21 juni 2015
1 Koningen 19:9-10: En hij kwam aldaar in een spelonk en vernachtte aldaar; en zie, het woord des HEEREN geschiedde tot hem en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elía? En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen, want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen.
INLEIDING
Elia, gevlucht en moedeloos, wordt door De Heere gevoed en gebracht tot Horeb, waar de vraag klinkt: "Wat maakt gij hier, Elia?" Zijn antwoord is een klacht vol zelfmedelijden en een aanklacht tegen zijn volk.
Mozes zocht ooit verzoening voor Israël, Elia zoekt eerder recht en straf – beiden tevergeefs.
Alleen Christus, de meerdere Mozes en Elia, kan recht en genade verenigen: Hij droeg de wet en bracht verzoening. Aan het Avondmaal wijst dit heen naar Hem alleen.
Gods verschijning aan Elia bij de berg Horeb
1 KONINGEN 19:8-13
8 Zo stond hij op, en at en dronk; en hij ging door de kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.
9 En hij kwam aldaar in een spelonk en vernachtte aldaar; en zie, het woord des HEEREN geschiedde tot hem en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elía?
10 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen, want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen.
11 En Hij zeide: Ga uit en sta op dezen berg voor het aangezicht des HEEREN. En zie, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor den HEERE heen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;
12 En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.
13 En het geschiedde als Elía dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel en uitging en stond in den ingang der spelonk. En zie, een stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elía?
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 19:9-10
THEMA
Gods verschijning aan Elia bij de berg Horeb
AANDACHTSPUNTEN
Elia is gevlucht. Voor koningin Izebel. En nu zit hij moedeloos in de woestijn onder een jeneverstruik. Moe van zijn taak, bang voor Izebel, het liefst zou hij sterven. Daar bidt hij ook om: neem mijn ziel maar van mij. De eerste keer nadat hij werd wakker getikt, sliep hij verder. Maar nu is hij voor de tweede keer aangetikt, aangeroerd door (zo staat in vers 7) de engel des HEEREN. En die zegt tegen hem: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn. Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg Gods, Horeb. Hij is hier in de woestijn, vanwege zijn eigen dwalen, omdat hij zelf eigen wegen gegaan is. Maar de Heere heeft hem niet verlaten.
Sterker nog, de Heere gebruikt juist die weg in de woestijn. Eerst door hem heel persoonlijk, uit Gods eigen hand te voeden met water en brood. Maar ook om hem te herinneren aan vroeger. Plaatsen van moedeloosheid en ingezonkenheid herinneren ons vaak aan Gods trouw in vroeger tijden, aan vroegere genade. Want, zo zouden wij zeggen: ‘Elia, kijk eens om je heen! Alles in deze woestijn van moedeloosheid herinnert aan het vroegere dwalen van het volk Israël, en tegelijkertijd aan de trouw van Israëls God.’
Elia gaat verder. Door de kracht van het hemelse brood en dat hemelse water gaat hij veertig dagen en veertig nachten verder de woestijn in. Zo zijn de tekenen van brood en wijn ook bedoeld, als tekenen uit Gods hand tot versterking en bemoediging van moedeloze en verwarde kinderen van God. Waardoor zij weer verder kunnen. Veertig dagen en nachten duurt zijn reis. Dat is goed gerekend ruim drie keer zo lang als dat strikt nodig was. Je kon die reis in twaalf of dertien dagen afleggen. We kunnen alleen maar gissen naar wat de reden is geweest van zijn vertraging. Was het de hitte, waren het zandstormen? We weten het niet.
Maar zijn richting lijkt vastberaden: de berg Gods, Horeb.
Een opdracht om daar naartoe te gaan heeft hij niet gekregen. Maar Gods voorzienigheid brengt hem er wel.
