omdat je zelf, Hem, met al je zonden, zo vaak vergeten en verlaten hebt. Maar in de tweede plaats ook dit: als je die vraag al klagend stelt, dan hoor je tegelijkertijd ook Iemand anders diezelfde vraag stellen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij(!) verlaten? Al is er niet een directe zonde aanwijsbaar, zoals hier, dan nog moet je van jezelf zeggen: Heere, er is bij mij zoveel zonde, zoveel schuld, zoveel twijfel, zoveel ongeloof en onvolmaaktheid. Maar Jezus, waarom vroeg Hij dan: waarom hebt U, Mijn God, Mij verlaten? Opdat ik nimmermeer, nooit door God verlaten zou worden. Kon ik het maar geloven… Dat is het derde middel, onderzoeken: Mijn geest onderzocht. Dus, het eerste middel is roepen. En het tweede is terugdenken, het verleden overdenken. Het derde middel is je hart onderzoeken, en…

d. Er is nog een vierde middel om uit de duisternis terug te komen tot het licht. Namelijk door het stellen van de zes vragen die Asaf stelt in vers 8 tot en met 10. Stelt u ze ook naar. Maar als u dat doet, dan zult u direct ervaren: het is meer dan zomaar vragen. Daar zit in die vragen iets van heilige redeneren en argumenteren. In deze vragen: Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten? Kan God verstoten? Zal Hij voortaan niet meer goedgunstig zijn? Kan Zijn gunst ophouden? Zal Zijn goedertierenheid in eeuwigheid ophouden? Kan dat? Kan de gunst, kan de liefde van de Heere ophouden? Ja, ik weet van een plaats, waar Hij Zijn liefde en gunst inhield. Op Golgotha, waar Jezus tot in het diepst van Zijn ziel werd geworpen in duisternis en verlating. Maar was dat niet juist om mensen zoals ik nooit meer te verlaten? Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet zou ontfermen over haar kind (Jesaja 49: 15)?

Hoort u, als u in uw hart die vragen aan God stelt, niet de echo van deze en andere Schriftwoorden? Zoek dan juist nu, juist in tijden van donkerheid, uw vastheid in het Woord van de Heere. Dan zult u zien, dan zult u lezen, dat de Heere al uw vragen vol twijfel één voor één beantwoordt met: Dat zij verre! Hoor, onverstandigheden en tragen van hart om Schriften te geloven, het Woord van de Heere Zelf. Bent u Zijn beloftewoorden vergeten? Zijn beloftewoorden die vast liggen in Hem, in Zijn onveranderlijke trouw, en die in Christus ja en amen zijn? Zie toch door het geloof in Christus op Gods beloften. Want in Christus, door het geloof in Hem (hoe zwak ook, hoe bestreden ook), zijn deze beloften voor u! Ik denk aan deze beloftewoorden: Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten (Psalm 94:14). Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten (Jozua 1:5). Ik zal niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden (Psalm 89:14, ber.). Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Psalm 32:8) Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten(!) (Jesaja 42:16).

Nog meer vragen heeft Asaf: Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. Gemeente, dit zijn Bijbelse vragen. Het zijn geen vragen vol ongeloof. Het zijn wel vragen vol strijd en twijfel. Het kan toch niet? De belofte van God wordt toch altijd vervuld? God is toch geen God, Die liegen zou of een mens dat het Hem berouwen zou? Bij Hem is toch geen schaduw van omkering?

Weet u wat zo bijzonder is aan deze vragen? En daarom zijn het ook geloofsvragen. Ze zijn op God gericht. Ze zeggen eigenlijk: Heere, zo bent U toch niet? Ja, ik weet het en ik belijd het, ik ben zo wel: zondig, ontrouw, ellendig en verloren in mezelf. Maar Heere, U vergeet toch niet?