Wat is het, dat Elia daarheen trekt? Echt weten, doen we het niet. Horeb, dat is de berg waar God eerder verschenen is. Dat is de plaats waar God vroeger kwam tot Zijn volk. Is het dat wat Elia daarheen trekt? Is er een stille hoop in zijn hart op een bijzondere ontmoeting met zijn God? Want op geen plaats is God in het verleden zo vaak verschenen als bij de berg Horeb. Eerst aan Mozes in het brandende braambos. Later daalde de Heere neer in donder en bliksem om Zijn wetten te geven op de berg Sinaï. Sinaï, dat is de plaats van Gods tegenwoordigheid. De plaats van Zijn recht, maar ook de plaats van Zijn onveranderlijke trouw. De trouw waarmee Hij wilde wonen en blijven wonen bij Zijn ontrouwe volk.
En dan komen we bij onze tekst, het 9e en 10e vers van 1 Koningen 19: En hij kwam aldaar in een spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia? En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
Het thema voor onze (tweede) voorbereidingspreek met het oog op het aanstaande zondag te houden Heilig Avondmaal is: Gods verschijning aan Elia bij de berg Horeb We letten op twee aandachtspunten: 1. De vraag van de Heere 2. Het antwoord van Elia Als eerste dus:
Na veertig dagen en veertig nachten neemt Elia (zo lezen we in vers 9) bij de berg Horeb zijn intrek in een spelonk, in een grot. Je zegt: daar gaat hij zeker bidden? Nee, dat staat er niet. Er staat simpel dat hij daar de nacht doorbracht. Dat wekt de indruk dat hij daar toch vooral geslapen heeft...
En ziet (vers 9b), het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: wat maakt gij hier, Elia? En ziet! Let op, luister! Er gebeurt iets bijzonders! En dat is ook zo… De Heere verschijnt aan Elia en spreekt met hem. En dit is de vraag: Wat maakt u hier, Elia? Wij zouden zeggen: U hier, Elia? Wat doet u hier? Wat doe je hier? Als je vader of moeder, of de meester of juf dat tegen je zegt, dan voelt dat als: ‘jij hoort hier niet te zijn…!’ En dat klopt ook. De toon is een beetje bestraffend, een beetje verwijtend.
En tegelijkertijd wordt er bij zo’n vraag ook een antwoord verwacht. Je moet ergens mee voor de dag komen. Zeg het maar: wat doe je hier? We zeggen: het is ook een ontdekkende vraag. Want nu moet je het eerlijk zeggen, Elia: Waarom ben je hier? Waarom ben je hier, zo ver weg van huis, zo ver weg van je werk als profeet? Wat lig je hier te slapen, in deze spelonk? Waarom ben je hier zo eenzaam? Waarom ben je niet bij de mensen van je volk, om daar je werk te doen? Wat maakt u hier? Dat is ook een vraag in deze week van voorbereiding. Niet zozeer wat betreft uw ‘in de kerk zijn’ op dit moment, als wel in geestelijke zin, wat betreft onze geestelijke toestand. Wat maakt u hier? Waarom bent u hier? In deze toestand van zorgeloosheid? Zo ver van huis? Zo ver verwijderd van het Woord, van het gebed, van de stille omgang met de Heere? De toon is bestraffend. En dat is terecht, als ik ver van huis ben, als ik niet op mijn post ben. Maar de toon is ook vriendelijk en pastoraal: ‘Elia, je kropt het nu al tijden op voor jezelf, zeg het maar tegen Mij.’ David verborg het vroeger ook allemaal voor Mij. Toen hij zweeg, werden zijn beenderen verouderd, in zijn brullen de ganse dag. Want Mijn hand was dag en nacht zwaar op hem; zijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Maar toen kwam er verandering: Mijn zonde maakte ik u bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde (Psalm 32:3-5Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.). ‘Zeg het maar, Mijn moedeloze kind. Ook in deze week van voorbereiding. U loopt zo te zuchten, u loopt zo te tobben, u loopt zo rond te draaien in uw moedeloosheid… Zeg het maar tegen Mij. Breng uw nood en ellende maar bij Mij. Stort voor Mij uit uw ganse hart. Ik weet het allemaal wel. Het is ook niet, dat ik het binnenste van uw hart niet zou kennen. Ik weet het allemaal wel, al uw moeite en verdriet, al uw tranen en je twijfels, maar geef ze maar in Mijn hand.’
Het is eigenlijk een vriendelijke vraag van de Heere om het hart van Elia uit te lokken. Net als dat de opgestane Heere Jezus Christus dat deed bij de Emmaüsgangers. Toen Hij vroeg (in Lukas 24:38En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?): Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? Wist de Heere dan niet wat er leefde in hun hart? Kende Hij hun vragen en overleggingen niet? Jazeker wel, maar… zo zei Hij, en zo zegt Hij: ‘zeg het allemaal maar tegen Mij.’
Doe dat maar, als u niet weet hoe het zondag moet. Als u zo vast zit in moedeloosheid, in twijfel, in aanvechting, als de duivel tegen u zegt: ‘u hebt toch geen heil bij God’. Als u uzelf moet veroordelen… Als u geen uitweg meer ziet bij alle vragen van uw hart… Dan is de vraag van de Heere: ‘Wat maakt u hier? Zeg eens, wat is er met u? Waarom bent u hier zo verdwaald? Zeg het maar tegen Mij. Want Ik heel gebrokenen van hart, Ik verbind zulke zielen in hun smart. Die met hun zonden en ellenden, tot Mij zich ter genezing wenden.’
Voordat we verder gaan met ons tweede punt, gaan wij samen eerst zingen. En dat doen we uit de psalm die ik zojuist even aanhaalde: Psalm 147:2De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen.. Hij heelt gebrokenen van harte, En Hij verbindt z' in hunne smarte, Die, in hun zonden en ellenden, Tot Hem zich ter genezing wenden. Hij telt het groot getal der starren, Die 't scherpst gezicht op aard' verwarren. Hij roept dat talloos heir tezamen, En noemt die alle bij haar namen.
Ons tweede aandachtspunt:
Zeg uw zonden en ellenden maar tegen Mij. Nou, dat is niet tegen dovemans oren gezegd. Het komt er bij Elia in één keer allemaal uit. Leest u maar mee in vers 10: En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
Het valt wel op, als je dit zo leest, dat het nog steeds begint met ‘ik’. Het is nog steeds een klacht van moedeloosheid, een klacht die ook niet vrij is van zelfmedelijden. En het klinkt ook nogal verdedigend: ‘nou, dat ik hier ben, dat kan U vast wel begrijpen!’ En er zit ook iets in van zelfrechtvaardiging: ‘ik ben heel ijverig geweest, ik was jaloers op Uw eer. Maar, helaas…’
Waarom blijft Elia zo in de put zitten? Waarom blijft het zo donker in zijn leven? Nee, ik bedoel dat niet gemakkelijk of verwijtend. Want zo gaat het vaker in het leven van Gods kinderen. Waarom blijft het zo donker in het leven van Elia? In ons eigen leven? Is het niet omdat ook wij vaak niet in Gods weg zijn? Eigen keuzes gemaakt, eigen wegen gegaan? Is het niet omdat ook wij vaak diep in ons hart onszelf willen handhaven, onszelf willen rechtvaardigen? Als we denken of zeggen: ik heb toch… dit of dat gedaan? Ik ben toch… zus of zo geweest? In plaats van: ‘ik beken, o Heere, aan U oprecht mijn zonden, ik verberg geen kwaad dat in mij wordt gevonden.’
We zijn zo geneigd om in die moeilijke en donkere wegen onszelf groter te maken dan we in werkelijkheid zijn. En tegelijkertijd om de Heere kleiner te maken dan Hij in werkelijkheid is. Jezelf groter maken…, kijk maar: ik heb zeer geijverd voor de Heere… Ja, voorheen wel, maar nu?
En kijk maar, de Heere kleiner voorstellen dan Hij is. Want, zo zegt Elia: ik ben alleen overgebleven. Maar er zijn nog honderd profeten, en er zijn ook nog zevenduizend knieën die zich voor Baäl niet gebogen hebben. De Heere is 99 keer, ja sterker nog: 6.999 keer, oneindig veel keer groter en sterker dan Elia denkt en zegt.