Dit is ten diepste niet anders dan de raadsels van mijn hart en het raadsel van mijn leven in gebed omhoog werpen. Naar God toe: Heere, ik zie het niet meer, ik begrijp het niet meer, maar ik werp mijn nood, ik werp mijzelf op U, en op Uw Naam. Op Hem en om Hem, de Heere Jezus Christus, voor Wie Uw barmhartigheid zich wel toesloot. Hij riep, maar er was geen antwoord. Uw genade sloot Zich toe, voor Hem. En daarom kunt U Uw belofte aan mij toch niet vergeten? Daarom kunt U toch niet vergeten mij genadig te zijn? Daarom kunt U toch Uw barmhartigheid voor mij niet toesluiten?

Gemeente, Wie is er onder ulieden, die den HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des HEEREN, en steune op zijn God (Jesaja 50:10).

En als u dat doet, dan zult u zien, dat het niet terecht was dat Jakob zei: al deze dingen zijn tegen mij. Want in het alwijze Godsbestuur waren al die moeilijke dingen uit zijn leven en ook uit het leven van Asaf hier, in werkelijkheid niet tegen hem, maar voor hem.

We gaan het zo meteen verder zien in onze tweede gedachte, maar we zingen samen eerst uit Psalm 74:1 en 2: Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid Van Uwe gunst en onderstand verstoken? Hoe kan Uw toorn dus tegen ons nog roken, Die schapen zijn, zelfs door Uw hand geweid?

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond; Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen; Denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen; Aan Sions berg waar G' eertijds hebt gewoond.

Gemeente, het gaat vanmorgen vanuit Psalm 77 over een lied in de nacht. We hebben in de eerste plaats gelet op: klagen in somberheid, vanuit vers 1 tot en met 10. Nu ons tweede aandachtspunt:

2. Herdenken in verwondering

Want, zo staat in vers 11: daarna zeide ik… Daarna. Ineens is alles anders. Zoals we ook in andere psalmen tegenkomen. Bijvoorbeeld in Psalm 30: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich (30:6).

Wat is dit toch? Wat gebeurt hier toch? Herpakt deze man zichzelf? ‘Kom op, effe terug, man, naar dat eerdere gevoel van blijdschap en hoop en zekerheid?’ Nee, zo niet. Asaf heeft zich wel in zijn gedachten met zijn vragen terug gedreven naar het Woord. Zou de Heere mij verstoten? Zou Hij mij vergeten? U voelt, dat zijn vragen die een Bijbels antwoord ontlokken. Dit antwoord: Nee, natuurlijk niet! Want God blijft getrouw. En dus, mijn ziel, voed het oud vertrouwen weder, zoek in ‘s Hoogsten lof uw lust. In die weg wordt de duisternis verdreven, omdat…? Omdat de Heere Zelf door Zijn Heilige Geest en door middel van Zijn Woord het licht weer laat opgaan in ons donkere hart.

Daarna zeide ik (zo staat in vers 11): Dit krenkt mij (dit is mijn smart, dit is mijn verdriet, letterlijk staat er zoiets als mijn wond); maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. De zin is lastig om vanuit het Hebreeuws te vertalen, maar de strekking is helder. De blik gaat uit het donkere en verwarde hart van Asaf omhoog naar de rechterhand van de allerhoogste God. Naar wat Hij gedaan heeft, doet en doen zal. Hij zal in Goddelijke wijsheid Zijn welbehagen doen en zal nooit loslaten het werk van Zijn handen.

Wat een gezegende rust komt er dan in ons hart. Als we al onze vragen zo mogen loslaten, en als onze twijfel zo wegsmelt en plaats maakt voor…? Voor blijde jubel? Dat kan, zeker, maar hier voor stille bewondering.

Kijkt u maar naar vers 12: Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her. De weg is niet anders geworden, de situatie is ongewijzigd. Maar het zicht op het Woord van de Heere, op Wie de Heere is, op de betrouwbaarheid van God en op de rechterhand van de Allerhoogste, heeft de richting van Asafs hart veranderd. Want hij zegt: ik zal de daden des HEEREN gedenken, Uw wonderen van ouds her. En (vers 13) zal al Uw werken betrachten en van Uw daden spreken.