We moeten oppassen, dat we in tijden van geestelijke moedeloosheid en bestrijding eerlijk blijven denken. Eerlijk blijven denken over onszelf. En dat we tegelijkertijd Gods daden niet vergeten, en de Heere niet kleiner proberen te maken dan Hij is. Terwijl de zorgen en de vragen in onze gedachten alleen maar groter worden. En terwijl ik ondertussen blijf hangen in: ik ben alleen, niemand ziet me, niemand begrijpt me, niemand helpt me. Elia klaagt. Met zijn halve waarheden. Over zichzelf, maar ten diepste ook over God. Ten diepste ook over de macht, over de goede zorg en de wonderlijke daden van de Heere.
Maar, er is ook nog een andere kant in zijn antwoord. En dat is geen klacht over hemzelf, maar dat is een aanklacht tegen zijn volk. En dat maakt zijn antwoord hoogst ernstig. Als hij zegt: Ik heb zeer geijverd voor de HEERE, de God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik was jaloers op Uw eer. Zo heb ik mijn dienstwerk gedaan. Maar (en de beschuldigende vinger wijst): zij(!), Israël, Uw bondsvolk, zij hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren gebroken en Uw profeten met het zwaard gedood.
Een zware, een loodzware beschuldiging. Paulus zegt later in Romeinen 11:2-3God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende: Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.: De Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël (hij spreekt God aan, tegen zijn volk), zeggende: Heere, ze hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. Elia klaagt zijn volk aan. Zij hebben Uw verbond verlaten. U hebt Uzelf aan hen verbonden. U hebt hen het teken van de besnijdenis, later het teken van de doop gegeven. Maar zij hebben U verlaten en zijn andere goden gaan dienen. Uw altaren hebben zij afgebroken. U hebt hen een weg van verzoening en vergeving voorgesteld, door het bloed van de offers, door het bloed van het Lam. Maar zij hebben het ruw afgewezen. En uw profeten hebben zij gedood. U kwam tot hen met woorden van waarschuwing, maar zij wilden niet.
Moet dat niet misschien ook van sommigen van ons gezegd worden? Wel gedoopt, maar het verbond verlaten? De weg van het bloed veracht, het Woord naast u neergelegd? Het is een aanklacht naar de hemel, tegen het volk! Met misschien bij Elia ook wel de hoop dat God zal ingrijpen en wraak zal nemen. ‘Heere der heirscharen, waar bent U? Waar is Uw antwoord? Waarom grijpt U niet in?’
Ooit stond hier, waarschijnlijk hier ergens in de buurt, ook op de berg Horeb, die andere man Gods. Die tweede grote uit het Oude Testament: Mozes. Vaak worden ze in één adem genoemd: Mozes en Elia. Die twee, Mozes en Elia, lijken in allerlei opzicht (in leven en in sterven) op elkaar als twee druppels water. Toen, destijds, was er ook zo’n scherpe confrontatie geweest. Niet met Baäl, maar het volk Israël had een gouden kalf gemaakt. En toen ontbrandde de toorn van de Heere. Maar toen ging het op één punt anders. Toen zei Mozes (dat staat in Exodus 32): U (volk van Israël) hebt een grote zonde gezondigd (een wijzende, een beschuldigende vinger!); doch nu, ik zal tot de HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde. Zo keerde Mozes weer tot de HEERE, en zei: och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. Nu dan, indien U hun zonden vergeven zult! Maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk U geschreven hebt. Elia spreekt God aan tegen Israël. Mozes spreekt God aan voor Israël. Maar in beide gevallen is het antwoord afwijzend.
Mozes, u in de plaats staan van dit volk? U uw eigen ziel geven tot een rantsoen voor hen? Nee, dat is onmogelijk. Elia, moet dan vuur uit de hemel dalen op dit volk? Op dit volk waaronder duizenden zijn, die Ik heb liefgehad met een eeuwige liefde? Nee, dat is ook onmogelijk.
Mozes zoekt eigenlijk verzoening voor dit volk door een weg van: Heere, laat toch Uw rechtvaardigheid even los. Straf mij dan maar, dan zal ik verzoening voor hen doen. Ik, een zondig mens, voor deze zondige mensen, voor een zondig volk. Nee, Mozes, dat kan niet. Elia kijkt van een andere kant. Die zoekt eigenlijk geen verzoening. Die neemt de wet van Mozes in zijn hand en klaagt het volk aan. Hij verklaart het volk schuldig. Heere, mag er vuur uit de hemel komen? Die zegt eigenlijk: Heere, laat Uw genade maar los. Nee, Elia, dat wil Ik ook niet. Want Ik heb met Mijn volk gedachten des vredes gehad en niet des kwaads.
Voelt u de botsing tussen die twee? Tussen recht van God… Elia met de wet van Mozes in zijn hand, aanklagend, beschuldigend: Zij hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten gedood. Met andere woorden: dit volk heeft de dood verdiend! Voelt u de botsing tussen dat recht van God aan de ene kant, en genade en verzoening aan de andere kant? Mozes, staande op dezelfde plaats: ‘Heere, kan ik het doen?’ Nee, dat kan niet.
Hoe kunnen die twee zaken, het recht van God, de wet van God die volkomen gehoorzaamheid eist, aan de ene kant, en verzoening (ook in je eigen leven) lijnrecht tegenover elkaar staan. Heere, mijn verzondigde leven, mijn opstand tegen U, mijn verlaten van U, mijn grote zonde van het verachten van het bloed van het Evangelie…
Kan ik misschien zelf de prijs betalen? Kan ik de prijs van mijn ziel, dat rantsoen zelf misschien voldoen? Ik probeer het al zo lang. Was mijn zondebesef nu maar dieper, was mijn leven nu maar beter. Antwoord? Nee, uitgesloten. Mozes en Elia zijn beiden niet in staat geweest om echte verzoening, om echte vrede met God aan te brengen. Ze wezen ten diepste alle twee in al hun onvolmaaktheid ook alleen maar vooruit. Naar de grote, volmaakte Mozes, naar de meerdere, volmaakte Elia, die komen zou.
Die als het ware zou gaan zeggen: Mozes, een mensenziel, een ziel van een zondaar voor andere zondaren, dat is niet genoeg, dat is onmogelijk. Mijn Godheid is nodig om de last van de toorn van God tegen de zonde te dragen. En daarom heb ik gezegd: Zie, Ik kom! Die als het ware tegen Mozes zou gaan zeggen: ‘U betalen? Dat is uitgesloten.’ Maar die tegelijkertijd als het ware tegen Elia zou gaan zeggen: Elia, Ik vind in gunst en niet in wraak Mijn lust. De hitte van Mijn gramschap tegen al uw zonden en tegen de zonden van dat schuldige volk, zullen uitgeblust worden op Mij.
Dat, gemeente, is ook de boodschap van de meerdere Elia, van de grote Mozes, komende zondag aan Zijn tafel. Moet ik komen met mijn eigen ijver en trouw voor de Heere en voor Zijn dienst? Nee, want ik met mijn ontrouw en totale gebrek aan ijver sta lijnrecht tegenover Hem, die werkelijk kon zeggen: de ijver van Uw huis heeft Mij verslonden. Kan ik komen met iets van mijn eigen werken, van mijn eigen gehoorzaamheid aan de wet van Mozes? Nee, ik kan alleen komen om Hem, die gezegd heeft: Ik draag Uw heilige wet, die U de sterveling zet, in het binnenste van Mijn ingewand.
U mag komen, moedeloos kind van God, om Hem die echt verlaten is. Die echt verlaten is, niet alleen door Zijn ontrouwe discipelen, maar zelfs door Zijn liefhebbende, hemelse Vader. U mag komen om Hem, die in de diepte van Zijn lijden niet vroeg om weggenomen te worden, maar Zijn ziel vrijwillig heeft gegeven tot een rantsoen van zoveel kwaad. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde.