Ik zal gedenken en bewonderen… Ik zal Uw werken doen… Ik zal over Uw daden spreken… Wat blijkt ineens, dat God in die moeilijke wegen bij Asaf een hoge bedoeling had. Eerst was er dat stille zuchten en klagen, wat niemand zag en niemand hoorde: ik sprak niet. En nu is het veranderd in aanbidding, in lofzang tot God, met stil ontzag (zoals we aan het eind van de dienst zullen zingen uit Psalm 65).

En wat is dat, geliefde gemeente, een goed werk en een gezegende plaats. Dat hoort bij het goede leven met de Heere. Terugdenken aan het werk van God in je leven en daarover, over God en Zijn werk jezelf verwonderen en anderen daarover vertellen. De bekende puriteinse dominee John Flavel schrijft ergens: O, mensen, ik zeg u dat er in de hele wereld geen mooiere geschiedenis te lezen is dan die van uw eigen leven. Ga toch

zitten en vermeld van het begin tot nu toe, wat God voor u is geweest en voor u heeft gedaan, hoe kennelijk Hij u Zijn genade, trouw en liefde heeft geopenbaard en betoond in alle omstandigheden waarin u hebt verkeerd. Als uw hart niet smelt voor u halverwege bent, is het inderdaad een hard hart. “Mijn Vader, Gij zijt de leidsman mijner jeugd!” (Jeremia 3:4).

Mijn Vader, U bent de Leidsman van mijn jeugd! Begrijp je dan alles? Nee, maar je aanbidt het wel: Heere, hoe groot bent U? Kijkt u maar naar vers 14: O God! Uw weg is in het heiligdom (Uw weg is heilig, wonderlijk, groot); wie is een groot God, gelijk God?

Waarin is God dan groot? Hierin, lees maar in vers 15 en 16: Gij zijt die God, Die wonder doet; U hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken. U hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela. God is groot in verlossen. U hebt ons verlost. En dat zal ik gedenken en daarover zal ik spreken. Over de eeuwige wijsheid van U, o God de Vader, in Uw genadige verkiezing. Ik zal me in herinnering brengen de liefde van U, o mijn Heere en Zaligmaker. Die zo gruwelijk mishandeld, gelasterd en ter dood gebracht bent. Die opgestaan bent, ten hemel gevaren en gekroond bent in heerlijkheid en majesteit. En Ik zal me in herinnering brengen dat U Uw genadige werk, o Heilige Geest, begon in mijn vijandige hart, om mij (liggend onder de toorn van God, op de grens van mijn eeuwige ondergang) te verlossen!

Kom, geliefde medechristenen, overdenk met mij en spreek met mij over deze grote werken van God. Met verwondering: kom, luister, hoor wat God aan mij gedaan heeft. Wie is aan onze God gelijk? Als het gaat om onze ellende, mogen we wel zeggen: ik was verslagen en sprak niet. Maar als het gaat om Gods goedheid en genade, is er zoveel reden om God groot te maken.

Is hier niet het grote gebrek van onszelf, van veel christenen, en ook van veel dingen in ons kerkelijke leven? We spreken over onszelf, over onze kerk en over het goede van onze kerkelijke instellingen. Maar het gaat zo vaak alleen maar over ons, over ik… En als er iets is wat duisternis en geestelijke armoede brengt in ons eigen leven en in ons kerkelijke leven is het dat. Dat ik. Laten we dat ik, laten we dat ons vergeten, en de daden des Heeren gedenken en daarover spreken.

Even neemt Asaf ons mee terug naar het grote werk van God in het Oude Testament, in vers 17, 18 en 19, als hij zegt: De wateren (van de Rode Zee) zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd. De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.

Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde. Toen U ons verloste uit het Egypte van de zonde. Moeten ook wij niet, kinderen van God, zij het met andere woorden, zo hoog opgeven van wat de Heere in het verleden in ons leven deed? Van de grote daden van Zijn verlossing? Hoeveel macht, hoeveel majesteit en liefdegeweld toonde God in ons leven? Toen Hij ons verloste uit de slavendienst van de zonde? Uit de macht van de duivel? En toen Hij ons bracht tot Zijn genade en tot Zijn Christus? Denk daaraan, als u nog in het donker zit… En overdenk dat en spreek daarover, als de Heere het licht weer deed opgaan in uw hart en leven. Overdenk het en spreek erover met verwondering en aanbidding.