Hij heeft als de meerdere Mozes gebogen onder het recht van God. Voor en in de plaats van de rechteloze zondaars, die tegen al Gods geboden zwaar en menigmaal gezondigd hebben. En God rekent Zijn verdienste, Zijn werk uit genade toe aan doodschuldige zondaars. Hij moest als de meerdere Elia ook klagen, net als Elia: Jeruzalem, Jeruzalem! U, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.
Maar Hij was zo totaal anders. Niet alleen anders dan Mozes, maar ook zo totaal anders dan deze Elia. Hij vroeg niet om wraak, om vergelding. Nee, hij gaf Zijn discipelen de opdracht: begin nu straks maar, met de boodschap van Mijn genade, in Jeruzalem. Begin juist daar, bij Mijn vijanden.
Recht en genade hebben elkaar in Christus ontmoet. In Hem is de vrede met een kus van het recht gegroet. En dat recht van God ziet u, als het brood gebroken wordt. Zo is Hij gebroken. Dat recht van God ziet u, als de wijn vergoten wordt. Zo werd Zijn bloed vergoten. Dat was de eis van het Goddelijke recht. Laten wij daaronder dan buigen. Wij hebben de dood verdiend. Wij hebben niets van onszelf om aan te brengen. Zeg dan maar in uw hart, kinderen van God: Uw doen is rein, uw vonnis is gans rechtvaardig. Ik lig van mezelf en door eigen schuld midden in de dood.
Maar aan het Heilig Avondmaal ziet u ook Gods genade. Daar ziet u hoe de machtige Christus is tussen getreden, tussen God en schuldige zondaars. En gezegd heeft: Vader, Ik heb verzoening voor hen teweeggebracht. En Hij zegt bij de tekenen van het sacrament tegen Zijn kinderen: ‘Mijn kinderen, Ik heb dat voor u gedaan. Omdat u anders de eeuwige dood moest sterven.’
Meer dan een onmachtige Mozes, die zelf dacht dat hij verzoening kon aanbrengen… Meer dan een onwillige Elia, die zijn volk alleen maar aanklaagde en schuldig stelde… Meer dan Mozes en Elia is straks hier. Straks mogen we hier iets zien (de Heere geve het ons te zien aanstaande rustdag) van de heerlijkheid en van de glorie van Christus, de grote Profeet en Leraar, de grote Mozes, de meerdere Elia.
Op de berg van de verheerlijking, zien we ze beiden: Mozes en Elia. Lukas schrijft (9:30): En ziet, twee mannen spraken met Hem (met Jezus), welke waren Mozes en Elias. Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, die Hij zou volbrengen te Jeruzalem. Sprekend over Zijn lijden. Hij zou gaan doen, wat zij nooit gekund hadden. Namelijk verzoening aanbrengen in een weg van recht. Niet één, maar al de deugden van God verheerlijken! En een luchtige wolk heeft hen overschaduwd. En ziet een stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb. Hoort Hem. Er is geen weg op de manier zoals Mozes die uitdacht. Zelf verzoening doen is onmogelijk. Er is geen weg op de manier zoals Elia die uitdacht. De weg van de wet is geblokkeerd. Wie zondigt, moet sterven.
Maar nu klinkt: Hoort Hem. Zie op Christus. En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd. En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: staat op en vrees niet. En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen (Mattheus 17:6-8)
Dat geve ons de Heere, aanstaande rustdag. Niemand anders te zien, dan Jezus alleen, in Wie beide, genade en recht verheerlijkt zijn, tot heerlijkheid en glorie van God Drie-enig.
Amen.
Slotzang Psalm 85:1:
Gij hebt Uw land, o HEER, die gunst betoond, Dat Jacobs zaad opnieuw in vrijheid woont; De schuld Uws volks hebt G' uit Uw boek gedaan; Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan; Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust; De hitte van Uw gramschap is geblust. O heilrijk God, weer verder ons verdriet, Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn te niet.
Andere preken over 1 Koningen
Andere preken voor Elia