Zoals in vers 20: Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. U leidde Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. Drie dingen zegt Asaf tot slot aan het einde van deze psalm.

a. Als eerste zegt Asaf dit: Uw weg was in de zee en Uw pad in grote wateren. Het leek zo onmogelijk. Het was zo donker. Ik begreep de weg van de Heere niet. Want de zee is in de Bijbel een beeld van scheiding en onmogelijkheid. Ik stond als voor de zee. Maar plotseling ging Uw weg dwars door de zee. Het leek zo onmogelijk, maar U hebt het gedaan. U hebt, in Uw lieve Zoon, een pad gebaand om mij te verlossen van mijn zonde en schuld. U was het, die verlossing zond! Hoop daarop, hoop op Hem, als het in uw leven donker is, als uw schuld u drukt, als u geen weg meer ziet. Hoop op Hem, dan zal er verlossing komen.

b. En het tweede wat Asaf zegt is: Uw voetstappen werden niet bekend. Ik begreep Uw weg niet. Want U bent hoog en wij begrijpen U niet. Denk niet, gemeente, dat er ooit een moment zal komen, dat u de wegen van de Heere zult begrijpen. Aanbid ze maar.

c. En het derde wat Asaf aan het einde van deze psalm zegt is: U leidde Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en de Aaron. Het waren in onze ervaring stormen. Wij leken voor het oog en voor het gevoel een opgejaagde en verwarde kudde. Maar in werkelijkheid was het anders. U, o grote God, hebt ons geleid.

En als we dat zien, dan zwijgen we opnieuw. Als de verwondering groot is, dan kan je zingen. Maar als de verwondering nog groter wordt, dan ga je opnieuw zwijgen. Heere, nu begrijp ik U helemaal niet meer. Hoe groot bent U! Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid (Micha 7:18)

U hebt me geleid. U zult mij leiden door Uw wijze raad. Dwars door alle moeite en zorg heen. En daarna, na deze reis door de aardse woestijn, zult U me brengen in het Kanaän van de rust. U hebt ons geleid als een kudde, door de handen van die twee groten, die kleine mensen bleven, Mozes en Aäron. U hebt ons geleid als een kudde door de handen van de grote Herder der schapen, de Heere Jezus Christus, de goede Herder. Veracht, om mij. Geslagen, om mij. Verlaten, om mij. Gebracht in duisternis en verlating, om mij. Geleden, voor mij. Gestorven, voor mij. Opgestaan, voor mij. Verhoogd en gekroond, voor mij. En nu leidt Hij mij, door wegen van licht en duisternis, om mij te leren, om mij af te breken en Zichzelf te verheerlijken en God groot te maken.

Geliefde gemeente, de grote vraag aan het einde van deze dienst is: Kent u iets van deze wonderlijke wegen van de Heere? Van de verlossende daden van de rechterhand van de Allerhoogste? Van dat gelukkig geleid worden als een kudde, door diepe stromen en donkere dalen, maar aan de handen van Christus? Terwijl u terugkijkend mag verwonderen over de daden van de rechterhand van de Allerhoogste?

Als u dat niet kent, dan mag ik u vanmorgen in Gods Naam uitnodigen, aan het einde van deze dienst, om met ons mee te gaan. Om met ons mee terug te gaan naar de tegenwoordige tijd van vers 2. Daarmee begon het, zo bleef het, en zo zal het blijven: Onze stem is tot God en wij roepen. Onze stem is tot God. En wij verzekeren u, Asaf verzekert u, nee, sterker, God belooft u: Als u roept, zal Hij het oor ook tot u neigen. En u verhoren, om Jezus’ wil.

Amen.

Slotzang Psalm 65:1:

De lofzang klimt uit Sions zalen Tot U met stil ontzag; Daar zal men U, o God, betalen Geloften, dag bij dag. Gij hoort hen, die Uw heil verwachten, O Hoorder der gebeên, Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.